Google lanceert Family link, meer controle voor ouders over online leven van kinderen

Hoe lang mag een kind online? Hoe lang mag een kind op een schermpje? Welke sites mag een kind wel of niet bezoeken? Het zijn vragen waar veel ouders mee worstelen en Google heeft nu voor Android gebruikers een toepassing om te helpen: Family Link:

Je kan bepalen welke apps al dan niet gebruikt worden:

De schermtijd monitoren:

en bepalen wanneer er geen schermtijd meer mag zijn:

Dit is natuurlijk eerder een restrictieve aanpak van mediagebruik, met minder focus op begeleiding. Het ligt ook in de lijn met wat oa Disney op de markt bracht.

Check Family link hier.

Persbericht en onderzoek VAD over middelengebruik bij Vlaamse leerlingen

De nieuwe resultaten van de leerlingenbevraging van VAD zijn er, dit persbericht vat samen:

Al bijna twee decennia lang, voert VAD jaarlijks een representatieve studie uit over middelengebruik, gokken en gamen bij leerlingen uit het secundair onderwijs. De resultaten van de leerlingenbevraging 2015-2016 bevestigen vooral de trends van de afgelopen jaren, maar brengen ook enkele aandachtspunten naar boven: de kennis over en naleving van de wetgeving kan beter, alcoholgebruik blijft dalende en leerlingen uit de B-stroom en het BSO gebruiken over het algemeen meer.

Sinds het schooljaar 2000-2001 organiseert het Vlaams expertisecentrum Alcohol en andere Drugs (VAD) jaarlijks een leerlingenbevraging over alcohol, tabak, illegale drugs, psychoactieve medicatie, gokken en gamen bij jongeren in het secundair onderwijs. Jaarlijks bundelt VAD de resultaten van de leerlingenbevraging in een syntheserapport, representatief voor Vlaamse jongeren in het secundair onderwijs. Vandaag wordt het rapport van het schooljaar 2015-2016 gepresenteerd, waarvoor 27.146 leerlingen uit 63 verschillende scholen anoniem deelnamen aan de bevraging.

Tabak: ooit-gebruik daalt, laatstejaarsgebruik niet

19% van de leerlingen uit het secundair onderwijs heeft het afgelopen jaar tabak gebruikt. Na een piek in het schooljaar 2013-2014, heeft het laatstejaarsgebruik bij de verschillende leeftijdsgroepen een dalende trend ingezet. Maar de cijfers blijven hoog. De evolutie tijdens het voorbije decennium toont dat de cijfers gelijk blijven: voor de twee hoogste leeftijdsgroepen verschillen de huidige cijfers niet substantieel van die van het schooljaar 2005-2006.

De gemiddelde leeftijd waarop jongeren voor het eerst een sigaret roken is lichtjes gedaald (14,6 jaar). Maar er is een substantiële groep die op latere leeftijd nog begint met roken: 31% is 16 jaar of ouder bij de eerste sigaret. Het aantal rokers neemt ook gradueel toe bij het ouder worden. Tabakspreventie in het secundair onderwijs moet daarom gericht zijn op alle graden.

Bij de -16-jarigen, aan wie tabak niet mag verkocht worden, zegt 14% ooit een sigaret te hebben gerookt, en zegt 41% gemakkelijk aan tabak te kunnen geraken. Aangezien de kennis van de wetgeving over verkoop van tabaksproducten jaar na jaar licht achteruit gaat, dringt vernieuwde aandacht voor de geldende wetgeving zich op.

Alcohol: nu ook bij oudere leerlingen meer nuchterheid

Alcoholgebruik is nog steeds een vrij algemeen voorkomend fenomeen, toch wordt de laatste jaren duidelijk dat het gebruik van alcohol op de terugweg is. Deze dalende trend in alcoholgebruik is nu ook voor het eerst te zien bij oudere leerlingen.

Een decennium geleden was het ooit-gebruik van alcohol bij min-16-jarigen veeleer de regel dan de uitzondering. Ondanks de specifieke risico’s die verbonden zijn aan alcoholgebruik op jonge leeftijd, zei 77% van de min-16-jarigen in het schooljaar 2005-2006 ooit alcohol te hebben gedronken. Anno 2015-2016 is dat aandeel gedaald tot 45% van de min-16-jarigen. Een duidelijk dalende trend die vanaf begin 2010 verder werd ondersteund door een wetswijziging, die stelde dat het verboden is alcoholische dranken te verkopen, schenken of aanbieden aan jongeren onder de 16 jaar.

De vaststelling dat steeds meer jongeren het drinken van alcohol uitstellen, is ook af te leiden uit de stijgende beginleeftijd voor alcoholgebruik. Tussen 2010-2011 en 2015-2016 is die gestegen met bijna een jaar, van 13 jaar en 7 maanden naar 14 jaar en 5 maanden.

In het schooljaar 2015-2016 daalde ook voor het eerst het ooitgebruik en laatstejaarsgebruik bij oudere leerlingen. Een dergelijke daling is ook waarneembaar voor andere gebruikspatronen, de meeste zelfs sinds geruimere tijd:

  • Het regelmatige gebruik van alcohol kent in de voorbije tien jaren een duidelijke daling, van 46% in 2005-2006 naar 31% in 2015-2016.
  • Het regelmatig gebruik van sterkedrank daalt voor het eerst duidelijk onder de 10%, na drie jaren van stagnatie. In vergelijking met het schooljaar 2008-2009 is het aandeel regelmatige gebruikers van sterkedrank bijna gehalveerd (van 15% naar 8%).
  • Het aandeel 17- tot 18-jarigen dat minstens één keer per maand aan bingedrinken doet, daalt in de drie laatste schooljaren van 38% naar 31%
  • Wat het eerder subjectieve gegeven van zich dronken voelen betreft, treedt na enkele jaren van aanhoudende stijging nu voor het eerst een duidelijke daling in bij de 17- tot 18-jarigen.

Niet enkel bij de oudere leerlingen zijn de evoluties gunstig, ook bij de jongere leerlingen zijn er positieve resultaten. Naarmate het ooit-gebruik en laatstejaarsgebruik bij de 12- tot 14- jarigen alsmaar daalt, stijgt ook het belang van motief ‘ik drink geen alcohol omdat het wettelijk verboden is’ steeds meer.

Het ziet er dus naar uit dat de positieve tendensen met betrekking tot alcoholgebruik niet langer beperkt blijven tot de jongste leerlingen, maar nu ook ingang vinden bij de oudere leerlingen.

Illegale drugs: geen kentering in zicht

Cannabis blijft van de illegale drugs duidelijk het meest gebruikte middel. Eén op de negen leerlingen (11%) geeft aan in het voorgaande jaar cannabis te hebben gebruikt, wat iets minder is dan de twee schooljaren daarvoor. Op langere termijn is er echter geen daling merkbaar, eerder een stabilisering. Anderzijds verwachten minder leerlingen dat hun vriendengroep cannabisgebruik zou goedkeuren, en geven alsmaar minder leerlingen aan makkelijk aan cannabis te kunnen geraken. De hernieuwde stijging van cannabisgebruik bij de oudste leerlingen en bij de leerlingen uit het BSO dient verder gemonitord te worden.

Andere illegale middelen worden eerder zelden gebruikt. Amper 4% heeft ooit een andere illegale drug gebruikt. Xtc en cocaïne zijn de meest gebruikte middelen. Xtc leek een aantal jaren geleden op terugweg, maar wordt recent weer iets meer gebruikt in het uitgaansleven. De toekomstige resultaten van de leerlingenbevraging zullen uitwijzen of het xtc-gebruik zich ook bij leerlingen in het secundair onderwijs terug sterker manifesteert.

Gokken: sportweddenschappen onder de radar van de wet?

Gokken is geen breed voorkomend fenomeen onder Vlaamse leerlingen. Er is ook geen stijging of daling waarneembaar over de laatste drie schooljaren heen. Toch moet gokken gemonitord blijven worden in het kader van wettelijke restricties. Hoewel 18 jaar de wettelijk vereiste leeftijd voor sportweddenschappen is, speelde 5% van de minderjarige leerlingen in het laatste jaar op sportweddenschappen.

Specifieke aandacht voor B-stroom en BSO

De verschillende vormen en uitingen van middelengebruik doen zich overal voor. Toch springen de B-stroom en het BSO op een aantal vlakken sterker in het oog als het op gebruik aankomt. Dat geldt voor dagelijks roken, voor dronkenschap in het voorgaande jaar, voor gebruik van ADHD-medicatie en voor mogelijks risicovol gamen. De oorzaken van deze verschillen zijn complex en het is niet de bedoeling om de leerlingen uit de B-stroom en het BSO te stigmatiseren. Zo speelt ook mee dat leerlingen in de B-stroom en het BSO gemiddeld iets ouder zijn dan die in de A-stroom en uit ASO en TSO. Deze vaststellingen leiden tot de aanbeveling om preventie rond deze thema’s nadrukkelijker aan bod te laten komen in de vakoverschrijdende eindtermen.

We blijven uitgebreide aandacht hebben voor tabak, alcohol en drugs en betrekken hierbij levensdomeinen zoals werk, school en vrije tijd. Tenslotte is Health in all policies. Het uiteindelijke doel is dat de Vlaming in 2025 gezonder leeft.

Jo Vandeurzen, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

Gezondheidsdoelstellingen: een goed rapport

In 2006 formuleerde de Vlaamse overheid vier gezondheidsdoelstellingen met betrekking tot het gebruik van tabak, alcohol en illegale drugs, met als eindmeet 2015. Op basis van de resultaten van de leerlingenbevraging 2015-2016 blijken drie doelstellingen behaald te zijn, dankzij positieve tendensen over de laatste jaren heen:

  • Bij personen jonger dan 16 jaar is het percentage dat het afgelopen jaar heeft gerookt niet hoger dan 11% (2015-2016: 10%).
  • Bij personen jonger dan 16 jaar is het percentage dat meer dan 1 keer per maand alcohol drinkt niet hoger dan 20% (2015-2016: 11%).
  • Bij personen jonger dan 18 jaar is het percentage dat ooit een illegale drug heeft gebruikt niet hoger dan 14% (2015-2016: 13%).

Eén gezondheidsdoelstelling werd niet bereikt:

  • Bij personen jonger dan 18 jaar is het percentage dat in het jaar voor de bevraging een illegale drug heeft gebruikt niet hoger dan 7% (2015-2016: 10%).

Jo Vandeurzen, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin: “Op de gezondheidsconferentie van december 2016 werden de gezondheidsdoelstellingen hernieuwd. We blijven uitgebreide aandacht hebben voor tabak, alcohol en drugs en betrekken hierbij levensdomeinen zoals werk, school en vrije tijd. Tenslotte is Health in all policies. Het uiteindelijke doel is dat de Vlaming in 2025 gezonder leeft”.

Meer resultaten rond tabak, alcohol en illegale drugs, alsook rond psychoactieve medicatie, gokken, gamen en middelengebruik in de leefwereld van jongeren, lees je in het rapport.

Mijn stuk voor Knack: Ouderbetrokkenheid is meer dan oudercontact

Knack vroeg me voor een stuk over ouderbetrokkenheid, dit was het resultaat:

Het is een verzuchting die ik wel vaker hoor van leerkrachten: de ouders die je niet hoeft te zien, zitten er als eerste, de ouders die je zou willen zien, komen niet opdagen. Het zal wellicht voor een stuk te kort door de bocht zijn, maar het is een verzuchting die Bart Somers en Hilde Crevits ook wellicht al te vaak gehoord hebben om niet te reageren. Nu is er een voorstel van de burgemeester van Mechelen om oudercontacten verplicht te maken. Klinkt goed, maar het is belangrijk te beseffen dat ouderbetrokkenheid veel meer is dan 3 keer per jaar komen babbelen over de prestaties van zoon of dochter.

Samaey en Vettenburg onderscheidden 7 dimensies als het gaat over ouderbetrokkenheid bij school.

  1. de gedragsdimensie, wat ouders doen,
  2. de tijdsdimensie, hoe vaak er contact is tussen ouders en school,
  3. wat de ouder weet over onderwijs (kennisdimensie);
  4. welke gevoelens de ouder heeft in de relatie tot de school (emotionele dimensie);
  5. welke overwegingen bepalen of ouders zich al dan niet inzetten voor het onderwijs van hun kinderen (rationele dimensie);
  6. de mate waarin de ouder ervan overtuigd is dat hij een rol kan spelen in de schoolloopbaan van zijn kind (overtuigingsdimensie);
  7. de mate waarin de ouder zich competent voelt of competent is om zijn kind te ondersteunen (competentiedimensie).

Een gesprek tijdens een oudercontact kan dan een begin zijn om zicht te krijgen op deze verschillende dimensies van betrokkenheid, maar daar zijn een paar voorwaarden voor. Eerst en vooral dat het een echt, open gesprek is en niet een leerkracht die vertelt en ouders die hopelijk begrijpend luisteren. Het gaat dan over beide kanten die elkaar leren kennen in het belang van het kind. Niet voor niets staat in de basiscompetenties van de lerarenopleidingen ook letterlijk ‘partner van ouders’.

Hoe meer de neuzen van school en ouders in de zelfde richting staan – en voeg daar graag de neus van dochter – en zoonlief ook maar aan toe – hoe groter de kans dat het goed gaat met het kind of de jongere. Op basis hiervan is het daarom belangrijk te beseffen wat doel is en wat middel. De omstandigheden voor het kind zo optimaal mogelijk maken is het doel, oudercontacten zijn een middel. Een belangrijk middel, maar niet het enige. Duidelijke, waar nodig laagdrempelige communicatie, is een ander middel. Maar er is meer. Er zijn ook de leerkrachten die ’s ochtends aan de schoolpoort elke leerling verwelkomen en een praatje slaan met de ouders, er zijn de paar scholen die een ouderkamer hebben,… Een verplicht oudercontact kan hoogstens een allerlaatste hefboom zijn, een stok achter de deur. Maar om de betrokkenheid van de ouders op al de zeven dimensies te vergroten, is veel meer nodig. Partners word je niet met azijn, maar misschien eerder met koffie of thee.

Nieuw starterspakket voor kinderen (en hun ouders) die in de kleuterschool starten

Even reclame maken voor dit nieuwe starterspakket van Klasse en de Vlaamse overheid:

Gaat jouw kleuter binnenkort voor het eerst naar school? Klasse maakte een handig boekje dat je op weg helpt. In ‘Voor het eerst naar school’ vind je antwoorden op vragen als:

  • Wanneer mag mijn kind naar school?
  • Waarom is de kleuterschool de beste start voor een schoolcarrière?
  • Hoe bereid ik mijn kind voor op de eerste schooldag?
  • Wat leren de kleuters in de 1ste, 2de en 3de kleuterklas?
  • Wat heeft mijn kind ’s avonds nodig?

In het boekje lees je getuigenissen van een anderstalige Poolse mama, een kleuterjuf, een professor en een directeur. Je vindt ook vertaalfiches met 5 veelgestelde vragen uit het starterspakket in 13 talen. Daarnaast zijn er nog een leuke vertelkaart en beloningsstickers.

Je vindt het boekje op school, maar ook bij organisaties als Kind en Gezin, de centra voor basiseducatie en armoedeverenigingen.

PISA in Focus: welke carrière zien jongeren voor zichzelf in wetenschappen?

Er is een nieuwe PISA in Focus met een, ehm, focus op de vraag welke carrière zien jongeren voor zichzelf in wetenschappen?

Wat valt op? Rollenpatronen in denken over toekomstige jobs zijn hardnekkig en vakken in STEM zijn niet zo populair!

  • On average across OECD countries, almost one in four students – whether boy or girl – expects to work in an occupation that requires further science training beyond compulsory education.
  • Boys are more than twice as likely as girls to expect to work as engineers, scientists or architects; and 4.8% of boys, but only 0.4% of girls, expect to work as ICT professionals, on average across OECD countries.
  • Girls are almost three times more likely than boys to expect to work as doctors, veterinarians, nurses or other health professionals.

Kortom in zowat alle landen zijn dokters van Venus, ingenieurs van Mars:

pisa-mars-en-venus

Maar hoe komt dit en wat kunnen we er volgens de OESO aan doen?

Influenced by their family and by popular culture, girls often think of scientists as men in lab coats, see computer science as a “masculine” field, and think that success in science is due to brilliance – which they often find difficult to attribute to themselves – rather than to hard work. Such stereotypes may have some truth to them, but they often discourage young women who are capable and interested in science from envisaging a number of careers in science, technology or engineering.

Schools can counter these stereotypes, and help students cultivate a more inclusive view of science, through better career information. Students should have access to information that is accurate, credible and avoids unrealistic or exaggerated portrayals of career options. Employers and educators in perceived “masculine” or “feminine” fields can also help eliminate existing stereotypes, such as by promoting awareness that computer sciences (“masculine” and “nerdy”) help solve health problems (“feminine” and “caring”), or by reaching out and establishing direct contact with students and schools. And teachers can play an important role in cultivating boys’ and girls’ interests in a diverse range of science topics.

Longitudinale studie bevestigt: opgroeien in hetero- of holebigezin even goed

Een nieuwe studie waarbij 96 gezinnen gedurende langere tijd gevolgd werden, bevestigt wat eerder onderzoek ook al toonde: kinderen die opgroeien in gezinnen waarbij de ouders het zelfde geslacht hebben, hebben de zelfde groeikansen als kinderen uit gezinnen waarbij de ouders een verschillend geslacht hebben. Belangrijkste voorspellers voor mogelijke problemen waren onder andere ouderlijke stress.

Abstract van het onderzoek:

Controversy continues to surround parenting by lesbian and gay (LG) adults and outcomes for their children. As sexual minority parents increasingly adopt children, longitudinal research about child development, parenting, and family relationships is crucial for informing such debates. In the psychological literature, family systems theory contends that children’s healthy development depends upon healthy family functioning more so than family structure. From the framework of family stress theory, it was expected that longitudinal outcomes for school-age children adopted in infancy could be distinct among those with same-sex versus other-sex parents (N = 96 families). Similar findings were hypothesized in terms of parent adjustment, couple relationships, and family functioning in comparing same-sex and other-sex parent families. Results indicated that adjustment among children, parents, and couples, as well as family functioning, were not different on the basis of parental sexual orientation (lesbian, gay, or heterosexual) when children were school-age. Rather, children’s behavior problems and family functioning during middle childhood were predicted by earlier child adjustment issues and parenting stress. These findings are consistent with and extend previous literature about families headed by LG parents, particularly those that have adopted children. The results have implications for advancing supportive policies, practices, and laws related to adoption and parenting by sexual minority adults.

Monitorless, de visie van Samsung op AR en VR

Lees meer over deze visie op AR- en VR-brillen van Samsung hier en lees waarom hun visie meer succes zou kunnen hebben dan Google met hun Google Glass. Aan de andere kant, het blijft een groot, extra ding op je neus?