Het positieve effect van vaders op leren

Volgens een studie van onderzoekers van zowel Imperial College London, King’s College London als Oxford University heeft de betrokkenheid van de vader een belangrijke impact op de cognitieve ontwikkeling en het leren van baby’s. Eerder onderzoek toonde al het belang van de moeder voor het leren, maar de rol van de vader mag ook niet vergeten worden (bericht de BBC). De positieve impact van een betrokken vader zou al duidelijk worden vanaf 3 maanden, maar is helder in de cognitieve prestaties van een 2 jaar oude peuter.

Abstract van het onderzoek:

The quality of father–child interactions has become a focus of increasing research in the field of child development. We examined the potential contribution of father–child interactions at both 3 months and 24 months to children’s cognitive development at 24 months. Observational measures of father–child interactions at 3 and 24 months were used to assess the quality of fathers’ parenting (n = 192). At 24 months, the Mental Developmental Index (MDI) of the Bayley Scales of Infant Development, Second Edition (N. Bayley, 1993) measured cognitive functioning. The association between interactions and cognitive development was examined using multiple linear regression analyses, adjusting for paternal age, education and depression, infant age, and maternal sensitivity. Children whose fathers displayed more withdrawn and depressive behaviors in father–infant interactions at 3 months scored lower on the MDI at 24 months. At 24 months, children whose fathers were more engaged and sensitive as well as those whose fathers were less controlling in their interactions scored higher on the MDI. These findings were independent of the effects of maternal sensitivity. Results indicate that father–child interactions, even from a very young age (i.e., 3 months) may influence children’s cognitive development. They highlight the potential significance of interventions to promote positive parenting by fathers and policies that encourage fathers to spend more time with their young children.

Moeten we rozemarijn ruiken om beter te onthouden?

Makkelijke trucjes om af te vallen of om dingen sneller te leren doen het altijd goed. Eerder deze week las ik in De Morgen over een sportpil die er voor zou kunnen zorgen dat we zonder veel moeite zouden afvallen en beter presteren en gisteren rapporteert de BBC over een onderzoek dat bepaalde geuren een positief effect zouden hebben op het geheugen, rozemarijn zou wonderen doen.

We willen graag makkelijke oplossingen, maar… In het geval van de sportpil blijkt het middel wel degelijk bij muizen goed te werken op hun uithoudingsvermogen, maar bleek uit eerder onderzoek het behoorlijk kankerverwekkend te zijn voor mensen.

In het geval van de rozemarijn voor beter leren is het probleem niet van dergelijke aard, gelukkig, maar er is wel degelijk een probleem. De studie waarop het BBC-artikel gebaseerd is, is wel heel erg klein met 40 kinderen tussen 10 en 11, waardoor het woord ‘underpowered’ al snel kan vallen. Power in statistiek wordt in het Nederlands vertaald als ‘onderscheidend vermorgen’. In het geval van een kleine steekproef is dat vermogen om een effect te onderscheiden zonder dat het berust op toeval heel erg moeilijk. Dat de onderzoeker in het artikel aangeeft dat hij nu op zoek moet gaan naar een grotere steekproef is dus geen toeval. Ik zeg dus niet dat het effect er wel of niet is. Wel zeg ik: we zijn echt nog niet zeker dat het werkt. En oja, het onderzoek is nog niet echt gepubliceerd geraakt, maar werd enkel op een conferentie voorgesteld. Dat de BBC erover bericht – wat onderzoekers verbaasd deed reageren op twitter – is gewoon omdat er een persbericht was.

En ondertussen blijven voor leren de woorden van Richard Wiseman gelden: work really hard. Dat zelfde geldt wellicht ook voor afvallen.

Google Earth kreeg een grote update, maar ontdekte je dit al?

De voorbije dagen kreeg Google Earth een zeer grote update. Zo kan alles nu – eindelijk – gewoon in een browser gebruikt worden. Zo is er ook nu Voyager een mogelijkheid om interactieve verhalen en ontdekkingsreizen te maken.

Een van dergelijke reizen – en geen kleintje – is wel heel erg leuk. Google werkte met het Amerikaanse Sesamstraat samen rond Girl Muppets around the world, waarmee je verschillende culturen kan ontdekken.

En zo reis je van Nigeria, over Zuid-Afrika, naar Mexico, Hamburg, enz.

Of natuurlijk Parijs:

Het derde deel van het PISA-rapport, samenvatting + commentaar

Er is een nieuwe deel van PISA 2015 vrijgegeven en de 525 pagina’s bevatten veel, heel veel. Ik zal in de loop van de dag de samenvattende powerpoint van Andreas Schleicher hier ook nog delen, maar gelukkig maakte de OESO ook deze samenvatting.

Hieruit blijkt dat Nederland weer de gelukkigste 15-jarigen heeft (belangrijk, België is zonder de cijfers voor Vlaanderen):

Nog enkele opvallende elementen – uit de samenvatting -:

  • The majority of students in 67 countries and economies feel that they belong to the school community. However, in many countries, disadvantaged students and first-generation immigrant students were less likely to report feeling a sense of belonging at school than other students.
  • On average across OECD countries, and in many partner countries and economies, students’ sense of belonging at school weakened between 2003 and 2015.
  • One in five students reported that they experience some form of unfair treatment by their teachers (they are harshly disciplined, or feel offended or ridiculed in front of others) at least a few times in a given month.
  • Some 4% of students across OECD countries (the equivalent of around one student per class) reported that they are hit or pushed around by other students at least a few times per month. Another 8% of students reported that they are hit or pushed a few times per year. Around 11% of students reported that other students make fun of them, and 8% reported that they are the object of nasty rumours at least a few times per month.
  • Girls are less likely than boys to become victims of physical aggression, but are more likely to be the object of nasty rumours.
  • There is less incidence of bullying in schools where students reported that there is a better disciplinary climate in the classroom and where students perceive that their teachers behave fairly.
  • On average across OECD countries, students attending schools where bullying is frequent, by international standards, score 47 points lower in science than students in schools where bullying occurs less frequently. This difference is equal to 25 score points after accounting for the socio-economic profile of the school.
  • Students who are frequently bullied were more likely to report that their parents do not help them with difficulties at school than students who are not frequently bullied.

Het rapport zelf voelt eerlijk gezegd af en toe behoorlijk rommelig aan en zeker niet gebruiksvriendelijk. De manier van rapporteren wisselt nogal doorheen het rapport, waardoor vergelijken zeer moeilijk gemaakt wordt. Vaak vermoed ik ook een zoektocht naar correlaties, maar zonder dat de onderzoekers echt weten hoe – toevallige? – overeenkomsten ontstaan. Ik heb ook – terug – foutjes gevonden, wat ook stoort. Nog een zwakke plek in het rapport is dat er vaak vooral de perceptie van de leerling beschreven wordt. Zo voelen ze zich onheus behandeld, niemand weet of het echt zo is. De druk wordt al dan niet echt ervaren, maar niemand kan met zekerheid zeggen of die druk al dan niet door de school effectief opgelegd wordt.

Tegelijk zijn er enkele nagels waar niet genoeg op kan geklopt worden, en waar dit rapport extra voeding kan voor geven:

  • het negatief effect van pesten,
  • het belang van ouderbetrokkenheid,
  • goed presteren en ongelukkig voelen hoeft niet samen te gaan en gaat beter niet samen.

Wereldschokkende, vernieuwende inzichten? Nee, bijvoorbeeld het belang van minimaal een keer per dag samen eten als gezin kennen we al lang. Zijn deze inzichten blijvend belangrijk? Ja.

Maken computers kinderen asociaal?

Het is een vraag die regelmatig terugkomt, al dan niet met de nodige doemberichten, maar hoe zou je zoiets kunnen onderzoeken. In het best geval: door bijvoorbeeld 1000 kinderen random toe te wijzen aan of een groep die wel computers krijgt of aan een groep die geen technologie krijgt.

Het klinkt vergezocht, maar het onderzoek is wel degelijk net uitgevoerd bij 1123 Californische tieners (gemiddelde leeftijd 12.9) door Fairlie & Kalil (2017). Ik vond het onderzoek via Daniel Willingham. De onderzoekers namen een survey af van de deelnemende kinderen bij het begin en het einde van het schooljaar en men probeerde zoveel mogelijk in kaart te brengen.

Vooraleer je medelijden krijgt met de kinderen die geen toegang tot computers kregen, het was niet zo erg. Meer nog: ze hadden wel toegang tot het internet op school én sommige kregen wel van hun familie een eigen computer. Ook dit werd allemaal bijgehouden en het bleek wel degelijk zo dat de computergroep veel meer technologie gebruikte dan de andere groep.

Wat zijn de resultaten?

Friends: The results showed that kids given computers did not report communicating with or hanging out with their friends less…in fact, they reported spending more time with friends.
Social groups: Giving kids a computer had no impact on the probability that they would be part of a sports team, club, or music group.
School participation: There was also no effect of home computers on the number of days absent from school (or tardy), or days suspended.
Competing activities: Self-reported TV time, homework time and leisure reading were unaffected.
Social networking: Children with a home computer were more likely to have a social network page and reported spending more time on social networks. There was also a statistically nonsignificant increase in the probability of reporting cyberbullying, a result that is difficult to interpret because the overall mean was so low (less than 1%).

Dan Willingham wijst er wel op dat dit specifiek gaat over computers, terwijl vandaag de smartphone wellicht een belangrijkere rol speelt.

Google wil je helpen met je outfit

Google afbeeldingen kreeg een kleine update voor alle fashionistas onder ons. Specifiek gaat het over “style ideas”-optie in de Google app voor Android en het mobiele web. Als je nu zoekt op bepaalde accessoires of kledingstukken, vult Google de resultaten aan met hoe een bepaalde handtas bijvoorbeeld in het echte leven er uitziet. En of dat nog niet genoeg is, krijg je er ook nog een carrousel bij van alternatieven.