Journalistiek geen doorgeefluik van grote Nederlandse bedrijven (Linda Duits)

27 02 2015

Het is een populair idee, maar onderzoek weerlegt het blijkt uit deze gastblog van Linda Duits (verscheen eerder op dieponderzoek.nl).

Voorkant rapportJournalisten worden bestookt met persberichten. De angst bestaat dat zij die onder tijdsdruk massaal copypasten. Communicatiewetenschappers Pytrik Schafraad en Roos Spitteler onderzochten voor het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek in hoeverre journalisten dit ‘voorverpakte’ nieuws kritiekloos overnemen. Zij veronderstelden dat nieuwswaarden daarbij een rol spelen: des te meer nieuwswaarde, des te groter de kans dat het persbericht media-aandacht genereert. De resultaten zijn geruststellend.

De onderzoekers selecteerden dertig willekeurige bedrijven uit de Elsevier top 500 en kwamen tot een selectie van 830 persberichten uit 2012. Zij voerden een kwantitatieve inhoudsanalyse uit van evenzoveel nieuwsberichten in acht verschillende landelijke media. Daarnaast interviewden zij zes journalisten om inzicht te krijgen in hun werkwijze.

  • 27% van de persberichten haalde het nieuws;
  • Geen enkel persbericht haalde onbewerkt de krant;
  • Ruim 15% van de nieuwsberichten bevatte inhoudelijk geen enkele aanvullende informatie. Hiervoor is dus geen aanvullende journalistiek voor bedreven.
  • Voor papieren kranten doen journalisten meer hun best: nieuwsberichten zonder inhoudelijk aanvullende informatie staan vaker op nieuwssites. Zestig procent van de berichten op papier betrof verwerking in een geheel eigen productie;
  • Persberichten die controversie bevatten hebben een grotere kans om geselecteerd te worden door journalisten. Dat geldt ook voor berichten waarvan er gedacht wordt dat het beschrevene impact heeft op een significante groep mensen en persberichten met (mogelijk) negatieve gevolgen;
  • Persberichten over financiële prestaties van het bedrijf (en in mindere mate over werknemers of management) hebben ook een grotere kans aandacht te krijgen;

Schafraad en Spitteler concluderen:

Journalisten maken eigen afwegingen bij selectie en verwerking van persberichten op basis van journalistieke waarden. Men hecht relatief weinig waarde aan promotionele persberichten, maar focust op de performance en strategie van de bedrijven en hun rol in de samenleving. Persberichten die sterke of meerdere nieuwsfactoren bevatten hebben meer kans op selectie voor de nieuwsagenda en maken bovendien meer kans te leiden tot grotere investering van journalistiek kapitaal. Dat laatste wordt dus niet ‘verspilt’ aan leuke maar irrelevante evenementjes van bedrijven, of mededelingen over de opening van een nieuwe ijswinkel in de hoofdstad (p. 4).

Een korte samenvatting van het onderzoek staat op De Nieuwe Reporter. Ook het gehele onderzoeksverslag [PDF] is online beschikbaar. 





Persbericht iMinds: Vlaamse kinderen tussen 3 en 10 gamen gemiddeld 40 minuten per dag

26 02 2015

Het staat vandaag in Het Nieuwsblad en ik werd er nog voor gebeld door Q music, dit is het persbericht van iMinds. Lees trouwens ook dit onderzoek over spel bij kinderen de voorbije decennia. Opvallend: het onderzoek gebeurde naar aanleiding van het nieuwe game-platform van Studio 100, wat duidelijk blijkt uit het persbericht.

In het kader van de ontwikkeling van Wanagogo, de digitale speel- en leerwereld van Studio 100, deed de iMinds onderzoeksgroep voor Media en ICT van de UGent uitgebreid onderzoek naar het digitale gamegebruik bij jonge kinderen (tussen 3 en 10 jaar). Een enquête bij 9.815 ouders toont aan dat kinderen binnen die leeftijdscategorie alsmaar meer gamen – gemiddeld 40 minuten per dag. Ouders blijken bovendien nood te hebben aan een gameomgeving waarin ze hun kinderen kunnen ondersteunen.

Oud gedaan, jong geleerd?

Uit het jongste iMinds digiMeter-rapport dat recent werd gelanceerd, blijkt dat 32,5% van de Vlaamse families een vaste of mobiele gameconsole in huis hebben. En ook het aantal tablets (55,8% van de Vlaamse families heeft toegang tot tenminste één tablet) zit in de lift. Daardoor worden games vlotter toegankelijk, ook voor kleine kinderen.

“Desondanks ontbreekt – zelfs op internationaal vlak – diepgaand onderzoek rond het gamegebruik van jonge kinderen,”zegt Trees De Bruyne, projectleider van Wanagogo. “Vandaar dat het onderzoek van MICT in het kader van de ontwikkeling van Wanagogo zo interessant voor ons was.”

Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat 82% van de kinderen tussen 3 en 10 jaar tenminste één keer per week gamet. Van de driejarigen gamet 24% dagelijks en 14% nooit. Het percentage kinderen dat dagelijks gamet, stijgt naarmate ze ouder worden – waarbij 63% van de 10-jarigen dagelijks gamet.

Gemiddeld spelen kinderen zo’n 40 minuten per dag en dit neemt toe met de leeftijd, van 21 minuten per dag bij de jongste kinderen tot 74 minuten per dag bij de oudsten. Bovendien gamen jongens gemiddeld langer dan meisjes, net als kinderen van laagopgeleide ouders en die uit grote gezinnen.

Gamegebruik in goede banen leiden

Wat ouders doen om het gamegebruik van hun kinderen in goede banen te leiden, wordt ouderlijk mediëren genoemd. Ouders kunnen regels aan hun kind opleggen over de inhoud van games en de speelduur. Ze kunnen ook de inhoud van games met het kind bespreken en evalueren, of gewoonweg samenspelen met het kind en het bijstaan met raad en daad.

“Uit ons onderzoek blijkt dat ouders vooral bezig zijn met het in de gaten houden van welke games het kind speelt en of ze wel geschikt zijn,” legt Professor Jan Van Looy van iMinds – MICT – UGent uit. “Het actief bediscussiëren van games gebeurt minder. Daarnaast tonen de resultaten ook aan dat laagopgeleide ouders vaker samen gamen met hun kind dan hoogopgeleiden.”

Als ouders het gamegedrag van hun kinderen begeleiden, zij het door regels naar voren te schuiven of door actief te participeren, komt er minder problematisch gamegedrag voor. Bovendien is het erg belangrijk hoe de begeleiding gebeurt. Wanneer ouders hun kind straffen omdat het toch een niet-toegelaten game speelt, zal dit minder effectief zijn dan wanneer ze uitleggen waarom ze een game verbieden. De onderzoeksresultaten tonen immers aan dat een controlerende stijl samenhangt met een grotere kans op problematisch gamegebruik en verzet tegen de opgelegde regels. Bovendien zorgen ouders die eerder op een ondersteunende manier regels over games opleggen er ook voor dat hun kind meer geïnteresseerd blijft in interactie met andere kinderen zoals samen buiten spelen.

Ouders vinden vooral het educatieve aspect van games belangrijk

In tegenstelling tot sommige berichten blijken ouders games eerder onschadelijk en nuttig te vinden.

“Uit deze studie kwam duidelijk naar voren dat ouders het educatieve aspect van games zeer belangrijk vinden,” geeft Trees De Bruyne aan. “Een onderzoeksresultaat waarmee we bij het ontwerpen van Wanagogo rekening hebben gehouden. Via WanagogoBoss, de ouderapp, kunnen ouders de vorderingen van hun kinderen in de 3D-wereld opvolgen en bekijken welke vaardigheden ze tijdens het spelen ontwikkelden.”

“Ouders die een negatievere houding hebben tegenover games zijn meer geneigd om op een controlerende manier op te treden. En dit is net wat zorgt voor negatieve effecten. Ouders die een positiever en genuanceerder beeld hebben over games, gebruiken eerder een ondersteunende stijl. Op die manier kunnen ze hun kind ook op een betere manier begeleiden bij het spelen van digitale games,” besluit Professor Van Looy.

Dit onderzoek werd uitgevoerd in het kader van het iMinds Media ‘RAGASI-project’. De RAGASI-partners onderzochten hoe de kwaliteit van online 3D game-omgevingen voor kinderen gegarandeerd en verbeterd kan worden; er werd daarbij ook heel wat aandacht besteed aan gamegedrag en ouderlijke controle.





Snapchat wil veiliger worden voor jongeren

26 02 2015

Snapchat is tegelijk heel populair, maar nog steeds ook wel wat omstreden. Daar wil het bedrijf nu iets aan doen door het nieuwe Snapchat Safety Center en een nieuwe Snapchat gids voor ouders.

De veiligheidstips voor de (jonge, maar ouder dan 13) gebruikers zijn zo:

  • Be kind and respectful. Be thoughtful about what you Snap and don’t send people things they don’t want to receive.
  • Remember, anyone can take a screenshot of a Snap, or simply use another camera to take a picture of a Snap that appears on their screen.
  • Check your privacy settings to choose who can send you Snaps and view your Stories.
  • If you experience harassment or bullying, block the person and report it to us. Also, check out ConnectSafely’s information on cyberbullying.
  • Keep your password safe. Don’t share your password with other people, applications, or websites. Use a different password for every service you use.
  • Read our Community Guidelines and help your friends follow them as well. If you experience something upsetting, let us know and tell a parent or trusted adult.





Kijktip voor vanavond NPO2: Het afgeleide brein

25 02 2015

Vanavond in de Kennis van Nu een aflevering over multitasken, leren en jongeren (met oa een oude bekende van me Paul Kirschner).

Wat mag je verwachten? (bron)

Ons brein wordt dagelijks overladen met appjes, mailtjes en facebookberichten, informatie waar we ook op moeten reageren. Wat doet dit met ons? De Kennis van Nu neemt een kijkje in het constant geprikkelde en afgeleide brein. Woensdag 25 februari om 19:20 op NPO2.

Digital natives
Presentator Diederik Jekel is zelf van de generatie die superhandig is met mobieltjes en computers, de zogenaamde digital natives. Multitasken is tegenwoordig de normaalste zaak van de wereld. Veel kinderen zitten tijdens het maken van huiswerk ook op sociale media. Ouders maken zich vaak zorgen wat al die afleiding met hen doet.

Slecht in multitasken
Diederik gaat langs bij hoogleraar Niels Taatgen, die onderzoekt wat er in het brein gebeurt als we multitasken. Hij laat zien dat we daar slecht in zijn: als we tegelijkertijd twee taken moeten doen waarbij we informatie moeten verwerken, raken de hersenen overbelast.

Mindere resultaten door social media
Psycholoog Paul Kirschner zag in zijn onderzoek dat studenten die tijdens het studeren vaak op facebook zitten duidelijk slechtere studieresultaten hadden. Hij denkt niet dat er digital natives bestaan. Het feit dat mensen handig zijn met moderne technologie, wil nog niet zeggen dat ze daar ook effectief mee kunnen omgaan.

Het supergefocusede brein
Hoogleraar Cognitieve Neuropsychiatrie Roshan Cools denkt dat onze hersenen zich in de toekomst gaan aanpassen aan de overdaad aan prikkels: ze zullen beter in staat zijn om ongewenste prikkels weg te drukken. Met andere woorden: we zullen een supergefocused brein ontwikkelen. Dat brein zal echter veel minder open staan voor nieuwe informatie en minder flexibel en creatief worden.

Dat we kunnen multitasken is een illusie. Als we twee dingen tegelijk willen doen, doen we ze allebei maar half. En als we niet uitkijken, wordt ons brein van al dat gemultitask minder flexibel. Als we onze telefoon niet uitzetten, zet ons brein die zelf uit.

Kijk deze avond om 19:20 naar NPO2.





Voor elke bitch op Tinder, zijn er 1000 fatsoenlijke mannen (Linda Duits)

20 02 2015

Deze blogpost verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

TinderAls je op zoek bent naar een heteropartner maar het lukt niet, is het verleidelijk de andere sekse de schuld te geven. Mannen zijn klootzakken, verzuchten heterovrouwen dan. Er zijn plekken waar je kunt lezen hoe vreselijk het allemaal is in datingland, zoals Bye Felipe – een Instagram-account dat berichten van mannen verzamelt die naar doen op Tinder. Dit versterkt het idee dat mannen klootzakken zijn. Maar is dat wel zo? Gaat het niet om een selectieve lezing?

De Amerikaanse blogger Karen Cheng besloot een proef te doen. Ze maakte een fake-account aan met foto’s van een vriendin, een knappe, blonde vrouw. Vervolgens schreef ze een bot-script dat willekeurig duizend mannen in San Francisco en duizend in New York ‘naar rechts swipete’, wat op Tinder betekent dat je aangeeft interesse te hebben in die persoon. Meer dan de helft van de steekproef stuurde vervolgens ‘Lisa’ een bericht.

Het account gaf daarna niet thuis, om zo te testen of de mannen vijandig werden. Dat bleek niet te zo te zijn. Er zaten wat slechte pickup-lines tussen, maar nul mannen gingen schelden. Sterker nog, in veel reacties stond hoe mooi ze was. Mannen deden moeite om geïnteresseerde vragen te stellen.

woorden ontvangen

Cheng besluit haar verslag van de proef met een antwoord op de vraag waarom we dan toch zo vaak negatieve verhalen horen:

It’s like shark attacks. We hear about them in the news every summer, but only 5 people a year die of shark attacks. It’s the negative stories that get all the attention. Stories about men being decent and polite just aren’t as interesting as the stories of men being jerks. But here it is. Evidence that the vast majority of guys are actually pretty decent. For every asshole, there are a thousand invisible gentlemen.

Het roept de vraag op of het niet klootzakkerig van Cheng zelf was om dit experiment te doen. Uit de blogpost valt niet op te maken of de mannen ooit een berichtje hebben gekregen dat het niet echt was. De proef was oorspronkelijk bedoeld om uit te vinden of ‘Lisa’ minder matches zou krijgen als erbij stond dat ze directeur van een bedrijf was (onder de hypothese dat succesvolle vrouwen afschrikken). Ook dat bleek niet zo te zijn.





Niemand klikt op je twitter-linkjes (Linda Duits)

18 02 2015

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

bedroefde tweetbirdVroeger was Twitter vooral een babbelbox. Het was een gezellige boel en ‘s avonds laat werd het nog gezelliger als sommige mensen wat gedronken hadden en nog vrijer hun gedachtespinsels deden. Twitter groeide, er kwamen steeds meer journalisten en celebrities, en er kwamen gedragsregels. Net als andere sociale netwerken werd Twitter steeds meer gezien als een manier om inhoud te delen – om te linken naar plekken elders. Het werd een plek voor traffic. Maar werkt dat eigenlijk wel?

Mensen zijn soms jaloers op mijn redelijk hoge aantal volgers en denken daardoor dat ik ook veel verkeer weet te generen, bijvoorbeeld naar dit blog. Ik weet zelf wel beter: het aantal mensen dat hier komt is een uiterst klein deel van mijn volgers. Dat komt onder andere omdat niet iedereen constant zijn feed leest. Daarom is het verstandig om een belangrijke link meermaals te twitteren. ‘Voor de avondploeg’ zie je dan soms staan. Daarnaast is niet iedereen geïnteresseerd in mijn schrijfsels; sommige mensen volgen me alleen voor de StarWars-plaatjes.

Gisteren verscheen er op The Atlantic een stuk waarin redacteur Derek Thompson zijn eigen kliksucces analyseert. Thompson heeft zo’n 27.600 volgers. Een recente tweet van hem met een link naar een van zijn artikelen had 155.260 impressies gegenereerd – het was meer dan duizend keer geretweet. Toch viel het bereik tegen. Slechts één procent van al die mensen die zijn tweet zagen, klikte op het linkje. Thompson was zwaar teleurgesteld. Hij overpeinst:

Is the social web just a matrix of empty shares, of hollow generosity? As Chartbeat CEO Tony Haile once said (on Twitter), there is “effectively no correlation between social shares and people actually reading.”> People read without sharing, but just as often, perhaps, they share without reading.

Thompson moppert dat de tweets die hij verstuurt vooral ten voordele van Twitter komen. Dat is nogal overdreven: ook als je volgers niet op je linkjes klikken, nemen ze kennis van alle geweldige dingen die je doet. Zijn boodschap is evenwel belangrijk voor de mensen die Twitter instrumenteel benaderen: je komt dan bedrogen uit. Om het nog erger te maken: Medium geeft je naast het aantal views van je artikel ook het percentage mensen dat het heeft gelezen. Bij mijn eerste en vooralsnog enige stuk ging dat om 39 procent.

Uiteraard ben ik zelf ook even gaan neuzen in mijn analytics (u kunt uw eigen hier bekijken). Gelukkig heb ik soms tweets waarop wel vijf procent van de mensen die de tweet ziet, klikt. Daar zit misschien een lesje in voor Thompson: uiteindelijk draait het om de kwaliteit van je volgers.

Noot: overigens doet Twitter het nog altijd beter dan Facebook. Zie wat we daar eerder over schreven





Voor of tegen? 10 reacties op strijdkreet nieuwe alliantie: ‘Stop ongezonde kindermarketing’

17 02 2015

Deze post van Dennis Hoogervorst verscheen eerder op Kids en Jongeren Marketing, ook Linda Duits schreef er trouwens over.

Afgelopen weken besteedde Teun van de Keuken in het onderzoeksjournalistieke NRCV-programma De Monitor aandacht aan ‘dikke kinderen’. Het antwoord op de schuldvraag wees – niet voor het eerst – al snel in de richting van kidsmarketing door de voedingsindustrie. Nu dit onderwerp weer eens in de schijnwerpers staat, ziet een aantal bekende organisaties en wetenschappers dit als een kans op door te pakken: zij bundelen hun krachten in de Alliantie Stop kindermarketing ongezonde voeding* en pleiten voor wettelijke maatregelen.

De Alliantie dringt aan op wetgeving om de op kinderen gerichte marketing van ongezonde voedingsmiddelen aan banden te leggen, omdat zelfregulering van de zijde van de voedingsindustrie onvoldoende resultaat zou opleveren om kinderen echt te beschermen. Het standpunt: “Wij vinden dat ieder kind het recht heeft om op te groeien in een gezonde omgeving, waarbij een gezond voedingspatroon de norm is.” Daarom moeten heldere voedingscriteria opgesteld worden: “Marketing gericht op kinderen mag uitsluitend voor voedingsmiddelen die een positief effect hebben op de gezondheid.” Het gebruik van kinderidolen, animatiefiguren, winacties, spaaracties, prijsvragen, spelletjes en dergelijke, zouden alleen nog mogen worden ingezet voor de voorkeursproducten van de Richtlijnen Voedselkeuze van het Voedingscentrum.

Het al lang lopende debat over dit onderwerp wordt dus weer flink aangewakkerd. Ik wil hier zelf binnenkort ook weer een wat uitgebreidere bijdrage aan leveren (eerder schreef ik in dit kader al eens: het begint bij het aanbod, niet bij de promotie ervan), maar voor nu houd ik het bij de reacties op bovenstaande ontwikkeling van tien anderen:

  • “De oproep die onder andere de Consumentenbond doet in het tv-programma De Monitor is mosterd na de maaltijd. Sinds 2010 hebben levensmiddelenfabrikanten reclame gericht op kinderen jonger dan 13 jaar al verregaand beperkt.” [persreactie FNLI]
  • “Het gaat om de fundamentele vraag: vinden we het juist dat kinderen als consumenten worden aangesproken met marketing? Als het antwoord daarop nee is, dan is weerbaar maken een omslachtige oplossing. Een verbod is duidelijk en effectief. Als het antwoord ja is, dan is zelfregulering niet nodig. Bedrijven ontwijken deze vraag uit angst voor wetgeving, meent Duits. ‘Tegelijk dragen ze wel reclamewijsheid als een oplossing aan. Dat is hypocriet en inconsistent.” [sociaalwetenschapper Linda Duits op Adformatie.nl]
  • “In mijn ogen is er niks mis met af en toe ongezond gedrag als dit maar met mate gedaan wordt en geen gewoonte wordt. Laten we nou eens die ouders en kinderen gaan ondersteunen die hier moeite mee hebben. (…) Laten we onze krachten bundelen en samen de wereld een beetje mooier en gezonder maken en het meerkoppige monster van obesitas samen verslaan.” [jongerenspecialist Angela Weghorst van TwinQ]
  • “Het is bizar waar allemaal suiker in zit, juist in zogenaamde ‘gezonde’ producten zoals brood etc. #lastig” [jeugdonderzoeker Paulien Kreutzer op Twitter]
  • “De Coca Cola’s van deze wereld zijn nu eenmaal heel erg goed in het verkopen van de eigen waar en hebben daar meer financiële middelen voor tot hun beschikking dan de gezonde voedingsindustrie.” [Lars Ykema op Issuemakers.nl]
  • “Prima actie tegen kidsmarketing bij #demonitor en wat een slap verhaal van de industrie als zou reclame ‘gering effect’ hebben.” [Kamerlid Jasper van Dijk (SP) op Twitter]
  • “Verbod op kidsmarketing?!? Nee ouders -> Zeg gewoon eens nee!!” [Fiona Citroen op Twitter, verwijzend naar FAB]
  • “Hoe werkt verbod op kidsmarketing in de praktijk? McDonald’s-restaurants onherkenbaar, zodat kinderen niet meer zeuren om daar te eten?” [journalist Jaap de Jong op Twitter]
  • “Op onze site stond vandaag de stelling: reclames voor ongezond eten moeten verboden worden. Maar daar zijn de meeste stemmers het niet mee eens.” [presentatrice Lysette van Geel in het Jeugdjournaal]
  • “Dus omdat ouders niet goed opvoeden, moeten marketingregels voor kinderproducten aangepast worden? Wie is het kind dan in dezen?” [actrice Carine Crutzen op Twitter]

De meningen lopen uiteen en maken duidelijk dat het een uiterst lastige kwestie is. De discussie zal dus nog wel even voortduren, en niet onterecht: dit onderwerp verdient nuance.

*De ‘Alliantie Stop kindermarketing ongezonde voeding’ is in februari 2015 opgericht en bestaat uit Consumentenbond, Diabetes Fonds, Foodwatch, Hartstichting, Nederlandse Associatie voor de Studie van Obesitas, Nederlandse Obesitas Vereniging, Nederlandse Vereniging van Diëtisten, Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde, Wereld Kanker Onderzoek Fonds en wetenschappers van Kinder Obesitas Centrum Heideheuvel, de Universiteit Maastricht en de Vrije Universiteit. Via de website stopkindermarketing.nl en in een ‘position paper’ (pdf) wordt meer uitleg over het initiatief gedeeld.





Facebook-legacy: wat met je account na je dood?

16 02 2015

Ik heb ondertussen zelf ook mensen in mijn tijdlijn die er ondertussen niet meer zijn. Het kan dan best pijnlijk zijn als er toch gelukkige verjaardagwensen opduiken van verre kennissen. Jed Brubaker schreef een doctoraat over sociale netwerken en de dood, en zijn werk inspireerde Facebook voor een nieuwe ‘afterlife’-optie.

Voorlopig enkel in de VS, krijg je nu de optie om een ‘legacy-contact’ aan te geven: dit is een persoon die je account kan beheren nadat je overleden bent.

Deze persoon kan dan een ‘in memoriam’ plaatsen, reageren op condoleanties,… maar ook het hele profiel downloaden voor herinneringen. Naast de naam van de overledene kan dan ‘remembering…’ komen, waardoor de gebruikers zien dat de persoon overleden is.





Een videogids over Ask.fm voor ouders

16 02 2015

Via @JustineP vond ik deze (Engelstalige) videogids over Ask.fm voor ouders:





Persbericht UVA: Sexy selfie jongeren van invloed op seksueel gedrag en zelfbeeld

6 02 2015

Volgende week verdedigt Annemarie van Oosten haar promotieonderzoek, dit persbericht van de UVA licht al een grote tip van de sluier op:

De seksuele inhoud die jongeren zelf produceren op sociale media lijkt vooral invloed te hebben op het seksuele gedrag en het seksuele zelfbeeld van jongeren en niet op hun stereotiepe seksuele opvattingen. Dit is een van de bevindingen in het promotieonderzoek van Annemarie van Oosten. Van Oosten promoveert op dinsdag 10 februari aan de Universiteit van Amsterdam.De media waarmee jongeren opgroeien, zijn steeds meer doordrenkt met seksuele beelden. Naakt en seksueel suggestief materiaal zijn tegenwoordig vrij gangbaar in films, tv-series en muziekclips. Daarnaast is met de opkomst van het internet pornografie toegankelijker geworden voor jongeren. Vanuit de maatschappij zijn er bezorgde geluiden over het gebrek aan realisme waarmee de media seksualiteit tentoonspreiden. Ook zouden jongeren nog niet goed in staat zijn om onrealistische en stereotiepe seksuele inhoud in perspectief te plaatsen. Het aantal studies naar de effecten van seksuele media op de seksuele opvattingen en het seksuele gedrag van jongeren groeit. Er is echter nog weinig bekend over het effect van de seksuele inhoud die jongeren zelf op sociale media produceren, of over wat jongeren kwetsbaar maakt voor de effecten van ‘seksuele media’. Van Oosten onderzocht daarom de effecten van zowel professioneel geproduceerde seksuele inhoud, als de door jongeren zelf op sociale media geproduceerde seksuele inhoud.  Daarnaast bestudeerde ze of de manier waarop jongeren reageren op seksuele inhoud afhangt van hoe zij denken dat jongens en meisjes zich horen te gedragen als het op seks en relaties aankomt.Opvattingen en identiteit

Onder jongeren tussen de 13 en 17 jaar vond Van Oosten dat de door de jongeren zelf gegenereerde seksuele inhoud niet per se dezelfde effecten heeft als meer traditionele seksuele media-inhoud. Zo blijkt dat blootstelling aan sexy bedoelde zelfpresentatie van online-vrienden niet tot sterkere stereotiepe seksuele opvattingen leidt, wat vaak wel het geval is bij blootstelling aan meer traditionele seksuele media-inhoud. De seksuele inhoud op sociale media lijkt echter wel het seksuele gedrag van jongeren te voorspellen. Hiermee lijkt het de boodschap van andere seksuele media, dat seks een belangrijk onderdeel is van het leven van jongeren, te bevestigen. Ook zorgt sexy zelfpresentatie door de jongeren zelf ervoor dat sexy willen zijn een belangrijker aspect van hun identiteit wordt. De effecten van seksuele media-inhoud gelden niet voor alle jongeren even sterk. Of en op welke manier zij beïnvloed worden hangt af van de mate waarin de seksuele inhoud strookt met de opvattingen die jongeren al hebben over seks en met hun ervaringen in het dagelijks leven, Van Oosten laat zien dat individuele verschillen in genderrol-oriëntatie een belangrijke rol spelen in hoe jongeren – en vooral meisjes – reageren op seksueel materiaal en van invloed zijn op de mate waarin ze in staat zijn seksuele media-inhoud in perspectief te zien.








Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 7.037 andere volgers

%d bloggers op de volgende wijze: