Lectuur op zaterdag: zomerscholen, kettingbrieven, studiekeuze en vrouwen op de radio.

De weekendbijlage bij deze blog:

Nu virtual, mixed of augmented reality belangrijker wordt, is het best je tot slot voor te bereiden op de toekomst:

HEADLINES OF THE FUTURE


Catherine Allen predicts the virtual reality-themed headlines that could come as part of the moral panic surrounding the technology.
VR ATTRACTION FORCED TO CLOSE DUE TO MENTAL HEALTH LAWSUIT
January 29, 2018
STUDY SAYS VR PORN “LEADS TO REAL LIFE ERECTILE DYSFUNCTION”
February 2, 2019
VR CELEBRITY SEX GAME, “VRAPPENING”, CAUSES WAVE OF INJUNCTIONS
August 1, 2019
“VR GANG RAPES ARE UNLAWFUL” SAYS JUDGE
January 18, 2020
TEEN MACHETE MURDERER: 4 YEARS PROLONGED VR EXPOSURE REVEALED
September 5, 2021
ALT-RIGHT TECHNOFUTURIST CULT USES VR TO BRAINWASH NEW MEMBERS
February 12, 2022
US GOVERNMENT DEFENDS USE OF VR TORTURE. SECRETARY OF DEFENSE SAYS “VR CAUSES NO PHYSICAL HARM”
June 22, 2024

De toekomst is aan de ruimte, de ruimte aan de jongeren

Nog een van de laatste studentenblogs van dit jaar!

POP-up

Door: Saar Brackx, Gladys De Mol, Mieke Wylin en Wim Willaerts

Het bevolkingsaantal stijgt met rasse schreden. Maar hoe snel precies? Volgens Meadows et al. bestond onze bevolking in 1650 uit 0,5 miljard mensen. Tegen 1900 was dit aantal tot 1,6 miljard gegroeid, een snellere toename zorgde in 1965 voor een totaal van 3,3 miljard. Er was niet alleen sprake van een snelle bevolkingsgroei, ook de verdubbelingstijd nam af. Een afnemend sterftecijfer dat hoger was dan het geboortecijfer, zorgde mee voor deze toename. Tegen 2000 telde onze bevolking 6 miljard mensen. Men denkt dat de wereldbevolking in de toekomst nog zal groeien.

Volgens een studie van de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (Vito) in 2014 verdwijnt in Vlaanderen elke dag 6 hectare aan open ruimte. ‘Iedereen wil een nieuwe woning met ruime tuin’. We zullen dus de baksteen in onze maag drastisch moeten verkleinen.

Bovendien is het zo dat de…

View original post 1.486 woorden meer

Mindfulness training zorgt niet noodzakelijk voor meer empathie (en kan narcisme erger maken)

De voorbije weken waren er verschillende oproepen tot meer mindfulness in onze wereld en eventueel onze scholen. Jonathan Holslag, David Van Reybroeck,… deden hun duit in het mindfulness-zakje. Ik ben er zelf niet op tegen, ken verschillende beoefenaars, maar ben zelf vooral nieuwsgierig naar de wetenschappelijke kant van het verhaal (en voorlopig lijkt het tegen te vallen voor onderwijs).

Een nieuwe, Nederlandse studie gepubliceerd in Self and Identity onderzocht de link tussen mindfulness, empathie en narcisme. 161 deelnemers aan het onderzoek werden random in drie groepen verdeeld. Elke deelnemer vulde een vragenlijst rond narcisme en autisme. 1 groep kreeg vervolgens een mindfulnesstraining van 5 minuten, de tweede groep kreeg een relaxatietraining en de derde groep mag wat zitten dromen en vrij denken.

Vervolgens werden via verschillende testen de empathische gevoelens van de deelnemers gemeten. Er was nauwelijks effect vast te stellen, behalve voor de niet-narcistische deelnemers. Voor narcistische deelnemers ging de empathie echter achteruit.

Je kan wel wat bedenkingen maken. De vijf minuten training is wellicht wel heel erg kort. De effecten zijn ook beperkt.  Dus komt er de gebruikelijke oproep dat meer onderzoek nodig is.

Abstract van het onderzoek:

Cultivating empathy is a presumed benefit of mindfulness, but this possibility has rarely been investigated experimentally. We examined whether a five-minute mindfulness exercise would cultivate empathy relative to two equally brief control exercises: relaxation and mind-wandering. We further examined whether mindfulness would be especially beneficial for people with autistic or narcissistic traits. Results showed no effect of mindfulness relative to both control conditions on mind reading, empathic responding, or prosocial behavior. Mindfulness effects were independent of autistic traits. Unexpectedly, people higher in autistic traits did show increased prosocial behavior across conditions. Intriguingly, mindfulness improved mind reading in non-narcissistic people, but reduced it in narcissistic people. These findings question whether a brief mindfulness exercise is sufficient for building empathy.

Een reflectie: Hoe ver mag je als ouder gaan?

Kleutergewijs

Hoe ver (letterlijk!) mag je als ouder gaan wanneer je je kinderen naar school brengt? Welke al dan niet denkbeeldige lijn wordt er voor ouders getrokken? Het verschil in visie en aanpak van scholen is vaak groot in de praktijk. Telkens wanneer ik studenten bezoek tijdens stageperiodes, en ik in de ochtend weer een andere school binnen wandel, stel ik mezelf de vraag waar de keuze van scholen op gebaseerd is (tot aan de lijn, tot op de speelplaats, tot in de klas), en wat het effect daarvan is op betrokkenheid van en met ouders.

Het STOP! -signaal

Je ziet het wel vaker aan de schoolpoort van de kleuterschool, het bord “vanaf hier kan ik het alleen!” of “hier neem ik afscheid!”. Soms ontbreken de borden, en is het een rode of witte lijn die visueel aangeeft wanneer ouders al dan niet ‘in overtreding zijn’ wanneer ze hun zoon of…

View original post 535 woorden meer

Persbericht NRO: Passend onderwijs in het mbo maakt meer los dan gedacht

Passend onderwijs in het Nederlandse onderwijs (vergelijkbaar met het Vlaamse M-decreet) bestaat 2 jaar. Dit nieuwe onderzoek samengevat in het persbericht bekijkt specifiek de effecten voor het beroepsonderwijs:

De impact van passend onderwijs is groter dan de meeste mbo’s in 2014 hadden voorzien. Toen verwachtten de meeste instellingen nog dat het slechts tot beperkte veranderingen zou leiden. Dat constateert het Kenniscentrum Beroepsonderwijs Arbeidsmarkt Nijmegen na de balans van twee jaar passend onderwijs in het mbo te hebben opgemaakt. Ruim driekwart van de mbo’s heeft het beleid aangepast. Zo is er meer oog voor de ondersteuning die studenten behoeven en zijn docenten en mentoren daar meer bij betrokken.

Mbo-instellingen hebben veel ruimte om zelf invulling te geven aan passend onderwijs. Het aantal formele verplichtingen is gering en de beleidsdoelen zijn algemeen geformuleerd. De instellingen kunnen zelf bepalen welke specifieke doelen met passend onderwijs ze moeten bereiken en hoeveel mensen en middelen ze inzetten. Bij alle verschillen die daardoor optreden, is het opvallend dat bepaalde ontwikkelingen zich ook breed in het mbo voordoen.

Toelatingsbeleid

Uit het onderzoek blijkt niet dat de invoering van passend onderwijs heeft geleid tot meer of minder afwijzingen van studenten. Feitelijke afwijzingen komen relatief weinig voor. Zelf geven veel instellingen aan dat zij de instroom van studenten met een (zware) ondersteuningsbehoefte zien stijgen. Getallen daarover ontbreken echter.

Mbo’s zijn zich er dankzij passend onderwijs meer van bewust dat deze studenten extra aandacht behoeven. Bijna alle instellingen hebben geïnvesteerd in de kwaliteit en betrouwbaarheid van de intake- en toelatingsprocedures. Het merendeel kent nu vaste procedures en criteria voor toelating.

Kans op werk

Maar er is meer onduidelijkheid ontstaan over de criteria die te maken hebben met geschiktheid voor het beroep en de kans op stage en werk. Kan en mag de geschiktheid voor het beroep of de kans op werk een rol spelen in de toelating? Welke alternatieven kan het mbo bieden als het diploma toch niet bereikbaar blijkt? Het zijn actuele vragen die spelen in het mbo.

Basisondersteuning

Wellicht is de grootste impact van passend onderwijs de versterking van de basisondersteuning. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de begeleiding en specifieke ondersteuning van de student, maar ook naar het onderwijs in de klas. Veel instellingen geven aan hier zelf tevreden over te zijn, maar tegelijkertijd zijn er ook veel knelpunten. Hoe succesvol de verbetering van deze ondersteuning daadwerkelijk is, kan niet op basis van dit onderzoek worden vastgesteld.

Wel is duidelijk dat de opleidingsteams – docenten, studieloopbaanbegeleiders en mentoren – meer merken van passend onderwijs dan voorheen. Uit de casestudies blijkt dat de mbo-instellingen bezig zijn om meer ondersteuning en expertise bij de opleidingsteams onder te brengen.

T. Eimers & R. Kennis (2017), Passend onderwijs in het mbo: tussenbalans. Kenniscentrum Beroepsonderwijs Arbeidsmarkt Nijmegen.

Dit onderzoek maakt deel uit van het NRO-onderzoeksprogramma Evaluatie Passend Onderwijs.

Buitenlandse studenten kunnen big business zijn

Er is een nieuwe Education Indicators in Focus brief van de OESO en deze keer ligt de focus op internationale studenten en hoeveel deze moeten betalen voor hoger onderwijs in vergelijking met binnenlandse studenten.

De grafiek maakt inderdaad duidelijk dat dit behoorlijk kan verschillen:

Wat merkt men nog meer bij analyse:

  • In most countries with available data, public educational institutions charge different tuition fees for national and foreign students enrolled in the same programme.
  • In Australia, Austria, Canada, New Zealand and the United States, foreign students pay on average about twice or more the tuition fees charged to national students.
  • In Australia and New Zealand, the estimated revenue from foreign students’ tuition fees exceeds one-quarter of the total expenditure on tertiary educational institutions.
  • Recent reforms in Denmark, New Zealand and Sweden show that changes in foreign students’ fees are re ected by changes in the number of international new entrants.

Of ook samengevat:

The number of students enrolled in tertiary education outside their country of citizenship has been steadily increasing over the last 15 years. Some countries attract foreign students on a revenue-generating or at least a cost-recovery basis, while others do not differentiate between the tuition fees paid by national and foreign students. The evidence from recent tuition-fee reforms suggests that tuition fees influence the choice of destination countries among international new entrants. However, higher tuition fees do not necessarily discourage international students, and can contribute substantially to the funding of tertiary education.

Technopolis organiseert een wedstrijd en Henk Rijckaert weet meer!

Technopolis organiseert een wedstrijd voor leerlingen van de 3e graad secundair onderwijs. In Pitch and Play moeten ze een interactieve opstelling (of exhibit) voor Technopolis bedenken. En ze hebben Henk gevraagd om een filmpje te maken dat die jongeren zou aanmoedigen om aan die wedstrijd deel te nemen. Henk vroeg dan weer aan mij om zijn oproep te verspreiden.

Bij deze!

Het positieve effect van vaders op leren

Volgens een studie van onderzoekers van zowel Imperial College London, King’s College London als Oxford University heeft de betrokkenheid van de vader een belangrijke impact op de cognitieve ontwikkeling en het leren van baby’s. Eerder onderzoek toonde al het belang van de moeder voor het leren, maar de rol van de vader mag ook niet vergeten worden (bericht de BBC). De positieve impact van een betrokken vader zou al duidelijk worden vanaf 3 maanden, maar is helder in de cognitieve prestaties van een 2 jaar oude peuter.

Abstract van het onderzoek:

The quality of father–child interactions has become a focus of increasing research in the field of child development. We examined the potential contribution of father–child interactions at both 3 months and 24 months to children’s cognitive development at 24 months. Observational measures of father–child interactions at 3 and 24 months were used to assess the quality of fathers’ parenting (n = 192). At 24 months, the Mental Developmental Index (MDI) of the Bayley Scales of Infant Development, Second Edition (N. Bayley, 1993) measured cognitive functioning. The association between interactions and cognitive development was examined using multiple linear regression analyses, adjusting for paternal age, education and depression, infant age, and maternal sensitivity. Children whose fathers displayed more withdrawn and depressive behaviors in father–infant interactions at 3 months scored lower on the MDI at 24 months. At 24 months, children whose fathers were more engaged and sensitive as well as those whose fathers were less controlling in their interactions scored higher on the MDI. These findings were independent of the effects of maternal sensitivity. Results indicate that father–child interactions, even from a very young age (i.e., 3 months) may influence children’s cognitive development. They highlight the potential significance of interventions to promote positive parenting by fathers and policies that encourage fathers to spend more time with their young children.

Nieuwe meta-analyse richt zich op wat werkt in onderwijs voor kinderen uit gezinnen met laag inkomen

Ondertussen kennen we via John Hattie het gegeven van meta-analyses in onderwijs. Maar vaak komt al snel de commentaar dat bij het vergelijken van alle bestaande onderzoeken, bepaalde nuances verloren gaan. Dat klopt als je enkel naar het eindcijfer kijkt.

Er is nu een nieuwe meta-analyse gepubliceerd door Jens Dietrichson, Martin Bøg, Trine Filges en Anne-Marie Klint Jørgensen richt zich op een welbepaalde nuance: namelijk ‘wat werkt’ er voor kinderen uit gezinnen met een lage SES.

Deze grafieken tonen de resultaten:

Hierbij merken de onderzoekers wel enkele zaken op:

  • geen enkele aanpak zal de kloof tussen kinderen uit gezinnen met lage SES en hoge SES volledig dichten, maar de beter werkende aanpakken verkleinen wel die kloof.
  • Voor sommige aanpakken, net onder de top 4 is het mindere effect mogelijk te danken aan het beperkt aantal studies.

Zelf wil ik ook nog 2 opvallende zaken meegeven:

  • Merk vooral op hoe extrinsieke beloningssystemen voor zowel leerlingen als leerkrachten geen enkel effect lijken te hebben.
  • In Figure 5 wordt ook duidelijk waarom 1 effect size cijfer niet zo veel zegt: het gaat over een interval, waarbij sommige van de aanpakken gaan tussen geen en veel effect (bijvoorbeeld small-group instruction). Om te weten wanneer welke effectgrootte speelt, kijk je best naar de oorspronkelijke studies. I know, het is dus niet zo simpel.

Tot slot, Larry Ferlazzo omschreef de 4 beste aanpakken kort, zodat je ook weet waarover het gaat:

1. TUTORING

Tutoring interventions were activities where students got supplemental pedagogical support from an instructor, either one-to-one or in a small group (five students or fewer). Tutors could be volunteers, paid non-teachers, or professional teachers. The interventions included in the tutoring category were often highly structured programs (e.g., manual based) implemented over a limited time period, typically 12 to 20 weeks.

2. FEEDBACK & PROGRESS MONITORING

This category included interventions that added a specific feedback or progress monitoring component, where teachers or students received detailed information about the students’ development. The objective was often to customize instruction to the individual student’s needs. Note that tutoring and cooperative learning are also likely to contain increased feedback, but because such feedback is embedded in the regular set up of these programs, these interventions are not coded in this category. Interventions had to add an extra component of feedback or progress monitoring to be coded here.

3. SMALL GROUP INSTRUCTION

Interventions in this category included instruction where students are placed in groups smaller than regular class sizes. These interventions differed from those in which learning in small groups are built in, such as cooperative learning and tutoring. There was no cooperative learning element explicitly included in the interventions coded in this category, and the groups were larger than what normally counts as tutoring (here defined as more than five students per group).

4. COOPERATIVE LEARNING 

Cooperative learning, or peer-assisted learning, referred to interventions where students work together in pairs or small groups in a systematic and structured manner. Examples included students acting as pedagogical instructors for each other, as when more able students help less able students.

Abstract van het onderzoek:

Socioeconomic status is a major predictor of educational achievement. This systematic review and meta-analysis seeks to identify effective academic interventions for elementary and middle school students with low socioeconomic status. Included studies have used a treatment-control group design, were performed in OECD and EU countries, and measured achievement by standardized tests in mathematics or reading. The analysis included 101 studies performed during 2000 to 2014, 76% of which were randomized controlled trials. The effect sizes (ES) of many interventions indicate that it is possible to substantially improve educational achievement for the target group. Intervention components such as tutoring (ES = 0.36), feedback and progress monitoring (ES = 0.32), and cooperative learning (ES = 0.22) have average ES that are educationally important, statistically significant, and robust. There is also substantial variation in effect sizes, within and between components, which cannot be fully explained by observable study characteristics.