Zullen we ouder worden binnenkort kunnen ‘genezen’?

Transhumanisme is een fascinerende tak van de wetenschap. Deze video legt 3 manieren uit waarop onderzoekers het verouderen van ons lichaam willen tackelen. De video is tegelijk een les met de nodige nuances, maar op het einde ook een pleidooi voor fondsen (wat het weer wat minder maakt).

Audio als nieuwe hype (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Radio is een hardnekkig medium. Ondanks de komst van cassettebandjes (waar je makkelijk je eigenlijk playlist op maakte) en cd’s bleven mensen naar de radio luisteren. Soms weet je gewoon niet in welke muziek je zin hebt en dan is het fijn om een radiostation voor jou te laten kiezen. Bovendien vinden veel mensen het prettig om naar pratende mensen te luisteren, of dat nou geinende dj’s zijn of serieuze journalisten en hun gasten. Technologie speelt ook een rol: in de auto luister je, en ondanks ontwikkelingen als cd-wisselaars bleef radio de makkelijkste audio voor in de auto.

Audio is volgens internetondernemer Alexander Klöpping “op dit moment Heel Erg Hot”. Hij schrijft dat ter aankondiging van Blendle Audio, een dienst waar je naar voorgelezen nieuwsberichten kunt luisteren. Klöpping noemt drie redenen, waarvan er een verbonden is aan de luisterpraktijk in de auto:

“Steeds meer auto’s hebben Apple CarPlay of Android Auto. Die software maakt het normaler om in de auto zelf zelf muziek of podcasts te kiezen, in plaats van naar lineaire radio te luisteren.”

Daarnaast voorspelt Klöpping dat steeds meer mensen thuis slimme speakers (zoals Alexa van Amazon) zullen hebben. Ook dat maakt het luisteren naar audio-on-demand makkelijker. De laatste reden dat audio zo hot is, is de opmars van podcasts. Klöpping stelt (zonder bron) dat vijftien procent van de Amerikanen wekelijks naar een podcast luistert.

Radiozenders moeten de komst van CarPlay en Android Audio niet te onderschatten. Internet in de auto bedreigt het ouderwetse lineaire luisteren. De trend die bij televisie is ingezet, zal zich hierdoor ook bij radio gaan voordoen. Net zoals het fijner is om een serie via Netflix te kijken wanneer jij dat wilt, is het fijner om een podcast naar keuze te luisteren dan om afhankelijk te zijn van wie radiomakers in de studio hebben. Bovendien gaan podcasts echt de diepte in en word je niet gestoord door een muziekje omdat een zendermanager dat zo bedacht heeft.

Overigens zal deze ontwikkeling tamelijk langzaam gaan, omdat veel mensen in oude auto’s rijden waarin dit nog niet ingebouwd is. Live radio zal ook niet helemaal verdwijnen, net zoals dat er behoefte blijft aan live televisie. Sportwedstrijden en nieuws werken niet on-demand. Televisieproducenten maken ook gebruik van liveness om kijkers lineair aan zich te blijven binden, denk aan programma’s als The Voice. De nadruk op actualiteit is een sterk pluspunt van lineaire radio.

BNR heeft de ontwikkelingen goed in het vizier. De nieuwszender heeft een eigen Expert Podcast Netwerk waarmee ze bestaande, onafhankelijke podcasts aanbieden aan hun luisteraars. Onder Mediadoctoren is daar een van. Ook bij de publieke zenders willen ze de podcastboot niet missen: verschillende radioprogramma’s zijn via iTunes terug te luisteren. Dat wordt nu echter vooral nog als extra dienst gezien, in plaats van als de toekomst.

2 januari en we hebben al enkele relletjes op en over sociale media

Deze ochtend kreeg ik enkele tweets in mijn tijdlijn die ik niet echt kon plaatsen rond een zeker Logan Paul. De man is een vlogger zoals er zoveel zijn met de nodige volgers. Hij verbleef de voorbije tijd in Japan en zorgde nu met 1 vlog voor een wel heel morbide primeur. Terwijl hij in een Japans zelfmoordbos rondloopt, vindt hij iemand die net zelfmoord gepleegd heeft. Alles wordt getoond. De terechte verontwaardiging is enorm.

Ondertussen heeft de vlogger al zijn excuses gemaakt, maar ze zijn van een bedenkelijk niveau (voor mijn Nederlandse lezers, ze doen aan recente excuses in het NRC denken over een handgemeen):

En nu we toch in Nederland zijn, daar heeft Boef de goegemeente ook al geschoffeerd door meisjes die hem een lift gaven kech’s te noemen bij een filmpje op Snapchat. Het eerste woord dat ik in 2018 bijleer is blijkbaar een Marokkaanse woord voor slet of hoer. Zijn excuses kwamen eerst in de vorm van een aanval in een nieuwe video waarin hij stelt: Even een opmerking voor al die ’kechs’… Want ik heb een paar mensen boos gemaakt omdat ik kech zeg, maar wat doen jullie in een club met alcohol, met korte rokjes, om acht uur ’s ochtends, met jongens? Wat ben je aan het doen? Je bent gewoon een kech.” Tja, wat deed hij zelf daar?

Wordt 2018 het jaar van de opvallende rolmodellen? Beide heren hebben voor alle duidelijkheid ook een ruim (zeer) jong publiek.

Wat als de technologiereuzen in de problemen raken? Disruptie of the empire strikes back? 

We hebben de voorbije jaren zeer veel technologische ontwikkelingen gezien – al kregen we eerder 140 280 tekens in plaats van het grote kanker-medicijn, maar kom. Zeker op vlak van sociale media kenden we de voorbije jaren enorme evoluties waarbij miljoenen mensen met elkaar geconnecteerd werden. The Zuck gebruikte wel het woord friend, wat voor een zekere ontwaarding van het woord leek te zorgen, maar samen met mobiele technologie konden we van alles met elkaar beginnen delen.

Maar de voorbije 12 maanden werd kritiek die vaak al onderhuids bestond, steeds vaker luider en meer mainstream. Want er zijn steeds meer bedenkingen. Een kleine greep:

  • Fake news, filterbubbel en de macht die de technologie kan hebben op ons denken – en hoe die macht misbruikt kan worden om de publieke opinie te manipuleren,
  • Polarisering,
  • Een toename van eenzaamheid, die vaak gelinkt wordt aan sociale media,
  • Ons schijnbaar niet-meer bestaande recht op privacy,
  • het schijnbaar teloorgaan van focus, slaap,…

Het ding is dat veel van deze zaken niet per se nieuw zijn of vaak niet direct per se gelinkt zijn aan sociale media. Propaganda en foutieve informatie die hele bevolkingsgroepen beïnvloeden? Ik wil geen Godwin doen, dus verwijs ik maar naar 15 jaar geleden en de niet bestaande weapons of mass destruction die tot een olie-oorlog leidden. Eenzaamheid is ook niet nieuw, trust me, en de link tussen terrorisme en privacy is minstens even groot als de link tussen privacy en sociale media.

Maar er is meer, zoals bijvoorbeeld het solutionisme dat onze samenleving binnensloop. Dit is het idee dat er voor complexe problemen eenvoudige technologische oplossingen bestaan. Dit solutionisme leidde dat tech-giganten zoals Bill Gates of Marc Zuckerberg als rijke filantropen erg proberen te wegen op het beleid maar zelden met positieve effecten kunnen uitpakken. Het zorgt voor een democratisch deficit.

Maar tijden lijken momenteel te veranderen. Zowel in Europa als in de VS roert de politiek zich. GAFA (Google, Apple, Facebook en Amazon) worden meer en meer geviseerd. Onlangs hoorde ik de vergelijking met de anti-trust maatregelen die decennia eerder genomen werden tegen te toenmalige grote economische spelers. Het is tekenend hoe Zuckerberg de voorbije 12 maanden is omgegaan met de mogelijke Russische inmenging in de Amerikaanse politiek via Facebook. Het ging van ontkenning, over minimalisering tot belofte om er daadwerkelijk iets aan te doen wegens dramatisch erger dan gedacht. Dit was paniekvoetbal van iemand die weliswaar veel geld heeft, maar merkt dat er een tegenbeweging gaande is. Europa heeft met Margrethe Vestager een commissaris die GAFA en co probeert te raken waar het meest pijn doet, de portemonnee. The Economist sprak al over een Techlash om dit alles te beschrijven. Ondertussen morrelt Trump aan de netneutraliteit, en terwijl je zou denken dat de grote spelers hier blij mee zouden zijn, zijn ze dit allerminst. De ironie is dat al die internetbedrijven vooral ook de infrastructuur gebruiken van telecombedrijven. Die laatste groep meer macht geven, bedreigt terug te macht die de grote GAFA- spelers momenteel hebben.

Ook in onderwijs zien we dat we steeds kritischer beginnen omgaan met media in de klas. Focus is belangrijk voor leren en veel van wat we verhoopten met nieuwe en sociale media bleek niet tot het extra leerresultaat te leiden. Dit wil niet zeggen dat er geen meerwaarde is, en alle media bannen is even dom als alle heil van technologie verwachten. Het was tekenend hoe Singularity Hub de voorbije zomer blogde dat onderwijs de moeilijkste sector was om te automatiseren. No shit, Sherlock? Eerlijk, we zien volgens mij vooral nu een normalisering die steeds weer gebeurde met onderwijsmedia.

Dat zal wellicht ook met de technologie gebeuren die we vandaag gebruiken. Ons leven is veranderd, maar de nieuwigheid verdwijnt en dagelijks gebruik blijft over. Soms met positieve gevolgen, soms met negatieve gevolgen en dan krijg je campagnes zoals tegen suiker, alcohol, sociale media in het verkeer of mobiele telefoons in de klas zoals aangekondigd in Frankrijk.

Het is fout te denken dat bedrijven zoals Google, Facebook, Amazon of zelfs Apple onaantastbaar zijn. Dat dachten we ook van Enron, GM of dichter bij huis Sabena of V&D. Terwijl deze GAFA- grote winsten maken – al zaagt Trump zeer actief aan de stoelen van Amazon – zijn andere, kleinere spelers zoals Twitter of Spotify nog steeds zwaar verlieslatend. De grote aandacht die naar startups gegaan is, verschuift naar de vraag hoe bedrijven van startup kunnen evolueren naar blijvende winst.

Het is moeilijk te voorspellen hoe dit alles zal verder evolueren. Ik heb geen glazen bol. Als ik een gokje zou moeten wagen, dan kan veel van wat ik hier beschreef voor een vertraging zorgen in technologische ontwikkelingen op het vlak van de eerste twee letters van ICT. Een ding ben ik vrij zeker van: het blijven boeiende tijden, maar wellicht op een andere manier dan we tot voor kort dachten.

Facebook wil jongere kinderen ook messenger laten gebruiken

Kreeg net een telefoontje van een journaliste van Het Laatste Nieuws over de nieuwe Messenger for Kids die Facebook lanceert in de VS. Was de voorbije uren druk bezig met het voorbereiden van mijn lessen, dus had de aankondiging gemist. Ondertussen me al wat verder verdiept en het is enerzijds een oplossing voor de vele 11- en 12-jarigen die nu liegen over hun leeftijd en anderzijds een poging om veel jongere kinderen op het platform te krijgen: het zou mogelijk worden vanaf 6 jaar! Weliswaar in een soort van kangoeroe-benadering waarbij ouders nog een stuk controle hebben over hun kinderen (al zouden ze volgens enkelel bronnen niet kunnen meelezen) en waarbij er geen reclame zou zijn. Het zijn ook de ouders die het profiel zouden moeten aanmaken voor hun kinderen.

Het is natuurlijk een poging om aan toekomstige klanten-binding te doen… (zie ook The Verge)

De actieve betrokkenheid van consultants van Google, Facebook en Twitter bij de Amerikaanse verkiezingen (L. Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Facebook, Twitter en Google waren actief betrokken bij de campagnes van de Democraten en de Republikeinen bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2016. Medewerkers hielpen de partijen met het begrijpen van en wegwijs worden in bepaalde diensten en met het optimaliseren van digitale advertentiestrategieën. Dat ging zelfs zo ver dat communicatiewetenschappers Daniel Kreiss en Shannon Mcgregor spreken van ‘digital consulting’ (p. 3) [abstract]. Zij deden samen met een team veldwerk tijdens de Democratische Nationale Conventie en hielden diepte-interviews met zowel medewerkers van Facebook, Twitter, Google en Microsoft als van de campagnes van Hillary Clinton, Jeb Bush, Mike Huckabee, Marco Rubio, Rand Paul en Bernie Sanders.

Machtsverwachtingen
Kenmerkend voor grote techbedrijven is de asymmetrische machtsrelatie die ze met hun gebruikers hebben, waaronder nieuwsorganisaties en campagnevoerders. Sociale netwerken kunnen hun platforms zomaar veranderen, waardoor gebruikers een andere koers moeten gaan varen om hun publiek te blijven bereiken. Daar staat tegenover dat politieke partijen wel degelijk macht hebben: zij hebben namelijk aanzienlijke budgetten (bij de presidentsverkiezingen zo’n 2 miljard dollar) en, mocht de kandidaat winnen, het vermogen in de toekomst techbedrijven te reguleren. Daarnaast biedt hulp bij campagnes deze bedrijven legitimatie, status en marketingmogelijkheden. Kreiss en Mcgregor verwachtten daarom dat techbedrijven actief meewerken en -denken met campagnemakers en dat ze zich daarbij aanpassen aan de partijlogica van het – specifieke – Amerikaanse systeem.

Faciliteren en onderwijzen
Alle vier de bedrijven zochten naar omzet en naar het verbeteren van de relaties met politici. Ze merkten op dat in 2008 er nauwelijks van hun diensten gebruik gemaakt werd: 2012 was de eerste presidentiële campagne waarbij sociale netwerken een rol van betekenis speelden. Samen zoeken naar manieren waarop een kandidaat verkozen kon worden was een manier om politieke invloed te verkrijgen. Om vertrouwen te bevorderen volgden de bedrijven de partijstructuur: ze stelden partijteams samen van medewerkers die dus of Republikeins of Democratisch waren. Dat betekent dat Microsoft, Google, Twitter en Facebook toen en nu een organisatorische structuur hebben op basis van politieke partijen.

“The thinking was, is that you want to hire people that those folks already trust, that understand that world that they’re coming from, because they used to work in that world and they used to have to do those jobs…. They want somebody who understands how they do politics on their side, understands the background, and in some ways, is one of them. Because there’s always a concern of leaks, and who you’re letting in, and what are they sharing” (p. 8) – Katie Harbath, Facebook (R).

De diensten die de bedrijven aanboden tijdens de conventies verschilden per bedrijf. Bij Microsoft ging het vooral om het bieden van een infrastructuur: backend en analytics data platforms. Facebook, Twitter en Google daarentegen hadden een veel meer actieve rol. Zij hielpen met content en het begrijpen van analytics. Ze boden data aan over de gesprekken die online werden gevoerd, zodat campagnemakers daarop konden reageren.

Achter de scherm: de meest effectieve spotjes maken
Los van de ruimtes die de bedrijven hadden ingericht op de vloer van de conventies, werd er achter de schermen samen gewerkt. Respondenten vertelden hoe Trump zijn relatief kleine campagnestaf compenseerde met medewerkers van techbedrijven. Zij hielpen met het identificeren en vinden van donateurs en zwevende kiezers.

“The Trump model was that they… rented some cheap office space out by the airport, a strip mall, and they said it’s going to be Trump Digital. They had the companies, of the advertising companies, social media companies come down there [San Antonio] and work out of that strip mall. And we did it, Facebook did it, Google did it…. I think they did it for two reasons. One; they found that they were getting solid advice and it worked, and two; it’s cheaper. It’s free labor” (p. 13) – Nu Wexler, Twitter.

Het ging hier om consultants die vanuit techbedrijven actief hielpen met het optimaliseren van campagnes: “build ads that get results”. Beide partijen hadden hier baat bij: de politieke partijen konden meer effectieve campagnes opzetten en de techbedrijven verkochten meer reclame. De onderzoekers stellen dat het hier gaat om subsidie van techbedrijven en denken dat ‘cash-strapped campaigns’ zoals die van Trump hier meer baat bij hebben dan campagnes met veel eigen digitale staf, zoals die van Clinton.

Het ging om een totaalpakket:

“They’re [Facebook] working with a campaign to make sure that they’re taking full advantage of all the tools at their disposal. If Facebook decides they’re going to roll something out, a new tool, they want to make sure that these campaigns know about it because they would love for us to use it because if we’re using it and everyone is paying attention to the election…. I know there were Facebook folks who worked with our team on advertising private stuff. I talked with a guy at Instagram fairly regularly. I’ve talked with some people at Google because Google was rolling out new product features during the campaign and wanted us to use them. Twitter too, a lot of times they were people I would go to when I was troubleshooting or I would run into a problem or I’d have this idea that I’d never seen it done before and I was wondering if it was possible” (p. 14) – Caroline McCain, social media manager van Rubio.

Ze boden resources, communicatie-expertise en probleemoplossing. Er werd nauw samengewerkt aan het ontwikkelen van strategie, waaronder het ontwikkelen van content. Over Google:

“They [Google] give the campaign access to it so the campaign is actually able to produce these cards that are their information… so that people who are sitting on the search page are seeing the most up-to-date information coming from the campaign’s perspective and then, how I would work with the campaign is beforehand telling them, strategizing what issues might be most relevant and what they are going to want to produce ahead of time because it just moves so fast. So if you know that it is the business debate, we know that it is going to be a lot of economy and job issues. You are going to want to be on message for that and you kind of look at the other side of the aisle and you say, “I know this is what you are going to be hit on so you definitely want to have a response from the hopper for that,” and then you probably want some additional, like, depending on what your very base goals or lead generation you want to be getting people’s e-mail addresses and things like that. You will have some of those to fill in during some of the lulls. (emphasis added)” (p. 15) – AliJae Henke, Google (R).

De auteurs noemen deze medewerkers van Facebook, Google en Twitter consultants. Daar waren ze zelf nog niet helemaal uit: er was onderling onduidelijkheid hoe ze hun soort werk moesten noemen. Het is dan ook een schemergebied, niet in de laatste plaats omdat er wetten zijn over campagnebijdragen en hoe dit daarin past.

Implicaties
Het is duidelijk dat hier nog veel werk te doen is binnen politieke-communicatiewetenschap. De overwinning van Trump was onverwacht vanuit traditionele modellen van campagne-effecten, maar is wellicht toe te schrijven aan zijn nauwe samenwerking met techbedrijven. Vooral Facebook speelt daarbij een belanhrijke rol. De auteurs schrijven:

“in a world where Facebook is both the consultant and the distribution channel, campaigns might not need teams of data scientists or even a robust digital campaign staff more generally because they can outsource these things to technology firms themselves. That said, more research is necessary to clearly determine Facebook’s role in President Trump’s victory given his surprisingly thin campaign organization” (p. 19).

Hoe moeten we omgaan met de verschuiving van politieke communicatie naar private, winstgerichte bedrijven? Wat zijn de normatieve, democratische implicaties daarvan? Extra problematisch daarbij is het gebruik aan helderheid over de algoritmes die zulke bedrijven gebruiken. We weten ook niet hoe deze mondiale bedrijven te werk gaan bij verkiezingen in andere landen.

Hoewel de auteurs dit – gek genoeg – niet noemen moeten we niet vergeten dat deze bedrijven expliciet zoeken naar politieke invloed om regulering te voorkomen – regulering die hard nodig is. De recent gelekt Paradise Papers laten zien dat aandelen van deze bedrijven ook in handen zijn van bijvoorbeeld Russische politici. Dit alles schreeuwt om meer transparantie, en dat is nu juist precies waar Facebook, Google en Twitter het grootste gebrek aan hebben.

Nieuw van Kennisnet: monitor Jeugd en Media. Wat is relevant voor onderwijs?

Vandaag verschijnt om 8u30 de nieuwe monitor over jeugd en media in Nederland van Kennisnet. Ik kon het rapport al inkijken. Dit is de samenvatting waarbij ik in het vet enkele relevante elementen aanduid:

    • De enquête onder 10- t/m 18-jarigen bevestigt het beeld dat de Monitor Jeugd en Media 2015 ook al liet zien: kinderen en jongeren vormen geen homogene generatie. Je kunt eigenlijk niet spreken over de jeugd als het gaat om mediagebruik. Er zijn grote verschillen in het doel waarvoor ze digitale media inzetten.
    • Uit de vragenlijst blijkt dat leerlingen digitale veelgebruikers zijn en dat ze vertrouwen hebben in hun eigen digitale kunnen. School speelt echter nauwelijks een rol in het bijbrengen van digitale kennis en vaardigheden. Jongeren doen die competenties naar eigen zeggen op in hun vrije tijd en worden daarbij geholpen door hun ouders.
    • De respondenten weerspreken het beeld dat er sprake is van een digitale generatie. Natuurlijk: voor kinderen en jongeren is digitale technologie de normaalste zaak van de wereld. Maar technologie biedt niet voor alles soelaas, niet bij de informatieverwerking tenminste. Informatie zoeken ze het liefst via internet, niet via de bibliotheek. Maar als het gaat om het maken van aantekeningen en het lezen van lange teksten en boeken bestaat er een duidelijke voorkeur voor papier. Je zou ze ‘gemengde’ gebruikers kunnen noemen.
    • Leerlingen tellen de zegeningen van internet. Zo zegt meer dan de helft van de leerlingen beter in Engels te zijn geworden dankzij internet. Twee derde zegt dankzij internet meer te leren dan dat hun ouders vroeger deden.
    • Uit de praktische toets blijkt dat veel leerlingen moeite hebben op internet te zoeken en informatie op waarde te schatten.
    • Vmbo-leerlingen presteren het minst. Ze verzamelen feitelijke informatie, maar bij het uitvoeren van een zoekopdracht doen ze nauwelijks een beroep op andere deelcompetenties, namelijk beoordelen, verwerken en presenteren van informatie. Dat gaat ze erg moeilijk af. Deze 3 deelvaardigheden zijn echter essentieel bij het werk dat ze doen voor school, hun vervolgopleiding en hun latere baan.
    • Leerlingen uit het vmbo letten vaker dan leerlingen uit de andere onderwijsniveaus op de relevantie van de informatie voor het beantwoorden van de toetsvraag. Bij het beoordelen van informatie vertrouwen ze vaker op hun eigen inzicht/gevoel.
    • Havo/vwo-leerlingen letten bij het beoordelen van informatie vaker dan leerlingen van de andere niveaus op of informatie op meerdere websites voorkomt, of de bron betrouwbaar is en wat de uiterlijke kenmerken van de website zijn.
    • Opvallend is dat po-leerlingen het vaakst aangeven niet te weten waar ze op moeten letten bij het beoordelen van informatie op internet.
    • De resultaten suggereren dat de zoekstrategieën van leerlingen onderverdeeld zijn in het zoeken met sleutelwoorden en het zoeken met zinnen/vragen. Leerlingen lijken een van deze zoek- strategieën dominant te gebruiken tijdens het zoekproces. Daarbij zoeken vmbo- en po-leerlingen vaker met een zin/vraag en havo/ vwo-leerlingen vaker met een sleutelwoord.
    • Dat er verschillen zijn tussen havo- en vwo-leerlingen en vmbo-leerlingen is inherent aan het verschil in cognitieve vermogens. Maar het grote verschil in digitale informatievaardigheden tussen leerlingen op de verschillende niveaus valt wel erg op.