Handig: Toolbox Mediaopvoeding: Media? Gewoon opvoeden!

De voorbije dagen was het behoorlijk druk in Nederland, met oa deze Monitor Jeugd en Media, gisteren ook Kennisnet die een conferentie had over Wat werkt met ICT (maar waarbij oa een van de keynotes wel heel erg dicht aanschuurde bij leerstijlen en volgens een paar tweeps onze bingo met mythes wel van pas had kunnen komen).

Maar er werd ook door het Nederlands Jeugdinstituut een nieuwe toolbox voor mediaopvoeding gepubliceerd voor professionals om deze te helpen ouders bij te staan.

“Ouders weten vaak niet waar zij goede antwoorden op dit soort vragen over kinderen en media kunnen vinden. Beroepskrachten kunnen ouders helpen bij het vinden van die antwoorden. Om hen daarbij behulpzaam te zijn heeft het Nederlands Jeugdinstituut de Toolbox Mediaopvoeding ontwikkeld. De toolbox is in zijn geheel te aan te schaffen en losse onderdelen zijn te bestellen en te downloaden. Gaat u in uw werk de tipsheets voor ouders gebruiken, dan adviseren wij u de kwalitatief goede originelen te bestellen.”

Je kan de toolbox hier downloaden (of bestellen).

Een PISA in Focus over de vraag: krijgen we waar voor ons geld in onderwijs?

Een nieuwe PISA in Focus kijkt naar hoe scholen veranderden de voorbije 10 jaar, maar legt daarbij vooral de nadruk op investeringen versus resultaat.

En het antwoord is genuanceerd:

  • The quantity and quality of resources available to schools improved significantly between 2003 and 2012, on average across OECD countries. Greater financial investments in education provided schools with better teaching staff, instructional materials and physical infrastructure.
  • The learning environment in schools across OECD countries improved between 2003 and 2012, particularly when it comes to teacher-student relations and the proportion of students who arrive late for school.
  • The degree to which students from different socio-economic backgrounds attend the same school did not change between 2003 and 2012, while students with different academic abilities and needs were less likely to attend the same school in 2012 than in 2003, on average across OECD countries.

De conclusie is dan ook:

Although schools are better equipped and staffed today than a decade ago, and provide more positive learning environments for students, there has been no simultaneous improvements in schools’ social and academic inclusiveness. Ensuring that disadvantaged and struggling students have access to high-quality schools (e.g. through financial incentives, improving disadvantaged families’ access to information, or other mechanisms) can be a way to increase schools’ socio-economic and academic inclusion in the future.

Het onbewaakte moment

Pedro:

Zeer mooi stuk over helicopterouders en onze schrik, bekeken vanuit een jongere zelf.

Originally posted on Anke schrijft het neer:

Twintig jaar geleden verdwenen twee meisjes. Twintig jaar geleden werd alles plots onveilig. Er komen regeltjes. We mogen niet meer met vreemden spreken, alleen op pad is verboden, witte bestelwagens zijn altijd verdacht, en zeker voor het donker thuis. Twintig jaar geleden was ik zelf nog een kind: vijf jaar, mij van geen kwaad bewust. De boze wolf was toen nog gewoon een wolf, geen mens van vlees en bloed met slechte bedoelingen.

Ik werd ouder. En ik speelde nog altijd buiten. De beelden op televisie waren vaag, maar ze waren er wel: twee meisjes, nog meer meisjes, een verborgen kruipkamertje achter een kast. Mijn ouders die huilden voor het televisiescherm toen hun kleine lijfjes uit het huis werden gehaald. Ze rilden. Mijn ouders ook. De mensen spuwden hun helderwit gal. Een nooit geziene massa golfde traag door de hoofdstad. Ingetogen woede die alles veranderde. Omdat het moest. Omdat het…

View original 1.563 woorden meer

Drie woorden die vaak vergeten worden over leren

Momenteel lees je in verschillende artikelen (oa in De Morgen) over hoe studenten aan de universiteiten en hogescholen fouten maken, zowel inhoudelijk als taalfouten. In een opinie wordt een link gelegd met mogelijk weinig historisch besef en, yep daar is ie weer, technologie.

Los van het feit dat zolang ik me kan herinneren er grappige antwoorden op examens circuleren, wil ik een andere, mogelijke verklaring meegeven, we vergeten vaak 3 woorden over leren. Volgens Hattie en Yates kost leren tijd, inspanning en motivatie. Richard Wiseman ziet drie andere cruciale woorden: work really hard.

Maar dit is iets dat vandaag vaak vergeten wordt. Niet per se door de studenten zelf, maar wel door denkers over onderwijs. Nicholas Negroponte deed ons vorig jaar dromen over een pil die je een taal doet leren, klaar tegen 2050. Geen uren meer blokken op vervoegingen, geen oefeningen meer maken, nee, een pilletje Spaans slikken. Als je de Jommeke-strip deze weken in het Nieuwsblad leest over de Babbelpil, kan je enkel glimlachen. De man heeft mogelijk een punt, recent onderzoek toonde dat we mogelijk via medicatie gevoelige periodes opnieuw mogelijk kunnen maken. We leren makkelijker talen als we erg jong zijn, deze taalpil zou dat dus op latere leeftijd misschien mogelijk maken. Maar zelfs dan zou het niet zo eenvoudig zijn als Negroponte voorstelt en zullen beide drie woorden belangrijk blijven.

Als we collectief roepen dat je alles kan opzoeken op Google en dus geen kennis meer nodig hebt (niet dus, oa kritische geest en creativiteit kan je niet downloaden), of dat leren vooral leuk moet zijn (graag, maar kan niet altijd, leuk en leren kan elkaar zelfs tegenwerken), communiceren we (on)bewust dat hard werken niet meer belangrijk zou zijn voor leren.

Spijtig genoeg zijn kennis, doorzetting en hard werk nog steeds cruciaal voor leren, naast het vele andere. Maar je krijgt er ook iets voor terug, als het lukt: voldoening. Iets wat je krijgt zonder moeite kan leuk zijn. Iets wat je bereikt met veel moeite, is van een hele andere orde.

Wat mij opviel in de Nederlandse Monitor Jeugd en Media 2015

Vandaag om 16u werd de Nederlandse Monitor Jeugd en Media 2015 van Kennisnet en Mediawijzer vrijgegeven. Een leuk vogeltje bracht het rapport eerder op mijn bureau waardoor ik je nu al de voor mij opvallendste elementen kan meegeven:

  • Ondanks alle (digitale) media, willen jongeren eerst en vooral face-to-face contact (meisjes iets meer dan jongens):
    • 73% kiest groepsgewijs face-to-face contact (in een vriendengroep);
    • 68% kiest individueel face-to-face contact (1-op1);
    • eveneens 68% kiest het sturen van berichtjes.
  • Waarom ze dan toch ook sociale media gebruiken voor contact?
    • 56% omdat het handiger is,
    • 38% vindt het makkelijker;
    • 15% durft meer te zeggen;
    • 13% voelt zich minder verlegen;
    • slechts 10% zegt dat het leuker is.
  • De Nederlandse jongeren gebruiken hun telefoon nog veel voor… bellen. Het komt op de tweede plaats, maar berichtjes sturen is populairder. En ja, lang leve Whatsapp (voor sociaal én school).

Er is trouwens heel veel over school te vinden, eerst de big one voor mij, over technologie op school:

  • het smartboard is inmiddels normaal geworden (slechts 7% van de respondenten meldt dat er bij hen nog steeds met schoolbord en krijtjes wordt gewerkt);
  • een derde (33%) van de respondenten meldt dat hun school het gebruik van ict-middelen (zoals computer, smartphone en tablet) voor het maken van huiswerk echt stimuleert;
  • bijna de helft (47%) van de respondenten zegt makkelijker te leren wanneer de stof ook in een filmpje wordt behandeld.

Maar wat vooral opvalt: de leerlingen denken toch genuanceerd over het gebruik van beeldschermmedia in het onderwijs:

  • 39% zegt moeilijker te leren als er alleen maar tekst is;
  • 31% verkiest filmpjes boven uitleg door de docent;
  • 29% zegt makkelijker via computer of tablet te leren dan via boeken;
  • 25% zegt liever op internet naar hulp of uitleg te zoeken dan in de schoolboeken (bij vragen over de stof).

En belangrijk: de kwaliteit van de huidige school-apps is nog voor verbetering vatbaar. Vaak zijn het gewoon nog ‘boeken achter glas’, zonder (interactieve) meerwaarde:

  • slechts 11% bevestigt de stelling dat school-apps net zo goed en mooi gemaakt zijn als de apps en games die ze privé gebruiken.

Wat opvalt: dat jongeren beeldschermmedia voor school wel waarderen, maar dat de meerderheid het ook belangrijk vindt dat er een goede leerkracht is, en dat traditionele media als boeken en schriften er ook bij horen. Mogelijk speelt de matige kwaliteit van de huidige school-apps (vaak niet meer dan ‘boeken achter glas’) daarbij een rol.

En nu nog wat me nog zoal opviel over school in het rapport:

  • Jongeren kunnen kennisboeken (non-fictie) wel kunnen missen voor hun vrije tijd, maar een relatief groot deel van hen dat niet kan voor hun schoolprestaties. 1 op de 4 jongeren vindt kennisboeken nuttig voor school. Jongeren verschillen hierin niet van mening, ongeacht geslacht en onderwijsniveau.
  • Hoe heb je (digitaal) contact met je leerkracht?
    • 36% gebruikt regelmatig e-mail voor contact met de leerkracht;
    • 19% gebruikt regelmatig WhatsApp voor contact met de leerkracht;
    • 13% heeft een of meer leerkrachten als vriend op Facebook;
    • sociale media als Twitter en Instagram worden slechts door 2 tot 4% van de leerlingen gebruikt voor contact met een leerkracht.
  • 5% van de respondenten wisselt vertrouwelijke informatie uit met de leerkracht via digital media. Dat lijkt een gering percentage. Maar uiteindelijk gaat het wel om ca. 90.000 jongeren. Voor hen biedt de leerkracht dus voldoende vertrouwen om persoonlijke zaken mee te bespreken.
  • De populairste media-toepassingen voor school zijn:
    • Google om dingen op te zoeken (60% van de jongeren doet dit regelmatig);
    • apps waarmee ze hun rooster en cijfers kunnen bekijken (eveneens 60%). Oefenen via internet doet bijna de helft van de jongeren:
    • jezelf overhoren via internet: 45%;
    • oefentoetsen raadplegen via internet: 39%.
  • Aanvullende informatie voor het schoolwerk komt via de volgende kanalen:
    • YouTube (26%);
    • informatieve tv-reportages (20%);
    • nieuwsprogramma’s (19%);
    • nieuwssites (16%);
    • de krant (10%).
  • Jongeren gebruiken sociale media het meest… om zekerheid te krijgen over wat het huiswerk ook alweer was. (kon hier enkel maar bij glimlachen).
    • 53% zegt regelmatig via sociale media (WhatsApp, Twitter of Facebook) aan klasgenoten te vragen wat het huiswerk is;
    • 25% gebruikt sociale media om taken te kunnen verdelen bij het samenwerken, of om scans van aantekeningen aan elkaar door te sturen;
    • 13% verstuurt zelf geschreven samenvattingen of foto’s van het eigen huiswerk aan klasgenoten, of vraagt de klasgenoten om hun al gemaakte huiswerk op te sturen.
      (deze laatste cijfers vond ik zelf behoorlijk laag).
  • Wat zijn dan wel de belangrijkste hulpbronnen?
    • 75% gaat regelmatig naar de moeder, en 60% naar de vader;
    • 53% gaat naar de leerkracht;
    • 45% raadpleegt vrienden. Vooral meisjes doen dat;
    • 33% zoekt hulp via Google, of vraagt een broer of zus;
    • 18% zoekt hulp via YouTube (opm. weet niet goed of dit nu hoog of laag te noemen is);
    • 12% zoekt hulp via huiswerkbegeleiding. (dit vind ik dan weer zeer hoog).
  • Valt een beetje buiten de mediavragen, maar zeker interessant:
    • driekwart van de jongeren vindt school belangrijk; (en ja, meisjes meer dan jongens)
    • 6 op de 10 jongeren doet zijn best; (idem)
    • de helft maakt zijn werk niet slordig, en heeft geen moeite om goede cijfers te halen;
    • 4 op de 10 jongeren hebben geen hekel aan hard werken;
    • bijna een kwart van de jongeren heeft geen positieve houding tegenover school
  • En deze cijfers zijn dan weer opvallend… laag:
    • bijna de helft (46%) stuurt wel eens privé-berichtjes tijdens de les; (wellicht laag door meenemen van primair onderwijs).
    • 28% checkt Facebook of Instagram;
    • 10% maakt wel eens stiekem een filmpje of een foto in de klas. (ok dat laatste is weer veel).

 

Presentatie van George Siemens over de toekomst van MOOC’s

De man is een van de invloedrijkste denkers over MOOC’s en technologie in onderwijs. Deze presentatie gaat over the good én the bad, maar is opvallend optimistisch over de toekomst van MOOC’s (alhoewel bijvoorbeeld Gartner ze zelfs ziet verdwijnen). Heeft Siemens gelijk of neemt hij zijn dromen voor werkelijkheid? Bekijk en oordeel zelf.

Rapport & persbericht NRO: Beoordeling van leerlingen bij de kunstvakken is goed mogelijk

Zelf ook betrokken bij Project Kunstvakken en evalueren is bij een kunstvak vaak niet zo evident voor leerkrachten, maar deze reviewstudie (en dit persbericht) van het NRO brengt misschien soelaas:

Beoordelingen zijn niet alleen voorbehouden aan de cognitieve vakken. Ook in de kunstvakken worden leerlingen steeds vaker getoetst. Wat voor beoordelingsinstrumenten er voor kunst zoal zijn, wat ze meten en of ze van goede kwaliteit zijn, wijst een reviewstudie van de Universiteit van Amsterdam uit. Bijna alle beschreven instrumenten waren kwalitatief voldoende tot goed. En ze keken vooral naar de uitvoering en minder naar het beschouwen van kunst.

De Onderwijsraad en de Raad voor Cultuur pleiten voor leerlijnen voor de kunstvakken, die de ontwikkeling van kennis, vaardigheden en houding beschrijven. Om inzicht te krijgen in de culturele ontwikkeling van kinderen moeten leraren deze kunnen beoordelen. Er is echter nog weinig bekend over welke beoordelingsinstrumenten beschikbaar zijn, welke competenties ze meten en welke van voldoende kwaliteit zijn. Om zicht hierop te krijgen, bestudeerden de onderzoekers Engelstalige onderzoeksliteratuur waarin 153 instrumenten zijn beschreven. De definitieve reviewstudie is nu beschikbaar.

Wat wordt beoordeeld?

Er blijken veel verschillende beoordelingsinstrumenten te zijn, ongeveer evenveel voor het primair als voortgezet onderwijs. De meeste beoordelen muziek (61 procent). Daarna volgen beeldende kunst (22 procent), dans (11 procent) en theater (3 procent). Nog 3 procent had betrekking op meerdere disciplines.
Meestal beoordelen de instrumenten een kunstuiting, zoals een muziekuitvoering of een beeldend product, aan de hand van criterialijsten of rubrics. Een rubric is een analytische beoordelingsschaal die meer zegt dan een cijfer alleen. De rubric laat zien wat de leerling wel en nog niet goed heeft gedaan. Andere soorten beoordelingen zijn schriftelijke of mondelinge vragen en een portfolio.

Uitvoering en creatie

In bijna driekwart van de gevallen wordt een product getoetst, in 5 procent een proces en in 13 procent beide. De meeste instrumenten richten zich op competenties die vallen onder uitvoering, oftewel het realiseren van artistieke ideeën door interpretatie en presentatie, en creatie, het bedenken en ontwikkelen van nieuwe artistieke ideeën en werk. Er zijn weinig beoordelingscriteria voor het beschouwen van of reflecteren op kunst.

Expressie en originaliteit

De instrumenten meten niet alleen kennis of technische vaardigheden maar kijken ook naar kwalitatieve aspecten, zoals expressie, toonkwaliteit, sfeer en originaliteit. Elke kunstdiscipline heeft zijn eigen terminologie en vakspecifieke competenties, dus meestal wordt daarnaar gekeken. Maar bepaalde aspecten komen bij alle disciplines voor, zoals technische beheersing, originaliteit of creativiteit, zelfreflectie, samenwerking en inzet of houding.

Uitvoering centraal bij muziek en dans

Bij muziek wordt vooral de uitvoering getoetst: de interpretatie en mate van expressiviteit, de technische en ritmische beheersing. Ook houding krijgt veel aandacht, bijvoorbeeld inzet, doorzettingsvermogen en nauwkeurigheid. Daarnaast komen het gehoor en de klankvoorstelling, en het muzikaal vocabulaire in de beoordelingen voor. Minder aandacht is er voor samenspel of componeren.

Net als bij muziek beoordelen de instrumenten voor dans vooral de uitvoering. Centraal daarbij staan technische aspecten, muzikaal ritmische aspecten, expressiviteit, ruimtegebruik, improvisatie en fysieke aspecten. Veel wordt ook naar houding gekeken, meer dan bij de andere kunstvakken. Het gaat dan om doorzettingsvermogen, toewijding, correcties kunnen ontvangen en dergelijke.

Creativiteit en spel

Bij beeldende vakken gaat het vooral om creativiteit. Niet alleen het eindproduct wordt beoordeeld maar ook het proces. Bij beoordeling van het product gaat het om technische aspecten, vormaspecten en inhoudelijke aspecten (het concept) en bij het proces gaat het om onderzoek en experiment, zelfreflectie, nieuwsgierigheid en inzet.

De weinige beoordelingsinstrumenten op het gebied van theater hebben vooral betrekking op spel, zoals zelfexpressie, geloofwaardigheid en samenwerking. Geen van de instrumenten keek naar het schrijven van theaterteksten of regie.

Groenendijk, T., M.L.C. Damen, F. Haanstra & C.A.M. van Boxtel, Assessment in kunsteducatie. Universiteit van Amsterdam, 2015.

Deze reviewstudie werd gefinancierd door de PROO in 2013, toen deze onderdeel van NWO-MaGW uitmaakte.

Meer informatie