Nieuw onderzoek naar hoe onze persoonlijkheid verandert doorheen de tijd

Liggen onze persoonlijkheidstrekken vast of niet? Of beter: kan je je partner ooit veranderen of niet? Het is het onderwerp van een nieuwe studie waarbij data gebruikt werd van meer dan 50000 Amerikaanse en Europese respondenten die men kreeg door data van 14 onderzoeken te combineren. Hierbij keek men na hoe de typische big five-persoonlijkheidstrekken evolueerden. Wat bleek? Meestal zie je vergelijkbare patronen.

BPS Digest vat het als volgt samen:

Combining data from all the studies showed that four of the five main personality traits showed statistically significant change, on average, through life, thus contradicting William James’ famous assertion that personality is set like plaster after age 30. The exception was trait Agreeableness (related to warmth and empathy), but actually this trait was found to change in each individual study, but in different directions for different studies (sometimes increasing through life, sometimes diminishing), such that it appeared stable when considered in aggregate.

Putting Agreeableness aside, the overall pattern was for the other traits to decline across the lifespan by about 1-2 per cent per decade, such that participants became, on average, more emotionally stable (save for an uptick in Neuroticism at the very end of life), but generally less outgoing, less open-minded, and less orderly and self-disciplined. This is somewhat consistent with the previously described Dolce Vita (literally “sweet life”) effect, which describes how we change in late life in response to having fewer responsibilities.

Maar er vallen nog een paar dingen op:

  • Er zijn de nodige individuele verschillen.
  • Er zouden regionale verschillen bestaan.

Dit is een zeer interessante nieuwe analyse, maar er zijn de nodige beperkingen én de studie levert nieuwe vragen op (bijvoorbeeld hoe het komt dat een individu van de algemene tendensen afwijkt).

Abstract van het onderzoek (nog in preprint):

This study assessed change in the Big Five personality traits. We conducted a coordinated integrative data analysis (IDA) using data from 14 studies including 47,190 respondents to examine trajectories of change in the traits of neuroticism, extraversion, openness, conscientiousness, and agreeableness. Coordinating models across multiple study sites, we fit nearly identical multi-level linear growth curve models to assess and compare the extent of trait change over time. Quadratic change was assessed in 8 studies with four or more measurement occasions. Across studies, the linear trajectory models revealed stability for agreeableness and decreases for the other four five traits. The non-linear trajectories suggest a U-shaped curve for neuroticism, and an inverted-U for extraversion. Meta-analytic summaries indicate that the fixed effects are heterogeneous, and that the variability in traits is partially explained by baseline age and country of origin. We conclude from our study that neuroticism, extraversion, conscientiousness, and openness go down over time, while agreeableness remains relatively stable.

 

Correlatie en causaal verband en smartphones

Vandaag in onder andere Humo en De Morgen staan artikels over smartphones en kinderen met de nodige waarschuwingen. De aanleiding voor deze artikels is het werk van onder andere Jean Twenge dat ik enkele maanden geleden ook al hier bracht. De Morgen brengt gelukkig ook Peter Nikken die de nodige duiding en relativering geeft, maar laten we kijken naar wat Twenge zelf stelt.

Het onderzoek waaruit blijkt dat jongeren later volwassen worden omdat ze vanalles uitstellen is interessant. Maar wat hier beschreven wordt in Humo is een correlatie, 2 of meerdere dingen die samen voorkomen:

Wat hier staat is een sterk vermoeden van Twenge eerder dan dat haar data dit bewijst als zekerheid. In haar boek en de opinie in The Atlantic haalt ze ook feller uit dan in wetenschappelijk werk. Wil dit nu zeggen dat we niet moeten nadenken over smartphone gebruik? Zeker wel, onder andere rond slaap is er echt wel de nodige evidentie dat we met problemen zitten. Maar er is ook iets anders: het is belangrijk dat we nadenken over deze evoluties die Twenge wel degelijk ziet en kijken wat deze kunnen betekenen voor onze samenleving. Als kinderen en jongeren bijvoorbeeld later volwassen worden, lees ook later verantwoordelijkheid leren nemen, wat betekent dat voor onderwijs bijvoorbeeld? Of ook: wat zin andere mogelijke oorzaken, angst van ouders bijvoorbeeld? Of nog: moeten we sommige van deze evoluties goed of slecht vinden en indien het laatste: er iets aan doen?

Vrij vertaald: het is dus een pak complexer dan enkel te kijken naar de smartphone…

Een alternatieve verklaring waarom ons leven steeds sneller lijkt te worden: chunking

Een telefoonnummer onthouden we meestal niet als een reeks van 7-8-9 cijfers, maar als een paar groepjes van cijfers. Dit proces heeft chunking. Een nieuwe paper in Self and Identity omschrijft het leven als “Like a ball rolling down a hill, time often seems to pick up momentum, going faster and faster as we get older…,” en ziet datzelfde chunking als een verklaring.

Voor een kind dat de eerste keer naar een park gaat, zijn ongeveer alle indrukken nieuw, de bloemen, de hond, het gras, enzovoort. Maar voor de volwassene die met het kind mee is, zal er weinig nieuws opvallen als er niet toevallig iets buitengewoons gebeurt. Al die nieuwe ervaring die het kind voor de eerste keer ervaart, wordt voor de volwassene 1 chunk, namelijk een wandeling in het park. Voor het kind is het zo een lange ervaring, voor de volwassene wordt de ervaring iets korts.

BPS Digest vat samen hoe men deze hypothese onderzocht:

To test this explanation, the researchers first asked 107 volunteers to either write about how events over the past year of their lives were similar to the events of other years (a task designed to encourage the chunking of past experiences) or to write about how events and activities could have turned out differently (the “no chunking” group). The participants who’d chunked their previous year perceived it as having passed more quickly than an “objective” calendar year, whereas the other group did not.

Next, the researchers asked a different group of 115 undergraduates to spend two minutes reflecting on how much time they had spent engaged in four different activity categories (school, job, socialising and other), either over the past year, or over the past day. The idea was that this would prompt them to “chunk” experiences together, but over different periods. All these participants then indicated how quickly they felt the previous year had passed, compared with the “average” year. Those who’d “chunked” their past year reported feeling that it had gone faster than those who’d chunked the previous day. “It appears that perceiving a given period as passing faster depends on whether one chunks that period,” the researchers wrote.

Is er iets tegen te doen? De onderzoekers vermoeden dat mindfulness misschien wat tegengewicht kan geven.

Abstract van het onderzoek:

Time seems to speed up as one ages, and it affects how people find meaning in life and plan their future. What creates this perception? We examine the role of “chunking” – mentally bundling individual moments of experience under broad categories. With age, people group experiences into progressively bigger chunks (e.g., workfamily). Consequently, fewer things seem to have occurred in a given period, so it seems to have passed faster in retrospect. Supporting this account, three studies (overall N = 324) show that people led to chunk (vs. not chunk) their past year perceived it as passing faster. The effect of chunking emerged reliably across converging operations and specifically accelerated the chunked period, not other periods. Furthermore, chunking increased the appeal of nostalgia, suggesting that processes that accelerate time instigate a compensatory urge to reflect on momentous occasions of one’s life. Implications for the “self across time” are discussed.

Je bent minder bijgelovig als je in een vreemde taal denkt

Dit is een leuk onderzoek – waarvan ik me wel afvroeg hoe je er ooit op komt: je hebt minder last van bijgeloof als je denkt in een vreemde taal. Misschien toch niet zo gek, omdat we al uit eerder onderzoek weten dat we minder last hebben van denkfouten/biases als je in een andere taal denkt en eerlijk dit onderzoek ligt behoorlijk in die lijn.

BPS Digest beschrijft een van de experimenten:

In one experiment, 400 native German speakers with proficiency in English imagined themselves in various scenarios, described either in German or English text, about an important day, like the morning before an exam or the day of a job application deadline. Each scenario involved a break in the routine, which was either mundane (like discovering the kitchen sink being blocked or spotting an airplane in the sky), or had a superstitious connotation – negative, like a mirror breaking, or positive, such as spotting a falling star in the sky. Participants rated how positive or negative they would feel in these situations, responding in the same language as the text.

Reading and responding in English, rather than German, made no difference to participants’ ratings of how they’d feel following a mundane event, but led to them describing less intense emotional reactions to the events with a superstitious connotation: they said they’d feel less negative about the bad luck events and less positive about the good luck events.

Wat is er aan de hand? Kahneman zou wellicht zeggen dat het snelle systeem in ons denken minder gebruikt wordt, omdat we meer moeite moeten doen voor de vreemde taal en dat daardoor het trage systeem meer gebruikt wordt. De uitleg van de onderzoekers klinkt verwant: onze intuïtie wordt gevormd door herhaaldelijk dingen samen te horen of te lezen, bijvoorbeeld zinnen als “scherven brengen ongeluk.” In je eigen taal hoorde je dit vaker dan in een vreemde taal en wordt je intuïtie minder getriggerd, op die manier word je dus beschermd tegen bijgeloof.

Abstract van het onderzoek:

In three studies we found that reading information in a foreign language can suppress common superstitious beliefs. Participants read scenarios either in their native or a foreign language. In each scenario, participants were asked to imagine performing an action (e.g., submitting a job application) under a superstitious circumstance (e.g., broken mirror; four-leaf clover) and to rate how they would feel. Overall, foreign language prompted less negative feelings towards bad-luck scenarios, less positive feelings towards good-luck scenarios, while it exerted no influence on non-superstitious, control scenarios. We attribute these findings to language-dependent memory. Superstitious beliefs are typically acquired and used in contexts involving the native language. As a result, the native language evokes them more forcefully than a foreign language.

Nieuw van Kennisnet: monitor Jeugd en Media. Wat is relevant voor onderwijs?

Vandaag verschijnt om 8u30 de nieuwe monitor over jeugd en media in Nederland van Kennisnet. Ik kon het rapport al inkijken. Dit is de samenvatting waarbij ik in het vet enkele relevante elementen aanduid:

    • De enquête onder 10- t/m 18-jarigen bevestigt het beeld dat de Monitor Jeugd en Media 2015 ook al liet zien: kinderen en jongeren vormen geen homogene generatie. Je kunt eigenlijk niet spreken over de jeugd als het gaat om mediagebruik. Er zijn grote verschillen in het doel waarvoor ze digitale media inzetten.
    • Uit de vragenlijst blijkt dat leerlingen digitale veelgebruikers zijn en dat ze vertrouwen hebben in hun eigen digitale kunnen. School speelt echter nauwelijks een rol in het bijbrengen van digitale kennis en vaardigheden. Jongeren doen die competenties naar eigen zeggen op in hun vrije tijd en worden daarbij geholpen door hun ouders.
    • De respondenten weerspreken het beeld dat er sprake is van een digitale generatie. Natuurlijk: voor kinderen en jongeren is digitale technologie de normaalste zaak van de wereld. Maar technologie biedt niet voor alles soelaas, niet bij de informatieverwerking tenminste. Informatie zoeken ze het liefst via internet, niet via de bibliotheek. Maar als het gaat om het maken van aantekeningen en het lezen van lange teksten en boeken bestaat er een duidelijke voorkeur voor papier. Je zou ze ‘gemengde’ gebruikers kunnen noemen.
    • Leerlingen tellen de zegeningen van internet. Zo zegt meer dan de helft van de leerlingen beter in Engels te zijn geworden dankzij internet. Twee derde zegt dankzij internet meer te leren dan dat hun ouders vroeger deden.
    • Uit de praktische toets blijkt dat veel leerlingen moeite hebben op internet te zoeken en informatie op waarde te schatten.
    • Vmbo-leerlingen presteren het minst. Ze verzamelen feitelijke informatie, maar bij het uitvoeren van een zoekopdracht doen ze nauwelijks een beroep op andere deelcompetenties, namelijk beoordelen, verwerken en presenteren van informatie. Dat gaat ze erg moeilijk af. Deze 3 deelvaardigheden zijn echter essentieel bij het werk dat ze doen voor school, hun vervolgopleiding en hun latere baan.
    • Leerlingen uit het vmbo letten vaker dan leerlingen uit de andere onderwijsniveaus op de relevantie van de informatie voor het beantwoorden van de toetsvraag. Bij het beoordelen van informatie vertrouwen ze vaker op hun eigen inzicht/gevoel.
    • Havo/vwo-leerlingen letten bij het beoordelen van informatie vaker dan leerlingen van de andere niveaus op of informatie op meerdere websites voorkomt, of de bron betrouwbaar is en wat de uiterlijke kenmerken van de website zijn.
    • Opvallend is dat po-leerlingen het vaakst aangeven niet te weten waar ze op moeten letten bij het beoordelen van informatie op internet.
    • De resultaten suggereren dat de zoekstrategieën van leerlingen onderverdeeld zijn in het zoeken met sleutelwoorden en het zoeken met zinnen/vragen. Leerlingen lijken een van deze zoek- strategieën dominant te gebruiken tijdens het zoekproces. Daarbij zoeken vmbo- en po-leerlingen vaker met een zin/vraag en havo/ vwo-leerlingen vaker met een sleutelwoord.
    • Dat er verschillen zijn tussen havo- en vwo-leerlingen en vmbo-leerlingen is inherent aan het verschil in cognitieve vermogens. Maar het grote verschil in digitale informatievaardigheden tussen leerlingen op de verschillende niveaus valt wel erg op.

Een overzicht van de gevaren van het internet of things volgens 1200 experts (Linda Duits)

Deze blogpost verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Toen we begonnen met het Diep-blog leek het internet der dingen nog toekomstmuziek, maar inmiddels zijn er al zoveel apparaten online (naar schatting 8,4 miljard dingen) dat we al mogen spreken van realiteit. Auto’s, smart-verwarming en bijvoorbeeld gezondheidstracking-apparaten zijn verbonden met het internet en dat roept vragen op over veiligheid en privacy. Pew Internet ondervroeg zo’n 1200 deskundigen uit wetenschap en praktijk over hun toekomstverwachtingen. Centraal stond de vraag of de kwetsbaarheden die voortkomen uit verbondenheid ertoe zullen leiden dat mensen zullen gaan disconnecten. Daarna kwamen drie follow-up-vragen:

  • Wat is de meest waarschijnlijke soort fysieke of menselijke schade die voort kan komen uit het netwerken van dingen?
  • Hoe kunnen overheden en makers dingen veiliger maken?
  • Is het mogelijk om objecten met elkaar te verbinden zodat ze algemeen veilig blijven?

De antwoorden laten zien dat verbinding onvermijdelijk is volgens deze experts. Daar zitten heel veel risico’s aan en dat gaat ons veel problemen opleveren. De onderzoekers onderscheiden zeven hoofdthema’s in hun analyse.

 1. Mensen snakken naar verbondenheid en gemak
Het is magisch en verslavend. In een complexe wereld vol chaos overwint gemak.

“We have a deep need and desire to connect. Everything in the history of communication technology suggests we will take advantage of every opportunity to connect more richly and deeply. I see no evidence for a reversal of that trend.” – Peter Morville, eigenaar van Semantic Studios

2. ‘Ontpluggen’ wordt alleen maar moeilijker
Het is nu al lastig, in 2026 is het bijkans onmogelijk. Het is zinloos je te verzetten: bedrijven gaan mensen die niet verbonden zijn bestraffen. Bovendien onttrekken veel verbonden dingen zich aan het zicht.

“Despite hacks and privacy issues, people will feel a need to keep connected, partly because companies will reward them for doing so (or make life difficult if they don’t). People will feel resigned to navigating an environment where data are key coins of exchange.” – Joseph Turow, communicatiewetenschapper

3. Risico hoort bij het leven en mensen denken niet dat het worst-case-scenario op hun van toepassing is
Dit wordt optimisme-bias genoemd: het zal allemaal wel goed aan.

“Most people aren’t aware of the complexities of online security and assume it will happen to someone else.” – anoniem

4. Meer mensen zullen verbonden zijn én meer mensen zullen zich terugtrekken

“There will be a statistically significant number of people who will deliberately disconnect to the extent possible, but overall connections will increase. I expect that a premium will begin to come into play for purchasing ‘disconnection’ as a feature for goods/services in the future.” – John Paine, business-analyst

5. De menselijke vindingrijkheid zal wel met een oplossing komen
Een andere variatie op ‘het komt wel goed’. Er zal wetgeving en regulering komen, en de tech-industrie zelf zal met oplossingen komen.

“It feels like an inevitability that some series of high-profile ransomware attacks, e.g., turning off an IoT pacemaker to take out a U.S. senator or CEO, will happen, because human greed is not a force we’re likely to eliminate in the near term. That said, I doubt the backlash against that kind of attack will be disconnection, it’ll be the solidification of security standards and ‘trusted’ brands of devices.” – anoniem

6. Aanzienlijke aantallen mensen zullen disconnecten
Zo’n vijftien procent van de respondenten denkt dit. Het gaat om mensen die de systemen wantrouwen.

“There is a limit to the trust people put into their machines.” – Jesse Drew, mediawetenschapper

7. Kwesties rond civiele vrijheden zullen vergroot worden dankzij de snelle opkomst van het internet der dingen
Er zullen gewelddadige aanvallen komen, sommigen fysiek. Vrij burgerschap is in het geding.

“Connected cities will track where and when people walk, initially to light their way, but eventually to monitor what they do and say.” – Marti Hearst, informatica

Tot slot
Waakzaamheid is dus geboden, maar waken kan alleen gedaan worden door deskundige mensen:

“The only way to effectively prevent against malware and data breaches is to stay continually vigilant. To borrow an analogy from ‘Game of Thrones,’ we need a ‘Night’s Watch’ for security. Because when it comes to the Internet of Things and data breaches, ‘winter is coming.’ Organizations must hire enough knowledgeable staff to monitor and adjust systems, and to empower them to keep pace with hackers. IT and security staff must be willing to educate themselves, to admit when they need help and to demand that executives make decisions proactively.” – Amy Webb, eigenaar Future Today Institute

Hoewel het rapport daar niet over schrijft, hangt veel af van hoe overheden om zullen gaan met nieuwe technologische veranderingen. Dat vraagt om politici met verstand van zaken en om een aanpak op Europees niveau, vooral ook omdat veel techbedrijven supranationaal opereren.

Opvallend: we merken nauwelijks als onze mening verandert.

Het is een typische uitspraak: enkel een idioot verandert nooit van mening. Mooi, maar weet die niet-idioot dat hij of zij van mening veranderde? Wel dat is niet zo zeker. Stel: je leest een interessant artikel en op basis daarvan stel je je mening bij, hoe bewust ben je daarvan? Volgens nieuw onderzoek van Wolfe en Williams hebben we een arme “metacognitve awareness”, metacognitief bewustzijn voor veranderingen in onze opinie.

Voor 2 experimenten recruteerden de onderzoekers meer dan 200 studenten en keken ze naar hun mening over de pedagogische tik voor kinderen. In eerste instantie werd hun initiële mening gemeten (voor of tegen op een schaal van 1 tot 9) en enkele weken later kregen ze een van twee teksten te lezen met een wetenschappelijke onderbouwde visie op het thema, waarbij in elke tekst een onderbouwing kwam voor een van de twee standpunten voor of tegen het slaan van kinderen in de opvoeding.

Wat blijkt nu? De deelnemers in het onderzoek pasten hun mening aan op basis van de nieuwe tekst. Als gevraagd werd wat hun oorspronkelijke mening was, bleek hun antwoord dichter te liggen bij de nieuwe mening dan bij wat ze oorspronkelijk dachten.

Opgelet: dit onderzoek ging over gematigde standpunten, het is onduidelijk of het ook zo speelt bij grotere, meer uitgesproken overtuigingen. (gevonden via BPS Digest)

Abstract van het onderzoek:

When people change beliefs as a result of reading a text, are they aware of these changes? This question was examined for beliefs about spanking as an effective means of discipline. In two experiments, subjects reported beliefs about spanking effectiveness during a prescreening session. In a subsequent experimental session, subjects read a one-sided text that advocated a belief consistent or inconsistent position on the topic. After reading, subjects reported their current beliefs and attempted to recollect their initial beliefs. Subjects reading a belief inconsistent text were more likely to change their beliefs than those who read a belief consistent text. Recollections of initial beliefs tended to be biased in the direction of subjects’ current beliefs. In addition, the relationship between the belief consistency of the text read and accuracy of belief recollections was mediated by belief change. This belief memory bias was independent of on-line text processing and comprehension measures, and indicates poor metacognitive awareness of belief change.