De bedenker van virtual reality waarschuwt nu voor virtual reality (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Jaron Lanier is een kunstenaar en informaticus en degene aan wie we de term virtual reality hebben te danken. Hij muntte de term en zijn bedrijf verkocht als eerste VR-brillen en -handschoenen. Lanier is pas 57 maar hij heeft toch al zijn memoires geschreven: Dawn of the New Everything: A Journey Through Virtual Reality. Ter gelegenheid van het verschijnen daarvan publiceerde The Guardian een interview met hem. Dat gaat vooral over zijn jeugd, maar ook een beetje over VR en de toekomst. Wellicht weinig verrassend: de bedenker heeft nu zo zijn bedenkingen.

Lanier wijt zijn interesse in kunstmatige werelden aan zijn jeugd. Zijn ouders probeerden ‘off the grid’ te leven en Lanier werd veel gepest. Zijn moeder stierf toen hij nog jong was. Toen hij als twintiger in Silicon Valley aankwam, trof hij daar gelijkgestemden: kinderen van communebewoners en vredesdemonstranten, die geen grenzen zagen aan hun verbeelding of aan hun ego. “Counterculture fed directly into plutocratic tech culture.” Virtual reality zou de deuren van de geest kunnen openen.

Hij gelooft nog steeds in de waarde van VR, vooral als vorm van kunst en bijvoorbeeld bij het behandelen van trauma. Tegelijkertijd waarschuwt hij:

“Virtual worlds can be a part of real life, but this notion that they could be on an equal footing is really abhorrent to me.”

Het is maar de vraag wie denkt dat dat echt zo zou moeten zijn. Lanier waarschuwt daarbij voor algoritmes en de kracht die voorstanders aan hem toeschrijven. Ook voor VR stelt hij dat het belangrijk is dat we blijven nadenken over wat technologie doet:

“My inclination is to say that people should become acquainted enough with what the technology can do so that they are less likely to be fooled by it. If you have learned a little bit of magic, you are less likely to be tricked by a magic show, but you still might enjoy the performance a lot.”

Een overzicht van de gevaren van het internet of things volgens 1200 experts (Linda Duits)

Deze blogpost verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Toen we begonnen met het Diep-blog leek het internet der dingen nog toekomstmuziek, maar inmiddels zijn er al zoveel apparaten online (naar schatting 8,4 miljard dingen) dat we al mogen spreken van realiteit. Auto’s, smart-verwarming en bijvoorbeeld gezondheidstracking-apparaten zijn verbonden met het internet en dat roept vragen op over veiligheid en privacy. Pew Internet ondervroeg zo’n 1200 deskundigen uit wetenschap en praktijk over hun toekomstverwachtingen. Centraal stond de vraag of de kwetsbaarheden die voortkomen uit verbondenheid ertoe zullen leiden dat mensen zullen gaan disconnecten. Daarna kwamen drie follow-up-vragen:

  • Wat is de meest waarschijnlijke soort fysieke of menselijke schade die voort kan komen uit het netwerken van dingen?
  • Hoe kunnen overheden en makers dingen veiliger maken?
  • Is het mogelijk om objecten met elkaar te verbinden zodat ze algemeen veilig blijven?

De antwoorden laten zien dat verbinding onvermijdelijk is volgens deze experts. Daar zitten heel veel risico’s aan en dat gaat ons veel problemen opleveren. De onderzoekers onderscheiden zeven hoofdthema’s in hun analyse.

 1. Mensen snakken naar verbondenheid en gemak
Het is magisch en verslavend. In een complexe wereld vol chaos overwint gemak.

“We have a deep need and desire to connect. Everything in the history of communication technology suggests we will take advantage of every opportunity to connect more richly and deeply. I see no evidence for a reversal of that trend.” – Peter Morville, eigenaar van Semantic Studios

2. ‘Ontpluggen’ wordt alleen maar moeilijker
Het is nu al lastig, in 2026 is het bijkans onmogelijk. Het is zinloos je te verzetten: bedrijven gaan mensen die niet verbonden zijn bestraffen. Bovendien onttrekken veel verbonden dingen zich aan het zicht.

“Despite hacks and privacy issues, people will feel a need to keep connected, partly because companies will reward them for doing so (or make life difficult if they don’t). People will feel resigned to navigating an environment where data are key coins of exchange.” – Joseph Turow, communicatiewetenschapper

3. Risico hoort bij het leven en mensen denken niet dat het worst-case-scenario op hun van toepassing is
Dit wordt optimisme-bias genoemd: het zal allemaal wel goed aan.

“Most people aren’t aware of the complexities of online security and assume it will happen to someone else.” – anoniem

4. Meer mensen zullen verbonden zijn én meer mensen zullen zich terugtrekken

“There will be a statistically significant number of people who will deliberately disconnect to the extent possible, but overall connections will increase. I expect that a premium will begin to come into play for purchasing ‘disconnection’ as a feature for goods/services in the future.” – John Paine, business-analyst

5. De menselijke vindingrijkheid zal wel met een oplossing komen
Een andere variatie op ‘het komt wel goed’. Er zal wetgeving en regulering komen, en de tech-industrie zelf zal met oplossingen komen.

“It feels like an inevitability that some series of high-profile ransomware attacks, e.g., turning off an IoT pacemaker to take out a U.S. senator or CEO, will happen, because human greed is not a force we’re likely to eliminate in the near term. That said, I doubt the backlash against that kind of attack will be disconnection, it’ll be the solidification of security standards and ‘trusted’ brands of devices.” – anoniem

6. Aanzienlijke aantallen mensen zullen disconnecten
Zo’n vijftien procent van de respondenten denkt dit. Het gaat om mensen die de systemen wantrouwen.

“There is a limit to the trust people put into their machines.” – Jesse Drew, mediawetenschapper

7. Kwesties rond civiele vrijheden zullen vergroot worden dankzij de snelle opkomst van het internet der dingen
Er zullen gewelddadige aanvallen komen, sommigen fysiek. Vrij burgerschap is in het geding.

“Connected cities will track where and when people walk, initially to light their way, but eventually to monitor what they do and say.” – Marti Hearst, informatica

Tot slot
Waakzaamheid is dus geboden, maar waken kan alleen gedaan worden door deskundige mensen:

“The only way to effectively prevent against malware and data breaches is to stay continually vigilant. To borrow an analogy from ‘Game of Thrones,’ we need a ‘Night’s Watch’ for security. Because when it comes to the Internet of Things and data breaches, ‘winter is coming.’ Organizations must hire enough knowledgeable staff to monitor and adjust systems, and to empower them to keep pace with hackers. IT and security staff must be willing to educate themselves, to admit when they need help and to demand that executives make decisions proactively.” – Amy Webb, eigenaar Future Today Institute

Hoewel het rapport daar niet over schrijft, hangt veel af van hoe overheden om zullen gaan met nieuwe technologische veranderingen. Dat vraagt om politici met verstand van zaken en om een aanpak op Europees niveau, vooral ook omdat veel techbedrijven supranationaal opereren.

Amazon wil de sleutel van je voordeur en cameratoezicht in je huis (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Net zoals andere grote techbedrijven wil Amazon graag alles over je weten, en probeert dat aan je te verkopen onder het mom van gebruikersgemak. Amazon Key is een combinatie van een app, een camera en een ‘smart’ slot. Daarmee kunnen bezorgers van Amazon-pakketjes zichzelf binnenlaten in je huis. Via de camera en de cloud kan je precies zien hoe ze dat doen. Amazon adverteert verder dat je ook andere mensen die je vertrouwt in je huis kan laten, zoals schoonmakers of je hondenwandeldienst.

Amazon Key is vanaf volgende week beschikbaar in een aantal Amerikaanse steden, maar alleen nog voor prime-leden: mensen die $99 per jaar betalen voor snelle levering en dergelijke. Amazon Key gaat $250 kosten. Dat zit vooral in de camera (die ook los te koop is voor $120) en het slot. Je moet het er maar voor over hebben. Het slot en de camera registreren uiteraard allerlei gegevens van je. Het is onwaarschijnlijk dat Amazon daar niks mee gaat doen. Zoals gebruikelijk bij techbedrijven is Amazon daar ook niet transparant over.

Eentje voor mijn t-shirt-verzameling: met een AR-shirt anatomie verkennen (Linda Duits)

De post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Anatomie kan je leren uit een boek of van een pop, maar het is natuurlijk veel leuker om het bij een mens te doen. Virtuali-Tee is een t-shirt dat die illusie geeft. Op het shirt staat een QR-code. Zodra de bijbehorende app die scant, verschijnt op je telefoon een animatie van hart, longen en aderen. Het lijkt dus een klein beetje of je echt in iemands lichaam kijkt. Deze combinatie van kleding met augmented reality is, zoals het filmpje laat zien, vooral geinig en educatief voor kinderen. Het t-shirt is in kinder- en volwassen maten en kost €28,21.

Experts zijn perfect verdeeld over de toekomst van desinformatie

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Onderzoeksinstituut Pew Internet heeft een groot onderzoek gehouden over de toekomst van ‘fake news’ en desinformatie online. Ze stuurde één vraag naar 1.116 technologen, wetenschappers, strategen en andere betrokkenen om te inventariseren wat zij de komende tien jaar verwachten:

“In the next 10 years, will trusted methods emerge to block false narratives and allow the most accurate information to prevail in the overall information ecosystem? Or will the quality and veracity of information online deteriorate due to the spread of unreliable, sometimes even dangerous, socially destabilizing ideas?”

Respondenten konden aangeven of ze dachten dat de situatie zou verbeteren of niet, en vervolgens konden ze hun antwoord toelichten. De resultaten laten een bijna perfecte splitsing zien: 51 procent dacht dat de situatie zou verslechteren, 49 procent dacht van niet. Uit de toelichtingen komen verschillende thema’s naar voren.

Geen verbetering: de mens is slecht
Het ecosysteem van fake news speelt volgens deze experts in op onze diepste instincten: we zoeken succes en macht en dat zal leiden tot meer misbruik van informatie door manipulatieve actoren. Zij zullen nieuwe digitale tools gebruiken om de aangeboren voorkeur voor comfort en gemak te misbruiken door ‘echo chambers’ te versterken.

Een tweede thema aan deze kant is dat onze hersenen het tempo van technologische vooruitgang niet kunnen bijbenen. De steeds stijgende snelheid en bereik van internet zal deze menselijke neigingen vergroten. Technologische oplossingen ervoor zullen niet voldoende zijn. Respondenten die dit thema aandragen zien een toekomstig informatielandschap waarin valse informatie betrouwbare informatie verdrukt. Sommigen denken zelfs dat massamanipulatie ertoe zal leiden dat mensen het opgeven zich te informeren.

Voorbeelden van zulk pessimisme:

“It comes down to motivation: There is no market for the truth. The public isn’t motivated to seek out verified, vetted information. They are happy hearing what confirms their views. And people can gain more creating fake information (both monetary and in notoriety) than they can keeping it from occurring.” – executive consultant

“Too many groups gain power through the proliferation of inaccurate or misleading information. When there is value in misinformation, it will rule.” – decaan aan een universiteit

Wel verbetering: mensen zoeken altijd oplossingen
De andere kant stelt juist dat technologie kan helpen bij het oplossen van de problemen. De snelheid en bereik van internet kunnen juist ingezet worden om valse informatie te bestrijden. Respondenten voorspellen dat er betere methodes zullen komen om betrouwbare, feitelijke nieuwsbronnen te creëren en te bevorderen.

 

Dit kamp stelt dat het juist in de aard van de mens ligt om samen te komen en problemen op te lossen. We hebben ons altijd aangepast aan verandering en dat zal nu niet anders zijn. Ook vroeger waren er desinformatie en kwaadwillende actoren, maar die zijn altijd gemarginaliseerd door slimme mensen en processen. Deze respondenten schreven uitgebreidere toelichtingen over hoe dat zou kunnen.

 

Voorbeelden:

“Two developments will help improve the information environment: 1) News will move to a subscription model (like music, movies, etc.) and subscription providers will have a vested interest in culling down false narratives; 2) Algorithms that filter news will learn to discern the quality of a news item and not just tailor to ‘virality’ or political leaning.” – Universitair Docent informatica

“The apparent success of fake news on platforms like Facebook will have to be dealt with on a regulatory basis as it is clear that technically minded people will only look for technical fixes and may have incentives not to look very hard, so self-regulation is unlikely to succeed. The excuse that the scale of posts on social media platforms makes human intervention impossible will not be a defense. Regulatory options may include unbundling social networks like Facebook into smaller entities. Legal options include reversing the notion that providers of content services over the internet are mere conduits without responsibility for the content. These regulatory and legal options may not be politically possible to affect within the U.S., but they are certainly possible in Europe and elsewhere, especially if fake news is shown to have an impact on European elections.” – communicatiedeskundige

Het stemt alvast hoopvol dat de groep optimisten, hoewel net iets kleiner in aantal, zo constructief aan het denken is over oplossingen.

Living labs zijn vooral hype en (nog) weinig effectief (Linda Duits)

Deze blogpost verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Living labs zijn hot. Gemeenten, bedrijven en kennisinstellingen plakken dit label op allerlei initiatieven rond complexe maatschappelijke vraagstukken, zoals sociale ongelijkheid, luchtvervuiling en veiligheid. Het Rathenau Instituut deed onderzoek naar het verschijnsel in Nederland om te bepalen in hoeverre, en op welke manier, ze deze beloftes kunnen waarmaken. In het kort gezegd: dat gaat nog niet goed. Een analyse van ruim negentig initiatieven laat zien dat er nauwelijks sprake is van cocreatie met burgers of eindgebruikers, en dat de kennis die opgedaan wordt moeilijk overdraagbaar of breed toepasbaar is.

De stad als lab
Steden worden steeds meer gezien als innovatieplatforms en -proeftuinen. Living labs passen daarbij. Ook de typische deelnemers van living labs zijn stedelijk: hoogopgeleide burgers, creatieve ondernemers en universiteiten. Een living lab is te definiëren als:

“zowel een fysieke locatie als een gezamenlijke aanpak, waarin verschillende partijen experimenteren, cocreëren en testen in een levensechte omgeving, afgebakend door geografische en institutionele grenzen” (definitie van Schliwa en McCormick, p. 8).

Niet alles wat zich living lab noemt, voldoet aan deze definitie. Daarom onderscheiden de onderzoekers vier verschillende types: open wetenschappelijke onderzoeksfaciliteiten (gericht op kennisvalorisatie); fieldlabs van de maakindustrie (gericht op concurrentiepositie); commerciële stedelijke testfaciliteiten (gericht op innovatie); en daadwerkelijke living labs (gericht op transitiebeleid). Deze types verschillen in de mate van cocreatie en in aard van de ruimte: dat kan een echt lab zijn, een straat maar ook een natuurgebied.

Bestaande living labs
Een scan van de onderzochte initiatieven die zich als living lab presenteren laat zien dat die zich inderdaad vooral in steden bevinden, al zijn er ook initiatieven daarbuiten. Overheden doen in twee derde van de gevallen mee. Een kwart van de initiatieven heeft geen kennisinstelling als partner. Bedrijven zit er goed in: alleen in 1 op de 5 gevallen niet. De thema’s die centraal staan zijn bijvoorbeeld hernieuwbare energie, de circulaire economie, zorg, stadsvernieuwing en het versterken van de concurrentiekracht van het bedrijfsleven. Een paar voorbeelden van projecten, die allen in het rapport gedetailleerd worden besproken:

Open wetenschappelijke onderzoeksfaciliteiten:

  • Dutch Optics Centre van TNO en de TU Delft;
  • PhenoLab van Wageningen UR.

Fieldlabs van de maakindustrie:

  • Aqua Dock/RDM Campus van Hogeschool Rotterdam, Havenbedrijf Rotterdam en gemeente Rotterdam;
  • de Duurzaamheidsfabriek in Dordrecht.

Commerciële stedelijke testfaciliteiten:

  • Flo (‘het eerste persoonlijke fietsverkeerslicht ter wereld’) in Utrecht;
  • Innofest, een initiatief van acht festivals.

Living labs:

  • HvA Fieldlabs van de Hogeschool van Amsterdam;
  • Circulair Buiksloterham van 22 partijen in Amsterdam.

Effectiviteit als transitie-instrument
Het gaat dus om specifiek lokale initiatieven, die zich niet zomaar laten vertalen naar andere contexten. Er is niet altijd een bredere toepasbaarheid. Voor zo’n vertaalslag zijn extra inspanningen nodig. Zo’n gecoördineerde meerjarenaanpak moet iemand op zich nemen, maar niet alle partijen hebben belang bij locatie-overstijgende doelen. De onderzoekers schrijven:

“Stadbewoners en lokale bestuurders die deelnemen in een living lab zijn wellicht vooral geïnteresseerd in het vinden van een praktische oplossing die werkt in hun stad. Voor bedrijven kan het wel aantrekkelijk zijn om te investeren in schaalbaarheid, omdat ze daarmee oplossingen kunnen ontwikkelen die ook elders verkocht kunnen worden. Kennisinstellingen kunnen vanuit een wetenschappelijk interesse ook belang hebben bij het werken aan overdraagbare kennis.

Daarnaast speelt het bekende fenomeen dat maatschappelijke uitdagingen vragen om echt vernieuwende oplossingen, maar dat deze oplossingen vaak ontwrichtend en ondermijnend zijn
voor gevestigde belangen en partijen. Bij living labs moeten daarom ook partijen worden betrokken die de gevestigde orde willen of durven uitdagen. Als transitie-instrument moeten living labs dus juist ook worden benut voor het experimenteren met ‘disruptieve’ innovaties” (p. 36).

De onderzoekers besluiten met punten die nodig zijn om living labs effectief in te zetten voor maatschappelijke doelen en transities:

  • Experimenten moeten op elkaar voortbouwen en van elkaar leren. Daarvoor is een ‘multilevel’-aanpak nodig waarbij naast lokale overheden ook provincies, de rijksoverheid en/of de Europese Commissie betrokken zijn;
  • Living labs moeten openstaan voor oplossingen, ook als die ontwrichtend of ondermijnend zijn voor gevestigde belangen en partijen;
  • Er zijn specifieke richtlijnen nodig voor goede laboratoriumpraktijken om de maatschappelijke acceptatie te bevorderen en burgerrechten te beschermen.

Een andere benadering van de seksuele praktijken van jongeren: van risico naar avontuur (Linda Duits)

Deze blogpost verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Als jongeren zich online met seks en seksualiteit bezighouden, wordt dat bijna altijd gezien als risicogedrag. Bij sexting ligt de focus bijvoorbeeld op reputatieschade, pesten, afpersing, kinderporno, dwang en zelfs zelfmoord. Vanuit feministische hoek is hier kritiek op: genderstudiesonderzoekers vragen aandacht voor het plezier dat jongeren aan online seksuele praktijken beleven en de positieve invloed die online seksuele zelfverkenning kan hebben. Zulk onderzoek wil vooral jongeren zelf aan het woord laten. Dat is ook de insteek van antropoloog Marijke Naezer, die jarenlang onderzoek deed met Nederlandse jongeren van 12 tot 18 jaar. In een recent artikel [open access] stelt ze dat beter is om de online seksuele praktijken van jongeren te benaderen als avonturen.

Naezer baseert zich op zowel etnografisch veldwerk in het oosten van het land en online, als een survey onder 679 jongeren. De steekproef daarvan is niet representatief en bevat meer LHBT-jongeren dan de populatie.

Valse dichotomie tussen veilig en onveilig 
In onderzoek met jongeren naar seksualiteit wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen veilige en onveilige praktijken. Naezer stelt dat die dichotomie niet houdbaar is. Zo wijst ze erop dat studies zich vaak richten op stranger danger online en contacten met familie en bekenden uitsluiten als veilig, terwijl het werkelijk risico juist bij die laatste groepen ligt. De dichtomie stigmatiseert bovendien bepaalde groepen mensen (denk aan hiv en homomannen) en wekt de valse indruk dat er zoiets bestaat als veilige seks: elke seksuele handeling brengt bepaalde risico’s met zich mee. De nadruk op gevaar resulteert erin dat jongeren weerhouden worden bepaalde online activiteiten te ondernemen. Daarmee beperkt het de seksuele vrijheid van jongeren. Bovendien wordt als het dan toch gebeurt en misgaat, de schuld bij jongeren zelf gelegd – denk aan sexting. De schaamte die daarbij komt kijken kan slachtoffers ervan weerhouden hulp te zoeken.

Een avontuur is een ervaring zonder zekere uitkomst. Naezer betoogt dat haar avontuur-benadering drie voordelen heeft.

1. Een onderscheid maken tussen risico en uitkomst
Niet alle risicovolle situaties eindigen negatief. De jongeren die Naezer onderzocht wisselden sexy beeldmateriaal uit, hadden seksuele gesprekken en bekeken seksueel expliciet materiaal. Daar zaten ook positieve ‘uitkomsten’ aan: verveling tegengaan, complimenten krijgen, flirten met potentiële partners, intimiteit ervaren, opgewonden raken, iets leren over seks én weten hoe je hulp vraagt indien er wel problemen ontstaan. Er zijn ook praktijken die veilig zijn maar onplezierig, bijvoorbeeld omdat jongeren het saai vinden.

Een exclusieve nadruk op onplezierige uitkomsten doet geen recht aan de ervaring van jongeren, ook in kwantitatieve zin. Ze vroeg haar respondenten hun laatste ervaring met sexting te evalueren. 46 procent zei dat het (heel erg) leuk was, 43 procent noemde het neutraal/normaal. Slechts tien procent vond het (erg) onplezierig. Over iets seksueels doen voor de webcam (wat 77 respondenten hadden gedaan): 47 procent (heel erg) leuk, 35 procent normaal/neutraal en 18 procent (erg) onplezierig. Als het ging om porno kijken vonden haar respondenten dat opwindend (58%), grappig (25%), goed om te weten waar porno over gaat (17%), informatief (13%), leuk om met vrienden over te praten (9%). 19 procent kruiste ‘onplezierig’ aan. Seksuele avonturen kunnen dus niet alleen onprettige, maar ook prettige uitkomsten hebben, of beide.

2. Risico’s ook als mogelijk constructief zien 
Iets doen dat risicovol is – kajakken of rafting – kan heel empowerend werken, een gevoel van controle geven, positief en plezierig zijn. Sekspositieve genderstudiesonderzoekers hebben laten zien dat ook op het gebied van seksualiteit gevaar niet tegengesteld is aan plezier, maar juist in nabije verhouding ermee staat.

Naezer sprak bijvoorbeeld met meisjes over Chatlokaal een Chatroulette. De verwachting (het ‘risico’) daar naakte mannen te treffen was onderdeel van de lol die ze aan die sites hadden, precies omdat ze niet wisten wat die mannen gingen doen. Als die mannen masturbeerden, seksuele vragen stelden of seksuele verzoeken deden, leidde dat tot enorme hilariteit onder de meisjes.

3. De subjectieve en dynamische aard van risico’s zien
Wat voor de één een acceptabele, alledaagse praktijk is, is voor een ander super ongemakkelijk. Hoe iemand risico ziet, is afhankelijk van iemands persoonlijke inschatting, wat weer afhangt van iemands sociale normen, en van iemands positie in de maatschappij. Risico’s moeten ook in hun context beoordeeld worden. Kortom, risico’s zijn subjectief en dynamisch.

Volwassenen vinden sexting al snel dom: gewoon niet doen is hun devies aan jonge mensen. Sommige jongeren zelf vonden dat het prima kon, bijvoorbeeld omdat ze een relatie hadden en elkaar vertrouwen. Sociale positie en machtsstructuren hebben invloed op de inschatting die jongeren maken. Zo speelde bij homojongens mee dat er minder risico op slutshaming was, maar wel een risico van homofoob pesten mocht een foto toch uitgelekt worden.

Een voor volwassenen wellicht onverwacht risico is betrapt worden tijdens online seksuele activiteiten, bijvoorbeeld bij het porno kijken. Dat andere mensen (ouders, vrienden) weten hoe je je seksueel voelt kan een ongewenste uitkomst zijn, zowel als het gaat om het object van begeerte als om vrienden. Het risico dat je bekend komt te staan als hoer of homo of sociale uitsluiting kan voor jongeren belangrijker zijn dan het ‘risico’ een naakte man aan te treffen via een chatsite.

Implicaties
Marijke Naezer stelt een totaal ander perspectief voor dan wat we dagelijks horen in de media en van opvoeders. Ze benadert jongeren niet als passieve slachtoffers die ‘blootgesteld’ worden aan seksuele risico’s, maar als actoren die actief de kansen en uitdagingen van sociale media te lijf gaan. De drie aspecten van haar avontuur-benadering betekenen dat we een ander gesprek moeten hebben over jongeren en online seks. We moeten vooral met jongeren praten in plaats over ze, en we moeten daarbij aandacht hebben voor de complexiteiten, de verscheidenheid en de tegenstellingen die horen bij de online seksuele praktijken van jongeren.

Het medicijn tegen valse feiten: de bibliotheek en leergierigheid (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

We leven in tijd met veel zorgen over de betrouwbaarheid van bronnen. Dat roept de empirische vraag op hoe mensen met informatie omgaan. Controleren ze hun bronnen? Willen ze wel wat nieuws leren? Pew Internet onderzocht volwassenen Amerikanen en kwam tot een interessante typologie van ‘informatie-disposities’, oftewel verschillende soorten engagement met informatie.

Er werden vijf dimensies onderzocht:

  1. Hoe geïnteresseerd is men in het onderwerp?
  2. Hoe zeer vertrouwt men de informatiebronnen over het onderwerp?
  3. Hoe graag wil men nieuwe vaardigheden opdoen?
  4. Welke andere aspecten van het leven dingt naar de aandacht en het vermogen informatie op te zoeken?
  5. Hoeveel toegang tot informatie heeft men überhaupt?

Het blijkt dat vooral vertrouwen in bronnen en leergierigheid van belang zijn.

De typologie:

The Eager and Willing – 22 procent van de volwassenen

Deze groep heeft veel interesse in nieuws, veel vertrouwen in belangrijke informatiebronnen en wil graag betere vaardigheden aanleren. Deze groep bestaat vooral uit minderheden: 31 procent is Hispanic; 21 procent is zwart.

The Confident – 16 procent
Ook deze groep heeft veel interesse en veel vertrouwen. Het verschil met de vorige groep is dat deze zelfverzekerd is: ze vinden dat ze zelf goed met informatie kunnen omgaan en vinden dus dat ze weinig nieuwe vaardigheden nodig hebben. Deze groep is overweldigend wit, hoogopgeleid en economisch comfortabel. Ongeveer een derde is tussen de 18 en 29 jaar oud.

The Cautious and Curious – 13 procent
Deze groep combineert een hoge interesse in nieuws met een lagere mate van vertrouwen in bronnen als nieuwsorganisaties, financiële instituties en de overheid. Ze willen echter wel graag nieuwe vaardigheden aanleren. Deze groep lijkt het meest op de gemiddelde bevolking, met een net iets lager opleidingsniveau.

The Doubtful – 24 procent

De twijfelaars hebben minder interesse in informatie dan de vorige groepen. Ze wantrouwig naar lokale en nationale nieuwsorganisaties. Ze zijn heel druk en hebben weinig interesse om betere informatievaardigheden aan te leren. Deze groep is het meest van middelbare leeftijd, ze zijn voornamelijk wit en middenklasse.

The Wary – 25 procent

Aan het einde van het spectrum is de groep die het minst geëngageerd is met informatie. Ze hebben weinig interesse, weinig vertrouwen en weinig zin om iets te leren. Dit zijn vooral mannen en een derde is boven de 65.

Implicaties

Er is niet één typische informatiegebruiker: hoe mensen met informatie omgaan hangt van veel factoren af. Dat betekent dat we voorzichtig moeten zijn met generaliserende uitspraken over bijvoorbeeld jongeren. Belangrijk is de mate waarin iemand bereid is nieuwe vaardigheden aan te leren: als die ontbreekt, zal ieder initiatief het moeilijk hebben. Er ligt daarbij een belangrijke taak voor bibliotheken: hun medewerkers worden goed vertrouwd, maar niet iedereen komt in de bieb. Bibliotheekgebruikers zitten vooral in de bovenste twee groepen.

Sharenting en privacy: tips om de digitale rechten van kinderen te respecteren (Linda Duits)

Deze blogpost verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

uders zijn net mensen. Ze laten online delen van hun leven zien, en posten dus ook foto’s van hun kinderen. De term die hiervoor gebruikt wordt is sharenting: to share + to parent. Er is hier al veel kritiek op geformuleerd. Het delen van baby- en peuterfoto’s is voor sommigen misschien leuk, maar het kind zelf heeft er niet mee in kunnen stemmen. Kinderen hebben recht op privacy en dat betekent dat hun ouders wat minder enthousiast moeten zijn om hen online te zetten. Beroemdheden doen ook aan sharenting, en daar kleven allerlei extra bezwaren aan.

In een post voor het blog van de London School of Economics beschrijven Ana Jorge en Lidia Marôpo hoe celebs geld verdienen met foto’s van hun kroost. Ze merken op hoe traditionele paparazzi nauwelijks meer bestaan. Beroemdheden maken zelf foto’s en zetten die op Twitter en Instagram. Media gebruiken dat materiaal om clicks te trekken. Kinderen van beroemdheden hebben zo al een digitale voetafdruk voordat ze kunnen praten. Hun ouders hebben intieme momenten gedeeld, hun naam, gezicht en leeftijd. Dat betekent dat deze kinderen niet zelden worden onderworpen aan kritiek en geroddel, over hun uiterlijk of over hun daden.

Extra problematisch is wanneer celebs sharenting inzetten bij hun commerciële activiteiten:

“Their children’s images are used in blogging and social media to advertise products and brands, showing how sharenting is becoming increasingly monetised, professionalised and industrialised for celebrities, or ‘micro-microcelebrities’, as Crystal Abidin states, i.e. celebrities and online celebrities are engaging more and more in the sphere of commercial promotion involving their young children.”

Hiermee zijn beroemdheden en hun kids een prioriteitsgroep als het gaat om kinderrechten en sharenting. Ook als je geen beroemdheid bent maar wel kinderen hebt, moet je nadenken over het beschermen van hun identiteit. Dat gaat niet alleen over het plaatsen van foto’s! Jorge en Marôpo formuleren drie veilige praktijken:

  1. Wees voorzichtig met het delen van waar je kind zich bevindt;
  2. Kinderen moeten vetorecht hebben: ze mogen nee zeggen tegen het publiceren van bepaalde beelden, uitspraken, verdiensten en uitdagingen;
  3. Ouders moeten aandacht hebben voor de effecten van sharenting op het zelfbeeld en welzijn van kinderen.

Clickbait in de wetenschap: je bent gek als je het niet doet (Linda Duits)

Deze blogpost verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

“If your job prospects depend on clicks, you’d be stupid not to write clickbait.”

De munteenheid van het internet is aandacht en aandacht wordt gemeten met clicks. Hoe meer clicks, hoe meer aandacht. Ik ben daar zelf niet vies van. Zo is mijn ‘best gelezen’ column op Folia er eentje met de titel ‘Pijpen is goed voor je zelfvertrouwen’. Ik heb best gelezen tussen aanhalingstekens geplaatst, want clicken is niet hetzelfde als lezen. Clicks zijn een slechte graadmeter voor kwaliteit. Een belangrijk achtergrondstuk over de verkiezingen in Duitsland krijgt altijd minder clicks dan iets snels over seks. Ook de titel van dit stuk kan je zien als clickbait.

Op het blog van LSE verscheen een stuk over wetenschap en clickbait waaruit bovenstaande zin afkomstig is. Politicologen Portia Roelofs en Max Gallien schrijven daar over een artikel in het wetenschappelijke tijdschrift Third World Quarterly dat laat zien waarom aandacht een desastreuze manier is om wetenschap te beoordelen. Het betreffende artikel, The case for colonialism, is volgens hen “clickbait with footnotes”. De auteur stelt dat kolonialisme ten onrechte een slechte naam heeft. Er is geen sprake van empirisch onderzoek en het artikel is vooral bedoeld om te provoceren. Dat lukte: het werd massaal (negatief) gedeeld. De Altmetric Attention Score ging dan ook door het dak.

Volgens Roelofs en Gallien staat dit incident voor een aantal ongunstige ontwikkelingen in de wetenschap, zoals vermarkting. Artikelen worden al gescoord op aandachtsoverwegingen: een citatiescore neemt bijvoorbeeld niet mee of een artikel wordt aangehaald als onzin. Aandacht wordt steeds belangrijker omdat bestuurders veel waarde hechten aan kwantificeerde impact:

“But this style [citatiescores] of quantifying how good an article is pales in comparison to what has been done under the “impact agenda”. Initially spurred by the desire for professors to reach out and engage with the world outside the “ivory tower”, impact came to be measured by blogs, page views, download stats, and tweets. Academia is replicating the structure of the mass media. Academic articles are now evaluated according to essentially the same metrics as Buzzfeed posts and Instagram selfies. In fact, the impact factor is an especially blunt example of online metrics: Reddit, Youtube, and Imgur at least allow users to up-vote or down-vote posts.”

Het gaat daarbij om veel meer dan ijdelheid. Het is beangstigend om te bedenken dat iemands academische baankansen afhankelijk zijn van de aandacht die hij krijgt online.

“And it’s deadly serious: how many likes your article gets is not simply a matter of vanity but is ingrained into the system of academic rewards and respects; whether when applying for promotions, jobs, or research funding. If your job prospects depend on clicks, you’d be stupid not to write clickbait.”

Daarnaast wijzen de auteurs erop dat academische debatten steeds meer worden gereduceerd tot “artificially adversarial debates”: debatten tussen tegenpolen, zoals we die ook zin in de media. Onder het mom ‘de waarheid ligt in het midden’ is er geen aandacht voor consensus die de wetenschap voortstuwt. Dat is goed nieuws voor gekkies en slecht nieuws voor de wereld, want:

“When academia is thus framed as a confrontation, it favours confrontational people.”