Waarom er geen school komt op basis van mijn visie…

De voorbije dagen heb ik nogal epische discussies meegemaakt op Twitter. Het is vakantie… De aanleiding was het stuk van Rutger Bregman waarop ik trouwens hier een factcheck deed. Ik merkte dat ik door kritische vragen te stellen quasi gelijk in een bepaalde hoek geplaatst werd.

Deze keer stelde ik vragen bij bepaalde vernieuwingen die eerder progressief genoemd zouden kunnen worden. Niet omdat ik tegen vernieuwing ben, maar omdat bepaalde elementen al eerder uitgeprobeerd zijn en vooral er vaak negatieve effecten zijn op ongelijkheid. Meer vragen stelde ik bij bepaalde bronnen in het artikel van Bregman die behoorlijk eenzijdig genoemd kunnen worden.

Eind juni had ik een – niet publieke – discussie in Londen over vernieuwingen die eerder traditioneel zouden kunnen genoemd worden. Hier was ik ook kritisch omdat men de term evidence-based liet vallen maar tegelijkertijd oa expliciet niet van samenwerkend leren wou horen, terwijl hier wel degelijk ook evidentie voor bestaat.

Wat hadden beide situaties gemeen naast gedreven persoonlijkheden? Er werd aan cherry picking gedaan, vrij selectief naar wetenschap gekeken om een bepaald punt te maken. Ik kreeg 2 jaar geleden de vraag van een school die evidence based wou werken… tot ze ontdekten dat de evidentie haaks stond op de visie die ze hadden. Zo werkt wetenschap dus niet. De voorbije jaren kreeg ik vaker de vraag of ik geen onderzoek kende of onderzoek wou doen om een overtuiging te bewijzen. Dat is een beetje zoals een verdachte die vraagt onderzoek te doen om hem of haar vrij te pleiten. Je kan als detective onderzoek doen, maar je kan en mag niet zeggen hoe iets zal uitdraaien.

Dat laatste herken ik maar al te goed. De voorbije jaren heb ik zelf te vaak gevloekt omdat een onderzoek niet uitkwam wat ik verwachtte of hoopte. Maar dat hoort er nu eenmaal bij. Als alles zou uitkomen zoals we verwachten, dan zou er geen onderzoek meer nodig zijn.

Gisteren kreeg ik ook de vraag of ik een school zou kunnen tonen die volledig aan mijn visie voldoet. Dat is onmogelijk, want dan ga je van een paar zaken uit die niet kloppen. Ten eerste dat ik een dergelijke visie zou hebben. Ten tweede dat er dan volgens mij maar een goede visie zou bestaan.

Maar eerlijk? Toen ik recent door de Balie gevraagd werd om mijn visie op onderwijs te geven, was mijn eerste, spontane reactie: maar ik heb helemaal geen visie op onderwijs. Na een lange reflectie besefte ik dat dit niet klopte, op onderwijs heb ik wel degelijk een visie. Ik wil onderwijs mee helpen verbeteren, en er is nog wel meer waar ik achter sta. Tegelijkertijd ben ik er van overtuigd (opgelet, visie) dat er niet 1 zaligmakende visie is op hoe een school er moet uitzien. Meer nog, in het boek dat in oktober uitkomt, leg ik uit dat het hebben van een visie belangrijker is, dan welke visie iemand aanhangt voor effectief onderwijs. Een van de rijkdommen van bijvoorbeeld het Vlaamse onderwijs is volgens mij de rijkdom aan verschillende benaderingen in scholen.

Dus voor wie me in een of kamp wil plaatsen, mijn levensmotto is niet voor niets geleend van Groucho Marx: ik wil niet lid zijn van een club die mensen zoals ik als lid accepteert.

En voor mensen die zich afvragen waarom ik in beide gevallen – zowel bij het eerder progressieve als het negatieve voorbeeld – kritisch reageerde? Ten eerste omdat er sprake was van cherry picking in wetenschappelijke inzichten, en ten tweede omdat altijd alles beter kan.

Spelen vandaag kinderen meer of minder?

Vandaag verscheen op de Correspondent een stuk van Rutger Bregman over onderwijs waar veel bedenkingen bij te maken zijn, maar ik wil me even focussen op het uitgangspunt. Bregman stelt namelijk dat vandaag kinderen minder spelen dan vroeger. Hierbij geeft Bregman aan een brede definitie van spelen te hanteren, maar uit het gesprek dat ik met hem had op Twitter blijkt hij het vooral te hebben over vrij spel (hij valt ook Lego aan in het stuk als voorbeeld van gestructureerd spel, wat fout is: Lego kan beide zijn).

Maar terug naar de interessante stelling of kinderen vandaag minder spelen. Bregman verwijst hiervoor naar 2 bronnen:

Deze laatste bron is niet longitudinaal, ze beschrijven een toestand op moment van afname, maar uitspraken over meer of minder in de tijd kan je op basis hiervan niet doen.

De eerste bron kende ik al voor het stuk van Bregman en zijn conclusie deed me nogal raar opkijken. In het rapport staat namelijk… het tegenovergestelde. Op pagina 125 staat er dat ouders wellicht meer samen spelen met hun kinderen dan in de jaren tachtig.

Volgens Bregman lees ik dit verkeerd. Hij ziet dit namelijk als bewijs dat kinderen minder spelen omdat ouders meer met hun kinderen bezig zijn. Hij vermoedt dus dat samenspel minder vrij is dan spel alleen (en opvallend hij problematiseert dus dat ouders meer met hun kinderen bezig zijn).

Maar hierover geeft het rapport geen uitsluitsel. Het enige wat er staat is dat ouders meer met kinderen spelen. Betekent dit dat kinderen vandaag minder spelen? Staat er niet in. Betekent dit dat kinderen vandaag minder vrij spelen? Staat er niet in.

Ondertussen zien we het online spelen toenemen, en niet enkel gestructureerde spellen, maar ook zogenaamde sandbox-games, vrije spelen zoals Minecraft of Roblox. Dus het kan evengoed zijn dat er een verschuiving van spelen gebeurt ipv een vermindering.

Heb ik nu gezegd dat kinderen vandaag niet minder spelen? Nee, wel dat je imho dit niet kan stellen op basis van de bronnen die Bregman gebruikt.

Worden leraren genoeg betaald?

Nee, deze post gaat niet over de Nederlandse PO in actie of over de oproep voor meer loon van de Vlaamse onderwijsvakbonden. Deze post gaat wel over een nieuw Education Indicators in Focus-rapport van de OESO die naar de lonen van leerkrachten keek in de deelnemende OESO-landen. En wat blijkt? Slechts in een paar landen lijkt het antwoord op de vraag in de titel: ja.

Deze grafiek kan trouwens behoorlijk wat olie op het vuur gooien in Nederland. Hier in Vlaanderen mogen de masters niet echt klagen, lijkt het, maar scoren tegelijk de bachelors ook onder het gemiddelde in vergelijking met andere hooggeschoolden.

Er zijn nog enkele opvallende inzichten:

  • Between 2005 and 2014, teachers’ statutory salaries decreased in real terms in one-third of the countries and economies with available data.
  • Teachers’ salaries usually increase with the level of education they teach. The salary gap between upper secondary and other teachers has narrowed between 2005 and 2014.
  • In 2014, on average across OECD countries, teachers’ actual salaries at pre-primary, primary and secondary levels are 11% to 25% lower than those of tertiary-educated workers.

Maar waarom is dit allemaal zo belangrijk? Wel: in de meeste landen dreigt een lerarentekort. Het is zeker zo dat les geven puur voor het geld geen goed idee is, maar een inkomen is natuurlijk ook cruciaal. En als je als leerkracht niet meer kan wonen in de stad waar je les moet geven omdat je daar de huur niet kan betalen, laat staan een huis kopen, zoals nu al het geval is in Londen of Amsterdam, dan zitten we met een groot probleem.

Meta-studie toont dat werken aan het sociaal-emotionele op school langdurig positief effect heeft

Via Larry Ferlazzo ontdekte ik deze nieuwe meta-analyse waaruit blijkt dat lesprogramma’s op school die leerlingen aanleren hoe ze hun emoties kunnen herkennen, hoe ze problemen onderling kunnen oplossen en hoe ze gezonde relaties kunnen aangaan, maanden en zelfs jaren later na de vorming nog steeds hun meerwaarde tonen.

En wat houdt die meerwaarde in, in vergelijking met leerlingen die dit niet volgden:

  • betere schoolresultaten
  • betere sociale vaardigheden
  • beter in het vermijden van negatief gedrag zoals druggebruik.

De meerwaarde van de meta-studie van Taylor en collega’s is dat ze ook keken naar bijvoorbeeld 8 studies die echt naar het effect jaren later keken. 

Abstract van het onderzoek:

This meta-analysis reviewed 82 school-based, universal social and emotional learning (SEL) interventions involving 97,406 kindergarten to high school students (Mage = 11.09 years; mean percent low socioeconomic status = 41.1; mean percent students of color = 45.9). Thirty-eight interventions took place outside the United States. Follow-up outcomes (collected 6 months to 18 years post-intervention) demonstrate SEL’s enhancement of positive youth development. Participants fared significantly better than controls in social-emotional skills, attitudes, and indicators of well-being. Benefits were similar regardless of students’ race, socioeconomic background, or school location. Post-intervention social-emotional skill development was the strongest predictor of well-being at follow-up. Infrequently assessed but notable outcomes (e.g., graduation and safe sexual behaviors) illustrate SEL’s improvement of critical aspects of students’ developmental trajectories

Bannen we maar liever laptops in de les?

Nog niet zo heel lang geleden plaatste ik hier een interessante MIT-studie die toonde dat de aanwezigheid van laptops in de les voor minder leren zorgde, zelfs als je met het toestel enkel dingen kon doen die met de les te maken hebben. Nu wordt een nieuw artikel van Scientific American massaal gedeeld op Twitter met een gelijkaardige boodschap: laptops in de les hebben weinig voordelen, heel veel nadelen.

De aanleiding voor het artikel is dit onderzoek met resultaten die iedereen die ooit achteraan in een aula zat, wel zal herkennen: de meeste studenten zijn met hun laptops compleet andere dingen aan het doen dan wat voor de les relevant is. Op dat moment zijn ze dus aan het multitasken en dat is desastreus voor het leren.

Uit het onderzoek blijkt dat van de 100 minuten les, de laptopstudenten gemiddeld 40 minuten met compleet andere zaken bezig waren op hun computer en slechts 5 minuten met de les gerelateerd. Het is dus weinig verwonderlijk dat de studenten die de laptop bij zich hadden gemiddeld – vermoedelijk daardoor – slechtere punten behaalden.

Je zou nu kunnen zeggen dat dit slechts twee studies zijn, maar er is een pak meer. Zie hiervoor ook de links in het artikel in SA.

Wil dit zeggen dat we alle technologie uit onderwijs moeten bannen? Heel zeker niet. De boodschap is wel: er zijn momenten waarbij leerlingen en studenten best geen technologie om handen hebben zodat ze zich kunnen focussen. Maar er zijn ook genoeg studies die aantonen hoe technologie een meerwaarde kan hebben. Dat de lesgever hierin een stuk de regie op zich moet nemen, lijkt me ook aangewezen, studenten zullen hun eigen gebruik niet noodzakelijk correct inschatten. Meer nog: correct met technologie leren omgaan voor het leren, lijkt me een belangrijk leerpunt dat we in onderwijs moeten meegeven.

En oja, ook nog dit: geen laptops in de les wil ook niet zeggen dat er per definitie opgelet wordt. Er is ook nog een ander belangrijk punt: er moet goed les gegeven worden.

Hoe vindt jouw computer zo snel een website op het internet? (TED-ED)

Het lijkt zo simpel: je tikt een adres in je browser en daar is al snel de website die je wil bezoeken. Maar dat internet is wel ondertussen enorm groot en die website staat misschien ook nog op een server ergens aan de andere kant van de wereld. Hoe werkt dat?