Spelen vandaag kinderen meer of minder?

Vandaag verscheen op de Correspondent een stuk van Rutger Bregman over onderwijs waar veel bedenkingen bij te maken zijn, maar ik wil me even focussen op het uitgangspunt. Bregman stelt namelijk dat vandaag kinderen minder spelen dan vroeger. Hierbij geeft Bregman aan een brede definitie van spelen te hanteren, maar uit het gesprek dat ik met hem had op Twitter blijkt hij het vooral te hebben over vrij spel (hij valt ook Lego aan in het stuk als voorbeeld van gestructureerd spel, wat fout is: Lego kan beide zijn).

Maar terug naar de interessante stelling of kinderen vandaag minder spelen. Bregman verwijst hiervoor naar 2 bronnen:

Deze laatste bron is niet longitudinaal, ze beschrijven een toestand op moment van afname, maar uitspraken over meer of minder in de tijd kan je op basis hiervan niet doen.

De eerste bron kende ik al voor het stuk van Bregman en zijn conclusie deed me nogal raar opkijken. In het rapport staat namelijk… het tegenovergestelde. Op pagina 125 staat er dat ouders wellicht meer samen spelen met hun kinderen dan in de jaren tachtig.

Volgens Bregman lees ik dit verkeerd. Hij ziet dit namelijk als bewijs dat kinderen minder spelen omdat ouders meer met hun kinderen bezig zijn. Hij vermoedt dus dat samenspel minder vrij is dan spel alleen (en opvallend hij problematiseert dus dat ouders meer met hun kinderen bezig zijn).

Maar hierover geeft het rapport geen uitsluitsel. Het enige wat er staat is dat ouders meer met kinderen spelen. Betekent dit dat kinderen vandaag minder spelen? Staat er niet in. Betekent dit dat kinderen vandaag minder vrij spelen? Staat er niet in.

Ondertussen zien we het online spelen toenemen, en niet enkel gestructureerde spellen, maar ook zogenaamde sandbox-games, vrije spelen zoals Minecraft of Roblox. Dus het kan evengoed zijn dat er een verschuiving van spelen gebeurt ipv een vermindering.

Heb ik nu gezegd dat kinderen vandaag niet minder spelen? Nee, wel dat je imho dit niet kan stellen op basis van de bronnen die Bregman gebruikt.

Voor de Marshmallow test is het 1-0 voor Kameroen versus Duitsland

De Marshmallow test, een experiment uit de jaren zestig – bedacht door Walter Mischel -dat door de aandacht voor executieve functies vandaag terug zeer veel aandacht geniet. Voor wie de test nog niet kent, elke reden is goed om dit filmpje nog even te tonen:

Nu hebben onderzoekers een vergelijkende studie gedaan van hoe kinderen in Duitsland presteren op deze test versus kinderen uit landelijke streken in Kameroen. Wat blijkt? De kinderen uit Kameroen verslaan de Duitse kinderen ruimschoots.

De onderzoekers stellen dat misschien de traditionele, meer harde opvoeding van de kinderen in Kameroen helpt om zich beter te leren bedwingen. Het zou een element kunnen betekenen in hoe je executieve functies kan trainen.

Nu, spijtig genoeg is het niet zo eenvoudig om op basis van dit onderzoek deze verklaring te geven. Het onderzoek stelt het verschil vast, maar voor verklaringen kunnen de onderzoekers enkel maar gokken. Het kan bijvoorbeeld ook zijn dat de uitdaging van het niet moeten snoepen al anders ervaren wordt in de twee regio’s.

Abstract van het onderzoek:

The development of self-regulation has been studied primarily in Western middle-class contexts and has, therefore, neglected what is known about culturally varying self-concepts and socialization strategies. The research reported here compared the self-regulatory competencies of German middle-class (= 125) and rural Cameroonian Nso preschoolers (= 76) using the Marshmallow test (Mischel, 2014). Study 1 revealed that 4-year-old Nso children showed better delay-of-gratification performance than their German peers. Study 2 revealed that culture-specific maternal socialization goals and interaction behaviors were related to delay-of-gratification performance. Nso mothers’ focus on hierarchical relational socialization goals and responsive control seems to support children’s delay-of-gratification performance more than German middle-class mothers’ emphasis on psychological autonomous socialization goals and sensitive, child-centered parenting.

Maakt Facebook jongeren ongelukkig? Ja, en gelukkig ook.

Via de website van het FWO een tekst gevonden van Eline Frison over haar doctoraatsonderzoek naar de link tussen sociale media en hoe jongeren zich voelen. Het hele stuk is zeer lezenswaardig, maar deze paragraaf is essentieel leesvoer:

Mijn doctoraatsonderzoek, waarin ik meer dan 1.000 Vlaamse jongeren tussen 12-18 jaar doorheen de adolescentie volgde, trachtte bij te dragen aan het wetenschappelijke antwoord op deze vraag. Wat blijkt: bepaalde typen Facebookgebruik kunnen onder bepaalde omstandigheden adolescenten ongelukkig maken. Andere typen Facebookgebruik kunnen onder andere omstandigheden, andere adolescenten gelukkig maken. Jongeren die zich bijvoorbeeld vergelijken met de zorgvuldig uitgekozen en bewerkte foto’s van anderen op Facebook, hebben een grotere kans om meer ontevreden te zijn over hun eigen leven. Jongeren die daarentegen een gesprek aangaan op Facebook kunnen meer het gevoel krijgen dat ze op steun van hun vrienden kunnen rekenen wanneer dit nodig zou zijn. Dit doet net de kans op het ontwikkelen van depressieve gevoelens afnemen. Een eenvoudig antwoord op de vraag of Facebook jongeren gelukkig of ongelukkig maakt, bestaat dus niet. Een complex antwoord dat rekening houdt met soorten Facebookgebruik, verschillende processen en type gebruikers des te meer.

Ik zocht ook de eigenlijke onderzoeken even op:

Al blijkt Eline Frison sowieso zeer actief qua publicaties.

‘Het is niet ongezond dat een jongere een leven heeft waar ouders niet alles over weten’

Knack vroeg me een stuk te schrijven, dit was het resultaat:

De voorbije maanden werd er veel aandacht besteed aan het geheime, online leven van jongeren.

De Blue Whale challenge, waarbij jongeren zouden uitgedaagd worden om zichzelf te pijnigen was misschien nog een hoax die wel kon inspireren, maar er bleken ook veel concretere gevaren te zijn.

Zo stierf er in Nederland een jongen door verstikking omdat hij online geleerd had dat het een natuurlijke manier zou zijn om high te worden. Spijtig genoeg struikelde de jongen, waardoor hij zichzelf niet meer kon redden en stierf. De politie en ouders ontdekten dat het geen zelfmoord was omdat de jongen alles had gefilmd.

Er was ook de jongen in Vlaanderen die zelfmoord pleegde omdat zijn naaktfoto verspreid werd. Sexting is de voorbije weken trouwens opvallend vaak in de media geweest.

Er is een opvallende gelijkenis met een verhaal van wat langer geleden. Drie Londense meisjes verdwenen. Ze liepen weg van huis om zichzelf in te lijven bij IS. Achteraf ontdekten de speurders hoe ze via grooming online overtuigd werden tot hun daad. Achteraf.

Het zijn verschrikkelijke verhalen die gelukkig nog steeds grote uitzonderingen zijn in hun fatale afloop. Ook radicaliserende jongeren – en volwassenen – zijn vandaag nog steeds de uitzondering.

Er zijn twee logische reacties die je zowel bij ouders als de overheid ziet opduiken: controle en repressie.

Voor ouders reageerde de markt al snel. Zowel Microsoft als Google maken het ouders vandaag erg makkelijk om het doen en laten van hun kinderen op toestellen verbonden met het internet te volgen.

Vandaag kwam er het voorstel om het surfen naar radicaliserende sites te verbieden, net zoals het surfen naar kinderporno al verboden is. Dit vraagstuk is aan de wetgever, maar voor ouders en opvoeders wil ik wel graag enkele pedagogische wenken meegeven.

Vertrouwen is cruciaal in een relatie. Als je je kind controleert zonder dat die het weet, en het wordt ontdekt, bestaat het gevaar dat het gedrag nu helemaal underground gaat en moeilijker te achterhalen valt.

Het is trouwens niet altijd ongezond dat een jongere een leven heeft waar ouders niet alles over weten. Dat heet opgroeien.

Probleem is dan wel dat je moet weten wanneer het fout gaat. Kijken naar het kind of de jongere is de enige oplossing. Gedragsveranderingen, zich minder goed voelen enzovoort. Het zijn allemaal tekenen dat er iets misloopt.

Maar besef ook dat de jongen die zichzelf verstikte geen enkel teken vooraf toonde, niet on- of offline.

Repressief optreden verder kan wel degelijk nodig zijn bij accute situaties. Bij vergaand online pesten bijvoorbeeld dient er opgetreden te worden. Maar ook hier kunnen specifieke uitdagingen opduiken. Zo is het soms minder duidelijk dan je denkt wie dader en wie slachtoffer is. Opgroeien blijft een hindernissenparcours.

Kinderen aandacht leren… op 12 maanden?

Het zou me niet verwonderen als er bij dit onderzoek bij verschillende mensen pedagogische vragen gesteld worden, maar onderzoekers zijn er in geslaagd om kinderen van 12 maanden te trainen in aandacht geven met een reeks van 5 sessies van in totaal 95 minuten gespreid over 2 weken.

48 een-jarigen deden mee in dit experiment, waarbij 1 groep getraind werd, en 1 groep functioneerde als controlegroep. Onmiddellijk na de laatste sessie én 6 weken later werden beide groepen getest op aandacht en vergeleken met de pretest.

Er waren duidelijke verbeteringen merkbaar bij de testgroep onmiddellijk na de laatste sessie. Ze konden langer hun aandacht vasthouden dan voor de training, gemakkelijker het gezicht van andere kinderen herkennen en werden beter in stapsgewijs leren. Enkel het geheugen werd niet beter, wellicht omdat het werkgeheugen op deze leeftijd nog te zwak is.

Ook opvallend: het stresshormoon cortisol was lager bij deze kinderen terug in vergelijking met de pretest en de controlegroep. De onderzoekers vermoeden dat gerichte aandacht aanleren kan leiden tot betere zelfregulatie en minder angst.

6 weken later was er nog maar weinig merkbaar van al deze effecten, op 1 ding na: volgehouden aandacht was lichtjes achteruitgegaan, maar bleek nog steeds beter dan bij de controlegroep en de testgroep bleek nog steeds sneller te leren.

Dat de meeste effecten verdwenen, wordt geweten aan de korte duur (6 weken) van de training, het traditionele meer onderzoek is dus nodig. Zeker wat dit kan betekenen voor de dagelijkse praktijk, bijvoorbeeld in de kleuteropvang, is nog te onderzoeken.

Anderzijds hopen de onderzoekers met dergelijke bevindingen eventueel kinderen die later problemen zouden hebben met aandacht, vroeg genoeg te kunnen helpen.

Abstract van het onderzoek:

Previous research has suggested that early development may be an optimal period to implement cognitive training interventions, particularly those relating to attention control, a basic ability that is essential for the development of other cognitive skills. In the present study, we administered gaze-contingent training (95 min across 2 weeks) targeted at voluntary attention control to a cohort of typical 12-month-old children (N = 24) and sham training to a control group (N = 24). We assessed training effects on (a) tasks involving nontrained aspects of attention control: visual sustained attention, habituation speed, visual recognition memory, sequence learning, and reversal learning; (b) general attentiveness (on-task behaviors during testing); and (c) salivary cortisol levels. Assessments were administered immediately after the cessation of training and at a 6-week follow-up. On the immediate posttest infants showed significantly more sustained visual attention, faster habituation, and improved sequence learning. Significant effects were also found for increased general attentiveness and decreased salivary cortisol. Some of these effects were still evident at the 6-week follow-up (significantly improved sequence learning and marginally improved sustained attention). These findings extend the emerging literature showing that attention training is possible in infancy.

Het positieve effect van vaders op leren

Volgens een studie van onderzoekers van zowel Imperial College London, King’s College London als Oxford University heeft de betrokkenheid van de vader een belangrijke impact op de cognitieve ontwikkeling en het leren van baby’s. Eerder onderzoek toonde al het belang van de moeder voor het leren, maar de rol van de vader mag ook niet vergeten worden (bericht de BBC). De positieve impact van een betrokken vader zou al duidelijk worden vanaf 3 maanden, maar is helder in de cognitieve prestaties van een 2 jaar oude peuter.

Abstract van het onderzoek:

The quality of father–child interactions has become a focus of increasing research in the field of child development. We examined the potential contribution of father–child interactions at both 3 months and 24 months to children’s cognitive development at 24 months. Observational measures of father–child interactions at 3 and 24 months were used to assess the quality of fathers’ parenting (n = 192). At 24 months, the Mental Developmental Index (MDI) of the Bayley Scales of Infant Development, Second Edition (N. Bayley, 1993) measured cognitive functioning. The association between interactions and cognitive development was examined using multiple linear regression analyses, adjusting for paternal age, education and depression, infant age, and maternal sensitivity. Children whose fathers displayed more withdrawn and depressive behaviors in father–infant interactions at 3 months scored lower on the MDI at 24 months. At 24 months, children whose fathers were more engaged and sensitive as well as those whose fathers were less controlling in their interactions scored higher on the MDI. These findings were independent of the effects of maternal sensitivity. Results indicate that father–child interactions, even from a very young age (i.e., 3 months) may influence children’s cognitive development. They highlight the potential significance of interventions to promote positive parenting by fathers and policies that encourage fathers to spend more time with their young children.

Moeten we rozemarijn ruiken om beter te onthouden?

Makkelijke trucjes om af te vallen of om dingen sneller te leren doen het altijd goed. Eerder deze week las ik in De Morgen over een sportpil die er voor zou kunnen zorgen dat we zonder veel moeite zouden afvallen en beter presteren en gisteren rapporteert de BBC over een onderzoek dat bepaalde geuren een positief effect zouden hebben op het geheugen, rozemarijn zou wonderen doen.

We willen graag makkelijke oplossingen, maar… In het geval van de sportpil blijkt het middel wel degelijk bij muizen goed te werken op hun uithoudingsvermogen, maar bleek uit eerder onderzoek het behoorlijk kankerverwekkend te zijn voor mensen.

In het geval van de rozemarijn voor beter leren is het probleem niet van dergelijke aard, gelukkig, maar er is wel degelijk een probleem. De studie waarop het BBC-artikel gebaseerd is, is wel heel erg klein met 40 kinderen tussen 10 en 11, waardoor het woord ‘underpowered’ al snel kan vallen. Power in statistiek wordt in het Nederlands vertaald als ‘onderscheidend vermorgen’. In het geval van een kleine steekproef is dat vermogen om een effect te onderscheiden zonder dat het berust op toeval heel erg moeilijk. Dat de onderzoeker in het artikel aangeeft dat hij nu op zoek moet gaan naar een grotere steekproef is dus geen toeval. Ik zeg dus niet dat het effect er wel of niet is. Wel zeg ik: we zijn echt nog niet zeker dat het werkt. En oja, het onderzoek is nog niet echt gepubliceerd geraakt, maar werd enkel op een conferentie voorgesteld. Dat de BBC erover bericht – wat onderzoekers verbaasd deed reageren op twitter – is gewoon omdat er een persbericht was.

En ondertussen blijven voor leren de woorden van Richard Wiseman gelden: work really hard. Dat zelfde geldt wellicht ook voor afvallen.