De tol van geheimen moeten bewaren (onderzoek)

Stel: je hebt een geheim of kreeg een geheim toevertrouwd dat je echt niet mag delen met niemand. Ik vrees dat ik slecht nieuws heb: de kans is groot dat dit je aandacht zal verminderen in het dagelijkse leven en zo tot mindere prestaties kan leiden.

De onderzoekers Michael Slepian, Jinseok Chun, en Malia Mason ontwikkelden en valideerden eerst een vragenlijst over geheimen houden op basis van 2000 deelnemers om daarna hun survey te gebruiken bij 600 nieuwe respondenten waarvan 96% aangaf een of meerdere geheimen te hebben. In dit onderzoek bekeek men nakeek welk effect deze geheimen kunnen hebben op het dagelijks handelen.De onderzoekers stelden vast dat de deelnemers meer last hadden van piekeren over geheimen dan met moeite doen om het geheim te verbergen.

Maar… het onderzoek toont vooral een correlatie – het zou onethisch zijn een causaal onderzoek hierin te doen – én gaat vooral ook uit van zelfrapportering. Toch suggereert het onderzoek dat terwijl vaak mensen vrezen dat het pijn zal doen als een geheim uitkomt, dat een geheim bewaren ook met een grote prijs kan komen.

Abstract van het onderzoek:

The concept of secrecy calls to mind a dyadic interaction: one person hiding a secret from another during a conversation or social interaction. The current work, however, demonstrates that this aspect of secrecy is rather rare. Taking a broader view of secrecy as the intent to conceal information, which only sometimes necessitates concealment, yields a new psychology of secrecy. Ten studies demonstrate the secrets people have, what it is like to have a secret, and what about secrecy is related to lower well-being. We demonstrate that people catch themselves spontaneously thinking about their secrets—they mind-wander to them—far more frequently than they encounter social situations that require active concealment of those secrets. Moreover, independent of concealment frequency, the frequency of mind-wandering to secrets predicts lower well-being (whereas the converse was not the case). We explore the diversity of secrets people have and the harmful effects of spontaneously thinking about those secrets in both recall tasks and in longitudinal designs, analyzing more than 13,000 secrets across our participant samples, with outcomes for relationship satisfaction, authenticity, well-being, and physical health. These results demonstrate that secrecy can be studied by having people think about their secrets, and have implications for designing interventions to help people cope with secrecy.

“Jij bent slim” kan leiden tot meer vals spelen

Wat is het verschil als kleuters te horen krijgen dat ze slim zijn versus dat ze het goed gedaan hebben? De kans dat de kinderen na de eerste zin zullen vals spelen in een spel is groter dan als ze de tweede zin horen. Dit is de conclusie van twee onderzoeken door Zhao et al die net gepubliceerd werden.

In het eerste onderzoek werd deze stelling getest bij 300 Chinese kleuters tussen drie en vijf, in het tweede onderzoek bij 323 kleuters in die leeftijdsgroep.

Het onderzoek past natuurlijk in het vele onderzoek dat momenteel gebeurt naar Growth Mindset, waarbij de eerste uitspraak eerder naar een fixed mindset zou verwijzen. De onderzoekers vermoeden dat de kinderen die hoorden dat ze slim zijn, niet willen afgaan bij een daaropvolgend spelletje en dus eerder zullen geneigd zijn vals te spelen. Let wel, deze onderzoeken bekeken het vrij onmiddellijke effect.

Check hier het eerste onderzoek (er is geen abstract aanwezig wegens short report)

Abstract van het tweede onderzoek:

The present research examined the consequences of telling young children they have a reputation for being smart. Of interest was how this would affect their willingness to resist the temptation to cheat for personal gain as assessed by a temptation resistance task, in which children promised not to cheat in the game. Two studies with 3- and 5-year-old children (total N = 323) assessed this possibility. In Study 1, participants were assigned to one of three conditions: a smart reputation condition in which they were told they have a reputation for being smart, an irrelevant reputation control condition, or a no reputation control condition. Children in the smart reputation condition were significantly more likely to cheat than their counterparts in either control condition. Study 2 confirmed that reputational concerns are indeed a fundamental part of our smart reputation effect. These results suggest that children as young as 3 years of age are able to use reputational cues to guide their behavior, and that telling young children they have a positive reputation for being smart can have negative consequences.

Link tussen (hogere) opleiding ouders en meer relaxte kinderen die meer exploreren

Het is een beetje het omgekeerde van toxische stress: er is een link tussen hoger opgeleide ouders en kinderen die meer relaxt en vriendelijk zijn en tegelijk ook meer de wereld om zich heen willen verkennen. De steekproef voor dit onderzoek van Sutin et al. is gebaseerd op data van 7 datasets waarbij men zo tot meer dan 60000 respondenten kon verzamelen tussen 14 en 95 jaar oud.

De verschillen waren wel eerder klein, maar toch duidelijk en consistent. Nog opvallend: het effect was groter als de kinderen zelf hoger opgeleid waren, als de kinderen een hoger IQ hadden en het effect was groter als het inkomen groter was.

Persoonlijk voor mij het meest opvallende: dit klopte ook voor de 545 kinderen in de data die geadopteerd werden, wat een duidelijke link tussen opvoeding en deze persoonlijkheidstrekken suggereert.

Abstract van het onderzoek (gevonden via BPS Digest):

Why do some individuals have more self-control or are more vulnerable to stress than others? Where do these basic personality traits come from? Although a fundamental question in personality, more is known about how traits are related to important life outcomes than their developmental origins. The present research took an intergenerational life span approach to address whether a significant aspect of the childhood environment—parental educational attainment—was associated with offspring personality traits in adulthood. We tested the association between parents’ educational levels and adult offspring personality traits in 7 samples (overall age range 14–95) and meta-analytically combined the results (total N > 60,000). Parents with more years of education had children who were more open, extraverted, and emotionally stable as adults. These associations were small but consistent, of similar modest magnitude to the association between life events and change in personality in adulthood, and were also supported by longitudinal analyses. Contrary to expectations, parental educational attainment was unrelated to offspring Conscientiousness, except for a surprisingly negative association in the younger cohorts. The results were similar in a subsample of participants who were adopted, which suggested that environmental mechanisms were as relevant as shared genetic variants. Participant levels of education were associated with greater conscientiousness, emotional stability, extraversion, and openness and partially mediated the relation between parent education and personality. Child IQ and family income were also partial mediators. The results of this research suggest that parental educational attainment is 1 intergenerational factor associated with offspring personality development in adulthood.

Wat mensen verwachten van onderwijs, verschilt van land tot regio

Wat verwachten mensen van een onderwijssysteem? Als je denkt dat iedereen wil dat kinderen gelukkig worden op school, of dat ze er leren belastingbrieven invullen? Ik weet het niet, maar op de vraag of iedereen wil dat kinderen op school leren creatiever te zijn, dan is het antwoord: in Nederland en Spanje misschien maar bijvoorbeeld niet in Italië of in de UK.

PEW onderzocht de verwachtingen van de inwoners van 19 landen en komt tot de volgende resultaten:

Maar het verschilt niet enkel per regio, maar is ook gelinkt aan je politiek overtuiging:

Niet enkel aan politieke overtuiging, maar ook aan leeftijd:

Lees meer hier.

 

Het beste willen voor je kind, wat is daar mis mee? (opinie)

Gisteren verscheen deze opinie van mijn hand in De Morgen.

Ouders willen het beste voor hun kind. Uiteraard. Maar de goedbedoelde wens maakt kinderen willens nillens ongelijk. Wat doen we eraan?

Vandaag klinkt de schoolbel weer, met beelden van lachende en huilende kinderen én ouders. Sommige ouders zullen hun herwonnen vrijheid vieren, maar morgen hun kinderen evengoed weer naar sportclubs, taalklas of muziekles voeren. (Voor onze zonen is het dat laatste.)

Deze zomer maakte een artikel in The Guardian me evenwel duidelijk dat we eigenlijk aan opportunity hoarding doen. Kinderen volop kansen geven, zeggen we, maar eigenlijk lijden middenklasse-ouders aan een zekere verzamelwoede: we bedelven hen onder de kansen. Een kind met de beste school- en hobbyplekken: die norm. De beste voorbereiding voor het latere leven, maar in de kering wordt de kloof met kinderen die zoveel kansen niet krijgen snel groot.

Voor u stopt met lezen: in de komende paragrafen wens ik niemand een schuldgevoel aan te praten – mezelf ook niet. Maar als u me vraagt of er een verband is tussen ‘het beste voor je kind willen’ en de ongelijkheid in onze samenleving, is het antwoord ja. De goedbedoelde wens zorgt voor verschillen. Daar zijn verschillende redenen voor.

Bijleren op kamp

Ten eerste kan wat ouders denken dat het beste voor hun kind is, behoorlijk verschillen. Ouders die voor of tegen vaccinatie zijn, hebben beiden een overtuiging wat het beste is, maar het verschilt dag en nacht.

Een tweede verschil is een uitloper hiervan: de ene ouder gebruikt een meer effectieve aanpak dan de andere. Zelfs onder ouders die helpen met huiswerk kunnen er behoorlijke verschillen bestaan in hoe ze dit aanpakken, en uit onderzoek weten we dat de ene aanpak al meer effect heeft dan de andere.

Een laatste en belangrijke verschil is wat je als ouder kunt doen voor je kind. Zo gingen de voorbije vakantiemaanden veel kinderen op kamp of reis en volgden allerhande creatieve of sportieve kampjes. Zodoende zullen ze heel wat geleerd hebben, wat voordeel oplevert in hun schoolloopbaan. Als je als ouder niet dergelijke kampen of reizen kunt betalen, zelfs als je zou willen, dan missen die kinderen deze kansen.

Als samenleving kun je er op verschillende manieren op reageren. Zo kun je ouders verbieden om hun kinderen extra kansen te geven. Een dergelijke redenering gaat schuil achter de oproep die je af en toe hoort om huiswerk af te schaffen, ‘om de gelijke kansen te verhogen’. Dit is gelijke kansen nastreven door bevoorrechte kinderen kansen te ontzeggen. Vanuit deze redenering zou je ouders voorlezen moeten verbieden, want voorlezen heeft een positief effect op de latere ontwikkeling en het leren van hun kind. Je gaat in tegen net het streven van ouders om het beste te doen voor hun kind.

Tweede benadering: gezinnen voorlichten wat goed en minder goed werkt in opvoeding. Belangrijk, maar hier bots je al snel op wat ouders zelf als goed zien of op de grenzen van wat voor een gezin mogelijk is. Voorlezen als je ’s avonds moet werken, lukt bijvoorbeeld niet.

Een derde optie is om gezinnen te helpen die kansen te bieden – denk dan aan projecten als voorlezen aan huis – of via onderwijs een mogelijk gebrek aan kansen te compenseren. Op dit vlak leveren veel scholen goed werk, in de mate van het mogelijke. Maar zodra ouders – al of niet terecht – vermoeden dat scholen steken laten vallen, steekt de markt de kop op.

Een paar voorbeeldjes. Dit voorjaar kopten verschillende kranten dat scholen het steeds moeilijker hebben om zwemlessen te organiseren, deels onder invloed van de maximumfactuur. Zo is er een ruim aanbod aan buitenschoolse zwemles ontstaan. Behalve voor wie die niet kan betalen. De ironie is dat eindtermen zwemmen gehaald worden buiten de school om. Eerder trok de vereniging van logopedisten ook al aan de alarmbel omdat ze steeds meer ingeschakeld worden voor wat ze eerder als bijles ervaren.

De voorbije zomer leerden we dat België een koploper is in sociale mobiliteit. We zijn een van de landen waar de kans groot is dat je als kind een hoger diploma behaalde dan je ouders. Of is het ‘was’? Want de data die voor dit onderzoek gebruikt werden, liepen tot kinderen geboren in 1975. Ons onderwijs werd als een van de belangrijkste redenen genoemd voor de positieve resultaten. Verschillende experts vrezen dat dat vandaag anders is.

Lineaire aanpak

Hoe pakken we die ongelijkheid aan? Wat onderwijs betreft, hebben lineaire voorstellen (die voor elke leerling gelijk zijn) vaak het nadeel dat ze de kloof vergroten. Langere schooluren voor alle leerlingen, goed plan? Wel, leerlingen met een sterke achtergrond zullen meer uit die tijd halen dan leerlingen met een zwakkere achtergrond. Bij een lineaire aanpak moet je ook uitkijken dat je sommigen geen kansen ontneemt, zie het afschaffen van huiswerk voor gelijke kansen.

Een recente Deense overzichtsstudie ziet maar een beperkt aantal effectieve maatregelen waarbij de verschillende horden die ik hier beschreef genomen kunnen worden. Deze maatregelen vallen op door goed monitoren van het leerproces van elke leerling en gerichte extra ondersteuning waar nodig. De onderzoekers merkten zelfs bij deze aanpak op dat deze de kloof nooit helemaal kunnen dichten.

Groot jongerenonderzoek toont dat jongeren ook mensen zijn

Jongeren zijn bezorgd om het milieu, maar kijken vooral eerst naar het bedrijfsleven en de politiek, en dan pas naar zichzelf. Ze hebben liever niet dat robots over hen beslissen. Oja, en ze verwachten onder andere integriteit van hun leiders. Het lijken wel mensen?

De cijfers achter het onderzoek Global Shapers Survey (hier het volledige rapport) zijn behoorlijk indrukwekkend:

Wat zijn de resultaten voor de vijf thema’s?

 

We spelen allemaal Monopoly verkeerd (Linda Duits)

Deze blogpost verscheen eerst op dieponderzoek.nl maar omdat ik het heel herkenbaar vind, maar dan ook zeer herkenbaar, deel ik hem hier graag.

Bij bordspelletjes worden vaak de regels losgelaten. Gezinnen verzinnen eigen variaties op hoeveel legers je krijgt per Risk-kaartje, of hoe kaartjes gelegd mogen worden in Carcassonne. Dat leidt soms tot onenigheid onder vrienden die niet uit hetzelfde gezin komen en die hun eigen regels allemaal de beste vinden. Een video van Today I Found Out gaat in op de regels van Monopoly. Het blijkt dat allemaal al decennialang het spel verkeerd spelen. Wellicht het meest schokkende: Vrij Parkeren doet niks. De meeste mensen stoppen alle betalingen aan de ‘overheid’ in een pot die uitgekeerd wordt als je op vrij parkeren landt. Dat zijn echter zelfverzonnen regels.

Op een rijtje:

  • Vrij parkeren is alleen dat: vrij parkeren.
  • Als je beslist een straat niet te kopen wanneer je erop landt, mogen de andere spelers bieden op die straat. Dit geeft een totaal andere dynamiek aan het spel!
  • Een speler die failliet gaat omdat hij op een straat landt en niet kan betalen, moet al zijn bezittingen afstaan aan zijn schuldeigenaar.
  • Als je op start landt, krijg je geen dubbel salaris.
  • Er zijn maar 32 huizen en 12 hotels. Als die op zijn, kan geen speler meer huisjes of hotels bouwen.

Het opmerkelijke aan deze opsomming is dat die gemaakt is door een Amerikaan, terwijl ik nog nooit met een Amerikaan Monopoly heb gespeeld. Ook in Nederland zijn de regels veranderd tot bijna exact hetzelfde als in de video. Dat roept natuurlijk allerlei vragen op: hoe gaat de verspreiding van nieuwe regels? Is dat via sneeuwbal of roept het spel zelf aanpassing op? Zijn er culturele of geografische verschillen? Is dit eigenlijk al eerder onderzocht? (Zo ja, dan schrijf ik er uiteraard graag over!)

Die keer dat onze zoon wou trouwen met zijn mama…

Hij was vier en wist het zeker: later zou hij trouwen met zijn mama. Ik laat even in het midden om redenen van privacy welke zoon (of zonen het waren), maar hij zag het getrouwd samenleven al voor zich.

Dat laatste mag je vrij letterlijk nemen: hij zag namelijk het getrouwde leven van mama en papa dagelijks voor zich en kon zich geen mooier leven voorstellen. Meende onze zoon dit? Zeer zeker. Meer nog, toen ik hem vroeg waar ik dan zou zijn, kwam er na wat aarzeling, vragend ‘dood?’ uit zijn mond. Hij werd geconfronteerd met iets waar hij nog niet over had nagedacht maar het bracht hem nog niet van zijn stuk. O nee.

Zeker jonge kinderen leren veel door imitatie van hun omgeving. Menig ouder zal al zo geconfronteerd zijn met eigen gedrag. Als ouder is het je taak om duidelijk te maken wat wel en niet kan. Nee, je mag mama geen kus op de mond geven.

Waarom schrijf ik dit? Gisteren ontstond er veel heisa rond kleuters die zouden radicaliseren. Net zoals onder andere Bart Soenens (UGent) gisteren aangaf in het VRT Nieuws is dit niet mogelijk voor kleuters, zo abstract denken ze namelijk niet. Is er dan geen reden tot bezorgdheid? Toch wel. Deze kleuters imiteren ook gedrag dat ze zien in hun omgeving, zij het bij ouders, grootouders, vriendjes, … Het is geen onbelangrijke vraag te weten waar deze kleuters dit hebben opgepikt en waarom ze dit zeggen. De ruime context begrijpen is cruciaal.

Ondertussen is de zoon in kwestie niet meer van plan om met mijn vrouw te trouwen, denk ik…