Digitale onderwijstermen? Wie kent die?

PEW publiceerde een interessant rapport over hoe goed digitale onderwijstermen gekend zijn in de VS. En dan zie je dat de Khan academie bij 9% van de volwassen Amerikanen echt gekend is, maar MOOC’s maar bij 5%.

Dit is enerzijds veel, er zouden wellicht merken geld geven voor een naambekendheid van 9%, maar tegelijk zie je hier ook een fundamenteel probleem voor bijvoorbeeld de ooit gehoopte democratiserende werking van MOOC’s. Als slechts een klein deeltje van de bevolking dit fenomeen kent, dan is het niet verwonderlijk dat er sprake is van een Mattheuseffect bij MOOC-gebruikers. En dat blijkt ook uit het rapport:

Fans voor het leven? Boyzone voor altijd, dan even niet en dan weer wel (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Fan ben je meestal niet je hele leven. In fandom zit een carrière, je wisselt van fan-object, van de ene band naar de andere, van de ene serie naar de andere. Dat heeft te maken met veranderingen in je leven. Als je een vriendje krijgt, is het vaak gedaan met de liefde voor een boyband; of je groeit uit je deelname aan een jeugdcultuur rond muziek. Stigma en schaamte spelen hierbij vaak een rol: nog steeds wordt fandom gezien als iets kinderlijks. In een tijd waarin reünies heel normaal zijn, keren sommige fans ook terug naar eerdere fandoms. Dit is nog een weinig onderzocht terrein in fanstudies. Simone Driessen en Bethan Jones analyseerden daarom hun eigen fandom van Boyzone, de boyband uit de jaren ’90 die later weer bij elkaar kwam [abstract, vrije toegang].

Deze methode heet auto-etnografie en is niet ongebruikelijk binnen fanstudies, waar onderzoekers zelf vaak ook fans zijn (daar is zelfs een woord voor: aca-fan, een academische fan). Een auto-etnografie is een zelfreflexieve analyse. Door met zijn tweeën te schrijven, worden twee perspectieven gecombineerd. Het artikel bestaat dan ook vooral uit autobiografisch verslag.

De Nederlandse Driessen was als enige in haar groep 8 fan van Boyzone. Ze leerde Engels dankzij de boyband en zag ze als 12-jarige live in Rotterdam in 1999. De Britse, oudere Jones had aanvankelijk weinig op met boybands waar haar vriendinnen gek van waren, maar werd op slag verliefd op Ronan. Zij bevond zich veel dichterbij de bron en kreeg al in 1994 de kans Boyzone live te zien. Toen het stil werd rond Boyzone luisterde Driessen naar andere muziek, zoals GreenDay. Tijdens de eerste reunie in 2007 was ze twintig en met andere dingen in haar leven bezig. Het was pas bij de dood van Stephen Gately in 2009 dat ze weer betrokken raakte. Toch werd haar fandom onvoldoende aangewakkerd – waarschijnlijk omdat Nederlandse media maar weinig aandacht besteedden aan Gately’s dood – om haar geld te besteden aan het bezoeken van concerten buiten Nederland. Het blijft nu bij kijken en luisteren via internet. Bij Jones zag dit er anders uit: in haar tienertijd was Boyzone actief. Toen Gately in 1999 uit de kast kwam, schreef ze hem een steunbetuiging. Ze bleef de band trouw ook toen ze niet meer optraden. De dood van Gately raakte haar zwaar en haar fandom leefde opnieuw op. Ze heeft foto’s van de band op haar kantoor staan en draagt nog vaak de merchandise.

Driessen en Jones concluderen dat hun fandom van Boyzone hielp met hun identiteit: als jonge meisjes definieerden ze zichzelf en vriendinnen aan de hand van Boyzone. Het opmerkelijkste verschil tussen de twee is wellicht de geografische afstand die Driessen ervoer. Hoewel Nederland en Groot-Brittannië buurlanden zijn, was er een groot verschil in toegang tot de band. Jones voelt zich nog steeds fan, hoewel haar fandom is veranderd omdat de band niet meer hetzelfde is. Voor Driessen biedt Boyzone nu meer een ‘trip down memory lane’ waarin ze terugdenkt aan vroeger en haar vroegere leven. De verschillen tussen wat de auteurs revamping fandom en reflecting on dormant fandom noemen zijn relevant voor verder onderzoek naar fancarrières.

Deze had je nog te goed: de PISA-presentatie

Ondertussen zijn er in de media (en ook op sociale media) de nodige discussies over de PISA-resultaten, waarbij deze discussie misschien ook wat aandacht verdient, namelijk in welke mate je vandaag zeker longitudinaal kan vergelijken.

Traditioneel breng ik ook de samenvattende powerpoint. Deze had je nog te goed:

Persbericht NRO: Evaluatie Passend Onderwijs (zie ook M-decreet)

In Vlaanderen hebben we het M-decreet, in Nederland het niet onvergelijkbare Passend Onderwijs. Er zijn nieuwe resultaten van het NRO die inclusief onderwijs in Nederland monitort in een reeks van verschillende rapporten:

Voor de Evaluatie Passend Onderwijs zijn nieuwe onderzoeksresultaten opgeleverd. Ze geven inzicht in uiteenlopende aspecten van de invoering van passend onderwijs, zoals onder meer de ervaringen van leraren en ouders en de impact op het speciaal onderwijs.

De rapporten zijn tegelijk met de tiende voortgangsrapportage passend onderwijs van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de Tweede Kamer aangeboden. De onderzoeken zijn uitgevoerd door het consortium van het NRO-onderzoeksprogramma Evaluatie Passend Onderwijs. Meer informatie vindt u op www.EvaluatiePassendOnderwijs.nl.

Het NRO geeft de Tweede Kamer op woensdag 7 december van 18.30-20.00 uur een technische briefing van de onderzoeksresultaten. Deze briefing is te volgen via een livestream.

Monitor Ondersteuningsaanbod. Ondersteuningsaanbod voor leerlingen en teamleden in het basisonderwijs, voortgezet onderwijs, speciaal basisonderwijs en speciaal onderwijs, schooljaar 2015/2016.
De monitor geeft zicht op de ondersteuning waarvan leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften gebruik kunnen maken en op de ondersteuning die leraren en andere teamleden op scholen daarbij krijgen. Ook wordt gekeken naar de veranderingen die zich hierin sinds de start van passend onderwijs hebben voorgedaan. In dit onderzoeksrapport wordt verslag gedaan van de eerste afname van deze monitor, in 2016.

Passend onderwijs in de praktijk. Casestudies in het primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs.
In de monitoring en evaluatie van passend onderwijs worden vijftien meerjarige casestudies uitgevoerd. Vijf samenwerkingsverbanden in het primair onderwijs, vijf in het voortgezet onderwijs en vijf mbo-instellingen worden gevolgd van 2015 tot 2020. Het rapport bevat de bevindingen van de eerste ronde integrale casestudies. In de eerste helft van 2016 zijn de vijftien cases voor het eerst bezocht, hebben interviews plaatsgevonden en zijn gegevens en documenten opgevraagd.

Passend onderwijs en de lerarenopleidingen. Thematische casestudy naar de wijze waarop lerarenopleidingen hebben gereageerd op de invoering van passend onderwijs.
Dit onderzoeksrapport is een thematische casestudy naar de wijze waarop lerarenopleidingen in Nederland hebben gereageerd op de invoering van passend onderwijs. De studie beschrijft de impact van de invoering van passend onderwijs op enkele lerarenopleidingen die voorbereiden op het primair onderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs. Daarnaast wordt besproken hoe samenwerkende lerarenopleidingen in ADEF-, LOBO-, ICL- en WOSO-verband anticiperen en reageren op de invoering van passend onderwijs.

De impact van passend onderwijs op het SO/SBO en het VSO.
Wat is de impact van passend onderwijs op het SO/SBO en het VSO? Die vraag wordt beantwoord in deze publicatie, waarbij wordt ingezoomd op veranderingen in (I) de positie van het SO/SBO en het VSO binnen het samenwerkingsverband, (II) het toelatingsproces, (III) het realiseren van dekkend aanbod, en (IV) leerlingstromen. Met verschillende partijen zijn interviews gehouden, waaronder met directeuren/teamleiders van cluster 3-, 4-, en SBO-scholen.

De bomen en het bos. Leraren en ouders over passend onderwijs.
Hoe werkt passend onderwijs in de praktijk? Deze publicatie neemt de lezer mee in een journalistieke zoektocht langs basis- en middelbare scholen. Leraren vertellen over wat zij meemaken met zorgleerlingen en niet-zorgleerlingen. Sluiten de goede bedoelingen van de wet aan bij de werkelijkheid van het lesgeven? Ouders komen aan het woord over wat hun ervaringen zijn op scholen. Krijgen hun kinderen het passende onderwijs dat zij wensen?

Op weg naar nieuw beleid lwoo. Voortgangsonderzoek naar opting out lwoo.
Voor lwoo bestaat per 1 januari 2016 de mogelijkheid tot ‘opting out’. Achttien samenwerkingsverbanden hebben deze mogelijkheid benut om alvast ervaringen te kunnen opdoen met de situatie waarin criteria, duur, procedure en licenties voor lwoo worden losgelaten. In dit rapport komt aan de orde voor welke varianten van opting out is gekozen met bijbehorende beweegredenen, alternatieve invulling en verwachte gevolgen. Tevens wordt per variant beschreven wat de eerste ervaringen zijn van de verschillende belanghebbenden.

Factsheet 1. Leerlingen in speciaal en regulier onderwijs. Update schooljaar 2015/16.
Een onderdeel van het Evaluatieprogramma Passend Onderwijs is het regelmatig presenteren van kengetallen die voor passend onderwijs relevant zijn. Dit gebeurt in de vorm van factsheets over verschillende onderwerpen. Dit factsheet 1 gaat over leerlingstromen tussen regulier en speciaal onderwijs en laat trends hierin zien van vóór tot na de invoering van passend onderwijs; periode 2011-12 tot en met 2015-16.

Loopbanen van zorgleerlingen en niet-zorgleerlingen, van voor de invoering van passend onderwijs.
Dit onderzoek brengt in kaart wat leerlingen doen na afsluiting van hun periode voortgezet onderwijs, in het onderwijs of op de arbeidsmarkt, en of er nog verschillen (merkbaar) zijn tussen zorgleerlingen en niet-zorgleerlingen. Maakt het voor onderwijsloopbanen en kansen op de arbeidsmarkt iets uit wat voor type ondersteuningsbehoeften een leerling heeft? Is er bijvoorbeeld verschil tussen leer- en gedragsproblemen? Doet intelligentie er toe, of sekse, of sociaal milieu? Speelt ondersteuning van ouders een rol, of ondersteuning door externe hulpverleners? Deze en andere vragen komen in dit onderzoek aan bod.

 

Het didactische verhaal in PISA over (STEM)-onderwijs

De PISA-storm is nog lang niet gaan liggen, maar na de vorige drie posts (hier, hier en vooral hier), wil ik even stilstaan bij een verhaal dat ik al op mijn Engelstalige blog bracht, en dat eerder iets lijkt te zeggen over didactiek.

Deze grafiek is in mijn bescheiden mening een van de belangrijkste grafieken van de eerste 2 PISA-rapporten – zo niet de belangrijkste. Het bevat zowel een to do-lijst van dingen die moeten aangepakt worden (SES, gender-ongelijkheid,…), maar ook een how to-lijst, en dan valt iets op:

Maar wat betekent enquiry-based versus teacher-directed nu?

2 andere grafieken maken dit duidelijk, waarbij onder de nul gaan slecht nieuws betekent:

Als je ooit over het project Follow Through hoorde, dan hoeft deze grafiek je minder te verbazen, maar het lijk wel op het eerste gezicht haaks te staan op wat je vandaag vaak hoort in en over STEM-onderwijs. Begrijp goed: het is niet zo eenvoudig als zeggen: laten we traditioneel onderwijs gaan geven, dat staat er helemaal niet en pleit PISA zeer zeker niet voor. Variatie van onderwijs is cruciaal, ook in licht van mensen motiveren om voor wetenschappen te kiezen.

Kijk zeker ook naar het belang van adaptief onderwijs, lees differentiatie, in de eerste grafiek. En het betekent ook niet dat onderzoekend leren niet meer mogelijk is, maar misschien is dan deze quote van Hattie en Yates wel heel erg relevant en wat Daniel Muijs in zijn presentatie hier ook al aangaf:: directe instructie is de meeste effectieve methode voor het aanleveren van basiskennis. Eenmaal die basiskennis aanwezig, kan bijvoorbeeld onderzoekend leren wel degelijk een meerwaarde betekenen (zie ook Hattie, 2009).

Wat ik wel zeker weet: dit is voer voor een discussie die actief gevoerd moet worden…

Mijn quote voor de Vlor over onderwijs: ‘It’s life Jim, but not as we know it’

De Vlaamse Onderwijsraad vroeg heel veel mensen om een favoriete quote over onderwijs. Je kan de mijne hier vinden (net als de andere quotes). Maar ik deel het ook graag hier.

‘It’s life Jim, but not as we know it’

Er zit meer achter deze beroemde Star Trek-zin* dan je denkt. Onderwijs is namelijk effectief het leven zoals we het niet echt kennen. Goed onderwijs is vertraagde tijd en ruimte, trager dan het echte leven omdat kinderen de kans krijgen om te leren.

Onderwijs reflecteert het leven, maar probeert meer te zijn dan het hier en nu, zowel in het meegeven van het verleden als in het denken over het heden en over mogelijke toekomsten.
Maar onderwijs is nog het mooist als het levens van kinderen en jongeren verandert. Als ze opgepikt worden in hun leefwereld, maar die daarna opengetrokken wordt en er letterlijk een wereld voor hen opengaat.
It’s life Jim, but not as we know it, en dat is maar goed ook.

*leuk detail: deze zin kennen we in feite vooral door de parodie-song Startrekkin’ en werd nooit in de tv-reeks zelf door Spock uitgesproken. Het is net als “Play it again, Sam”, de zin die vaak met de film Casablanca geassocieerd wordt, maar die in de film niet voorkomt.

https://www.youtube.com/watch?v=FCARADb9asE

PISA, post 3, wat allemaal opvalt

Ok, PISA, we hebben de algemene resultaten, de rapporten:

Er zijn ook de Vlaamse cijfers, nu wat er nog allemaal opvalt.

  • In Vlaanderen is de genderkloof echt nog groot voor wetenschappen én wiskunde, ten voordele van de jongens. Voor taal is er die ook maar dan voor de meisjes, en de kloof is minder groot. En de kloof is er niet enkel voor het kunnen:
    pisa-gender
    En je merkt ook, we doen het goed voor wetenschappen, maar niet noodzakelijk graag… En we weten niet zeker of we het wel zo goed doen:
    pisa-gender-2
  • Er is een grafiek over leerkrachtgestuurd versus onderzoekend leren die volgens mij de belangrijkste grafiek is van het hele tweede rapport. Check hier voor meer info.
  • Deze grafiek zal wel vaak in de media komen, maar ik wil op iets anders wijzen:
    pisa-vlaanderen-kloof
    Vlaanderen scoort inderdaad slecht, maar ik heb even de vergelijking gemaakt met PISA 2006 over wetenschappen. Dan scoorden we ook slecht qua invloed SES, maar lag het Belgische gemiddelde dichter bij ons. Nu zien we België als land nog een pak slechter doen. En dat is een rode draad als je het PISA-rapport leest: wat een enorme uitdaging staat Wallonië te wachten. Als Vlaanderen het meer dan behoorlijk goed doet, België dichter bij het OESO-gemiddelde strandt, dan heb je niet veel PISA-wiskunde nodig om te beseffen hoe slecht het Franstalig onderwijs scoort. Ik weet eerlijk echt niet op welke manier dit beter kan, en ik vrees dat het voorgestelde plan van vorige week hier het grote verschil zal maken.
  • En nu we toch bezig zijn, ook deze grafiek zul je veel tegenkomen de komende dagen:
    pisa-vlaanderen-kloof-2
  • En ik wil het feestje nog niet slechter maken, maar we doen het wel slechter dan wijzelf, en in de zelfde redenering als daarnet kijkend naar het gemiddelde van België, we dalen meer dan de Franstaligen voor wetenschappen. Toch wil ik bij deze daling een zeker voorbehoud maken. Het belangrijkste is dat de daling niet komt door een daling bij onze sterkste leerlingen, maar net weer bij de zwakste leerlingen:
    pisa-daling
  • En je kan dat ook merken aan de cijfers per onderwijsvorm: “De gemiddelde prestatie voor wetenschappelijke geletterdheid daalde tussen 2006 en 2015 wel significant voor de leerlingen uit het TSO (-17 punten) en het BSO (-31 punten).”
  • De daling bij taal is niet significant, maar voor wiskunde… “In Vlaanderen gaat de gemiddelde score voor wiskundige geletterdheid tussen 2003 en 2015 met 31 punten achteruit, net iets minder dan Finland.” De daling ten opzichte van 2012 is dan weer niet significant. Het is dus belangrijk naar welk referentiepunt je kijkt (de daling van wiskunde was bij de vorige meting een van de belangrijkste thema’s).

En is er meer? Ongetwijfeld, en besef: er komen nog 3 PISA-rapporten aan…

PISA in Vlaanderen, de samenvatting

Ok, na het algemene nieuws, nu Vlaanderen.

En de perstekst van minister Crevits:

Voor wiskunde zijn de Vlaamse 15-jarige leerlingen absoluut Europese top. Dat blijkt uit de Vlaamse resultaten van PISA 2015 die vandaag door Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits en de Universiteit van Gent zijn voorgesteld. Ook voor leesvaardigheid en wetenschappen scoort Vlaanderen internationaal nog altijd sterk. Er is wel een duidelijk verschil tussen de hoog- en de laagpresterenden in Vlaanderen. Dat aantal laagpresterenden ligt op ongeveer 1 op 6. Dat is een belangrijk aandachtspunt. De resultaten geven aan dat de richting die de Vlaamse Regering kiest om het secundair onderwijs te moderniseren, de juiste is.

Het onderzoek

Op initiatief en onder coördinatie van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) worden er sinds 2000 driejaarlijks internationaal vergelijkende toetsen afgenomen in leesvaardigheid, in wiskunde en in wetenschappen. Vandaag worden wereldwijd de eerste resultaten van PISA 2015 (Programme for International Student Assessment) bekend gemaakt. Deze keer staat wetenschappen in de kijker. In het voorjaar van 2015 legden in 72 landen zo’n 540.000 leerlingen deze toetsen af; onder hen ook 5.675 Vlaamse 15-jarige leerlingen uit 175 scholen. Het gaat om 15-jarigen die, afhankelijk van hun studievoortgang, in verschillende studiejaren les volgen.

De resultaten

In wiskunde blijken de Vlaamse leerlingen absolute Europese top: enkel Estland en Zwitserland houden gelijke tred. Er zijn 6 Aziatische landen die hoger scoren dan Vlaanderen. Onder onze buurlanden vinden we voor wiskunde geen concurrenten en ook sterke onderwijslanden landen als Finland en Polen scoren beduidend minder goed dan Vlaanderen.

In leesvaardigheid scoren wereldwijd slechts 6 landen – waaronder Ierland, Estland en Finland –hoger dan Vlaanderen. We verankeren ons zo internationaal stevig in de subtop in het gezelschap van landen zoals Duitsland, Polen, Slovenië en Noorwegen. Buurlanden zoals Nederland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Luxemburg laten we achter ons. Meisjes doen het beter dan jongens op vlak van leesvaardigheid.

Voor wetenschappen scoren wereldwijd 9 landen beter dan Vlaanderen. Estland en Finland zijn de Europese landen die het beter doen. Landen zoals het Verenigde Koninkrijk, Slovenië en Duitsland houden gelijke tred. Ook hier behoort Vlaanderen tot de internationale subtop. Onze buurlanden Nederland, Frankrijk en Luxemburg doen het beduidend minder goed dan Vlaanderen. Jongens doen het beter dan meisjes op vlak van wetenschappen.

De trends

Onderzoeksprojecten zoals PISA geven niet enkel een beeld van wat zich vandaag voordoet, maar geven tegelijk de kans om trends waar te nemen. Zo zien we dat Vlaanderen voor wiskunde ondanks zijn sterke score in de periode 2003-2015 een daling kende, die ook al uit de vorige edities van PISA bleek. Voor leesvaardigheid blijven de Vlaamse leerlingen ten opzichte van 2009 op hetzelfde peil. Voor wetenschappen is er ook een lichte daling van de  gemiddelde score sinds 2006. Het zijn trends die in heel veel landen worden vastgesteld.

Laagpresteerders zijn de groep van leerlingen die scoren onder niveau 2, vaak omschreven als het minimale niveau om in de maatschappij goed op eigen benen te kunnen staan. Bij wetenschappen (het hoofddomein van deze editie) vertoont het aandeel laagpresteerders een stijging ten opzichte van de vorige focus in 2006: van 11,6% naar iets meer dan 17%. Het aandeel hoogpresteerders (niveau 5 of hoger) blijft stabiel. Als we de evolutie van de gemiddelde score bekijken per onderwijsvorm, stellen we vast dat de duidelijke dalingen zich voordoen in TSO en BSO.

Deze trends vertonen zich niet enkel in Vlaanderen. In Nederland tekenen zich bijvoorbeeld vergelijkbare evoluties af, ook met betrekking tot de laagpresteerders. In Finland is de dalende trend voor wiskunde en wetenschappen zelfs het grootst van alle deelnemende landen. De uitdagingen stellen zich dus duidelijk in vele landen.

De laagpresteerders
De  toename van de groep leerlingen die niveau 2 niet bereiken is zorgwekkend. Voor zowel wetenschappen, wiskunde als lezen gaat het in 2015 om zo’n 17% van de 15-jarige leerlingen in Vlaanderen. De resultaten van de peiling PAV (Project Algemene Vakken) bij de laatstejaars BSO uit 2013 wezen al in diezelfde richting. Te veel leerlingen slagen er niet in om basisgeletterdheid en -gecijferdheid te verwerven.

Deze nieuwe resultaten raken één van de kernen van de geplande modernisering van het secundair onderwijs en het eindtermendebat: over welke competenties dienen de leerlingen minimaal te beschikken? Ook de EU volgt deze evoluties nauwgezet op en neemt het aandeel laagpresteerders expliciet mee als indicator binnen EU2020. Streefdoel is minder dan 15% van de leerlingen onder niveau 2. Vlaanderen haalt net, zoals de overgrote meerderheid van Europa, in PISA 2015 voor alle domeinen deze lat niet.

Grote verschillen
Een aandachtspunt zijn de relatief grote verschillen tussen de resultaten van de Vlaamse leerlingen. Dat geldt zowel voor het verschil tussen de sterkste en de zwakste leerlingen als voor de verschillen naargelang de socio-economische thuissituatie, de thuistaal en de migratiestatus van leerlingen. Als leerlingen thuis geen Nederlands spreken, scoren ze minder in PISA. Het belang van een goede kennis van de onderwijstaal wordt daarmee nogmaals onderstreept.

Deze grote heterogeniteit van de prestaties en de systematische samenhang tussen prestaties en leerlingenkenmerken is al langer een pijnpunt in Vlaanderen. In het verleden werden verschillende maatregelen genomen om dit te verhelpen. Deze nieuwe PISA-resultaten bevestigen de noodzaak blijvend en doelmatig te investeren in de meest kwetsbare doelgroepen.

Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits: “Deze resultaten tonen eerst en vooral aan dat we trots mogen zijn op ons Vlaamse onderwijs. Zowel op wiskunde, wetenschappen als leesvaardigheid scoren we internationaal sterk. Tegelijkertijd wijzen de resultaten op een aantal aandachtspunten die we krachtig moeten aanpakken. Ze onderstrepen het belang van het consequent uitvoeren van de modernisering van het secundair onderwijs: een sterkere algemene vorming, de inzet op basisgeletterdheid en de getrapte studiekeuze. Het inschrijven van differentiëring in de eerste graad zal ervoor zorgen dat leerlingen die extra hulp nodig hebben die zullen krijgen, maar tegelijkertijd zullen hiermee sterkere leerlingen extra uitgedaagd worden. Zo krijgt elke leerling de kans om haar of zijn talenten te ontdekken en te ontwikkelen.

De PISA-resultaten! Naar welke onderwijslanden moeten we op reis? #PISA

De PISA-resultaten zijn er en de reisbureaus willen het weten: naar welke landen moeten we op reis gaan om te zien hoe onderwijs beter kan. De meest relevante figuur lijkt dan de volgende:

pisa2015

Singapore? Japan? Mja, maar die bijlesindustrie. China, misschien, de BBC deed een leuk experiment. Finland? Ja, ze scoren hoog, maar zie je die daling? Idem trouwens voor Vietnam, Korea (wow!!!) of Nieuw-Zeeland en Australië. Maar dan heb ik bewust een land overgeslagen, het nieuwe Finland: Estland.

Nu, er is nog een regio die niet slecht scoort, eentje waar bijna nooit over gesproken wordt. Er zijn zeker nog uitdagingen, ongelijkheid scoort bijvoorbeeld Estland echt mooi voor. Maar kijk even mee:

pisa-2015-vl-3 pisa-2015-vl-2 pisa-2015-vl-1