Waar in je brein hoor je welke woorden? The Brain Dictionary, video, paper en interactieve site

De video legt het zeer goed uit… maar je kan het ook zelf uitproberen via deze interactieve website. Meer uitleg over het onderzoek vind je in deze paper in nature waarvan dit het abstract is:

The meaning of language is represented in regions of the cerebral cortex collectively known as the ‘semantic system’. However, little of the semantic system has been mapped comprehensively, and the semantic selectivity of most regions is unknown. Here we systematically map semantic selectivity across the cortex using voxel-wise modelling of functional MRI (fMRI) data collected while subjects listened to hours of narrative stories. We show that the semantic system is organized into intricate patterns that seem to be consistent across individuals. We then use a novel generative model to create a detailed semantic atlas. Our results suggest that most areas within the semantic system represent information about specific semantic domains, or groups of related concepts, and our atlas shows which domains are represented in each area. This study demonstrates that data-driven methods—commonplace in studies of human neuroanatomy and functional connectivity—provide a powerful and efficient means for mapping functional representations in the brain.

Lectuur op zaterdag: drie maal seks, geheime teletekstpagina en genetische moordenaars

De weekendbijlage bij deze blog:

Tot slot: hoe maak je een academisch artikel minder saai? Check:

Lectuur op zaterdag: generatie ongelijk, VR-porno en anonimiteit is een illusie (en meer)

De weekendbijlage bij deze blog:

 

Studie toont het opnieuw: notities nemen met de hand is beter dan via laptop

Het is geen nieuw inzicht, maar leuk als onderzoek bevestigt wat ander onderzoek al eerder toonde: notities nemen met de hand is beter dan op laptop.

Het onderzoek – waar Paul ook al eerder over schreef maar dat nu ruimer aandacht krijgt – bevestigt ook de mogelijke verklaring die we al eerder leerden. Zelfs als leerlingen enkel maar notities kunnen nemen met de laptop (en dus niet kunnen multitasken) gebeurt het noteren op de laptop of pc oppervlakkiger dan via noteren met de hand.

Dit komt omdat je met de computer meer kan noteren (en de deelnemers ook meer noteerden) dan als ze het schrijven. Het feit dat je minder kan noteren als je schrijft, zorgt er voor dat je bewuster moet selecteren, en dat je daardoor net meer zal onthouden.

Dit betekent dus niet noodzakelijk dat het aan de technologie ligt, in een eerder onderzoek toonde men dat als je minder snel noteert op een computer (bijvoorbeeld omdat je maar 1 hand mag gebruiken), je ook meer onthoudt.

Meer over het onderzoek in de Amerikaanse media: Can Handwriting Make You Smarter? en Attention Students: Put Your Laptops Away.

Abstract van het onderzoek:

Taking notes on laptops rather than in longhand is increasingly common. Many researchers have suggested that laptop note taking is less effective than longhand note taking for learning. Prior studies have primarily focused on students’ capacity for multitasking and distraction when using laptops. The present research suggests that even when laptops are used solely to take notes, they may still be impairing learning because their use results in shallower processing. In three studies, we found that students who took notes on laptops performed worse on conceptual questions than students who took notes longhand. We show that whereas taking more notes can be beneficial, laptop note takers’ tendency to transcribe lectures verbatim rather than processing information and reframing it in their own words is detrimental to learning.

Lectuur op zaterdag: taalnazi’s, neurohypes, verengelsing en het overalletje

De weekendbijlage bij deze blog:

Tot slot: een nieuw taalfenomeen ontdekt: het overalletje:

Persbericht WIV: kinderen en jongeren genoeg laten bewegen

Het was al te lezen in enkele kranten, maar dit is het volledige persbericht van het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid:

Het derde onderdeel van de Nationale Voedselconsumptiepeiling herinnert aan het belang van regelmatige en voldoende lichamelijke activiteit om het risico op chronische ziekten in te perken en het psychosociaal welzijn te vergroten.

Globaal beschouwd is de Belgische bevolking te sedentair

De lichamelijke activiteit en sedentariteit van de Belgische bevolking in kaart gebracht
De Nationale Voedselconsumptiepeiling, uitgevoerd door het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (WIV) in opdracht van de FOD Volksgezondheid, ontcijfert in haar derde onderdeel de lichamelijke activiteit en sedentariteit van de Belgische bevolking. Het rapport onderstreept het voordeel van lichaamsbeweging maar ook de noodzaak om langere periodes van sedentariteit te beperken en dit zowel  voor volwassenen als adolescenten en kinderen. U kan het volledige rapport en de samenvatting raadplegen op de website gewijd aan de Nationale Voedselconsumptiepeiling.

Uit het rapport blijkt onder meer het volgende:

  • Als we  kijken naar de aanbeveling van de WGO om dagelijks gedurende ten minste 21 minuten een matige vorm van lichamelijke activiteit uit te oefenen – een minimum aanbeveling – , beweert meer dan 90% van de volwassenen genoeg te bewegen;
  • Ongeveer de helft van de kinderen van 6 tot 9 jaar en meer dan twee derde van de adolescenten van 10 tot 17 jaar voldoen niet aan de aanbeveling van de WGO om minstens 60 minuten per dag matig tot zware lichamelijke activiteit uit te oefenen;
  • Slechts 20% van de kinderen van 3 tot 9 jaar gaan uitsluitend met de fiets of te voet naar school. In combinatie met een passief vervoersmiddel (auto, moto, openbaar vervoer) stijgt hun aandeel tot bijna 50%;
  • 75% van de adolescenten beoefent één of meerdere sporten tijdens hun vrije tijd en bijna 60% van de kinderen van 3 tot 9 jaar is lid van een sportclub;
  • Volwassenen met een hoog opleidingsniveau hebben meer lichamelijke activiteit tijdens hun verplaatsingen en in hun vrije tijd. Personen met een minder hoog opleidingsniveau zijn daarentegen actiever in het kader van hun beroepsactiviteiten, die meer lichamelijke inspanningen vergen;
  • Gemiddeld besteden adolescenten bijna 9 uur per dag aan sedentaire activiteiten, waaronder bijna 3 uur voor een scherm op weekdagen en iets meer dan 4u30 per dag voor een scherm in het weekend;
  • Volwassenen brengen op hun beurt gemiddeld bijna 6 uur per dag zittend door.

Mens sana in corpore sano
Het regelmatig uitoefenen van een lichamelijke activiteit is goed voor lichaam en geest. Voldoende beweging leidt tot  een beter uithoudingsvermogen en het behoud van een gezond lichaamsgewicht. Tegelijk worden de risico’s op de ontwikkeling van hart- en vaatziekten, diabetes, bepaalde soorten kanker alsook angst en depressie vermindert. Sedentariteit daarentegen is synoniem aan een toegenomen risico op chronische ziekten en psychologische problemen. Vooral bij jongeren wordt sedentariteit vaak geassocieerd met obesitas.

Jongeren en adolescenten zijn prioritair
De resultaten van de peiling wijzen op een daling van de lichaamsbeweging met de leeftijd, meer bepaald tussen de kindertijd en de adolescentie, die gelijkloopt met een stijging van de sedentariteit. Het WIV en de FOD Volksgezondheid raden uitdrukkelijk aan om sedentair gedrag bij jongeren in te perken door middel van verschillende initiatieven. Zo kunnen ouders hun kinderen bijvoorbeeld aansporen om buiten te spelen en zelf meer buitenactiviteiten ondernemen, zoals een wandeling. Er kunnen ook andere mogelijkheden worden onderzocht zoals: het promoten van sporten op school, zowel tijdens als buiten de lesuren, de jongeren aanmoedigen om naar een sportclub te gaan of actieve vervoersmiddelen te gebruiken (te voet of met de fiets).
Uit de peiling blijkt ook het belang van sommige omgevingsfactoren die de lichaamsbeweging positief kunnen beïnvloeden, zoals buurtspeelpleinen, fiets- en voetpaden maar ook het veiligheidsgevoel kan hier een rol in spelen.
Globaal genomen is het raadzaam om ongeacht welke sedentaire activiteitmen heeft (naar muziek luisteren, videospelletjes spelen, chatten op internet, telefoneren, …)  deze regelmatig (kort) te  onderbreken voor wat lichaamsbeweging.

De beroepsgebonden sedentariteit van volwassenen is niet onoverkomelijk
De meerderheid van de Belgische volwassenen meent ‘voldoende’ te bewegen in verhouding tot de aanbevelingen van de WGO (ten minste 2u30 per week of ongeveer 20 minuten per dag matig intensieve inspanningen). Ten gevolge van hun beroep, brengt een groot aantal  onder hen een niet verwaarloosbaar deel van de dag zittend door, gemiddeld bijna 6 uur per dag. In het licht van deze vaststelling is het van essentieel belang om langere periodes van sedentariteit te vermijden en zo veel mogelijk af te wisselen met korte lichamelijke activiteiten. Mogelijkheden om de lichaamsbeweging te verhogen zijn bijvoorbeeld: de verplaatsingen van en naar het werk (met de fiets of te voet), in de vrije tijd (door sport te beoefenen) of het uitvoeren van huishoudelijke taken. Ten slotte moeten de maatregelen en de doelstellingen op het gebied van lichaamsbeweging onder volwassenen ‘à la carte’ worden gedefinieerd, rekening houdend met hun leeftijd, geslacht en opleidingsniveau maar ook met psychologische, lichamelijke en sociale aspecten die betrekking hebben op de uitoefening van een lichamelijke activiteit.

Wetenschapsjournalistiek is genregevoelig (Linda Duits)

Deze bijdage verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Diep Onderzoek voerde samen met Alexander Pleijter een verkennende inventarisatie uit van wetenschapsjournalistiek in Nederland. Het doel was om een inzichtelijk beeld te geven in (1) wat welke media doen aan wetenschapsjournalistiek en (2) welke functies daarmee vervuld worden. Hierbij is een brede definitie gehanteerd: alle aandacht die media besteden aan resultaten van wetenschappelijk onderzoek, als ook aan instituties en processen in de wereld van de wetenschap.

Vandaag zijn de resultaten gepubliceerd. Dit rapport maakt deel uit van een bredere toekomstverkenning die het Rathenau Instituut uitvoerde naar het functioneren van wetenschapsjournalistiek. Meer daarover hier. Hieronder zet ik de belangrijkste conclusies op een rij.

Methode
Het betreft een kwalitatief onderzoek op basis van vooraf opgestelde criteria. Een corpus van veertien genres met daarbinnen zeer diverse titels is onderworpen aan systematische tekstuele analyse, aangevuld met informatie van relevante redacteuren.

1. Aandacht wetenschap

Veel aandacht, grote verschillen
Nederlandse media besteden veel aandacht aan wetenschap: in bijna alle geanalyseerde titels is wetenschap te vinden. Dit wijst erop dat wetenschap voor media geen ivoren toren is, maar op de alledaagse radar van redacties staat. Wel signaleren we grote verschillen in de frequentie van aandacht voor wetenschap en de functie die dit dient. Dat geldt ook voor de missie en doelgroep van een medium: in vrouwentijdschriften is er sporadisch aandacht in de vorm van advies voor persoonlijke groei; kranten voor een hoogopgeleide doelgroep brengen meer wetenschapsnieuws.

Hoe verwezen wordt naar wetenschap verschilt eveneens sterk: consistente vermelding van bronnen en affiliaties ontbreekt. Er is weinig aandacht voor methoden van onderzoek: bij algemene duiding door een wetenschapper gebeurt dit niet, bij het brengen van wetenswaardigheden wel. Alle wetenschapsdisciplines vinden hun weg in de media, maar bepaalde disciplines beter passen bij bepaalde genres en functies.

Meer aandacht voor waakhondfunctie bij commerciële journalistiek 
Er zijn geen verschillen tussen functies en aard van de financiering van een titel, met één opmerkelijke uitzondering: de waakhondfunctie (functie 3). Deze wordt uitsluitend vervuld door commerciële titels en niet door redacties binnen de NPO. Niettemin besteden radio- en televisieprogramma’s van de NPO meer aandacht aan wetenschap dan commerciële zenders doen.

Hoe groter het bereik hoe minder wetenschap
We stellen voorzichtig dat hoe groter het bereik of de oplage van een titel, hoe minder aandacht er is voor wetenschap. Televisietalkshows hebben naast de televisiejournaals van de onderzochte titels het grootste bereik, maar besteden weinig aandacht aan wetenschapsnieuws. Het gaat eerder om het brengen van wetenswaardigheden (functie 4) en dat wordt vaak gedaan zonder wetenschapper. Ook de kranten met de hoogste oplages brengen minder wetenschap. Radiotalkshows en -wetenschapsprogramma’s en podcasts hebben een klein bereik, maar laten wetenschappers uitgebreid aan het woord.

Grotere redactie = meer aandacht voor alle functies van wetenschapsjournalistiek
Titels met een toegewijde wetenschapsredactie vervullen alle functies van wetenschapsjournalistiek. Waar slechts één wetenschapsredacteur of freelancer is wordt vooral nieuws gebracht (functie 1).

Weinig aandacht voor bronvermelding, onderzoeksmethoden en discussie
Media melden lang niet altijd bronnen van onderzoek of affiliaties van onderzoekers. De afwezigheid ervan valt vooral op bij het duiden van nieuws (functies 2a en 2b) en het geven van wetenswaardigheden (functie 4). Alleen bij educatie (functie 1), en dan met name nieuws, lijken wetenschappers over hun eigen onderzoek te praten.

Ook voor methoden is weinig ruimte. Een onderzoeksmethode komt vooral aan bod bij wetenswaardigheden, bijvoorbeeld bij het uitvoeren van een experiment. Bij algemene uitleg van een vakgebied blijft dit buiten beschouwing en gaat het om het delen van de inzichten. Als journalisten kritische vragen stellen, gaan deze zelden over de methode. Uitzonderingen hierop vormen de titels met een wetenschapsredactie. Bovendien gaan wetenschappers nauwelijks met elkaar in discussie. Soms worden er meerdere wetenschappers geïnterviewd, maar dat gebeurt afzonderlijk van elkaar.

Geneeskunde uitzonderlijke positie
Van alle wetenschappelijke disciplines wordt het meeste aandacht besteed aan geneeskunde. Ook de manier waarop er aandacht aan besteed wordt is uitzonderlijk. Het tegen elkaar afzetten van onderzoek troffen we alleen bij geneeskundige onderwerpen aan. Ook werden bij deze onderwerpen het vaakst bronnen genoemd. Terwijl bij andere disciplines vaak volstaan wordt met ‘uit onderzoek blijkt’, is het bij dit deelgebied blijkbaar belangrijk om de herkomst van kennis aan te geven.

Begrip ‘wetenschapper’ kent ruime definitie
Media hanteren een ruime opvatting van wetenschappers. Iemand kan zichzelf in de krant cultuurhistoricus noemen zonder doctoraat te hebben. Een voedingscoach lijkt voor journalisten op gelijke voet te staan met een wetenschappelijk onderzoeker. Voor programmamakers lijken wetenschapsjournalisten even goed in staat om een (bèta)vakgebied toe te lichten als wetenschappers.

2. Vervulling functies

De functies die deze aandacht voor wetenschap vervult, zijn genregebonden. Daarbij geldt dat bepaalde disciplines beter passen bij bepaalde genres en functies. We geven hier een samenvatting van onze bevindingen uitgesplitst naar functie.

1a: educatie in smalle zin
Alle nieuwsmedia op papier, televisie, radio en internet brengen losse nieuwsberichten uit de wetenschap. Titels die beschikken over een wetenschapsredactie brengen het meeste nieuws. Andere nieuwsmedia brengen niet elke editie klein wetenschapsnieuws, maar wel op regelmatige basis. Er is een lichte voorkeur voor bètanieuws, maar ook andere disciplines komen in aanmerking.

1b: educatie in brede zin
Vooral tijdschriften publiceren meerdere of tegenstrijdige onderzoeken in berichtgeving over nieuwe ontwikkelingen. Het gaat daarbij steeds om gezondheidsgerelateerde onderwerpen.

1c: educatie in algemene zin
Bij radiotalkshows en podcasts komen wetenschappers uitgebreid aan het woord over hun vakgebied. Het publiek wordt op die manier algemeen onderwezen over een specifieke discipline. Ook de colleges van het televisieprogramma De Universiteit van Nederland, wekelijkse interviews in Vrij Nederland en incidentele artikelen in de Volkskrant vervullen deze functie.

2a: maatschappelijk debat voeden in smalle zin
Nieuwsmedia – kranten, televisie en radio – vragen wetenschappers om een toelichting te geven op onderwerpen die in de actualiteit zijn. Het gaat hierbij om duiding van de actualiteit of van specifiek onderzoek. Deze functie werd niet vervuld door niet-nieuwsgerichte titels. Alle wetenschappelijke disciplines kunnen aan bod komen.

2b: maatschappelijk debat voeden in brede zin
In opiniebladen, op opiniepagina’s van kranten, bij talkshows op radio en televisie, en bij podcasts betrekken wetenschappers inzichten uit meerdere onderzoeken of van meerdere wetenschappers op een maatschappelijk thema. De maatschappijgerichte disciplines hebben de overhand. Het is daarbij opmerkelijk dat de duiders zelden naar specifieke studies verwijzen, maar veeleer algemeen vanuit hun vakgebied spreken.

3: waakhond
Het kritisch observeren van de wetenschappelijke sector komt het minst vaak voor. Het gebeurt door commerciële titels die beschikken over een wetenschapsredactie. Daarnaast vervullen lezersbrieven van tijdschriften deze functie incidenteel. Zogeheten factchecks van mediaberichten worden niet gedaan op geesteswetenschappelijk onderzoek.

4: wetenswaardigheden
Kennis uit wetenschappelijk onderzoek wordt in de meer infotainment-achtige media aangeboden louter omdat het aardig is om te weten. Het gaat om televisietalkshow De Wereld Draait Door onder, populairwetenschappelijk blad Quest en wetenschaps-programma’s Over de Kop en Proefkonijnen. Kenmerkend is dat meestal niet naar bronnen wordt verwezen. Met uitzondering van geschiedenis komen daarbij geen wetenswaardigheden uit de geesteswetenschappen voor.

5: advisering over lifestyle en persoonlijke groei
Tijdschriften die zich richten op het adviseren van mensen op enig terrein doen dat ook op basis van wetenschappelijk onderzoek. We zien deze functie ook terug in een enkel krantenbericht en op televisie bij De Wereld Draait Door. Meestal worden onderzoeksbevindingen zonder meer als kloppend verondersteld. Daarbij is het opmerkelijk dat bij deze functie het vaakst bronnen worden vermeld. Dit wijst er wellicht op dat hier meer autoriteit en/of geloofwaardigheid gewenst is.

Het gehele rapport is hier te downloaden. Voor vragen kunt u contact opnemen. 

Generation what? De grote enquête over de 18-34-jarigen in heel Europa

Ok, ik heb het liever kritisch over generaties (en spreek zelf liever over Generation Why als concept), maar nu is er Generation What?, een grote enquête over de 18-34-jarigen in heel Europa en het is een soort van work in process.

Ik bedoel hiermee dat er al een pak resultaten zijn van het onderzoek, maar dat iedere jongere in de deelnemende landen gevraagd wordt mee te doen, waardoor de resultaten nog kunnen evolueren. Maar met de enorme aantallen die er nu al in zouden zitten, krijg je een mooi idee.

En dat rond een pak thema’s:

En dan kan je dergelijke zaken vinden:

Onderwijs

Lectuur op zaterdag: Finland, onveilige sociale media, dopamine en meer

De weekendbijlage bij deze blog: