Nieuw van Kennisnet: monitor Jeugd en Media. Wat is relevant voor onderwijs?

Vandaag verschijnt om 8u30 de nieuwe monitor over jeugd en media in Nederland van Kennisnet. Ik kon het rapport al inkijken. Dit is de samenvatting waarbij ik in het vet enkele relevante elementen aanduid:

    • De enquête onder 10- t/m 18-jarigen bevestigt het beeld dat de Monitor Jeugd en Media 2015 ook al liet zien: kinderen en jongeren vormen geen homogene generatie. Je kunt eigenlijk niet spreken over de jeugd als het gaat om mediagebruik. Er zijn grote verschillen in het doel waarvoor ze digitale media inzetten.
    • Uit de vragenlijst blijkt dat leerlingen digitale veelgebruikers zijn en dat ze vertrouwen hebben in hun eigen digitale kunnen. School speelt echter nauwelijks een rol in het bijbrengen van digitale kennis en vaardigheden. Jongeren doen die competenties naar eigen zeggen op in hun vrije tijd en worden daarbij geholpen door hun ouders.
    • De respondenten weerspreken het beeld dat er sprake is van een digitale generatie. Natuurlijk: voor kinderen en jongeren is digitale technologie de normaalste zaak van de wereld. Maar technologie biedt niet voor alles soelaas, niet bij de informatieverwerking tenminste. Informatie zoeken ze het liefst via internet, niet via de bibliotheek. Maar als het gaat om het maken van aantekeningen en het lezen van lange teksten en boeken bestaat er een duidelijke voorkeur voor papier. Je zou ze ‘gemengde’ gebruikers kunnen noemen.
    • Leerlingen tellen de zegeningen van internet. Zo zegt meer dan de helft van de leerlingen beter in Engels te zijn geworden dankzij internet. Twee derde zegt dankzij internet meer te leren dan dat hun ouders vroeger deden.
    • Uit de praktische toets blijkt dat veel leerlingen moeite hebben op internet te zoeken en informatie op waarde te schatten.
    • Vmbo-leerlingen presteren het minst. Ze verzamelen feitelijke informatie, maar bij het uitvoeren van een zoekopdracht doen ze nauwelijks een beroep op andere deelcompetenties, namelijk beoordelen, verwerken en presenteren van informatie. Dat gaat ze erg moeilijk af. Deze 3 deelvaardigheden zijn echter essentieel bij het werk dat ze doen voor school, hun vervolgopleiding en hun latere baan.
    • Leerlingen uit het vmbo letten vaker dan leerlingen uit de andere onderwijsniveaus op de relevantie van de informatie voor het beantwoorden van de toetsvraag. Bij het beoordelen van informatie vertrouwen ze vaker op hun eigen inzicht/gevoel.
    • Havo/vwo-leerlingen letten bij het beoordelen van informatie vaker dan leerlingen van de andere niveaus op of informatie op meerdere websites voorkomt, of de bron betrouwbaar is en wat de uiterlijke kenmerken van de website zijn.
    • Opvallend is dat po-leerlingen het vaakst aangeven niet te weten waar ze op moeten letten bij het beoordelen van informatie op internet.
    • De resultaten suggereren dat de zoekstrategieën van leerlingen onderverdeeld zijn in het zoeken met sleutelwoorden en het zoeken met zinnen/vragen. Leerlingen lijken een van deze zoek- strategieën dominant te gebruiken tijdens het zoekproces. Daarbij zoeken vmbo- en po-leerlingen vaker met een zin/vraag en havo/ vwo-leerlingen vaker met een sleutelwoord.
    • Dat er verschillen zijn tussen havo- en vwo-leerlingen en vmbo-leerlingen is inherent aan het verschil in cognitieve vermogens. Maar het grote verschil in digitale informatievaardigheden tussen leerlingen op de verschillende niveaus valt wel erg op.

Brussel, een beetje commentaar

Twee keer rellen op een paar dagen tijd in Brussel. Twee verschillende oorzaken, maar gelijke miserie, schade en verontwaardiging. En dan wordt al vrij snel de link gelegd met onderwijs wat onder andere prof. Wouter Duyck tot deze reactie bracht:

Nu, de oorzaak van rellen toeschuiven in een richting – de politie, het onderwijs, de leefomstandigheden of ook de jongeren zelf – is de boel altijd verengen. Voor je het weet, oppert iemand dat het door vloggers komt. Maar… dat het onderwijs in Brussel voor grote uitdagingen staat, valt ook niet te ontkennen. Het scholenrapport van De Morgen van eerder dit jaar toonde al dat leerlingen in Brussel gemiddeld minder leren en de JOP-monitor toonde dat het welbevinden op Brusselse scholen lager is dan buiten Brussel, al merkten de onderzoekers ook op dat dit welbevinden niet door de school bepaald wordt, maar dat scholen dit welbevinden erven van buitenaf. Lees: ze maken het niet erger, maar kunnen het ook niet beter maken.

Let wel: net zoals dé Brusselse jongere niet bestaat, maar een divers lappendeken is, zo bestaat ook niet echt hét Brusselse onderwijs. Sommige spreken van een enorme versnippering van Vlaamse en Franstalige scholen en daar zit wat in. Maar behalve deze tweedeling – mét als we PISA mogen geloven toch enorme verschillen tot gevolg – is er ook een grote diversiteit binnen de tweedeling.

De voorbije maanden had ik het geluk verschillende directeurs en leerkrachten die in Brussel les geven te spreken. En ook in die gesprekken merkte ik enorme verschillen. Ik ontmoette zeer gedreven mensen, maar hoorde ook bij sommige de wanhoop. Er wordt vandaag al op veel plaatsen heel mooi werk verricht en ik ken ondersteuners die de benen uit hun sloffen lopen om leerkrachten met raad en daad bij te staan. Zeggen dat er uitdagingen zijn, is geen afbreuk aan het fantastisch werk dat zij leveren.

Deze ochtend hoorde ik op Radio 1 een directeur een subtiel onderscheid maken tussen leerkrachten die in Brussel wonen en de leerkrachten die er niet wonen. Er zijn nu eenmaal veel forenzen die les geven in Brussel en dat zal nog lang zo blijven. De lerarenopleidingen in Brussel hebben onder andere door de aanslagen sterk geleden in inschrijvingscijfers. En dat is erg, want dat er leerkrachten nodig zijn, is meer dan duidelijk. Terwijl er in 2014 nog berichten waren dat er geen tekort meer bestondtrokken vorig jaar verschillende parlementsleden in de commissie onderwijs aan de alarmbel.

Maar die forenzende leerkrachten hebben ongewild nog een ander gevolg. Ze kunnen er voor zorgen dat er meer verloop is van onderwijzend personeel omdat ze vaker overwegen dichter bij huis te gaan werken zoals Dimo Kavadias hier aangeeft. En een groot verloop van leerkrachten kan negatief zijn voor het leren van leerlingen.

Ik vrees dat er enkel oplossingen bestaan op lange termijn voor de uitdagingen in het Brusselse onderwijs omdat voor complexe problemen er zelden eenvoudige oplossingen bestaan. Er is vrij recent meer aandacht voor grootstedelijke context in de lerarenopleiding, maar ik denk dat we onder andere ook meer leerkrachten nodig hebben die uit Brussel zelf komen. In afwachting kunnen we de mensen die er nu al werken vooral zo goed mogelijk verder ondersteunen.

Waarom je de slimste best niet de leider maakt

Het is een advies dat ik ooit eerst hoorde van Frank Van Massenhove: maak de expert nooit de baas. En wat blijkt? Volgens een nieuwe studie heeft hij een punt. In de ogen van peers en ondergeschikten maken zeer slimme mensen slechte leiders.

Men nam hiervan verschillende (bedrijfs)leiders een IQ-test af en vroeg aan 8 peers of ondergeschikten om de baas te beoordelen. Wat bleek? Vrouwen en oudere leidinggevenden scoorden iets beter, maar vooral persoonlijkheid en intelligentie speelde een rol. De regel hoe hoger het IQ hoe beter de baas ging op tot rond een IQ van 120. Daarna begon de kwaliteit volgens de peers en ondergeschikten terug te dalen en vanaf een IQ-score van 128 bleken het significant minder goede bazen te worden in de ogen van peers en ondergeschikt personeel. Opgelet, het is niet zo dat ze slechtere technieken of aanpakken gebruikten als leidinggevende, ze hadden meer moeite om goede technieken te gebruiken.

Ik bedenk net iets: hoe vaak maken we de slimste baas in het onderwijs of in de universitaire wereld?

Abstract van het onderzoek:

Although researchers predominately test for linear relationships between variables, at times there may be theoretical and even empirical reasons for expecting nonlinear functions. We examined if the relation between intelligence (IQ) and perceived leadership might be more accurately described by a curvilinear single-peaked function. Following Simonton’s (1985) theory, we tested a specific model, indicating that the optimal IQ for perceived leadership will appear at about 1.2 standard deviations above the mean IQ of the group membership. The sample consisted of midlevel leaders from multinational private-sector companies. We used the leaders’ scores on the Wonderlic Personnel Test (WPT)—a measure of IQ—to predict how they would be perceived on prototypically effective leadership (i.e., transformational and instrumental leadership). Accounting for the effects of leader personality, gender, age, as well as company, country, and time fixed effects, analyses indicated that perceptions of leadership followed a curvilinear inverted-U function of intelligence. The peak of this function was at an IQ score of about 120, which did not depart significantly from the value predicted by the theory. As the first direct empirical test of a precise curvilinear model of the intelligence-leadership relation, the results have important implications for future research on how leaders are perceived in the workplace.

Na de reconstructie van de val van Steve Jobsschool De Ontplooiing

Gisteren bracht Het Parool dit stuk over de val van De Ontplooiing, wat zowat de paradepaardjes van de Steve Jobsscholen moest worden. Iemand corrigeerde de titel van het stuk omdat het slechts over 1 van de Steve Jobsscholen zou gaan, maar de voorbije maanden verschenen ook andere negatieve klanken, zoals hier en hier. Ik wil in dit stuk niet natrappen, maar zoals bij het begin van het verhaal wil ik nuance brengen. In het artikel staan enkele passages die toch wat extra duiding kunnen gebruiken.

Dit is er een van:

Kinderen die hoogbegaafd waren, of dyslectisch, ADHD hadden of opvliegend waren, soms kinderen die beter in het speciaal onderwijs pasten. Dat is voor elke school een uitdaging, maar voor een nieuwe school met een onervaren bestuur helemaal.

Dit is inderdaad een grote uitdaging die voor alle duidelijkheid niks met de visie of de aanpak van O4NT te maken heeft. Het is een fenomeen waar methodescholen wel vaker mee te maken kunnen krijgen, en die ook vergelijking tussen scholen moeilijker maken.

Deze passage is voor mij een stuk te streng:

Toch zit er wel degelijk een keerzijde aan al die moderne technologie in de klas. Iets wat ouders onderschatten, maar waarvoor de critici en ­anti-digitaliseringsgoeroes als Manfred Spitzer al waarschuwden, is de verslaving die een iPad kan veroorzaken.

Ik schreef ooit een stuk waarin ik oud-bezieler de visie van De Hond en Spitzer besprak en het falen van Steve Jobsscholen betekent niet per se het gelijk van Manfred Spitzer waar hij stelt dat jongeren voor 16 geen technologie zouden mogen gebruiken. De woorden ‘met mate’ zijn bij alle media en didactische werkvormen toepasbaar. Tegelijk is het even fout te denken dat deze scholen puur iPad waren/zijn. Het stuk van Casper Hulshof maakte dit al eerder duidelijk, al maakte het hameren van De Hond op de tablet én de naam dat iedereen de scholen vooral met het toestel associeerden.

De meest deprimerende passage uit het Parool-stuk is dit:

Voor de ouders van Pijke en Esma was een andere school vinden niet makkelijk. Scholen zeggen nog steeds vaak nee als ze horen dat leerlingen van De Ontplooiing komen. Bovendien meldden ze zich halverwege 2017 met tientallen tegelijk.

Leerkrachten van scholen in de omgeving laten weten dat het geen sinecure is om leerlingen van de Steve Jobsschool over te nemen. Ze hebben reken- en taalachterstanden, kunnen vaak niet aan elkaar schrijven – dat is niet verplicht op De Ontplooiing.

Dit klinkt als een veel te sterke nadruk op persoonlijke ontwikkeling (subjectificatie), waarbij kwalificatie zwaar onder druk komt te staan. Het klinkt als personaliseren gone wrong op een manier waar Simons en Masschelein voor waarschuwen in hun meest recente boek. Ik kreeg eerder deze week de vraag hoe ik dacht over Ecole 42, die even ver of zelfs nog verder hierin gaat. Wat is het essentiële verschil? Wel, voor 42 zijn er strenge selectie-eisen en slechts het kruim van het kruim wordt toegelaten. Dan is het cru gezegd makkelijk. Maar (leerplicht)onderwijs moet er voor iedereen zijn. Het is het probleem dat in de eerste geciteerde passage al aan bod kwam.

Waar ik persoonlijk zelf het meeste over val in de hele historie is hoe doorheen alles een commercieel verhaal loopt. Een commercieel verhaal waarop ook verschillende scholen afhaakten. Koken kost geld, dat is zo. Vernieuwing ook. Maar sommige verhalen smaken raar.

Het vervelende is dat de ideëel aandoende clubs (zoals ‘Stichting 04NT’) op hetzelfde adres zitten als de zakelijke bedrijven van De Hond. De appjeswinkel en het schoolbestuur zitten allemaal gezellig op hetzelfde adres, wat naar belangenverstrengeling riekt. (bron)

Ondertussen is het behoorlijk stil aan de kant van oud-bezieler Maurice De Hond die noodgedwongen al eerder een stap terugzette.

Dit werkelijkheid is dat dit alles voor veel mensen triest is:

  • Mensen die in vernieuwing van onderwijs geloven, zullen nu vaak dit verhaal op hun bord krijgen en moeilijker anderen overtuigen.
  • De vele mensen die met hart en ziel hun tijd en energie in dit verhaal stopten en nog steeds stoppen. Er zijn inderdaad nog andere scholen open die nu geassocieerd worden met deze negatieve verhalen.
  • De ouders en kinderen die er de dupe van werden (waarbij ik terug niet durf gezegd hebben dat andere kinderen er geen kinderen voordeel van gehad kunnen hebben).