Is het M-decreet een pyrrusoverwinning voor inclusie?

Vandaag lekte in de kranten een vernietigend rapport over het M-decreet dat ondertussen 2,5 jaar ingevoerd is. Het rapport is behoorlijk vernietigend, al zijn er ook verzachtende omstandigheden omdat de bevraging gebeurde 6 weken ver in de invoering van de nieuwe ondersteuningsnetwerken. Een invoering die er kwam omdat er al veel mis bleek te gaan, maar die ook door late besluiten holder de bolder moest doorgevoerd worden.

Wat misschien weinig mensen over mij weten, is dat ik als student en bij het begin van mijn carrière aan de Arteveldehogeschool nauw betrokken was bij verschillende initiatieven rond inclusief onderwijs. De idee dat iedereen recht heeft op goed onderwijs, blijft voor mij een belangrijk uitgangspunt. De discussie kan wel gaan over wat dat goed onderwijs dan wel kan zijn.

Een ding lijkt nu vaak zeker: wat vele kinderen via het M-decreet vandaag krijgen, is niet per se synoniem met goed onderwijs. Ik zei het anderhalf jaar geleden al in beperkte kring en mijn vrees lijkt uit te komen: voor mensen die pro inclusief onderwijs zijn, lijkt het M-decreet meer en meer op een pyrrusoverwinning. De roep om weer meer buitengewoon onderwijs klinkt steeds luider in opiniestukken en open brieven. Er is minstens een partij waarvan politici hier openlijk al herhaaldelijk voor pleitten.

Laat het duidelijk zijn: de tijd dringt. Niet alleen voor alle kinderen, ouders, leerkrachten, ondersteuners én directies die vandaag geconfronteerd worden met moeilijke omstandigheden, maar ook voor iedereen die voor inclusief onderwijs wil gaan. En neem van mij aan, de kans dat de omstandigheden ook steeds moeilijker zullen worden door onder andere stijgende lerarentekorten is reëel.

Zullen we ouder worden binnenkort kunnen ‘genezen’?

Transhumanisme is een fascinerende tak van de wetenschap. Deze video legt 3 manieren uit waarop onderzoekers het verouderen van ons lichaam willen tackelen. De video is tegelijk een les met de nodige nuances, maar op het einde ook een pleidooi voor fondsen (wat het weer wat minder maakt).

Originele examenvraag: herken je docent en hoe heet hij of zij?

Een wel zeer aparte examenvraag zorgt voor nogal wat commotie op sociale media in China. Als reactie op de vele studenten die zelden of nooit naar de les komen, stelde men namelijk de volgende examenvraag.

Vrij vertaald: wie van de volgende personen is jullie lesgever en hoe heet hij of zij?
Wie de vraag niet correct kon beantwoorden, verloor 41 punten, zowat 30% van de totale score…
(bron)

Aanleg voor wetenschap belangrijker dan geloof voor jongeren om evolutietheorie te accepteren

Een nieuwe studie bij 1200 Britse jongeren tussen 14 en 16 jaar in 70 klassen toont een opvallende correlatie. Waar je zou denken dat al dan niet geloven de belangrijkste factor is om de evolutietheorie te accepteren (iets wat bij Amerikaanse volwassenen eerder bleek), blijkt de aanleg voor wetenschap een veel belangrijkere rol te spelen dan welke mate de jongere al dan niet gelooft.

De onderzoekers stellen dat de Britse jongeren in hun steekproef die de evolutietheorie niet omarmden, dit meestal niet deden omdat deze theorie tegen hun geloof ingaat, maar wel omdat ze moeite hadden met de basisideeën.

Abstract van het onderzoek:

It is considered a myth that non-acceptance of scientific consensus on emotive topics is owing to difficulties processing scientific information and is, instead, owing to belief-associated psychological conflicts, the strongest non-acceptors being highly educated. It has been unclear whether these results from adults explain variation in response to school-level teaching. We studied a cohort of UK secondary school students (aged 14–16) and assessed their acceptance and understanding of evolution. In addition, to address their aptitude for science we assessed their understanding of genetics and their teacher-derived assessment of science aptitude. As both models predict, students with low initial evolution acceptance scores showed lower increases in the understanding of evolution. Contrary to conventional wisdom, this effect is better explained by lack of aptitude: before teaching, students with low acceptance had lower understanding of both evolution and of genetics; the low-acceptance students sat disproportionately in the foundation (rather than higher) science classes; low-acceptance students showed lower increments in the understanding of genetics; and student gain in the understanding of evolution correlated positively with gain in the understanding of genetics. We find no evidence either for a role for psychological conflict in determining response to teaching or that strong rejectors are more commonly of a higher ability. From qualitative data we hypothesize that religious students can avoid psychological conflict by adopting a compatibilist attitude. We conclude that there are students recalcitrant to the teaching of science (as currently taught) and that these students are more likely to not accept the scientific consensus. Optimizing methods to teach recalcitrant students is an important avenue for research.

Nieuw onderzoek naar hoe onze persoonlijkheid verandert doorheen de tijd

Liggen onze persoonlijkheidstrekken vast of niet? Of beter: kan je je partner ooit veranderen of niet? Het is het onderwerp van een nieuwe studie waarbij data gebruikt werd van meer dan 50000 Amerikaanse en Europese respondenten die men kreeg door data van 14 onderzoeken te combineren. Hierbij keek men na hoe de typische big five-persoonlijkheidstrekken evolueerden. Wat bleek? Meestal zie je vergelijkbare patronen.

BPS Digest vat het als volgt samen:

Combining data from all the studies showed that four of the five main personality traits showed statistically significant change, on average, through life, thus contradicting William James’ famous assertion that personality is set like plaster after age 30. The exception was trait Agreeableness (related to warmth and empathy), but actually this trait was found to change in each individual study, but in different directions for different studies (sometimes increasing through life, sometimes diminishing), such that it appeared stable when considered in aggregate.

Putting Agreeableness aside, the overall pattern was for the other traits to decline across the lifespan by about 1-2 per cent per decade, such that participants became, on average, more emotionally stable (save for an uptick in Neuroticism at the very end of life), but generally less outgoing, less open-minded, and less orderly and self-disciplined. This is somewhat consistent with the previously described Dolce Vita (literally “sweet life”) effect, which describes how we change in late life in response to having fewer responsibilities.

Maar er vallen nog een paar dingen op:

  • Er zijn de nodige individuele verschillen.
  • Er zouden regionale verschillen bestaan.

Dit is een zeer interessante nieuwe analyse, maar er zijn de nodige beperkingen én de studie levert nieuwe vragen op (bijvoorbeeld hoe het komt dat een individu van de algemene tendensen afwijkt).

Abstract van het onderzoek (nog in preprint):

This study assessed change in the Big Five personality traits. We conducted a coordinated integrative data analysis (IDA) using data from 14 studies including 47,190 respondents to examine trajectories of change in the traits of neuroticism, extraversion, openness, conscientiousness, and agreeableness. Coordinating models across multiple study sites, we fit nearly identical multi-level linear growth curve models to assess and compare the extent of trait change over time. Quadratic change was assessed in 8 studies with four or more measurement occasions. Across studies, the linear trajectory models revealed stability for agreeableness and decreases for the other four five traits. The non-linear trajectories suggest a U-shaped curve for neuroticism, and an inverted-U for extraversion. Meta-analytic summaries indicate that the fixed effects are heterogeneous, and that the variability in traits is partially explained by baseline age and country of origin. We conclude from our study that neuroticism, extraversion, conscientiousness, and openness go down over time, while agreeableness remains relatively stable.

 

Handig archief voor onderwijsonderzoek: Best Evidence in Brief index

Een van mijn meer favoriete nieuwsbrieven bestaat ondertussen meer dan vijf jaar:  Best Evidence in Brief. De nieuwsbrief die door Robert Slavin aangestuurd wordt, verzameld tweewekelijks de meest interessante onderwijsonderzoeken en bespreekt deze kort. De voorbije jaren heb ik wel af en toe bedenkingen gehad of een vermeld onderzoek wel het label ‘best evidence’ verdiende, maar meestal zijn het echt de onderzoeken waar je best van op de hoogte bent.

Probleem met de nieuwsbrief was wel, dat je deze zelf moest bewaren want er was geen online archief. Was… want dit was tot nu het geval. Maar kijk:

Do you remember a BEiB article but can’t find it in your email? Did you ever delete a story that you meant to save? Best Evidence in Brief is pleased to announce the launch of its archive, the Best Evidence in Brief Index. Spanning 2012 to the present, the archives are searchable by topic and by date. From now on, each issue of BEiB will be added to the Index and over time it will increasingly serve as an easily-accessible resource on recent research and policy relating to evidence-based reform. In the coming months, all of the more than 200 Huffington Post blogs will also be put into an index. We hope you find this a useful resource in your work with evidence in education.

Nieuw onderzoek toont positief effect van kleinere klassen in basisonderwijs (maar…)

Het is een debat dat vaak terugkomt en dat we ook in ons mytheboek hebben besproken: hebben kleinere klassen nu wel of niet een positief effect. Of beter: zelfs Hattie die vaak als bron genoemd wordt om te zeggen dat kleinere klassen geen effect hebben, zegt wel degelijk dat ze een positief effect hebben. Het is echter een dure maatregel volgens de Nieuw-Zeelandse professor en er zijn volgens hem goedkopere maatregelen die meer effect kunnen hebben.

In ons boek legden we al uit dat er in feite maar een beperkt aantal studies zijn die verder gaan dan het vaststellen van correlaties en naar causale effecten gekeken hebben op langere termijn. Deze nieuwe studie voegt hier verdere evidentie aan toe, al is het ook weer niet zo dat de redenering van Hattie – dat er goedkopere, betere maatregelen zouden zijn – niet per se weerlegd wordt.

In deze studie keek men naar de gevolgen van een besluit in Californië waarbij de klassen van peuterklas tot  de 7-8 -jarigen verkleind werden van gemiddeld 28.5 leerlingen naar gemiddeld 20 leerlingen. Wat in deze paper mij vooral opvalt, is welk effect dit alles had op de demografie van de scholen en de klassen. Het is een argument dat ik nog niet eerder tegenkwam, maar wat blijkt: kinderen die anders naar duurdere, private scholen zouden gaan, blijken nu vaker voor publieke scholen te kiezen. Dit ligt wellicht in lijn met de idee dat bij veel ouders leeft, dat kleinere klassen beter zijn en dat ze daarvoor bereid waren meer te betalen. Als de klassen kleiner werden in de publieke scholen, verdween die noodzaak.

De effectgroottes die de onderzoekers vaststellen gaan van 0.11 tot 0.4 op vier jaar tijd. Mensen die zich heel erg richten op Hattie, zouden nu kennen stellen dat 0.11 geen groot effect is. Het antwoord is hier genuanceerder en 0.4 op vier jaar tijd is een mooi cumulatief effect. Een van de redenen waarom het genuanceerder is: door de klasverkleining waren er logischerwijze meer leerkrachten nodig. Deze nieuwe leerkrachten zorgden voor een initiële daling van het leereffect omdat leerlingen bij kersverse leerkrachten sowieso vaak iets minder leren. Even een oude slide opgedoken om dit duidelijk te maken:

Anderzijds vermoeden de onderzoekers ook dat net die demografische evolutie door de aanpak een rol speelt in het leereffect. De vraag is dan in welke mate dit ook het geval kan zijn in plaatsen zoals Vlaanderen waar er veel minder privé-onderwijs is (al bestaan er dan wel ook andere verschillen tussen scholen). Los van dit alles: voor kleinere klassen heb je dus ook meer leerkrachten nodig. Het kan ook zijn dat kleinere klassen de job van leerkracht misschien terug aantrekkelijker maken, maar dan nog gaat daar een tijd over.

1 ding blijft voor mij duidelijk: het verhaal van al dan niet kleinere klassen is en blijft een zeer genuanceerd verhaal.

Abstract van het onderzoek:

This paper sheds new light on general equilibrium responses to major education reforms, focusing on a sorting mechanism likely to operate whenever a reform improves public school quality significantly. It does so in the context of California’s statewide class size reduction program of the late-1990s, and makes two main contributions. First, using a transparent differencing strategy that exploits the grade-specific roll-out of the reform, we show evidence of general equilibrium sorting effects: Improvements in public school quality caused marked reductions in local private school shares, consequent changes in public school demographics, and significant increases in local house prices — the latter indicative of the reform’s full impact. Second, using a generalization of the differencing approach, we provide credible estimates of the direct and indirect impacts of the reform on a common scale. These reveal a large pure class size effect of 0.11 SD (in terms of mathematics scores), and an even larger indirect effect of 0.16 SD via induced changes in school demographics. Further, we show that both effects persist positively, giving rise to an overall policy impact estimated to be 0.4 SD higher after four years of treatment (relative to none). The analysis draws attention, more broadly, to conditions under which the indirect sorting effects of major reforms are likely to be first order.