Merk je de ironie op bij deze krantenadvertentie?

In de Vlaamse kranten staat vandaag een zelfde grote pagina met tips tegen Fake News. Mooi toch. Maar er zijn een paar dingen die het nogal ironisch maken.

Merk je ze op?

Het is een advertentie die er vooral niet uitziet… als een advertentie. Er staat ook geen boodschap bij dat het een commercieel bericht is. En de afzender? Ik merkte op Twitter dat zelfs getrainde ogen het niet direct door hebben. Tip: check de linkerbovenhoek…

Het medicijn tegen valse feiten: de bibliotheek en leergierigheid (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

We leven in tijd met veel zorgen over de betrouwbaarheid van bronnen. Dat roept de empirische vraag op hoe mensen met informatie omgaan. Controleren ze hun bronnen? Willen ze wel wat nieuws leren? Pew Internet onderzocht volwassenen Amerikanen en kwam tot een interessante typologie van ‘informatie-disposities’, oftewel verschillende soorten engagement met informatie.

Er werden vijf dimensies onderzocht:

  1. Hoe geïnteresseerd is men in het onderwerp?
  2. Hoe zeer vertrouwt men de informatiebronnen over het onderwerp?
  3. Hoe graag wil men nieuwe vaardigheden opdoen?
  4. Welke andere aspecten van het leven dingt naar de aandacht en het vermogen informatie op te zoeken?
  5. Hoeveel toegang tot informatie heeft men überhaupt?

Het blijkt dat vooral vertrouwen in bronnen en leergierigheid van belang zijn.

De typologie:

The Eager and Willing – 22 procent van de volwassenen

Deze groep heeft veel interesse in nieuws, veel vertrouwen in belangrijke informatiebronnen en wil graag betere vaardigheden aanleren. Deze groep bestaat vooral uit minderheden: 31 procent is Hispanic; 21 procent is zwart.

The Confident – 16 procent
Ook deze groep heeft veel interesse en veel vertrouwen. Het verschil met de vorige groep is dat deze zelfverzekerd is: ze vinden dat ze zelf goed met informatie kunnen omgaan en vinden dus dat ze weinig nieuwe vaardigheden nodig hebben. Deze groep is overweldigend wit, hoogopgeleid en economisch comfortabel. Ongeveer een derde is tussen de 18 en 29 jaar oud.

The Cautious and Curious – 13 procent
Deze groep combineert een hoge interesse in nieuws met een lagere mate van vertrouwen in bronnen als nieuwsorganisaties, financiële instituties en de overheid. Ze willen echter wel graag nieuwe vaardigheden aanleren. Deze groep lijkt het meest op de gemiddelde bevolking, met een net iets lager opleidingsniveau.

The Doubtful – 24 procent

De twijfelaars hebben minder interesse in informatie dan de vorige groepen. Ze wantrouwig naar lokale en nationale nieuwsorganisaties. Ze zijn heel druk en hebben weinig interesse om betere informatievaardigheden aan te leren. Deze groep is het meest van middelbare leeftijd, ze zijn voornamelijk wit en middenklasse.

The Wary – 25 procent

Aan het einde van het spectrum is de groep die het minst geëngageerd is met informatie. Ze hebben weinig interesse, weinig vertrouwen en weinig zin om iets te leren. Dit zijn vooral mannen en een derde is boven de 65.

Implicaties

Er is niet één typische informatiegebruiker: hoe mensen met informatie omgaan hangt van veel factoren af. Dat betekent dat we voorzichtig moeten zijn met generaliserende uitspraken over bijvoorbeeld jongeren. Belangrijk is de mate waarin iemand bereid is nieuwe vaardigheden aan te leren: als die ontbreekt, zal ieder initiatief het moeilijk hebben. Er ligt daarbij een belangrijke taak voor bibliotheken: hun medewerkers worden goed vertrouwd, maar niet iedereen komt in de bieb. Bibliotheekgebruikers zitten vooral in de bovenste twee groepen.

Sharenting en privacy: tips om de digitale rechten van kinderen te respecteren (Linda Duits)

Deze blogpost verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

uders zijn net mensen. Ze laten online delen van hun leven zien, en posten dus ook foto’s van hun kinderen. De term die hiervoor gebruikt wordt is sharenting: to share + to parent. Er is hier al veel kritiek op geformuleerd. Het delen van baby- en peuterfoto’s is voor sommigen misschien leuk, maar het kind zelf heeft er niet mee in kunnen stemmen. Kinderen hebben recht op privacy en dat betekent dat hun ouders wat minder enthousiast moeten zijn om hen online te zetten. Beroemdheden doen ook aan sharenting, en daar kleven allerlei extra bezwaren aan.

In een post voor het blog van de London School of Economics beschrijven Ana Jorge en Lidia Marôpo hoe celebs geld verdienen met foto’s van hun kroost. Ze merken op hoe traditionele paparazzi nauwelijks meer bestaan. Beroemdheden maken zelf foto’s en zetten die op Twitter en Instagram. Media gebruiken dat materiaal om clicks te trekken. Kinderen van beroemdheden hebben zo al een digitale voetafdruk voordat ze kunnen praten. Hun ouders hebben intieme momenten gedeeld, hun naam, gezicht en leeftijd. Dat betekent dat deze kinderen niet zelden worden onderworpen aan kritiek en geroddel, over hun uiterlijk of over hun daden.

Extra problematisch is wanneer celebs sharenting inzetten bij hun commerciële activiteiten:

“Their children’s images are used in blogging and social media to advertise products and brands, showing how sharenting is becoming increasingly monetised, professionalised and industrialised for celebrities, or ‘micro-microcelebrities’, as Crystal Abidin states, i.e. celebrities and online celebrities are engaging more and more in the sphere of commercial promotion involving their young children.”

Hiermee zijn beroemdheden en hun kids een prioriteitsgroep als het gaat om kinderrechten en sharenting. Ook als je geen beroemdheid bent maar wel kinderen hebt, moet je nadenken over het beschermen van hun identiteit. Dat gaat niet alleen over het plaatsen van foto’s! Jorge en Marôpo formuleren drie veilige praktijken:

  1. Wees voorzichtig met het delen van waar je kind zich bevindt;
  2. Kinderen moeten vetorecht hebben: ze mogen nee zeggen tegen het publiceren van bepaalde beelden, uitspraken, verdiensten en uitdagingen;
  3. Ouders moeten aandacht hebben voor de effecten van sharenting op het zelfbeeld en welzijn van kinderen.

Clickbait in de wetenschap: je bent gek als je het niet doet (Linda Duits)

Deze blogpost verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

“If your job prospects depend on clicks, you’d be stupid not to write clickbait.”

De munteenheid van het internet is aandacht en aandacht wordt gemeten met clicks. Hoe meer clicks, hoe meer aandacht. Ik ben daar zelf niet vies van. Zo is mijn ‘best gelezen’ column op Folia er eentje met de titel ‘Pijpen is goed voor je zelfvertrouwen’. Ik heb best gelezen tussen aanhalingstekens geplaatst, want clicken is niet hetzelfde als lezen. Clicks zijn een slechte graadmeter voor kwaliteit. Een belangrijk achtergrondstuk over de verkiezingen in Duitsland krijgt altijd minder clicks dan iets snels over seks. Ook de titel van dit stuk kan je zien als clickbait.

Op het blog van LSE verscheen een stuk over wetenschap en clickbait waaruit bovenstaande zin afkomstig is. Politicologen Portia Roelofs en Max Gallien schrijven daar over een artikel in het wetenschappelijke tijdschrift Third World Quarterly dat laat zien waarom aandacht een desastreuze manier is om wetenschap te beoordelen. Het betreffende artikel, The case for colonialism, is volgens hen “clickbait with footnotes”. De auteur stelt dat kolonialisme ten onrechte een slechte naam heeft. Er is geen sprake van empirisch onderzoek en het artikel is vooral bedoeld om te provoceren. Dat lukte: het werd massaal (negatief) gedeeld. De Altmetric Attention Score ging dan ook door het dak.

Volgens Roelofs en Gallien staat dit incident voor een aantal ongunstige ontwikkelingen in de wetenschap, zoals vermarkting. Artikelen worden al gescoord op aandachtsoverwegingen: een citatiescore neemt bijvoorbeeld niet mee of een artikel wordt aangehaald als onzin. Aandacht wordt steeds belangrijker omdat bestuurders veel waarde hechten aan kwantificeerde impact:

“But this style [citatiescores] of quantifying how good an article is pales in comparison to what has been done under the “impact agenda”. Initially spurred by the desire for professors to reach out and engage with the world outside the “ivory tower”, impact came to be measured by blogs, page views, download stats, and tweets. Academia is replicating the structure of the mass media. Academic articles are now evaluated according to essentially the same metrics as Buzzfeed posts and Instagram selfies. In fact, the impact factor is an especially blunt example of online metrics: Reddit, Youtube, and Imgur at least allow users to up-vote or down-vote posts.”

Het gaat daarbij om veel meer dan ijdelheid. Het is beangstigend om te bedenken dat iemands academische baankansen afhankelijk zijn van de aandacht die hij krijgt online.

“And it’s deadly serious: how many likes your article gets is not simply a matter of vanity but is ingrained into the system of academic rewards and respects; whether when applying for promotions, jobs, or research funding. If your job prospects depend on clicks, you’d be stupid not to write clickbait.”

Daarnaast wijzen de auteurs erop dat academische debatten steeds meer worden gereduceerd tot “artificially adversarial debates”: debatten tussen tegenpolen, zoals we die ook zin in de media. Onder het mom ‘de waarheid ligt in het midden’ is er geen aandacht voor consensus die de wetenschap voortstuwt. Dat is goed nieuws voor gekkies en slecht nieuws voor de wereld, want:

“When academia is thus framed as a confrontation, it favours confrontational people.”

Wat Tinder allemaal van je weet (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Veel mensen bewaken hun telefoon met hun leven. Je wilt niet dat je vrienden al je berichtjes kunnen lezen, zeker niet de dronken booty calls en flirts. Het is een beangstigend idee dat iemand toegang heeft tot alles wat je ooit deed op Tinder.

EU-wetgeving heeft het mogelijk gemaakt je persoonlijke data op te vragen bij Tinder. The Guardian-journalist Judith Duportail deed dat en schrok van het resultaat. Ze kreeg 800 pagina’s met informatie over zichzelf waar ze zich dood voor schaamde. Wat weet Tinder bijvoorbeeld allemaal?

  • In wie je geïnteresseerd bent in termen van geslacht en leeftijd;
  • Je Facebook-likes;
  • Je Instagram-foto’s (hoewel Duportail haar account daar eerder had verwijderd);
  • Je opleidingsniveau;
  • Hoe vaak je inlogt;
  • Hoe vaak je matcht;
  • De huidskleur en leeftijd van de mensen waarmee je matcht;
  • Hoe lang mensen naar jou kijken voordat ze swipen;
  • Waar je was iedere keer dat je de app gebruikte;
  • Wanneer je de app gebruikte;
  • Je muzieksmaak;
  • Je eetvoorkeuren;
  • Welke woorden je het vaakst gebruikt;
  • De inhoud van alle berichten die je hebt uitgewisseld, en dus:
    • Je dromen;
    • Je angsten;
    • Je seksuele verlangens;
    • Je diepste geheimen.

Duportail kon alle 1700 berichten teruglezen die ze sinds 2013 had verstuurd. Ze schrijft:

“Tinder knows me so well. It knows the real, inglorious version of me who copy-pasted the same joke to match 567, 568, and 569; who exchanged compulsively with 16 different people simultaneously one New Year’s Day, and then ghosted 16 of them.”

In het privacybeleid van Tinder staat dat deze informatie gebruikt wordt om je doelgerichte advertenties voor te schotelen – vrij standaard. Maar er staat ook dat je niet kan verwachten dat deze data altijd veilig blijft. Tinder kan gehackt worden en jouw privédata kan dan gelekt worden. Daarnaast kunnen je publieke gegevens uitgelezen worden. Het is een eng idee dat je vrienden dit zouden lezen, maar wat als een onderzoeker bij Tinder jou op deze manier uitpluist? Of een vreemde die deze 800 pagina’s over jou heeft gekocht?

We geven informatie weg zonder door te hebben wat de gevolgen zijn en zonder te overwegen wat het betekent als je zo bestudeerd wordt zonder het door te hebben. Duportail:

“Tinder is often compared to a bar full of singles, but it’s more like a bar full of single people chosen for me while studying my behaviour, reading my diary and with new people constantly selected based on my live reactions.”

Wanneer twitteraars aanspreken op onjuiste informatie wel effect heeft (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

NRC Handelsblad en de Volkskrant hebben tegenwoordig een rubriek waarin ze feiten checken. Er wordt immers veel onzin verkondigd, ook in het nieuws. Het is maar de vraag of zulke rubrieken zin hebben: aanhangers van Thierry Baudet zullen er waarschijnlijk weinig waarde aan hechten dat kranten die zij toch al niet serieus nemen zeggen dat hun leider liegt. Mediawetenschapper Peter Burger van de Universiteit Leiden spreekt op Twitter verspreiders van nepnieuws direct aan. Niet zelden leidt dat tot een block van de kant van de verspreider (opvallend vaak PVV-politici), in plaats van tot een rectificatie. Factchecking voelt belangrijk, maar er zijn redenen om te twijfelen aan de effectiviteit.

Eerder onderzoek naar de effecten van factchecking zijn weinig hoopgevend. Dat is slecht voor de democratie, want in een goed functionerende democratie baseren burgers zich op feiten. De omgeving kan daarbij een rol spelen: als daar een sterke prikkel wordt gegeven, is er meer kans dat mensen geruchten kritisch bevragen. In een recent verschenen studie [abstract] is daarom gekeken naar de invloed van de sociale banden tussen de factchecker en de verspreider.

Methode
De onderzoekers keken naar interventies op Twitter waarbij het duidelijk ging om correctie van onjuist idee, waarbij de interventie ongevraagd was en waarbij er een uitwisseling plaatsvond tussen de corrector (die zij de snoper noemen) en de gecorrigeerde (de snopee). Het eerste punt werd geoperationaliseerd als een verwijzing naar factcheckerssites Snopes.com, FactCheck.org of PolitiFact.com. De data voor de eerste studie beslaan een periode tussen januari 2012 en april 2014. Het ging uiteindelijk om 322 politieke uitwisselingen, die handmatig werden gecodeerd. Voor de tweede studie werden nog eens 414 uitwisselingen geanalyseerd, nu uit de periode oktober 2015 – februari 2016.

Resultaten
Het zal niet verrassen dat vrienden (mensen die elkaar volgen) eerder een correctie accepteren: in 73 procent van de gevallen. Bij vreemden is dat 39 procent. Ook eenzijdige relaties halen hoge percentages: als de snopee de snoper volgde is gaat het om 7 uit 11 uitwisselingen (64%) en bij snopees die gevolgd worden door hun snoper 23 uit 29 (79%). Dat laatste percentage is opmerkelijk hoog. Wellicht komt dit omdat er dan niet altijd gereageerd wordt en alleen uitwisselingen zijn meegenomen in de analyse. Ook laat de eerste studie zien dat als er meer gedeelde volgers zijn, de snopee eerder de interventie aanneemt.

De tweede studie toonde vergelijkbare resultaten en bevestigde zo de inzichten uit de eerste studie. Het verband met gedeelde volgers was in de tweede studie echter zwak. In de tweede studie analyseerden de onderzoekers ook attitude-overeenkomsten: wat als de snoper en de snopee bijvoorbeeld beiden zijn aanhangers van Trump? Ook daar was een positief effect, maar dit vereist nader onderzoek.

Implicaties
De conclusie is helder: individuen die iets met elkaar delen op Twitter nemen eerder politieke feitencorrecties aan dan vreemden. Volgens de onderzoekers is aansprakelijkheid een belangrijke factor bij factchecking. Zij verstaan daaronder:

“a motivation to have accurate information about a topic where there is no individual consequence to having incorrect knowledge” (p. 20).

Wanneer een krant een factcheck doet, mist die aansprakelijkheid. Wanneer iemand een snopee wijst op een factcheck in een krant, kan die aansprakelijkheid er wel zijn. Het is daarom volgens de onderzoekers cruciaal dat er in sociale netwerken ‘bruggen’ zijn tussen verschillende kampen.

“Geloof niet iedereen die zich prof noemt op zijn woord” (Column voor Radio 1)

Deze column verscheen eerder bij Radio 1.

Roy

Heeft u al ooit gehoord van Sébastien Roy Osumanu? Je mag ook Roy zeggen. Nee? Nochtans is de man de meest succesvolle promovendus ooit aan de Universiteit van Amsterdam. Hij behaalde op 1 september een doctoraat in financiële economie en sleepte tegelijk maar liefst 5 wetenschappelijke prijzen in de wacht. Logisch dat de man de nodige aandacht kreeg in de Ghanese media

Er is wel een probleempje: in Amsterdam kent niemand de man en hij was nooit ingeschreven aan de universiteit, laat staan dat hij er promoveerde of wetenschappelijke prijzen behaalde.

De man blijkt vooral sterk in verhalen vertellen en is ook niet in slecht in Photoshop, want natuurlijk was er wel wat fotografisch bewijs nodig. De journalisten in zijn thuisland hadden blijkbaar niet de reflex om ook even te checken bij de universiteit voor een quote.

Ik moet bekennen, een dergelijk bericht geeft me gemengde gevoelens. Ergens is het grappig, stel dat de man niet zo had overdreven had hij het misschien kunnen volhouden. Tegelijk maak het verhaal me triest. In juni behaalde ik mijn eigen doctoraat na misschien geen bloed, maar toch echt wel zweet en tranen. Een dergelijke titel maakt je niet meer of minder dan iemand anders. Mijn grootouders hebben bijvoorbeeld nooit zoiets behaald, maar neem van me aan: ik schat ze hoger in dan mezelf. Daarom gebruik ik de titel zelf zelden of nooit, maar dit wil niet zeggen dat ik er niet ongelooflijk trots op ben.

Wat Roy deed, gebeurt vaker dan je denkt.

Vorig jaar nog kreeg ik de vraag of een mogelijke buitenlandse spreker voor een conferentie effectief een autoriteit was in zijn vakgebied. Ik checkte wetenschappelijke databanken zoals scholar.google.be en vond… helemaal niks. De man had nog nooit een wetenschappelijk artikel gepubliceerd en behaalde zijn doctoraat aan een niet-erkende universiteit. De zogenaamde ‘professor’ werd gelukkig niet gevraagd als spreker.

Dus samengevat: als je me tegenkomt, zeg maar gewoon Pedro. Tegelijk: geloof niet iedereen die zich wetenschapper of professor noemt op zijn of haar woord.