Nieuw van Kennisnet: monitor Jeugd en Media. Wat is relevant voor onderwijs?

Vandaag verschijnt om 8u30 de nieuwe monitor over jeugd en media in Nederland van Kennisnet. Ik kon het rapport al inkijken. Dit is de samenvatting waarbij ik in het vet enkele relevante elementen aanduid:

    • De enquête onder 10- t/m 18-jarigen bevestigt het beeld dat de Monitor Jeugd en Media 2015 ook al liet zien: kinderen en jongeren vormen geen homogene generatie. Je kunt eigenlijk niet spreken over de jeugd als het gaat om mediagebruik. Er zijn grote verschillen in het doel waarvoor ze digitale media inzetten.
    • Uit de vragenlijst blijkt dat leerlingen digitale veelgebruikers zijn en dat ze vertrouwen hebben in hun eigen digitale kunnen. School speelt echter nauwelijks een rol in het bijbrengen van digitale kennis en vaardigheden. Jongeren doen die competenties naar eigen zeggen op in hun vrije tijd en worden daarbij geholpen door hun ouders.
    • De respondenten weerspreken het beeld dat er sprake is van een digitale generatie. Natuurlijk: voor kinderen en jongeren is digitale technologie de normaalste zaak van de wereld. Maar technologie biedt niet voor alles soelaas, niet bij de informatieverwerking tenminste. Informatie zoeken ze het liefst via internet, niet via de bibliotheek. Maar als het gaat om het maken van aantekeningen en het lezen van lange teksten en boeken bestaat er een duidelijke voorkeur voor papier. Je zou ze ‘gemengde’ gebruikers kunnen noemen.
    • Leerlingen tellen de zegeningen van internet. Zo zegt meer dan de helft van de leerlingen beter in Engels te zijn geworden dankzij internet. Twee derde zegt dankzij internet meer te leren dan dat hun ouders vroeger deden.
    • Uit de praktische toets blijkt dat veel leerlingen moeite hebben op internet te zoeken en informatie op waarde te schatten.
    • Vmbo-leerlingen presteren het minst. Ze verzamelen feitelijke informatie, maar bij het uitvoeren van een zoekopdracht doen ze nauwelijks een beroep op andere deelcompetenties, namelijk beoordelen, verwerken en presenteren van informatie. Dat gaat ze erg moeilijk af. Deze 3 deelvaardigheden zijn echter essentieel bij het werk dat ze doen voor school, hun vervolgopleiding en hun latere baan.
    • Leerlingen uit het vmbo letten vaker dan leerlingen uit de andere onderwijsniveaus op de relevantie van de informatie voor het beantwoorden van de toetsvraag. Bij het beoordelen van informatie vertrouwen ze vaker op hun eigen inzicht/gevoel.
    • Havo/vwo-leerlingen letten bij het beoordelen van informatie vaker dan leerlingen van de andere niveaus op of informatie op meerdere websites voorkomt, of de bron betrouwbaar is en wat de uiterlijke kenmerken van de website zijn.
    • Opvallend is dat po-leerlingen het vaakst aangeven niet te weten waar ze op moeten letten bij het beoordelen van informatie op internet.
    • De resultaten suggereren dat de zoekstrategieën van leerlingen onderverdeeld zijn in het zoeken met sleutelwoorden en het zoeken met zinnen/vragen. Leerlingen lijken een van deze zoek- strategieën dominant te gebruiken tijdens het zoekproces. Daarbij zoeken vmbo- en po-leerlingen vaker met een zin/vraag en havo/ vwo-leerlingen vaker met een sleutelwoord.
    • Dat er verschillen zijn tussen havo- en vwo-leerlingen en vmbo-leerlingen is inherent aan het verschil in cognitieve vermogens. Maar het grote verschil in digitale informatievaardigheden tussen leerlingen op de verschillende niveaus valt wel erg op.

Een overzicht van de gevaren van het internet of things volgens 1200 experts (Linda Duits)

Deze blogpost verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Toen we begonnen met het Diep-blog leek het internet der dingen nog toekomstmuziek, maar inmiddels zijn er al zoveel apparaten online (naar schatting 8,4 miljard dingen) dat we al mogen spreken van realiteit. Auto’s, smart-verwarming en bijvoorbeeld gezondheidstracking-apparaten zijn verbonden met het internet en dat roept vragen op over veiligheid en privacy. Pew Internet ondervroeg zo’n 1200 deskundigen uit wetenschap en praktijk over hun toekomstverwachtingen. Centraal stond de vraag of de kwetsbaarheden die voortkomen uit verbondenheid ertoe zullen leiden dat mensen zullen gaan disconnecten. Daarna kwamen drie follow-up-vragen:

  • Wat is de meest waarschijnlijke soort fysieke of menselijke schade die voort kan komen uit het netwerken van dingen?
  • Hoe kunnen overheden en makers dingen veiliger maken?
  • Is het mogelijk om objecten met elkaar te verbinden zodat ze algemeen veilig blijven?

De antwoorden laten zien dat verbinding onvermijdelijk is volgens deze experts. Daar zitten heel veel risico’s aan en dat gaat ons veel problemen opleveren. De onderzoekers onderscheiden zeven hoofdthema’s in hun analyse.

 1. Mensen snakken naar verbondenheid en gemak
Het is magisch en verslavend. In een complexe wereld vol chaos overwint gemak.

“We have a deep need and desire to connect. Everything in the history of communication technology suggests we will take advantage of every opportunity to connect more richly and deeply. I see no evidence for a reversal of that trend.” – Peter Morville, eigenaar van Semantic Studios

2. ‘Ontpluggen’ wordt alleen maar moeilijker
Het is nu al lastig, in 2026 is het bijkans onmogelijk. Het is zinloos je te verzetten: bedrijven gaan mensen die niet verbonden zijn bestraffen. Bovendien onttrekken veel verbonden dingen zich aan het zicht.

“Despite hacks and privacy issues, people will feel a need to keep connected, partly because companies will reward them for doing so (or make life difficult if they don’t). People will feel resigned to navigating an environment where data are key coins of exchange.” – Joseph Turow, communicatiewetenschapper

3. Risico hoort bij het leven en mensen denken niet dat het worst-case-scenario op hun van toepassing is
Dit wordt optimisme-bias genoemd: het zal allemaal wel goed aan.

“Most people aren’t aware of the complexities of online security and assume it will happen to someone else.” – anoniem

4. Meer mensen zullen verbonden zijn én meer mensen zullen zich terugtrekken

“There will be a statistically significant number of people who will deliberately disconnect to the extent possible, but overall connections will increase. I expect that a premium will begin to come into play for purchasing ‘disconnection’ as a feature for goods/services in the future.” – John Paine, business-analyst

5. De menselijke vindingrijkheid zal wel met een oplossing komen
Een andere variatie op ‘het komt wel goed’. Er zal wetgeving en regulering komen, en de tech-industrie zelf zal met oplossingen komen.

“It feels like an inevitability that some series of high-profile ransomware attacks, e.g., turning off an IoT pacemaker to take out a U.S. senator or CEO, will happen, because human greed is not a force we’re likely to eliminate in the near term. That said, I doubt the backlash against that kind of attack will be disconnection, it’ll be the solidification of security standards and ‘trusted’ brands of devices.” – anoniem

6. Aanzienlijke aantallen mensen zullen disconnecten
Zo’n vijftien procent van de respondenten denkt dit. Het gaat om mensen die de systemen wantrouwen.

“There is a limit to the trust people put into their machines.” – Jesse Drew, mediawetenschapper

7. Kwesties rond civiele vrijheden zullen vergroot worden dankzij de snelle opkomst van het internet der dingen
Er zullen gewelddadige aanvallen komen, sommigen fysiek. Vrij burgerschap is in het geding.

“Connected cities will track where and when people walk, initially to light their way, but eventually to monitor what they do and say.” – Marti Hearst, informatica

Tot slot
Waakzaamheid is dus geboden, maar waken kan alleen gedaan worden door deskundige mensen:

“The only way to effectively prevent against malware and data breaches is to stay continually vigilant. To borrow an analogy from ‘Game of Thrones,’ we need a ‘Night’s Watch’ for security. Because when it comes to the Internet of Things and data breaches, ‘winter is coming.’ Organizations must hire enough knowledgeable staff to monitor and adjust systems, and to empower them to keep pace with hackers. IT and security staff must be willing to educate themselves, to admit when they need help and to demand that executives make decisions proactively.” – Amy Webb, eigenaar Future Today Institute

Hoewel het rapport daar niet over schrijft, hangt veel af van hoe overheden om zullen gaan met nieuwe technologische veranderingen. Dat vraagt om politici met verstand van zaken en om een aanpak op Europees niveau, vooral ook omdat veel techbedrijven supranationaal opereren.

Opvallend: we merken nauwelijks als onze mening verandert.

Het is een typische uitspraak: enkel een idioot verandert nooit van mening. Mooi, maar weet die niet-idioot dat hij of zij van mening veranderde? Wel dat is niet zo zeker. Stel: je leest een interessant artikel en op basis daarvan stel je je mening bij, hoe bewust ben je daarvan? Volgens nieuw onderzoek van Wolfe en Williams hebben we een arme “metacognitve awareness”, metacognitief bewustzijn voor veranderingen in onze opinie.

Voor 2 experimenten recruteerden de onderzoekers meer dan 200 studenten en keken ze naar hun mening over de pedagogische tik voor kinderen. In eerste instantie werd hun initiële mening gemeten (voor of tegen op een schaal van 1 tot 9) en enkele weken later kregen ze een van twee teksten te lezen met een wetenschappelijke onderbouwde visie op het thema, waarbij in elke tekst een onderbouwing kwam voor een van de twee standpunten voor of tegen het slaan van kinderen in de opvoeding.

Wat blijkt nu? De deelnemers in het onderzoek pasten hun mening aan op basis van de nieuwe tekst. Als gevraagd werd wat hun oorspronkelijke mening was, bleek hun antwoord dichter te liggen bij de nieuwe mening dan bij wat ze oorspronkelijk dachten.

Opgelet: dit onderzoek ging over gematigde standpunten, het is onduidelijk of het ook zo speelt bij grotere, meer uitgesproken overtuigingen. (gevonden via BPS Digest)

Abstract van het onderzoek:

When people change beliefs as a result of reading a text, are they aware of these changes? This question was examined for beliefs about spanking as an effective means of discipline. In two experiments, subjects reported beliefs about spanking effectiveness during a prescreening session. In a subsequent experimental session, subjects read a one-sided text that advocated a belief consistent or inconsistent position on the topic. After reading, subjects reported their current beliefs and attempted to recollect their initial beliefs. Subjects reading a belief inconsistent text were more likely to change their beliefs than those who read a belief consistent text. Recollections of initial beliefs tended to be biased in the direction of subjects’ current beliefs. In addition, the relationship between the belief consistency of the text read and accuracy of belief recollections was mediated by belief change. This belief memory bias was independent of on-line text processing and comprehension measures, and indicates poor metacognitive awareness of belief change.

Amazon wil de sleutel van je voordeur en cameratoezicht in je huis (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Net zoals andere grote techbedrijven wil Amazon graag alles over je weten, en probeert dat aan je te verkopen onder het mom van gebruikersgemak. Amazon Key is een combinatie van een app, een camera en een ‘smart’ slot. Daarmee kunnen bezorgers van Amazon-pakketjes zichzelf binnenlaten in je huis. Via de camera en de cloud kan je precies zien hoe ze dat doen. Amazon adverteert verder dat je ook andere mensen die je vertrouwt in je huis kan laten, zoals schoonmakers of je hondenwandeldienst.

Amazon Key is vanaf volgende week beschikbaar in een aantal Amerikaanse steden, maar alleen nog voor prime-leden: mensen die $99 per jaar betalen voor snelle levering en dergelijke. Amazon Key gaat $250 kosten. Dat zit vooral in de camera (die ook los te koop is voor $120) en het slot. Je moet het er maar voor over hebben. Het slot en de camera registreren uiteraard allerlei gegevens van je. Het is onwaarschijnlijk dat Amazon daar niks mee gaat doen. Zoals gebruikelijk bij techbedrijven is Amazon daar ook niet transparant over.

Column: 18 is het nieuwe 15

Deze column verscheen eerst op Radio 1.

De resultaten van een recent onderzoek van Jean Twenge kunnen nogal vreemd in de oren klinken als je een mondige tiener tegenkomt die zich halfvolwassen voordoet. Maar wat blijkt uit haar analyse van data over meer dan 8 miljoen Amerikaanse jongeren die jong waren tussen 1976 en 2016? Haar conclusie: 18 is het nieuwe 15 en 25 is het nieuwe 18.

Wat beschrijven Twenge en haar collega’s? Amerikaanse tieners gedragen zich steeds later volwassen als het gaat over seks of drankgebruik. Sinds 2000 zouden de Amerikaanse jongeren ook later beginnen werken zelfs als studentenjob, later een rijbewijs halen en later beginnen daten.

Hier lijken de cijfers een zelfde trend te suggereren. Het aantal tienerzwangerschappen daalt ook in Vlaanderen al jaren gestaag zoals in de meeste Westerse landen. We zagen de voorbije 10 jaar volgens het VAD een duidelijke daling van het alcoholgebruik bij minderjarige tieners. Eenmaal student wordt er voor alle duidelijkheid wel nog gedronken. Misschien wijken we op 1 puntje af van de Amerikaanse cijfers, volgens de meest recente PISA-date heeft al 8 op 10 Vlaamse vijfitienjarigen gewerkt voor een zakcent, al kan de werkgever hier ook ma of pa zijn.

We leven steeds langer, moeten langer werken en blijven langer gezond, maar er is ook dit andere fenomeen. Het stond net nog in de krant: studenten wachten steeds langer met de intrede op de arbeidsmarkt. Hierdoor kunnen er vragen gesteld worden bij de efficiëntie van het onderwijs. Die vragen zijn niet per se onterecht, maar als je naar het ruimere beeld kijkt, zie je dat er veel meer zaken in ons leven trager verlopen.

In een interview met Scientific American relativeert Twenge een verzuchting die je soms hoort over de jeugd. Volgens haar zijn ze niet per se lui. Ze zijn gewoon langer jong.

Korte video vat belangrijk inzicht rond ongelijkheid en taal samen

De info in de video is niet echt nieuw, ik bracht deze al bijna vijf jaar geleden hier, maar het blijft de moeite om te herhalen:

Een andere benadering van de seksuele praktijken van jongeren: van risico naar avontuur (Linda Duits)

Deze blogpost verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Als jongeren zich online met seks en seksualiteit bezighouden, wordt dat bijna altijd gezien als risicogedrag. Bij sexting ligt de focus bijvoorbeeld op reputatieschade, pesten, afpersing, kinderporno, dwang en zelfs zelfmoord. Vanuit feministische hoek is hier kritiek op: genderstudiesonderzoekers vragen aandacht voor het plezier dat jongeren aan online seksuele praktijken beleven en de positieve invloed die online seksuele zelfverkenning kan hebben. Zulk onderzoek wil vooral jongeren zelf aan het woord laten. Dat is ook de insteek van antropoloog Marijke Naezer, die jarenlang onderzoek deed met Nederlandse jongeren van 12 tot 18 jaar. In een recent artikel [open access] stelt ze dat beter is om de online seksuele praktijken van jongeren te benaderen als avonturen.

Naezer baseert zich op zowel etnografisch veldwerk in het oosten van het land en online, als een survey onder 679 jongeren. De steekproef daarvan is niet representatief en bevat meer LHBT-jongeren dan de populatie.

Valse dichotomie tussen veilig en onveilig 
In onderzoek met jongeren naar seksualiteit wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen veilige en onveilige praktijken. Naezer stelt dat die dichotomie niet houdbaar is. Zo wijst ze erop dat studies zich vaak richten op stranger danger online en contacten met familie en bekenden uitsluiten als veilig, terwijl het werkelijk risico juist bij die laatste groepen ligt. De dichtomie stigmatiseert bovendien bepaalde groepen mensen (denk aan hiv en homomannen) en wekt de valse indruk dat er zoiets bestaat als veilige seks: elke seksuele handeling brengt bepaalde risico’s met zich mee. De nadruk op gevaar resulteert erin dat jongeren weerhouden worden bepaalde online activiteiten te ondernemen. Daarmee beperkt het de seksuele vrijheid van jongeren. Bovendien wordt als het dan toch gebeurt en misgaat, de schuld bij jongeren zelf gelegd – denk aan sexting. De schaamte die daarbij komt kijken kan slachtoffers ervan weerhouden hulp te zoeken.

Een avontuur is een ervaring zonder zekere uitkomst. Naezer betoogt dat haar avontuur-benadering drie voordelen heeft.

1. Een onderscheid maken tussen risico en uitkomst
Niet alle risicovolle situaties eindigen negatief. De jongeren die Naezer onderzocht wisselden sexy beeldmateriaal uit, hadden seksuele gesprekken en bekeken seksueel expliciet materiaal. Daar zaten ook positieve ‘uitkomsten’ aan: verveling tegengaan, complimenten krijgen, flirten met potentiële partners, intimiteit ervaren, opgewonden raken, iets leren over seks én weten hoe je hulp vraagt indien er wel problemen ontstaan. Er zijn ook praktijken die veilig zijn maar onplezierig, bijvoorbeeld omdat jongeren het saai vinden.

Een exclusieve nadruk op onplezierige uitkomsten doet geen recht aan de ervaring van jongeren, ook in kwantitatieve zin. Ze vroeg haar respondenten hun laatste ervaring met sexting te evalueren. 46 procent zei dat het (heel erg) leuk was, 43 procent noemde het neutraal/normaal. Slechts tien procent vond het (erg) onplezierig. Over iets seksueels doen voor de webcam (wat 77 respondenten hadden gedaan): 47 procent (heel erg) leuk, 35 procent normaal/neutraal en 18 procent (erg) onplezierig. Als het ging om porno kijken vonden haar respondenten dat opwindend (58%), grappig (25%), goed om te weten waar porno over gaat (17%), informatief (13%), leuk om met vrienden over te praten (9%). 19 procent kruiste ‘onplezierig’ aan. Seksuele avonturen kunnen dus niet alleen onprettige, maar ook prettige uitkomsten hebben, of beide.

2. Risico’s ook als mogelijk constructief zien 
Iets doen dat risicovol is – kajakken of rafting – kan heel empowerend werken, een gevoel van controle geven, positief en plezierig zijn. Sekspositieve genderstudiesonderzoekers hebben laten zien dat ook op het gebied van seksualiteit gevaar niet tegengesteld is aan plezier, maar juist in nabije verhouding ermee staat.

Naezer sprak bijvoorbeeld met meisjes over Chatlokaal een Chatroulette. De verwachting (het ‘risico’) daar naakte mannen te treffen was onderdeel van de lol die ze aan die sites hadden, precies omdat ze niet wisten wat die mannen gingen doen. Als die mannen masturbeerden, seksuele vragen stelden of seksuele verzoeken deden, leidde dat tot enorme hilariteit onder de meisjes.

3. De subjectieve en dynamische aard van risico’s zien
Wat voor de één een acceptabele, alledaagse praktijk is, is voor een ander super ongemakkelijk. Hoe iemand risico ziet, is afhankelijk van iemands persoonlijke inschatting, wat weer afhangt van iemands sociale normen, en van iemands positie in de maatschappij. Risico’s moeten ook in hun context beoordeeld worden. Kortom, risico’s zijn subjectief en dynamisch.

Volwassenen vinden sexting al snel dom: gewoon niet doen is hun devies aan jonge mensen. Sommige jongeren zelf vonden dat het prima kon, bijvoorbeeld omdat ze een relatie hadden en elkaar vertrouwen. Sociale positie en machtsstructuren hebben invloed op de inschatting die jongeren maken. Zo speelde bij homojongens mee dat er minder risico op slutshaming was, maar wel een risico van homofoob pesten mocht een foto toch uitgelekt worden.

Een voor volwassenen wellicht onverwacht risico is betrapt worden tijdens online seksuele activiteiten, bijvoorbeeld bij het porno kijken. Dat andere mensen (ouders, vrienden) weten hoe je je seksueel voelt kan een ongewenste uitkomst zijn, zowel als het gaat om het object van begeerte als om vrienden. Het risico dat je bekend komt te staan als hoer of homo of sociale uitsluiting kan voor jongeren belangrijker zijn dan het ‘risico’ een naakte man aan te treffen via een chatsite.

Implicaties
Marijke Naezer stelt een totaal ander perspectief voor dan wat we dagelijks horen in de media en van opvoeders. Ze benadert jongeren niet als passieve slachtoffers die ‘blootgesteld’ worden aan seksuele risico’s, maar als actoren die actief de kansen en uitdagingen van sociale media te lijf gaan. De drie aspecten van haar avontuur-benadering betekenen dat we een ander gesprek moeten hebben over jongeren en online seks. We moeten vooral met jongeren praten in plaats over ze, en we moeten daarbij aandacht hebben voor de complexiteiten, de verscheidenheid en de tegenstellingen die horen bij de online seksuele praktijken van jongeren.

Narcisme onder studenten nam niet toe de voorbije decennia (Amerikaans onderzoek)

Een nieuwe, weliswaar Amerikaanse studie toont iets dat in feite in lijn ligt met wat eerder onderzoek van Twenge et al. toonde: in tegenstelling van wat veel mensen denken in selfie en social mediatijden, lijkt het narcisme van jongeren niet te zijn toegenomen. De studie suggereert dat er als er al een evolutie zou zijn, dat het eerder een afname dan een toename zou zijn.

Voor het onderzoek gebruikten de onderzoekers data van 1166 studenten van de University of California, Berkeley in de jaren 90, en van tienduizenden studenten van University of Illinois in Urbana-Champaign en de University of California, Davis in de jaren 2000 en de recente 2010’s. Alle respondenten vulden een Narcissism Personal Inventory in, de oudste en meest gebruikte maat voor narcisme.

Let wel: ik heb het eigenlijke onderzoek nog niet kunnen inkijken. Ik baseerde deze post op dit persbericht. Eenmaal het onderzoek gepubliceerd wordt, pas ik deze post aan.

Het medicijn tegen valse feiten: de bibliotheek en leergierigheid (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

We leven in tijd met veel zorgen over de betrouwbaarheid van bronnen. Dat roept de empirische vraag op hoe mensen met informatie omgaan. Controleren ze hun bronnen? Willen ze wel wat nieuws leren? Pew Internet onderzocht volwassenen Amerikanen en kwam tot een interessante typologie van ‘informatie-disposities’, oftewel verschillende soorten engagement met informatie.

Er werden vijf dimensies onderzocht:

  1. Hoe geïnteresseerd is men in het onderwerp?
  2. Hoe zeer vertrouwt men de informatiebronnen over het onderwerp?
  3. Hoe graag wil men nieuwe vaardigheden opdoen?
  4. Welke andere aspecten van het leven dingt naar de aandacht en het vermogen informatie op te zoeken?
  5. Hoeveel toegang tot informatie heeft men überhaupt?

Het blijkt dat vooral vertrouwen in bronnen en leergierigheid van belang zijn.

De typologie:

The Eager and Willing – 22 procent van de volwassenen

Deze groep heeft veel interesse in nieuws, veel vertrouwen in belangrijke informatiebronnen en wil graag betere vaardigheden aanleren. Deze groep bestaat vooral uit minderheden: 31 procent is Hispanic; 21 procent is zwart.

The Confident – 16 procent
Ook deze groep heeft veel interesse en veel vertrouwen. Het verschil met de vorige groep is dat deze zelfverzekerd is: ze vinden dat ze zelf goed met informatie kunnen omgaan en vinden dus dat ze weinig nieuwe vaardigheden nodig hebben. Deze groep is overweldigend wit, hoogopgeleid en economisch comfortabel. Ongeveer een derde is tussen de 18 en 29 jaar oud.

The Cautious and Curious – 13 procent
Deze groep combineert een hoge interesse in nieuws met een lagere mate van vertrouwen in bronnen als nieuwsorganisaties, financiële instituties en de overheid. Ze willen echter wel graag nieuwe vaardigheden aanleren. Deze groep lijkt het meest op de gemiddelde bevolking, met een net iets lager opleidingsniveau.

The Doubtful – 24 procent

De twijfelaars hebben minder interesse in informatie dan de vorige groepen. Ze wantrouwig naar lokale en nationale nieuwsorganisaties. Ze zijn heel druk en hebben weinig interesse om betere informatievaardigheden aan te leren. Deze groep is het meest van middelbare leeftijd, ze zijn voornamelijk wit en middenklasse.

The Wary – 25 procent

Aan het einde van het spectrum is de groep die het minst geëngageerd is met informatie. Ze hebben weinig interesse, weinig vertrouwen en weinig zin om iets te leren. Dit zijn vooral mannen en een derde is boven de 65.

Implicaties

Er is niet één typische informatiegebruiker: hoe mensen met informatie omgaan hangt van veel factoren af. Dat betekent dat we voorzichtig moeten zijn met generaliserende uitspraken over bijvoorbeeld jongeren. Belangrijk is de mate waarin iemand bereid is nieuwe vaardigheden aan te leren: als die ontbreekt, zal ieder initiatief het moeilijk hebben. Er ligt daarbij een belangrijke taak voor bibliotheken: hun medewerkers worden goed vertrouwd, maar niet iedereen komt in de bieb. Bibliotheekgebruikers zitten vooral in de bovenste twee groepen.