Nieuw OESO-rapport over zwak presteerders in onderwijs: wie zijn ze en hoe kunnen we ze helpen?

Er is een eerste van twee nieuwe OESO-rapporten rond onderwijs deze week gepubliceerd (vrijdag komt het nieuwe TALIS-rapport).

Dit is de samenvattende presentatie:

Wat mij zelf opvalt is

  • hoeveel dingen die we al weten vooral bevestigd worden,
  • hoe het over correlaties gaan (bijvoorbeeld concludeer niet op basis van de presentatie dat je zwakkere leerlingen meer huiswerk moet geven).

Wat zijn de aanbevelingen volgens de OESO? Dat zijn onder andere:

  • Identify low performers and design a tailored policy strategy;
  • Reduce inequalities in access to early education;
  • Provide remedial support as early as possible;
  • Encourage the involvement of parents and local communities;
  • Provide targeted support to disadvantaged schools or families;
  • Offer special programmes for immigrant, minority-language and rural students;
  • Assist single parent families and tackle gender stereotypes;
  • Reduce inequalities in access to early childhood education and limit the use of student sorting;
  • Inspire students…

 

 

Lectuur op zaterdag: 100 grappen, ebooks om jongens te redden en meer

De weekendbijlage bij deze blog:

Tot slot is er nog dit wijnrek. Wat krijg je als je een illusionist hebt die ook houtbewerker is?

 

Interessant rapport: Leren we leerkrachten de juiste dingen?

Dit nieuw rapport van National Council on Teacher Quality.dat ik vond via Neurobonkers stelt een zeer eenvoudige vraag: als we weten wat zeker werkt om kinderen te doen leren in de klas, komt dit ook voor in de lerarenopleidingen en in de handboeken die de lerarenopleidingen gebruiken.

Het antwoord voor de onderzochte handboeken en opleidingen in de VS is behoorlijk vernietigend.

Van de 6 strategieën waar men naar keek (en die dus aanbevolen worden), bleek geen enkel handboek ze allemaal te bevatten en degelijk te beschrijven. Slechts enkele handboeken of cursussen bevatten een of twee van de zes strategieën. Nouja, bevatten? Ze krijgen meestal een vermelding van 1 of 2 zinnen.

niet in handboek

Maar men keek ook verder. Hoe wetenschappelijk onderbouwd zijn de handboeken? Ehm…

Wetenschappelijke kwaliteit

Neurobonkers is vermoedelijk correct als hij besluit dat de meeste (Amerikaanse) handboeken gebruikt in lerarenopleidingen vaak wel onderwijsmythes bevatten, veel elementen die eerder anekdotisch van aard zijn, maar tegelijkertijd essentiële informatie missen.

Ik ben in deze tekst bewust wat gemeen geweest. Wat zijn namelijk nu die 6 effectieve strategieën. Dit zijn ze samengevat (en je kan ze hier downloaden):

6 strategieën

En nu de vraag, beste collega’s, geven wij deze allemaal terdege in onze opleidingen?

 

Lectuur op zaterdag: Nederlands niet het saaiste vak, Dweck en Valentijn, Davos en schermtijd,…

De weekendbijlage bij deze blog:

 

Persbericht KBS: Het secundair onderwijs kan jongeren beter voorbereiden op het leven

Het advies van het ouderpanel over de toekomst van secundair onderwijs dat de Koning Boudewijnstichting maakte in opdracht van minister Crevits is er. Meer uitleg in dit persbericht:

Het kan beter. Het secundair onderwijs kan onze jongeren beter voorbereiden op het latere leven dan het vandaag doet. Dat is geen kritiek, maar een oproep.

Dat zegt het Ouderforum Secundair Onderwijs van de Koning Boudewijnstichting: 24 uitgekozen ouders die zich via een bijzondere methode – een deliberatief proces naar het model van de Deense consensusconferenties – hebben gebogen over het onderwijs voor het jaar 2030, het jaar waarin de kinderen die vandaag in het eerste leerjaar zitten, stilaan gaan afstuderen.

De ouders geven in zeven punten een genuanceerd antwoord op twee vragen die Vlaams minister van Onderwijs, Hilde Crevits, hen enkele maanden geleden gesteld had:
– Wat moet het secundair onderwijs bereiken met alle jongeren?
– En hoe jongeren best tot keuzes brengen tijdens het secundair onderwijs?

“Het onderwijs is zoals een olifant: een groot, log beest maar ook wel gevoelig. En net zoals deze olifant is het onderwijs bezig met een delicate evenwichtsoefening.” 

In hun antwoord op de eerste vraag concentreerden de ouders zich op drie rollen waarvan ze vinden dat het secundair onderwijs die beter moet vervullen.

Het secundair onderwijs

1. moet de jongeren beter voorbereiden op het leven, op hun ontplooiing als burger. Dat houdt onder meer in: leren omgaan met geld; sociaal engagement leren opnemen; EHBO; leren debatteren. De ouders vinden dat een opdracht die zij en de school delen.

2. moet hen beter voorbereiden op de superdiverse samenleving: de mens leren zien als persoon en niet als een optelsom van uiterlijke kenmerken, veel talenkennis bijbrengen, de jongeren inleiden in de cultuur- en religieverschillen en hen leren om hier op een respectvolle manier mee om te gaan.

3. moet erkennen dat er niet alleen op de schoolbanken geleerd kan worden: de school moetvoor alle jongeren het werken en de wereld van de arbeid als leerbron binnenbrengen: via stages, werkervaringsprojecten, vrijwilligerswerk. De werkplek is de ideale plaats om het probleemoplossend denken en de creativiteit aan bod te laten komen, en om theorie en praktijk te mengen. Het duaal leren moet een volwaardige opleidingsvorm worden in alle richtingen.

4. Jongeren zullen betere keuzes maken, zegt het ouderforum in antwoord op de tweede vraag, als echt uitgegaan wordt van de talenten van jongeren, en als ze ervaring mogen opdoen in verschillende studie- en werkdomeinen. Dat moeten ze kunnen tijdens de eerste graad van het secundair onderwijs. Dat moet daarom een brede eerste graad zijn. De oude onderwijsvormen ASO/TSO/KSO/BSO verdwijnen; jongeren moeten zoveel mogelijk op dezelfde campus school lopen.

5. Dat veronderstelt een andere organisatie van het leren. De aloude lessen van 50 minuten zullen minder voorkomen: modulair werken en projectwerk zijn meer aangepast aan de 21ste eeuw. Leraars zullen meer in team werken en leerlingen langer dan een jaar begeleiden en coachen. Dat zal het welbevinden van de leerlingen en hun motivatie doen toenemen.

6. Het welbevinden van de leraars verdient ook meer aandacht. Zij verdienen meer waardering. Ze moeten ook anders opgeleid worden: voorbereid worden op teamwerk, op de ‘superdiversiteit’. En hun opleiding zou best ook duaal zijn en dus grotendeels plaats hebben op hun toekomstige werkplek, de school. Leerkrachten hebben niet zozeer een vaste benoeming nodig, maar een personeelsbeleid dat gericht is op de ontplooiing van hun professionaliteit.
De lerarenteams moeten diverser worden.

7. En de scholen? Dit alles veronderstelt scholen die niet gelijk moeten zijn maar die wel gelijkwaardige kwaliteit afleveren. Dat moet objectief en vergelijkend getest worden. De gelijkwaardige kwaliteit moet ook bewaakt worden door de overheid via de eindtermen: die bepalen wat scholen moeten bereiken. De eindtermen moeten concreter worden, en sneller aangepast worden.
Scholen moeten ouders en leerlingen in het schoolbeleid betrekken. En die moeten alle gegevens krijgen die toelaten de kwaliteit van het onderwijs van een school te beoordelen. Transparantie moet troef zijn.

Drie weekends van intensief overleg
Het ouderpanel kwam tussen oktober 2015 en januari drie weekends samen voor intensieve momenten van informatievergaring en discussie. Tijdens die weekends werden meerdere specialisten en praktijkmensen gehoord. De meningen van de ouders werden scherp gesteld en aan die van de anderen getoetst. “Wij hebben gezocht wat ons, ouders, echt drijft in deze discussies: wat moeten wij, ouders, verdedigen voor onze jongeren in het licht van 2030”, schrijven ze zelf in de inleiding van het eindrapport.

Het eindrapport werd op de laatste dag overhandigd aan Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits die het persoonlijk in ontvangst kwam nemen van de ouders. Zij maakte van de gelegenheid gebruik om een aantal van de conclusies te bespreken en bijkomende vragen te stellen.

Minister Crevits : “Onderwijs beroert ouders. Dat bewijst de visie van dit ouderpanel dat zijn blik op 2030 mocht werpen. In 2030 verlaten de meeste kleuters die nu in de eerste kleuterklas zitten het secundair onderwijs. Deze ouders trekken duidelijk de kaart van een secundair onderwijs dat jongeren voorbereidt op het burgerschap van morgen. Met een open blik op de superdiverse samenleving. De ouders roepen op om muren tussen leren en werkten te slopen en houden een warm pleidooi voor levenslang leren. Ook de leraars krijgen de waardering die ze verdienen. Een aantal van de voorstellen sluit aan bij de richting die we uit willen gaan met het duaal leren, de hervorming van de lerarenopleiding en de modernisering van het secundair onderwijs. Maar het rapport daagt ook uit om verder te kijken. Het bevat reflecties en voorstellen die zeker nog op beleidstafels naar boven zullen komen. Vandaar mijn grote appreciatie en dank aan de ouders die dit mee tot stand hebben gebracht.”

De methode
Het ouderpanel volgt een wetenschappelijke methode die al in de jaren ’70 in Denemarken werd uitgewerkt. De “consensus conference” is gebaseerd op twee principes: diversiteit en tijd voor deliberatie.
24 deelnemers – 13 mannen, 11 vrouwen – werden willekeurig gekozen uit alle lagen van de bevolking: ouders met jonge en oudere kinderen, verschillende opleidingen en uit alle hoeken van Vlaanderen. Ze wisselen gedurende drie volledige weekends van gedachten met elkaar, met mensen uit de onderwijspraktijk, met experts uit verschillende sectoren van de samenleving. Dit maakt het mogelijk om het thema vanuit alle gezichtspunten te behandelen.

Onderzoekers van de VUB staan in voor de onafhankelijke evaluatie van het ouderpanel.
Overal in de wereld zijn er ondertussen honderden ‘consensus conferences’ georganiseerd. De Koning Boudewijnstichting heeft een jarenlange ervaring met deze methode, zowel nationaal als Europees. Ze organiseerde burgerpanels over uiteenlopende thema’s als de behandeling van radioactief afval, de toekomst van het hersenonderzoek (met de steun van het DG Onderzoek van de Europese Commissie), terugbetaling in de gezondheidszorg en de toekomst van de Europese Unie.

Het hele rapport kan je hier downloaden.

Persbericht RUG: Geen kritische periode voor het leren van grammatica

Een interessant onderzoek in dit persbericht (HT @jandemol!):

Taalwetenschappers van de Rijksuniversiteit Groningen en de Universiteit van Essex komen met nieuwe inzichten omtrent hersenprocessen bij leerders van een tweede taal, die pleiten tegen het bestaan van een kritische periode voor het leren van grammatica. Ze tonen dit aan met behulp van een nieuwe analysemethode van het EEG-signaal, een verzameling van hersengolven. De resultaten zijn gepubliceerd in het Open Access tijdschrift PLoS ONE.

Kritische periode?

Het is al bekend dat leerders die op jongere leeftijd beginnen met het leren van een vreemde taal een betere kans maken om deze taal goed onder de knie te krijgen dan oudere leerders. De cruciale vraag is of dit leeftijdseffect veroorzaakt wordt door een zogenaamde taalspecifieke ‘kritische periode’, d.w.z. een bepaalde leeftijdsgrens waarvoor begonnen moet worden met het leren van een tweede taal om het niveau van een moedertaalspreker te bereiken. Het idee achter een dergelijke kritische periode is dat er een beperkte periode zou kunnen bestaan waarin het brein ontvankelijk is voor het leren van een tweede taal. Om te bepalen of zo’n kritische periode bestaat, wordt er gekeken naar de relatie tussen de leeftijd waarop begonnen wordt met het leren van de tweede taal en het uiteindelijke niveau. Als dat niveau geleidelijk daalt met een hogere startleeftijd is dit geen bewijs voor het bestaan van een kritische periode, maar als er ineens een duidelijke daling is na een bepaalde leeftijd, dan zou dit juist wel een indicatie kunnen zijn van het bestaan daarvan.

Hoe later, hoe moeilijker

De taalwetenschappers tonen aan dat wanneer bepaalde grammaticale regels in de tweede taal anders zijn dan in de moedertaal, deze steeds lastiger onder de knie te krijgen zijn naarmate men op latere leeftijd begint met leren. Waar de reactie van het brein op een grammaticale fout bij iemand die in zijn tienerjaren is begonnen met leren vrijwel niet te onderscheiden is van die van een moedertaalspreker, laat bijvoorbeeld een leerder die op zijn dertigste begint een heel andere hersenreactie zien. Deze verandering is echter niet abrupt, maar geleidelijk en daarom pleiten de resultaten van dit onderzoek tegen het bestaan van een kritische periode in de verwerving van een tweede taal.

Nieuwe methode

Tevens laten de onderzoekers zien dat het van belang is analysemethoden te gebruiken die alle gegevens tegelijkertijd kunnen analyseren en waarbij het maken van kunstmatige groepen niet nodig is. Door de grote hoeveelheid gegevens die in een EEG-experiment verzameld wordt, zijn traditionele methoden gebaseerd op herhaaldelijk middelen. Hierbij gaan echter veel details verloren. In het huidige onderzoek zou een traditionele analyse van de gegevens zelfs leiden tot een onjuiste interpretatie, namelijk het accepteren van de aanwezigheid van een kritische periode. Wanneer de gegevens echter worden geanalyseerd met behulp van een nieuwe statistische techniek, generalized additive modeling, lijkt van een kritische periode helemaal geen sprake. De oorzaak van deze tegengestelde conclusie is dat het bij deze nieuwe techniek niet nodig is leerders op te delen in groepen aan de hand van de leeftijd waarop ze begonnen zijn met het leren van de tweede taal. In plaats daarvan kan het precieze effect van deze startleeftijd bepaald worden. Daarnaast is het bij deze techniek niet nodig gemiddeldes uit te rekenen, maar kunnen alle gegevens tegelijkertijd worden geanalyseerd. Dat houdt ook in dat deze techniek het verloop over tijd van het hersensignaal meeneemt in de analyse.Het onderzoek is mogelijk gemaakt door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), die hiervoor een Vici-beurs toekende aan Monika S. Schmid.

Nienke Meulman, Martijn Wieling, Simone A. Sprenger, Laurie A. Stowe, Monika S. Schmid, ‘Age effects in L2 grammar processing as revealed by ERPs and how (not) to study them’, PLoS ONE, 18 december 2015.

De belangrijkste trends voor onderwijs volgens de OESO in kernpunten.

Er is een nieuwe Trends in Education rapport van de OESO en wat zijn de belangrijkste tendensen?

  • Globalisering
  • Opvallend: de evoluties van de natie-staten
  • Steden als nieuwe landen
  • Het belang van het gezin
  • Technologie

De evolutie van vorige rapporten is het opnieuw opduiken van de natie en het stijgend belang van het gezin. Gezondheid is nog steeds belangrijk, maar is een onderdeel van het gezinsleven geworden. De positie van de vrouw krijgt nu minder aandacht.

Hieronder vind je de belangrijkste kernpunten, later vandaag deel ik wellicht nog een samenvattende presentatie.

Globalisering:

OECD Global stad OECD Global 2

Op nationaal niveau:

OECD natie

Op stadsniveau:

OECD stad

Familie en gezin:

OECD familie 1OECD familie 2

En ten slotte voor technologie:

OECD technology

Lectuur op zaterdag: foute informatie, slimmer is misschien niet slim en meer

De weekendbijlage bij deze blog:

Tot slot vond ik via Frederik Anseel. Was het vroeger echt beter qua terrorisme in West-Europa?

Lectuur op zaterdag: veel bronnen die jou slimmer maken, maar hoe slim je land is, is belangrijker

De weekendbijlage bij deze blog:

Ten slotte: deze kortfilm over (en getiteld) The talk. Niet te bekijken met jonge kinderen als je geen ongemakkelijk gesprek wil achteraf…