Verrassing! Tieners gebruiken technologie om vriendschappen te versterken (Linda Duits)

Ik blogde zelf al over dit PEW-onderzoek maar Linda maakte een fijne samenvatting op dieponderzoek.nl.

Het was een grote verrassing voor The New York Times: een recent rapport van Pew Internet laat zien dat Amerikaanse tieners (13-17 jaar) online gelukkige levens leiden. “Where is the doom and gloom?” vroeg de verslaggever zich af. Lezers van dit blog zullen nauwelijks verbaasd zijn over de resultaten. Sociale media zijn een manier om nieuwe vriendschappen te maken en bestaande vriendschappen te onderhouden. Er gebeurt wel eens iets negatiefs, maar dat staat in geen verhouding tot de vele leuke en fijne momenten.

Een paar inzichten uit het rapport:

  • 57% heeft online een nieuwe vriend gemaakt. Jongens doen dat iets makkelijker dan meisjes;
  • Bij nieuwe ontmoetingen deelt 62% van de tieners hun nickname op sociale media zodat ze in contact kunnen blijven.
  • Vriendschappen gaan soms voorbij. 58% van de tieners heeft wel eens een voormalig vriend verwijderd van sociale netwerken, 45% iemand geblockt. Meisjes doen dit meer dan jongens;
  • Sms’en is in de VS nog steeds populair: 55% sms’t dagelijks met een vriend. Ter vergelijking: slechts 25% ziet dagelijks een vriend en zes procent emailt dagelijks met een vriend;
  • De school is nog steeds de belangrijkste ontmoetingsplek. 83% brengt daar tijd door met beste vrienden. Bij iemand thuis langs gaan staat met 58% een stuk lager. 55% brengt online tijd door met hun beste vrienden – verbazingwekkend laag;
  • Ook instant messaging is opmerkelijk populair. 27% doet dat dagelijks met een vriend. Wellicht komt dit door AOL Instant Messager – AOL is de grootste internetaanbieder in de VS. Messaging apps, waaronder Whatsapp, worden maar door 14% dagelijks gebruikt;
  • Amerikaanse tieners blijken nog graag te bellen. Dertien procent noemt de telefoon als voorkeurs communicatiemiddel. 49% noemt sms. Geld speelt een rol: tieners uit arme milieus gebruiken eerder sociale media om te communiceren dan de telefoon of sms. 85% zegt bellend tijd met hun vrienden door te brengen en 19% doet dat elke dag;
  • Jongens games meer dan meisjes (84% tegenover 59%). Bij het ontmoeten van nieuwe mensen deelt 38% van de jongens hun gaming handle (de nickname die ze in een spel hebben). Slechts zeven procent van de meisjes doet dit;
  • Van al dat gamen raakt dertig procent wel eens gefrustreerd. Maar: 82% geeft aan dat ze gelukkiger en relaxter worden van gamen. 78% vindt dat je van gamen meer verbonden raakt met je vrienden.

Ik verwacht dat in Nederland deze cijfers er heel anders uit zien. 97% van de Nederlandse jongeren heeft een smartphone (zo bleek uit recent onderzoek van Kennisnet) en Whatsapp is hier ongekend populair.

Onderwijs in het nieuws bij begin schooljaar (deel 3)

Nu komen we goed op kruissnelheid, met:

Lectuur op zaterdag: big history, ongezonde traktaties en psychologisch onderzoek

De weekendbijlage bij deze blog:

Tot slot: hoe neem je weerwraak op telemarketeers?

Levert de crisis betere leerkrachten op?

Het klinkt misschien op het eerste gezicht gek, maar een nieuwe (Amerikaanse) studie toont dat leerkrachten die aangeworven worden in een recessie betere resultaten zouden opleveren dan hun collega’s. De redenering hierachter is dat in recessies er minder werk is en sterkere studenten toch voor onderwijs kiezen.

Voor het onderzoek vergeleken ze de schoolresultaten van leerlingen die les kregen van 5200 leerkrachten die tijdens de crisis aangeworven werden met 27800 collega’s. Allemaal gaven ze les in Florida.

Ik heb het eigenlijke onderzoek, dat op een conferentie in Mannheim wordt voorgesteld, nog niet kunnen lezen, maar vond de informatie in dit artikel van de BBC.

Mijn opinie in de Morgen vandaag: ‘Die ene vrijdag’ over kansarmoede in hoger onderwijs

Kreeg woensdag de vraag of ik een opinie wou schrijven die bij de reeks over kansarmoede in De Morgen zou horen.

Het is een vrijdag, jaren geleden. Ik deel de rapporten uit aan de eerstejaarsstudenten. Vandaag krijgen studenten een mailtje met hun resultaat, maar toen mochten we nog letterlijk delen in vreugde en teleurstelling. Veel studenten reageren met een gelukkige uitroep, hier en daar zie ik de nodige teleurstelling, af en toe een student die met een blik duidelijk maakt vooral opgelucht te zijn. Ik feliciteer de een na de andere, stop tijd in een gesprek met degenen die niet kregen wat ze verwacht of gehoopt hadden. Morgen komen ze terug voor de officiële feedbacksessies. Het lokaal loopt stilaan leeg. Dan zie ik haar. Laat ik haar Nathalie noemen. Ze huilt, wat me heel erg verbaast. Haar resultaten maakten haar bij de beste studenten die het eerste jaar met succes afronden.

Ik vroeg haar wat er aan de hand was. Had ze nog meer verwacht? Ze huilde niet om het resultaat, maar uit wat volgde bleek hoe bovenmenselijk haar prestaties wel geweest waren. Tijdens het academiejaar was ze thuis uit het huis gegooid. Iets met een nieuwe partner van haar moeder die haar niet meer in huis wou. Opeens stond ze er helemaal alleen voor. Er volgde een zoektocht naar hoe verder. Aankloppen bij het OCMW, werken, studeren. Ze had steun gevraagd en gekregen van de sociale voorzieningen van onze hogeschool. Niet enkel financiële steun, maar ook een luisterend oor. Ik wist niets over haar verhaal. Het voorbije jaar had ik wel zelf met enkele studenten na een gesprek over hun moeilijke situatie de weg naar de sociale voorzieningen getoond, maar bij Nathalie had ik nooit iets vermoed, nooit iets gezien. Nu huilde ze voor de eenzame maanden die haar te wachten stonden. Geen contact meer met medestudenten. Werken, niet voor school, maar omdat het niet anders kan.

Het is een van de vele verhalen die je als docent tegenkomt, alhoewel het allemaal in het hoger onderwijs wat afstandelijker kan verlopen. Grotere groepen, studenten die al wat meer volwassen zouden moeten zijn. Ondertussen is het aantal studenten dat met een leefloon moeten rondkomen in ons land de voorbije 10 jaar stelselmatig gestegen. Het aantal studenten met een leefloon steeg sinds 2005 met 82%. Dit is niet noodzakelijk negatief. Het kan namelijk ook betekenen dat meer jongeren de weg naar steun vinden en zo kunnen studeren.

Het klopt, inschrijven aan de universiteit of aan de hogeschool is ten opzichte van sommige buitenlanden nog steeds relatief goedkoop, maar de kostprijs gaat veel verder dan het inschrijvingsgeld. Boeken, excursies, materiaal, vervoer naar stages,… We hebben het geluk dat ons land nog studiebeurzen kent, maar deze zijn vandaag vaak niet meer toereikend. Als we nadenken over welke handboeken of cursussen de studenten moeten kopen, oppert er gelukkig altijd wel iemand om stil te staan bij de kostprijs. Het is vaak een moeilijk afwegen tussen budget en inhoud.

In Nederland stelt het Nibud, het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting, dat door het afschaffen van de basisbeurs dit jaar de drempel om te studeren voor veel jongeren zeer hoog wordt. Er is wel een sociale studielening voorzien, waardoor jongeren hun studieschuld pas moeten afbetalen als ze eenmaal werken, maar het Nibud vreest dat zelfs met die lening jongeren niet meer zullen kunnen studeren zonder financiële steun van hun ouders. Iets wat voor iemand als Nathalie de doodsteek zou betekenen.

Dan zou dus betekenen dat ondertussen tientallen leerlingen geen les zouden gekregen hebben van de fantastische leerkracht die Nathalie ondertussen al enkele jaren is en met haar verschillende andere. Leerkrachten die zich wellicht extra goed kunnen inleven in de situaties en uitdagingen die de voorbije dagen in deze krant in de reeks ‘bank achteruit’ zijn verschenen. Spijtig genoeg zijn ze vooralsnog witte raven, want de laatste drempel in de vele treden die we in het onderwijs hebben is deze van het hoger onderwijs vaak ook nog hoog.

Nathalie is niet haar echte naam, sommige details paste ik ook bewust aan. Mocht ze dit lezen, nog steeds trots dat ik aan haar mocht les geven.

Onderwijs in het nieuws bij begin schooljaar (2015, deel 2)

Na deel 1, het vervolg!

Wedden dat er de komende dagen nog veel, veel meer komt?

Nieuw onderzoek bevestigt: best geen telefoon mee naar bed voor tieners

Nieuw onderzoek, specifiek naar de invloed van het licht van schermen zoals telefoon of tablet op je slaap, toont dat vooral jonge tieners tussen 9 en 15 extra gevoelig zijn voor een verstoord slaapritme door het licht van hun mobiele toestel. Tieners die al verder in hun puberteit zaten, bleken er veel minder last van te hebben.

Mary Carskadon vat samen “Small amounts of light at night, such as light from screens, can be enough to affect sleep patterns. Students who have tablets or TVs or computers — even an ‘old-school’ flashlight under the covers to read — are pushing their circadian clocks to a later timing. This makes it harder to go to sleep and wake up at times early the next morning for school.”

Abstract van de studie:

Late adolescence is marked by a delay in sleep timing, which is partly driven by a delay shift of the circadian timing system. This study examined whether the sensitivity of the circadian system to light – the primary entraining stimulus to the circadian system – differs between pre- to mid-pubertal and late- to post-pubertal adolescents.

To determine the influence of puberty on the sensitivity of the circadian system to light in humans.

Melatonin suppression to low and moderate light levels was assessed in 38 pre- to mid-pubertal (9.1–14.7 years) and 29 late- to post-pubertal (11.5–15.9 years) adolescents. They received 1 hour of 4 light levels on consecutive nights: ∾0.1 (near-dark baseline condition), 15, 150, and 500 lux. One group received evening light beginning at 2300 (n=39); a second group received morning light beginning at 0300 (n=28). Salivary melatonin was sampled every 30 minutes. Melatonin suppression for 15, 150 and 500 lux was calculated relative to unsuppressed baseline levels in the ∼0.1 lux setting, within individuals.

The pre- to mid-pubertal group showed significantly greater melatonin suppression to 15 lux (9.2 ± 20.5%), 150 lux (26.0 ± 17.7%), and 500 lux (36.9 ± 11.4%) during evening light exposure compared to the late- to post-pubertal group (-5.3 ± 17.7%, 12.5 ± 17.3%, and 23.9 ± 21.7%, respectively; p < .05). No significant differences were seen between developmental groups in morning melatonin suppression.

These results indicate support for a greater sensitivity to evening light in early pubertal children. The increased sensitivity to light in younger adolescents suggests that exposure to evening light could be particularly disruptive to sleep regulation for this group.