Audio als nieuwe hype (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Radio is een hardnekkig medium. Ondanks de komst van cassettebandjes (waar je makkelijk je eigenlijk playlist op maakte) en cd’s bleven mensen naar de radio luisteren. Soms weet je gewoon niet in welke muziek je zin hebt en dan is het fijn om een radiostation voor jou te laten kiezen. Bovendien vinden veel mensen het prettig om naar pratende mensen te luisteren, of dat nou geinende dj’s zijn of serieuze journalisten en hun gasten. Technologie speelt ook een rol: in de auto luister je, en ondanks ontwikkelingen als cd-wisselaars bleef radio de makkelijkste audio voor in de auto.

Audio is volgens internetondernemer Alexander Klöpping “op dit moment Heel Erg Hot”. Hij schrijft dat ter aankondiging van Blendle Audio, een dienst waar je naar voorgelezen nieuwsberichten kunt luisteren. Klöpping noemt drie redenen, waarvan er een verbonden is aan de luisterpraktijk in de auto:

“Steeds meer auto’s hebben Apple CarPlay of Android Auto. Die software maakt het normaler om in de auto zelf zelf muziek of podcasts te kiezen, in plaats van naar lineaire radio te luisteren.”

Daarnaast voorspelt Klöpping dat steeds meer mensen thuis slimme speakers (zoals Alexa van Amazon) zullen hebben. Ook dat maakt het luisteren naar audio-on-demand makkelijker. De laatste reden dat audio zo hot is, is de opmars van podcasts. Klöpping stelt (zonder bron) dat vijftien procent van de Amerikanen wekelijks naar een podcast luistert.

Radiozenders moeten de komst van CarPlay en Android Audio niet te onderschatten. Internet in de auto bedreigt het ouderwetse lineaire luisteren. De trend die bij televisie is ingezet, zal zich hierdoor ook bij radio gaan voordoen. Net zoals het fijner is om een serie via Netflix te kijken wanneer jij dat wilt, is het fijner om een podcast naar keuze te luisteren dan om afhankelijk te zijn van wie radiomakers in de studio hebben. Bovendien gaan podcasts echt de diepte in en word je niet gestoord door een muziekje omdat een zendermanager dat zo bedacht heeft.

Overigens zal deze ontwikkeling tamelijk langzaam gaan, omdat veel mensen in oude auto’s rijden waarin dit nog niet ingebouwd is. Live radio zal ook niet helemaal verdwijnen, net zoals dat er behoefte blijft aan live televisie. Sportwedstrijden en nieuws werken niet on-demand. Televisieproducenten maken ook gebruik van liveness om kijkers lineair aan zich te blijven binden, denk aan programma’s als The Voice. De nadruk op actualiteit is een sterk pluspunt van lineaire radio.

BNR heeft de ontwikkelingen goed in het vizier. De nieuwszender heeft een eigen Expert Podcast Netwerk waarmee ze bestaande, onafhankelijke podcasts aanbieden aan hun luisteraars. Onder Mediadoctoren is daar een van. Ook bij de publieke zenders willen ze de podcastboot niet missen: verschillende radioprogramma’s zijn via iTunes terug te luisteren. Dat wordt nu echter vooral nog als extra dienst gezien, in plaats van als de toekomst.

Toekomstige historici gaan ons internet niet snappen (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Weet je nog hoe Facebook was toen je er net op zat? Ik heb zelf in 2008 mijn profiel aangemaakt en ik weet nog dat de ervaring heel anders was (er was bijvoorbeeld geen newsfeed en iets dat ‘superwall’ heette) maar ik kan me er al nauwelijks iets meer van herinneren. Er zijn screenshots te vinden van de lay-out, maar niet van míjn lay-out. Bovendien verandert Facebook voortdurend. In tegenstelling tot oude software is het kenmerkend voor web 2.0 dat web-based-programma’s geen versies kennen. Momenteel gebruik ik versie 63.0.3239.84 van Chrome, maar ik heb geen idee in welke versie Google zit, of YouTube.

Nooit gelijk
Alexis Madrigal schreef voor The Atlantic een artikel over de problemen met het archiveren van ons internet. Met de komst van sociale media dachten we dat ons alledaagse leven op ongekende manier vastgelegd werd en zo toegankelijk zou zijn voor later. Twitter heeft bijvoorbeeld in 2010 alle tweets ter beschikking gesteld aan de Library of Congress. Dit archief is nog steeds niet toegankelijk voor onderzoekers. Groot struikelblok is de omvang de data: zoeken duurt heel lang want het archief is ontzettend groot. Daarnaast is er een probleem van hoe sociale netwerken werken: personalisatie op basis van ondoorzichtige algoritmes:

“Every major social-networking service uses opaque algorithms to shape what data people see. Why does Facebook show you this story and not that one? No one knows, possibly not even the company’s engineers. Outsiders know basically nothing about the specific choices these algorithms make. Journalists and scholars have built up some inferences about the general features of these systems, but our understanding is severely limited. So, even if the [Library of Congres] has the database of tweets, they still wouldn’t have Twitter.”

Hoe een applicatie functioneert, is niet te archiveren. Er zijn drie algemene problemen in het archiveren van webdiensten. De eerste is er het probleem met versies zoals boven beschreven. Ten tweede wordt er ontzettend veel getest en geëxperimenteerd (denk aan A/B-testen) waardoor je nooit twee keer hetzelfde voorgeschoteld krijgt. Ten derde kennen zulke netwerken hoge aantallen input en complexe interactie tussen verschillende inputs. Deze grote systemen zijn daardoor moeilijk te begrijpen.

Middeleeuwen
Madrigal gaat zo ver als te stellen dat onze tijd net zo ondoorzichtig voor toekomstige analyse kan worden als de middeleeuwen:

“The world as we experience it seems to be growing more opaque. More of life now takes place on digital platforms that are different for everyone, closed to inspection, and massively technically complex. What we don’t know now about our current experience will resound through time in historians of the future knowing less, too. Maybe this era will be a new dark age, as resistant to analysis then as it has become now.”

Een mogelijkheid is het vastleggen van verschillende individuele ervaringen. Ik zou bijvoorbeeld mijn eigen Facebookgebruik op verschillende momenten kunnen opnemen. Het is dan cruciaal om dat te doen bij zo divers mogelijke groep mensen. Probleem is nog steeds dat toekomstige historici dan geen idee hebben wat er zich onder de motorkap van Facebook afspeelde, met name vanwege het gebrek aan transparantie dat zulke grote techbedrijven kenmerkt.

Een andere optie is het allemaal niet zo erg vinden. Toen de telefoon opkwam, verwachtte niemand dat persoonlijke gesprekken gearchiveerd zouden worden. Misschien moeten we gewoon onze verwachtingen bijstellen:

“So, maybe our times are not so different from previous eras. … For a while it seemed exciting and smart to archive everything that happened online because it seemed possible. But now that it might not actually be possible, maybe that’s okay. “Is it terrible that not everything that happens right now will be remembered forever?” Seaver said. “Yeah, that’s crappy, but it’s historically quite the norm.””

Klikkende kids en rappende vloggers: YouTube zet muziek-poortwachters buiten spel (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Vroeger moesten platenmaatschappijen met singletjes bij de radio leuren. In de goede oude tijd hadden dj’s nog macht, later werd de keuze iets te draaien op basis van onderzoek door zendercoördinatoren en samenstellers gemaakt. Uiteraard was er altijd al kritiek, want die poortwachters hadden veel macht en de hoeveelheid airplay bepaalde voor het merendeel het succes van een plaat. Recentelijk ging die kritiek in Nederland over hiphop. Muziekjournalist Atze de Vrieze hekelde in januari 2015 op 3 voor 12 het gebrek aan hiphop op 3FM. Die discussie was ook toen niet nieuw, maar eindelijk kon met data aangetoond worden dat rappers wel degelijk populair waren onder het Nederlandse publiek. 3FM wilde er gewoon niet aan.

De Vrieze baseerde zijn argumentatie op YouTube. Als Ronnie Flex daar vijf miljoen keer wordt bekeken, maar nauwelijks wordt gedraaid op de radio dan klopt er iets niet. Hij had gelijk. De populariteit van YouTube onder jongeren is ondertussen alleen maar gestegen. Slimme platenmaatschappijen richten zich daarom tegenwoordig bijna volledig op streaming, zo schrijft Saul van Stapele in NRC Handelsblad. Ze hebben reguliere media niet meer – of veel minder – nodig. Daarbij is er een vruchtbare uitwisseling tussen vloggers en rappers:

“[E]en toenemend aantal populaire vloggers is actief in de muziekscene, zoals YouTube-succesnummers Supergaande (466.000 abonnees), StukTV (1,6 miljoen), Teske de Schepper (332.000) en MeisjeDjamilla (798.000). Vaak deden ze al eerder iets in de muziek, maar het was hun vlogsucces dat hen een platform opleverde voor hun muzikale aspiraties.”

Hierbij wordt wel heel makkelijk gesproken over het YouTube-publiek als een generatie. Net als alle andere publieken is dat geenszins een homogene groep, maar zijn er uiteenlopende kijkers en klikkers. Zo zijn vloggers ontzettend populair onder kinderen vanaf een jaar of 6. Dat is geen leeftijdsgroep die je over één kam wil scheren met hippe pubers aan het einde van hun tienertijd.

Desalniettemin is de verschuiving die Van Stapele signaleert relevant:

“De popsterren van een nieuwe generatie bereiken eerst online hun publiek; pas dan volgen de traditionele media. Volgens een trendrapport van Google had Top Notch-artiest Ronnie Flex (577.000 instagramvolgers) al in 2014 met single Zusje de meest gestreamde clip van een Nederlandse popartiest op YouTube. Pas een jaar later brak hij door naar de massamedia met met nummer 1-hit Drank & Drugs. Rapper en vlogger Boef (466.000 YouTube-abonnees) bereikte zijn succes (zijn album en single Habiba kwamen dit jaar op 1 binnen in de hitlijsten) zonder dat daar veel reguliere media aan te pas kwamen.”

De achterban van deze artiesten zit op YouTube, niet voor de buis. De macht die radio en vroeger hadden, zorgde ervoor dat het commercieelste nummer een clip kreeg. Nu worden er – zo zegt Top-Notch eigenaar De Koning in NRC – “veel rauwere, artistiek interessantere dingen” gemaakt. Daarbij is er dus macht verschoven naar YouTube, een platform dat zeer weinig van haar verdiensten teruggeeft aan de makers. De Koning is daar echter helder over:

“Dat klopt allemaal maar hadden [belangenbehartigers van de platenindustrie] deze kritiek ook op MTV? Daar maakten wij clips voor, waar zij commercials omheen uitzonden zonder voor die content te betalen. Nu komt er in elk geval iets terug. Ik zie Google (eigenaar van YouTube) niet als ‘redder’ en vindt ook dat ze meer zouden moeten betalen. Maar wij moeten zijn waar de fans zijn. En die zitten op YouTube.”

De lage betalingen zijn inderdaad problematisch, maar het grote voordeel van YouTube is de meer democratische aard. Geen poortwachtmacht meer van individuele samenstellers (meestal witte heteromannen), maar toegang voor iedereen. De vraag die daarbij nog open ligt is er een van algoritmen: welke content wordt door YouTube gepusht en waarom?

Tips voor academici: hoe schrijf je voor het brede publiek? (Linda Duits)

Deze blogpost verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

In de meest recente editie van Political Communication verscheen een kort stuk [betaalmuur] van Edward Burmila met tips voor politicologen die graag voor een breder publiek willen schrijven. Uiteraard zijn die adviezen ook relevant voor andere academici die hun inzichten willen delen met meer mensen dan hun collega’s. Allereerst het waarom: gelezen worden is prettig. Je hebt impact en je kennis doet ertoe.

1. Oefen
Bloggen is een ouderwetse term aan het worden, maar academici doen er goed aan een bij te houden. Een blog helpt met ervaring opdoen met een niet-academische manier van schrijven: snel, bondig en toegankelijk. Het helpt daarbij als je een idee hebt van je denkbeeldige publiek (hier bij Diep is dat: iemand werkzaam met jongeren of in de media, met een academische opleiding). Bouw een routine op (bijvoorbeeld elke dag) en verwacht niet te veel: een blog is een middel, geen doel op zichzelf.

2. Ga uitdagingen te lijf
Er is een groot verschil tussen schrijven voor peer-reviewed journals en het bredere publiek. Je hebt veel minder tijd, wat je schrijft moet aandacht trekken en je publiek wil niet veel moeite doen om je te begrijpen, en het redactionele proces ziet er anders uit. Deadlines verschillen sterk – mijn eigen advies is daarbij dat je er zo vroeg mogelijk bij moet zijn. Opiniepagina’s plannen vaak meerdere weken vooruit, al is er altijd ruimte voor een hyper-actueel stuk. Burmila schrijft:

“This is where blogging proves its worth. I’ve hardly generated Earth-shattering insights via blogging, but after a decade of regularly updating it with about 500 words per day I have reached a point as a writer at which I can produce a quality first draft of an opinion/commentary piece around 800 words in under an hour (unless substantial research is required). This is not a business in which dragging one’s feet is a good idea. There are plenty of writers out there, and if you cannot work quickly it is likely that one of them will scoop your idea.”

Het is vaak beter om een stuk eerst te pitchen, in plaats van al helemaal te schrijven. Onthoud: ook die pitch moet bondig en aantrekkelijk zijn.

3. Breng variatie aan
Begin met regelmatig schrijven voor je eigen voldoening. Oefen met pitches en vraag deskundigen uit de media om advies. Denk niet dat je alles al kan:

“One certainty, though, is that trying to get into a popular magazine can be every bit as humbling as submitting to American Political Science Review(APSR). The writing styles are very different, and you’re likely to find out that you’re not as good a writer as you think at first. But this is a skill worth pursuing for faculty in an era in which our worth is regularly called into question.”

4. Lees geen comments
Het maakt niet uit voor welke titel je schrijft: lees de reacties eronder niet. Burmila zegt daarover (en ik ben dat met hem eens):

“They will range from bizarre to threatening to inane. Even if your writing is brilliant, it is still the Internet.”

Diep verzorgt al jaren workshops populair schrijven voor academici aan, op maat gemaakt. Neem contact op voor meer info. 

Vooral mannen zijn slachtoffer van doxing (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Doxing (of doxxing) betekent het online zetten van iemands privégegevens. Het is een eng idee dat iemand je telefoonnummer of adresgegevens publiceert, zodat kwaadwillenden je ook offline lastig kunnen vallen of identiteitsfraude kunnen plegen. In een recente studie [volledige toegang] is kwantitatief onderzocht wie slachtoffer van doxing worden en wie de daders zijn. De onderzoekers hopen met hun lopende onderzoek bij te dragen aan tools die slachtoffers beschermen.

NB: het betreft een paper dat in november op een conferentie is gepresenteerd en dus nog niet peer-reviewed is.

De onderzoekers verzamelden 1.737.887 posts van de sites pastebin.com, 4chan.org en 8ch.net, sites waarop regelmatig gedoxt wordt. Ze schreven software die hielp herkennen welke bestanden dox-bestanden betroffen, dat waren er in totaal 5.530. Daarvan werden er 464 met de hand gecodeerd.

Kenmerken van slachtoffers

  • De leeftijd ligt tussen de 10 en 74 jaar, met een gemiddelde leeftijd van 21,7;
  • Het zijn vooral mannen: 82,2%;
  • Bijna tweederde woont in de VS;
  • De gegevens die meestal openbaar gemaakt worden zijn de geboortedatum, de echte naam en NAW-gegevens. Daarnaast werd vaak informatie ingesloten over familieleden.
  • Minder vaak worden ook schoolnaam, gebruikersnaam, internetprovider, IP-adres, wachtwoorden, uiterlijke kenmerken, BSN-nummer, creditcardinformatie of andere financiele gegevens bekend gemaakt.

De slachtofferkenmerken zouden te maken kunnen hebben met de selectie van sites.

Motivaties van daders

In ongeveer een vijfde van de gevallen kon afgeleid worden waarom een persoon gedoxt werd. ‘Rechtvaardigheid’ werd daarbij het meest genoemd (14,7% van doxes waarbij een motivatie was gegeven). Het ging dan bijvoorbeeld om mensen die anderen hadden gescamd. Daarnaast kwam wraak het meeste voor (11,2%): omdat iemand een partner had ‘gestolen’ of omdat iemand een aandachtshoer was geweest. Veel minder vaak werd politiek genoemd (1,1%), bijvoorbeeld het ousten van leden van de Ku Klux Klan.

Waarom beginnen zoveel liedjes vandaag met een sample? (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl, wil je muziek steunen op Spotify waar ik aan meewerkte, check de nieuwe single van Willemsson hier, de nieuwe plaat van Aleksandra & The Belgian Sweets hier of onze eigen plaat van Blue and Broke hier.

Wat is een stream? Hoe lang moet iemand naar iets hebben gekeken of geluisterd voordat het telt? Bij Spotify is dat 30 seconden. Dan wordt het gezien als een play en dan krijgt de artiest betaald. Dat klinkt tamelijk kort in mijn oren – als je vroeger in de platenzaak een single beluisterde en hem na 30 seconden afzette, was dat zeker geen aankoop – maar dat is natuurlijk een kwestie van definitie belangen.

Slimme makers maken daar gebruik van. De Amerikaanse band Vulfpeck gebruikte de 30-secondenregel om geld in te zamelen voor een tour. Ze maakten een album met tien tracks van net iets meer dan 30 seconden, waarop niets anders dan stilte te horen was. Spotify haalde het album uiteindelijk offline, toen de teller op $20.000 stond. Artiesten roepen hun fans op om nieuwe tracks zo vaak mogelijk >30 seconden te draaien. Er is zelfs een speciale tool die nummers in een loop zet, zodat fans terwijl ze slapen ervoor kunnen zorgen dat hun idolen geld verdienen.

Haro Kraak schreef recentelijk in de Volkskrant over hoe deze regel ook de muziek zelf verandert:

“Hoe dat gebeurt? [Muziekproducent] De Wert somt een aantal zaken op: lagere tempo’s, intro’s zonder beat (om luisteraars irritatievrij een liedje in te trekken), refreintjes die eerder in het liedje komen, kortere liedjes en dancetracks met een typische popstructuur.”

Dat gaat over het hele nummer, maar je moet dus vooral (alleen?) zorgen dat de eerste 30 seconden worden gehaald. De managing director van Sony Music Benelux Toon Martens zegt dat alle ‘catchy’ elementen daarin moeten zitten. En wat is het meest catchy: herkenbaarheid. Kraak schrijft daarom:

“Het zou de reden kunnen zijn dat veel liedjes met een bekende sample starten. De nieuwste single van popster Katy Perry, Swish Swish, begint met een sample van Fatboy Slim (‘They know what is what / but they don’t know what is what’), die Fatboy Slim zelf leende van dj Roland Clark. Daarna klinkt een deephousebeat die rechtstreeks uit de nineties komt. ‘Het is schaamteloos en best briljant’, zegt marketingstrateeg David Emery tegen Pitchfork.”

Het stuk gaat daarna in op de mogelijkheid een hit te maken op basis van luisterdata. Gelukkig weten we uit wetenschappelijk onderzoek al dat het onmogelijk is daar een formule voor te formuleren. Popmuziek zal altijd ook om verrassing en originaliteit blijven draaien.

Algoritmen kunnen seksistisch, racistisch en homofoob zijn. Oh, en niet beroerd je te bedreigen met verkrachting

Deze post van Linda Duits verscheen eerst op Dieponderzoek.nl.

In september onthulde nieuwssite ProPublica dat Facebook de mogelijkheid bood antisemieten te targeten met advertenties. Via de zelfbedieningsadvertentie tool, kon je selecteren dat je bericht getoond werd aan mensen die geïnteresseerd zijn in de onderwerpen ‘Jew hater’, ‘How to burn jews’ of ‘History of ‘why jews ruin the world’’. ProPublica probeerde het uit en hun advertenties werden binnen een kwartier goedgekeurd.

Deze advertentiemogelijkheden zijn niet aangezet door een mens, maar gegenereerd door een algoritme. Facebook wist niet dat dit kon en verwijderde nadat ProPublica hen had geïnformeerd dat deze mogelijkheden bestonden. Gevalletje oepsie.

Reproductie van vooroordelen
Het Facebook-antisemitisme incident staat echter niet op zichzelf. Kunstmatige intelligentie is hot en algoritmes kunnen al heel veel. Het probleem daarbij is dat ze gevoed worden door menselijke vooroordelen (zie onze post over homoherkenning op basis van gezichtskenmerken). New Republic schreef erover onder de kop ‘Turns Out Algorithms Are Racist’. Computers leren op basis van het materiaal dat mensen hen geven. Vooroordelen die in die gegevens zitten, worden gereproduceerd door het ‘slimme’ systeem. Als op foto’s vrouwen vaker staan afgebeeld met een stofzuiger, associeert de machine die leert van die foto’s vrouwen met stofzuigers. De artifical intelligence (AI) reproduceert zo seksisme.

Bias in algoritmes is een groot probleem dat nog maar sinds kort erkend wordt. Deze zomer werd het AI Now Initiative opgericht, een onderzoeksclub die zich bezighoudt met sociale en economische gevolgen van kunstmatige intelligentie. Die zijn nu al nauwelijks te overzien. AI maakt al allemaal beslissingen voor ons. Zo bedenkt een algoritme bij Instagram wat voor foto’s hij je laat zien – en kan het dus zomaar zijn dat Instagram je bedreigt met verkrachting (lees het verhaal). Vervelend, maar meer toch niet?

Sociale ongelijkheid is enger dan killer robots
Wel. Algoritmen beslissen nu al wie een lening krijgt, wie uitgenodigd wordt voor een sollicitatiegesprek en wie voorwaardelijk vrijgelaten wordt. Onderzoek laat zien dat gemarginaliseerde groepen, zoals mensen van kleur, verder benadeeld worden door deze systemen. Dat is niets minder dan alarmerend, zo schreef MIT Technology Review gisteren:

“Facebook’s news feed algorithm can certainly shape the public perception of social interactions and even major news events. Other algorithms may already be subtly distorting the kinds of medical care a person receives, or how they get treated in the criminal justice system. This is surely a lot more important than killer robots, at least for now.”

Er spelen twee grote, acute problemen bij de vooroordelen in AI. Allereerst wordt er te zeer gedaan alsof zulke systemen autonoom zijn. Het idee is dat mensen subjectief en feilbaar zijn, maar machines niet. Dat leidt ertoe dat de standaarden waar we mensen aan houden, niet worden toegepast op machines, terwijl we hen wel verregaande beslissingen over mensen laten maken. Het menselijke aspect wordt uit dit proces geschreven. Het tweede probleem is dat de bedrijven die deze technologieën ontwikkelen en verkopen niet geïnteresseerd lijken in het monitoren van vooroordelen in de AIs en daar ook niet transparant over zijn. Dat maakt het opsporen van bias en gevolgen daarvan moeilijker.

New Republic eindigt met een redelijk optimistische noot: sociale netwerken hebben onze onderling relaties expliciet zichtbaar gemaakt. AI lijkt de structuren achter structural bias bloot te leggen. Als we die (h)erkennen, weten we wat we moeten veranderen:

“There are complex material and ideological factors and institutions that shape our lives, and in order to counteract the prejudice contained therein, we first need to recognize that we are in fact shaped and influenced by these bigger systems, and then work against their tendency to reproduce existing power structures. What is clear, however, is that the “intelligence” of AI is the output of our own investments and biases, and it behoves us to build it in a way the recognizes that fact. AI will always reflect its input, and its input is us—our culture, our ideologies, our selves. To make the technology that will enable a more just future, those are what we have to change.”

De actieve betrokkenheid van consultants van Google, Facebook en Twitter bij de Amerikaanse verkiezingen (L. Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Facebook, Twitter en Google waren actief betrokken bij de campagnes van de Democraten en de Republikeinen bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2016. Medewerkers hielpen de partijen met het begrijpen van en wegwijs worden in bepaalde diensten en met het optimaliseren van digitale advertentiestrategieën. Dat ging zelfs zo ver dat communicatiewetenschappers Daniel Kreiss en Shannon Mcgregor spreken van ‘digital consulting’ (p. 3) [abstract]. Zij deden samen met een team veldwerk tijdens de Democratische Nationale Conventie en hielden diepte-interviews met zowel medewerkers van Facebook, Twitter, Google en Microsoft als van de campagnes van Hillary Clinton, Jeb Bush, Mike Huckabee, Marco Rubio, Rand Paul en Bernie Sanders.

Machtsverwachtingen
Kenmerkend voor grote techbedrijven is de asymmetrische machtsrelatie die ze met hun gebruikers hebben, waaronder nieuwsorganisaties en campagnevoerders. Sociale netwerken kunnen hun platforms zomaar veranderen, waardoor gebruikers een andere koers moeten gaan varen om hun publiek te blijven bereiken. Daar staat tegenover dat politieke partijen wel degelijk macht hebben: zij hebben namelijk aanzienlijke budgetten (bij de presidentsverkiezingen zo’n 2 miljard dollar) en, mocht de kandidaat winnen, het vermogen in de toekomst techbedrijven te reguleren. Daarnaast biedt hulp bij campagnes deze bedrijven legitimatie, status en marketingmogelijkheden. Kreiss en Mcgregor verwachtten daarom dat techbedrijven actief meewerken en -denken met campagnemakers en dat ze zich daarbij aanpassen aan de partijlogica van het – specifieke – Amerikaanse systeem.

Faciliteren en onderwijzen
Alle vier de bedrijven zochten naar omzet en naar het verbeteren van de relaties met politici. Ze merkten op dat in 2008 er nauwelijks van hun diensten gebruik gemaakt werd: 2012 was de eerste presidentiële campagne waarbij sociale netwerken een rol van betekenis speelden. Samen zoeken naar manieren waarop een kandidaat verkozen kon worden was een manier om politieke invloed te verkrijgen. Om vertrouwen te bevorderen volgden de bedrijven de partijstructuur: ze stelden partijteams samen van medewerkers die dus of Republikeins of Democratisch waren. Dat betekent dat Microsoft, Google, Twitter en Facebook toen en nu een organisatorische structuur hebben op basis van politieke partijen.

“The thinking was, is that you want to hire people that those folks already trust, that understand that world that they’re coming from, because they used to work in that world and they used to have to do those jobs…. They want somebody who understands how they do politics on their side, understands the background, and in some ways, is one of them. Because there’s always a concern of leaks, and who you’re letting in, and what are they sharing” (p. 8) – Katie Harbath, Facebook (R).

De diensten die de bedrijven aanboden tijdens de conventies verschilden per bedrijf. Bij Microsoft ging het vooral om het bieden van een infrastructuur: backend en analytics data platforms. Facebook, Twitter en Google daarentegen hadden een veel meer actieve rol. Zij hielpen met content en het begrijpen van analytics. Ze boden data aan over de gesprekken die online werden gevoerd, zodat campagnemakers daarop konden reageren.

Achter de scherm: de meest effectieve spotjes maken
Los van de ruimtes die de bedrijven hadden ingericht op de vloer van de conventies, werd er achter de schermen samen gewerkt. Respondenten vertelden hoe Trump zijn relatief kleine campagnestaf compenseerde met medewerkers van techbedrijven. Zij hielpen met het identificeren en vinden van donateurs en zwevende kiezers.

“The Trump model was that they… rented some cheap office space out by the airport, a strip mall, and they said it’s going to be Trump Digital. They had the companies, of the advertising companies, social media companies come down there [San Antonio] and work out of that strip mall. And we did it, Facebook did it, Google did it…. I think they did it for two reasons. One; they found that they were getting solid advice and it worked, and two; it’s cheaper. It’s free labor” (p. 13) – Nu Wexler, Twitter.

Het ging hier om consultants die vanuit techbedrijven actief hielpen met het optimaliseren van campagnes: “build ads that get results”. Beide partijen hadden hier baat bij: de politieke partijen konden meer effectieve campagnes opzetten en de techbedrijven verkochten meer reclame. De onderzoekers stellen dat het hier gaat om subsidie van techbedrijven en denken dat ‘cash-strapped campaigns’ zoals die van Trump hier meer baat bij hebben dan campagnes met veel eigen digitale staf, zoals die van Clinton.

Het ging om een totaalpakket:

“They’re [Facebook] working with a campaign to make sure that they’re taking full advantage of all the tools at their disposal. If Facebook decides they’re going to roll something out, a new tool, they want to make sure that these campaigns know about it because they would love for us to use it because if we’re using it and everyone is paying attention to the election…. I know there were Facebook folks who worked with our team on advertising private stuff. I talked with a guy at Instagram fairly regularly. I’ve talked with some people at Google because Google was rolling out new product features during the campaign and wanted us to use them. Twitter too, a lot of times they were people I would go to when I was troubleshooting or I would run into a problem or I’d have this idea that I’d never seen it done before and I was wondering if it was possible” (p. 14) – Caroline McCain, social media manager van Rubio.

Ze boden resources, communicatie-expertise en probleemoplossing. Er werd nauw samengewerkt aan het ontwikkelen van strategie, waaronder het ontwikkelen van content. Over Google:

“They [Google] give the campaign access to it so the campaign is actually able to produce these cards that are their information… so that people who are sitting on the search page are seeing the most up-to-date information coming from the campaign’s perspective and then, how I would work with the campaign is beforehand telling them, strategizing what issues might be most relevant and what they are going to want to produce ahead of time because it just moves so fast. So if you know that it is the business debate, we know that it is going to be a lot of economy and job issues. You are going to want to be on message for that and you kind of look at the other side of the aisle and you say, “I know this is what you are going to be hit on so you definitely want to have a response from the hopper for that,” and then you probably want some additional, like, depending on what your very base goals or lead generation you want to be getting people’s e-mail addresses and things like that. You will have some of those to fill in during some of the lulls. (emphasis added)” (p. 15) – AliJae Henke, Google (R).

De auteurs noemen deze medewerkers van Facebook, Google en Twitter consultants. Daar waren ze zelf nog niet helemaal uit: er was onderling onduidelijkheid hoe ze hun soort werk moesten noemen. Het is dan ook een schemergebied, niet in de laatste plaats omdat er wetten zijn over campagnebijdragen en hoe dit daarin past.

Implicaties
Het is duidelijk dat hier nog veel werk te doen is binnen politieke-communicatiewetenschap. De overwinning van Trump was onverwacht vanuit traditionele modellen van campagne-effecten, maar is wellicht toe te schrijven aan zijn nauwe samenwerking met techbedrijven. Vooral Facebook speelt daarbij een belanhrijke rol. De auteurs schrijven:

“in a world where Facebook is both the consultant and the distribution channel, campaigns might not need teams of data scientists or even a robust digital campaign staff more generally because they can outsource these things to technology firms themselves. That said, more research is necessary to clearly determine Facebook’s role in President Trump’s victory given his surprisingly thin campaign organization” (p. 19).

Hoe moeten we omgaan met de verschuiving van politieke communicatie naar private, winstgerichte bedrijven? Wat zijn de normatieve, democratische implicaties daarvan? Extra problematisch daarbij is het gebruik aan helderheid over de algoritmes die zulke bedrijven gebruiken. We weten ook niet hoe deze mondiale bedrijven te werk gaan bij verkiezingen in andere landen.

Hoewel de auteurs dit – gek genoeg – niet noemen moeten we niet vergeten dat deze bedrijven expliciet zoeken naar politieke invloed om regulering te voorkomen – regulering die hard nodig is. De recent gelekt Paradise Papers laten zien dat aandelen van deze bedrijven ook in handen zijn van bijvoorbeeld Russische politici. Dit alles schreeuwt om meer transparantie, en dat is nu juist precies waar Facebook, Google en Twitter het grootste gebrek aan hebben.

De bedenker van virtual reality waarschuwt nu voor virtual reality (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Jaron Lanier is een kunstenaar en informaticus en degene aan wie we de term virtual reality hebben te danken. Hij muntte de term en zijn bedrijf verkocht als eerste VR-brillen en -handschoenen. Lanier is pas 57 maar hij heeft toch al zijn memoires geschreven: Dawn of the New Everything: A Journey Through Virtual Reality. Ter gelegenheid van het verschijnen daarvan publiceerde The Guardian een interview met hem. Dat gaat vooral over zijn jeugd, maar ook een beetje over VR en de toekomst. Wellicht weinig verrassend: de bedenker heeft nu zo zijn bedenkingen.

Lanier wijt zijn interesse in kunstmatige werelden aan zijn jeugd. Zijn ouders probeerden ‘off the grid’ te leven en Lanier werd veel gepest. Zijn moeder stierf toen hij nog jong was. Toen hij als twintiger in Silicon Valley aankwam, trof hij daar gelijkgestemden: kinderen van communebewoners en vredesdemonstranten, die geen grenzen zagen aan hun verbeelding of aan hun ego. “Counterculture fed directly into plutocratic tech culture.” Virtual reality zou de deuren van de geest kunnen openen.

Hij gelooft nog steeds in de waarde van VR, vooral als vorm van kunst en bijvoorbeeld bij het behandelen van trauma. Tegelijkertijd waarschuwt hij:

“Virtual worlds can be a part of real life, but this notion that they could be on an equal footing is really abhorrent to me.”

Het is maar de vraag wie denkt dat dat echt zo zou moeten zijn. Lanier waarschuwt daarbij voor algoritmes en de kracht die voorstanders aan hem toeschrijven. Ook voor VR stelt hij dat het belangrijk is dat we blijven nadenken over wat technologie doet:

“My inclination is to say that people should become acquainted enough with what the technology can do so that they are less likely to be fooled by it. If you have learned a little bit of magic, you are less likely to be tricked by a magic show, but you still might enjoy the performance a lot.”

Een overzicht van de gevaren van het internet of things volgens 1200 experts (Linda Duits)

Deze blogpost verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Toen we begonnen met het Diep-blog leek het internet der dingen nog toekomstmuziek, maar inmiddels zijn er al zoveel apparaten online (naar schatting 8,4 miljard dingen) dat we al mogen spreken van realiteit. Auto’s, smart-verwarming en bijvoorbeeld gezondheidstracking-apparaten zijn verbonden met het internet en dat roept vragen op over veiligheid en privacy. Pew Internet ondervroeg zo’n 1200 deskundigen uit wetenschap en praktijk over hun toekomstverwachtingen. Centraal stond de vraag of de kwetsbaarheden die voortkomen uit verbondenheid ertoe zullen leiden dat mensen zullen gaan disconnecten. Daarna kwamen drie follow-up-vragen:

  • Wat is de meest waarschijnlijke soort fysieke of menselijke schade die voort kan komen uit het netwerken van dingen?
  • Hoe kunnen overheden en makers dingen veiliger maken?
  • Is het mogelijk om objecten met elkaar te verbinden zodat ze algemeen veilig blijven?

De antwoorden laten zien dat verbinding onvermijdelijk is volgens deze experts. Daar zitten heel veel risico’s aan en dat gaat ons veel problemen opleveren. De onderzoekers onderscheiden zeven hoofdthema’s in hun analyse.

 1. Mensen snakken naar verbondenheid en gemak
Het is magisch en verslavend. In een complexe wereld vol chaos overwint gemak.

“We have a deep need and desire to connect. Everything in the history of communication technology suggests we will take advantage of every opportunity to connect more richly and deeply. I see no evidence for a reversal of that trend.” – Peter Morville, eigenaar van Semantic Studios

2. ‘Ontpluggen’ wordt alleen maar moeilijker
Het is nu al lastig, in 2026 is het bijkans onmogelijk. Het is zinloos je te verzetten: bedrijven gaan mensen die niet verbonden zijn bestraffen. Bovendien onttrekken veel verbonden dingen zich aan het zicht.

“Despite hacks and privacy issues, people will feel a need to keep connected, partly because companies will reward them for doing so (or make life difficult if they don’t). People will feel resigned to navigating an environment where data are key coins of exchange.” – Joseph Turow, communicatiewetenschapper

3. Risico hoort bij het leven en mensen denken niet dat het worst-case-scenario op hun van toepassing is
Dit wordt optimisme-bias genoemd: het zal allemaal wel goed aan.

“Most people aren’t aware of the complexities of online security and assume it will happen to someone else.” – anoniem

4. Meer mensen zullen verbonden zijn én meer mensen zullen zich terugtrekken

“There will be a statistically significant number of people who will deliberately disconnect to the extent possible, but overall connections will increase. I expect that a premium will begin to come into play for purchasing ‘disconnection’ as a feature for goods/services in the future.” – John Paine, business-analyst

5. De menselijke vindingrijkheid zal wel met een oplossing komen
Een andere variatie op ‘het komt wel goed’. Er zal wetgeving en regulering komen, en de tech-industrie zelf zal met oplossingen komen.

“It feels like an inevitability that some series of high-profile ransomware attacks, e.g., turning off an IoT pacemaker to take out a U.S. senator or CEO, will happen, because human greed is not a force we’re likely to eliminate in the near term. That said, I doubt the backlash against that kind of attack will be disconnection, it’ll be the solidification of security standards and ‘trusted’ brands of devices.” – anoniem

6. Aanzienlijke aantallen mensen zullen disconnecten
Zo’n vijftien procent van de respondenten denkt dit. Het gaat om mensen die de systemen wantrouwen.

“There is a limit to the trust people put into their machines.” – Jesse Drew, mediawetenschapper

7. Kwesties rond civiele vrijheden zullen vergroot worden dankzij de snelle opkomst van het internet der dingen
Er zullen gewelddadige aanvallen komen, sommigen fysiek. Vrij burgerschap is in het geding.

“Connected cities will track where and when people walk, initially to light their way, but eventually to monitor what they do and say.” – Marti Hearst, informatica

Tot slot
Waakzaamheid is dus geboden, maar waken kan alleen gedaan worden door deskundige mensen:

“The only way to effectively prevent against malware and data breaches is to stay continually vigilant. To borrow an analogy from ‘Game of Thrones,’ we need a ‘Night’s Watch’ for security. Because when it comes to the Internet of Things and data breaches, ‘winter is coming.’ Organizations must hire enough knowledgeable staff to monitor and adjust systems, and to empower them to keep pace with hackers. IT and security staff must be willing to educate themselves, to admit when they need help and to demand that executives make decisions proactively.” – Amy Webb, eigenaar Future Today Institute

Hoewel het rapport daar niet over schrijft, hangt veel af van hoe overheden om zullen gaan met nieuwe technologische veranderingen. Dat vraagt om politici met verstand van zaken en om een aanpak op Europees niveau, vooral ook omdat veel techbedrijven supranationaal opereren.