Drie woorden die vaak vergeten worden over leren

Momenteel lees je in verschillende artikelen (oa in De Morgen) over hoe studenten aan de universiteiten en hogescholen fouten maken, zowel inhoudelijk als taalfouten. In een opinie wordt een link gelegd met mogelijk weinig historisch besef en, yep daar is ie weer, technologie.

Los van het feit dat zolang ik me kan herinneren er grappige antwoorden op examens circuleren, wil ik een andere, mogelijke verklaring meegeven, we vergeten vaak 3 woorden over leren. Volgens Hattie en Yates kost leren tijd, inspanning en motivatie. Richard Wiseman ziet drie andere cruciale woorden: work really hard.

Maar dit is iets dat vandaag vaak vergeten wordt. Niet per se door de studenten zelf, maar wel door denkers over onderwijs. Nicholas Negroponte deed ons vorig jaar dromen over een pil die je een taal doet leren, klaar tegen 2050. Geen uren meer blokken op vervoegingen, geen oefeningen meer maken, nee, een pilletje Spaans slikken. Als je de Jommeke-strip deze weken in het Nieuwsblad leest over de Babbelpil, kan je enkel glimlachen. De man heeft mogelijk een punt, recent onderzoek toonde dat we mogelijk via medicatie gevoelige periodes opnieuw mogelijk kunnen maken. We leren makkelijker talen als we erg jong zijn, deze taalpil zou dat dus op latere leeftijd misschien mogelijk maken. Maar zelfs dan zou het niet zo eenvoudig zijn als Negroponte voorstelt en zullen beide drie woorden belangrijk blijven.

Als we collectief roepen dat je alles kan opzoeken op Google en dus geen kennis meer nodig hebt (niet dus, oa kritische geest en creativiteit kan je niet downloaden), of dat leren vooral leuk moet zijn (graag, maar kan niet altijd, leuk en leren kan elkaar zelfs tegenwerken), communiceren we (on)bewust dat hard werken niet meer belangrijk zou zijn voor leren.

Spijtig genoeg zijn kennis, doorzetting en hard werk nog steeds cruciaal voor leren, naast het vele andere. Maar je krijgt er ook iets voor terug, als het lukt: voldoening. Iets wat je krijgt zonder moeite kan leuk zijn. Iets wat je bereikt met veel moeite, is van een hele andere orde.

Wat mij opviel in de Nederlandse Monitor Jeugd en Media 2015

Vandaag om 16u werd de Nederlandse Monitor Jeugd en Media 2015 van Kennisnet en Mediawijzer vrijgegeven. Een leuk vogeltje bracht het rapport eerder op mijn bureau waardoor ik je nu al de voor mij opvallendste elementen kan meegeven:

  • Ondanks alle (digitale) media, willen jongeren eerst en vooral face-to-face contact (meisjes iets meer dan jongens):
    • 73% kiest groepsgewijs face-to-face contact (in een vriendengroep);
    • 68% kiest individueel face-to-face contact (1-op1);
    • eveneens 68% kiest het sturen van berichtjes.
  • Waarom ze dan toch ook sociale media gebruiken voor contact?
    • 56% omdat het handiger is,
    • 38% vindt het makkelijker;
    • 15% durft meer te zeggen;
    • 13% voelt zich minder verlegen;
    • slechts 10% zegt dat het leuker is.
  • De Nederlandse jongeren gebruiken hun telefoon nog veel voor… bellen. Het komt op de tweede plaats, maar berichtjes sturen is populairder. En ja, lang leve Whatsapp (voor sociaal én school).

Er is trouwens heel veel over school te vinden, eerst de big one voor mij, over technologie op school:

  • het smartboard is inmiddels normaal geworden (slechts 7% van de respondenten meldt dat er bij hen nog steeds met schoolbord en krijtjes wordt gewerkt);
  • een derde (33%) van de respondenten meldt dat hun school het gebruik van ict-middelen (zoals computer, smartphone en tablet) voor het maken van huiswerk echt stimuleert;
  • bijna de helft (47%) van de respondenten zegt makkelijker te leren wanneer de stof ook in een filmpje wordt behandeld.

Maar wat vooral opvalt: de leerlingen denken toch genuanceerd over het gebruik van beeldschermmedia in het onderwijs:

  • 39% zegt moeilijker te leren als er alleen maar tekst is;
  • 31% verkiest filmpjes boven uitleg door de docent;
  • 29% zegt makkelijker via computer of tablet te leren dan via boeken;
  • 25% zegt liever op internet naar hulp of uitleg te zoeken dan in de schoolboeken (bij vragen over de stof).

En belangrijk: de kwaliteit van de huidige school-apps is nog voor verbetering vatbaar. Vaak zijn het gewoon nog ‘boeken achter glas’, zonder (interactieve) meerwaarde:

  • slechts 11% bevestigt de stelling dat school-apps net zo goed en mooi gemaakt zijn als de apps en games die ze privé gebruiken.

Wat opvalt: dat jongeren beeldschermmedia voor school wel waarderen, maar dat de meerderheid het ook belangrijk vindt dat er een goede leerkracht is, en dat traditionele media als boeken en schriften er ook bij horen. Mogelijk speelt de matige kwaliteit van de huidige school-apps (vaak niet meer dan ‘boeken achter glas’) daarbij een rol.

En nu nog wat me nog zoal opviel over school in het rapport:

  • Jongeren kunnen kennisboeken (non-fictie) wel kunnen missen voor hun vrije tijd, maar een relatief groot deel van hen dat niet kan voor hun schoolprestaties. 1 op de 4 jongeren vindt kennisboeken nuttig voor school. Jongeren verschillen hierin niet van mening, ongeacht geslacht en onderwijsniveau.
  • Hoe heb je (digitaal) contact met je leerkracht?
    • 36% gebruikt regelmatig e-mail voor contact met de leerkracht;
    • 19% gebruikt regelmatig WhatsApp voor contact met de leerkracht;
    • 13% heeft een of meer leerkrachten als vriend op Facebook;
    • sociale media als Twitter en Instagram worden slechts door 2 tot 4% van de leerlingen gebruikt voor contact met een leerkracht.
  • 5% van de respondenten wisselt vertrouwelijke informatie uit met de leerkracht via digital media. Dat lijkt een gering percentage. Maar uiteindelijk gaat het wel om ca. 90.000 jongeren. Voor hen biedt de leerkracht dus voldoende vertrouwen om persoonlijke zaken mee te bespreken.
  • De populairste media-toepassingen voor school zijn:
    • Google om dingen op te zoeken (60% van de jongeren doet dit regelmatig);
    • apps waarmee ze hun rooster en cijfers kunnen bekijken (eveneens 60%). Oefenen via internet doet bijna de helft van de jongeren:
    • jezelf overhoren via internet: 45%;
    • oefentoetsen raadplegen via internet: 39%.
  • Aanvullende informatie voor het schoolwerk komt via de volgende kanalen:
    • YouTube (26%);
    • informatieve tv-reportages (20%);
    • nieuwsprogramma’s (19%);
    • nieuwssites (16%);
    • de krant (10%).
  • Jongeren gebruiken sociale media het meest… om zekerheid te krijgen over wat het huiswerk ook alweer was. (kon hier enkel maar bij glimlachen).
    • 53% zegt regelmatig via sociale media (WhatsApp, Twitter of Facebook) aan klasgenoten te vragen wat het huiswerk is;
    • 25% gebruikt sociale media om taken te kunnen verdelen bij het samenwerken, of om scans van aantekeningen aan elkaar door te sturen;
    • 13% verstuurt zelf geschreven samenvattingen of foto’s van het eigen huiswerk aan klasgenoten, of vraagt de klasgenoten om hun al gemaakte huiswerk op te sturen.
      (deze laatste cijfers vond ik zelf behoorlijk laag).
  • Wat zijn dan wel de belangrijkste hulpbronnen?
    • 75% gaat regelmatig naar de moeder, en 60% naar de vader;
    • 53% gaat naar de leerkracht;
    • 45% raadpleegt vrienden. Vooral meisjes doen dat;
    • 33% zoekt hulp via Google, of vraagt een broer of zus;
    • 18% zoekt hulp via YouTube (opm. weet niet goed of dit nu hoog of laag te noemen is);
    • 12% zoekt hulp via huiswerkbegeleiding. (dit vind ik dan weer zeer hoog).
  • Valt een beetje buiten de mediavragen, maar zeker interessant:
    • driekwart van de jongeren vindt school belangrijk; (en ja, meisjes meer dan jongens)
    • 6 op de 10 jongeren doet zijn best; (idem)
    • de helft maakt zijn werk niet slordig, en heeft geen moeite om goede cijfers te halen;
    • 4 op de 10 jongeren hebben geen hekel aan hard werken;
    • bijna een kwart van de jongeren heeft geen positieve houding tegenover school
  • En deze cijfers zijn dan weer opvallend… laag:
    • bijna de helft (46%) stuurt wel eens privé-berichtjes tijdens de les; (wellicht laag door meenemen van primair onderwijs).
    • 28% checkt Facebook of Instagram;
    • 10% maakt wel eens stiekem een filmpje of een foto in de klas. (ok dat laatste is weer veel).

 

Ja, er is seks op het rockfestival, maar er was ook een ander jongerenonderzoek gisteren

Gisteren kreeg het onderzoek van Volt en Studio Brussel veel aandacht in de media. Wat blijkt: een pak jongeren zouden seks hebben op de Rock Werchters en andere Pukkelpops van deze wereld. Kobe Ilsen leek gisteren vooral aan te sturen op verontwaardiging tot zelfs de vraag of ouders zich zorgen moeten maken als hun kind volgende week naar een festival gaat.

Gelukkig zaten er drie dames bij hem aan tafel, oa Kaat Bolle en iemand van Sensoa, die alles behoorlijk relativeerden. 1 op 4 zou geen condoom gebruiken, maar repliceerde iemand terecht: wow 3 op 4 wel. En de mooiste relativering kwam er wel met de opmerking dat het tentje in het Zuiden van Frankrijk nu een tentje op een wei bij een festival geworden is, maar het gedrag niet per se veranderde. De mooiste relativering zat echter in een van de filmpjes: 2 festivalgangers gaven toe dat ze seks hadden op het festival. Meer nog ze hadden elkaar leren kennen toen zij met de man de vreemdging op een festival. De 2 waren wel ondertussen 50+.

Zelf had ik wel wat vragen bij het gelijkstellen van kussen aan seks (deed men echt, maar gelukkig vroeg men ook naar ‘all the way’), en is het al dan niet de vraag of mensen die effectief aan seks doen op een (festival)camping niet meer zullen meedoen aan een dergelijke online bevraging dan andere. Vroeg me wel ook af waarom ik hier nog zelden iets van gemerkt heb, ik ben zo iemand die vooral voor de muziek gaat. Maar zegt misschien meer iets over mij.

Gisteren was er echter ook een ander onderzoek over jongeren dat me meer (of beter: wel) zorgen baart. De voorbije jaren kreeg ik van enkele trendwatchers te horen dat het roken onder jongeren toenam, maar dit werd niet door cijfers ondersteund, integendeel. Tot gisteren. Volgens het VAD blijkt het roken bij jongeren weer toe te nemen (na jaren van daling). Drank en druggebruik blijft ondertussen wel dalen.

Waarom ik me zorgen maak? Het is een van de eerste keren dat we een kentering zien van wat je ‘verbraving’ zou kunnen noemen. Nu, sigaretten maken het losbandige leven niet, maar het is wel opvallend. Los daarvan is roken gewoon ongezond en ik geef toe, ik ben een notoir anti-roker. Het is gissen naar redenen, dit is niet duidelijk uit het onderzoek. Is roken weer cool aan het worden? Voor mij is het wel iets om in de gaten te houden.

De toekomst van de krant: jij bent het product (Linda Duits)

Deze blogpost verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Toen de oprichter van Amazon Jeff Bezos de Washington Post kocht, hield iedereen zijn adem in. Zo’n tech-jochie bij een krant kan nooit goed gaan. Inmiddels zijn we bijna twee jaar verder en gaat het goed met de Post. Ineen artikel in The Economist lezen we dat er meer dan honderd mensen zijn aangenomen. Kom daar maar eens om bij enig andere krant!

De strategie van Bezos wijkt sterk af van de stuiptrekkingen die we bij andere kranten zien (denk aan wijn verkopen en dikke pay-walls aanleggen). Hij richt zich vooral op schaalvergroting. Net als bij Amazon hangt er een ‘winst komt later wel’-sfeer. Dat lukt goed: het verkeer naar de website is verdubbeld tot 51 miljoen unieke bezoekers in april. De Post cureert inhoud van andere media en trekt zo bezoekers. Artikelen worden sterk gepusht via sociale media. Daarnaast heeft hij een partnerprogramma opgezet: lezers van maar liefst 270 andere kranten krijgen met hun abonnement gratis toegang tot betaalartikelen. The Economist:

“Logged-in readers like these are more valuable to a paper and its advertisers than anonymous ones, because the ads can be tailored to match whatever is known about their interests. So far more than 270 papers have signed on. This resembles how Amazon achieves dominance in its markets by gathering data on customers, the better to sell them stuff. Some newspaper bosses are cautious. “It’s a Trojan horse,” says one, who thinks publishers are unwise to share their subscriber lists with the Post and its advertisers. Another initiative is to study and predict reader behaviour, so as to offer each website visitor a tailored landing-page, as is the case at a certain e-commerce site.”

Het lijkt erop dat de Washington Post voor het Facebook-model gaat: mensen zoveel mogelijk en zo lang mogelijk tijd laten doorbrengen op je platform, om zoveel mogelijk data over ze te verzamelen. Het verdienmodel daarbij ligt niet zozeer in gerichte advertenties, maar vooral in de verkoop van die data.

GhosteryToevallig las ik net voor het artikel in The Economist een verontrustend stuk op The Message van de maker van Ghostery, Quinn Norton. Ghostery wil internetgebruikers bewust maken van alle trackers op het internet. De browser-add on helpt deze trackers te blokkeren. Als ik bijvoorbeeld naar de Washington Post ga, blokkeert Ghostery zeven trackers voor me – zie afbeelding.

Norton legt uit wat hij allemaal kan doen met de data die over jou verzameld wordt met zulke trackers: creditcardinformatie, stemvoorkeur, geestelijke gezondheid. Omdat met de verzamelde gegevens ook persoonlijke advertenties kunnen worden gemaakt, beweert Norton zelfs hiermee mensen gekneed kunnen worden:

“What I’d do next is: create a world for you to inhabit that doesn’t reflect your taste, but over time, creates it. I could slowly massage the ad messages you see, and in many cases, even the content, and predictably and reliably remake your worldview. I could nudge you, by the thousands or the millions, into being just a little bit different, again and again and again. I could automate testing systems of tastemaking against each other, A/B test tastemaking over time, and iterate, building an ever-more perfect machine of opinion shaping.”

Dit komt over als een nogal dystopisch beeld dat ontkent dat mensen ook dingen offline doen. Toch is de combinatie van de twee stukken verontrustend. We betalen al op allerlei netwerken met onze data, waarbij er een grote ongelijkheid in transparantie is: we hebben geen idee aan wie Facebook onze gegevens allemaal verkoopt en wat ze eigenlijk precies van ons weten. Facebook wil op maat gemaakte tijdlijnen aanbieden. Willen we ook dat onze kranten dit doen?

En willen we dat kranten leven van het oogsten van onze data, zonder dat we snappen wat ze meten en wat ze verkopen? Het verhaal van Bezos zou een verschuiving kunnen markeren van ‘journalisten die de achterkant van advertenties vol schrijven’ naar ‘journalisten die schrijven om gebruikers te lokken en hun data te oogsten’.

Mediawijsheid ook nodig voor ouders: Cyber shaming van kinderen

Heb enkele dagen gewacht met te reageren, want voor je het weet heb je terug een of andere verdoken reclameactie aan de hand zoals Charlie Charlie. Maar het fenomeen van cyber shaming van kinderen zou zulke vormen aannemen in de VS dat er al een tegenreacties zijn. Het thema leeft al een paar jaar, maar nu duiken er weer tal van artikels op.

Wat is Cyber Shaming (vond ook public shaming)? Dat is het online te kijk zetten van iemand die gestraft wordt of gewoon online te kijk gezet worden. Je kan dit gebruiken om bijvoorbeeld een bedrijf aan te klagen en dan – als de aanklacht terecht is – zal er weinig aan de hand zijn, of om bijvoorbeeld de overheid aan te klagen. Het wordt al moeilijker als een individu online te kijk gezet wordt.

Dit is op zich al erg, maar wat als het ouders zijn die een video online zetten waarbij ze tonen hoe hun kinderen gestraft worden? Bijvoorbeeld tonen hoe zoonlief als straf quasi kaalgeschoren wordt? Het hoeft niet per se via video, tik Public Shame Parents in bij Google afbeelding en je ziet verschillende trieste voorbeelden.

Mijn spontane reactie? WTF! (En dat is geen typische taal voor mij, geloof me vrij).

Het is een voorbeeld van sharenting, parents who share, dat helemaal verkeerd gaat. Laten wij maar uitleggen aan kinderen en tieners dat internet niet vergeet, dat je goed moet nadenken wat je post over wie,… Meer nog, ze lijken het nog stilaan te beseffen ook.

Ouders die hun kinderen op die manier willen straffen moeten beseffen dat:

  • vernederen geen goede manier van straffen is,
  • ze het eigenlijke probleem zo niet aanpakken,
  • het vertrouwen met je kind naar de knoppen kan en wellicht zal zijn,
  • ze zelf onvolwassen lijken,
  • ze zelf tonen dat ze hun kind niet de baas kunnen,
  • internet niet vergeet en dus hun kind de straf veel langer zal moeten ondergaan dan zij zelf denken (Het is bijna een cliché, maar leuk om de video bij een sollicitatieprocedure te zien opduiken).

 

De lerarenopleiding terug in het nieuws

De helft van de studenten die een opleiding voor leerkracht starten, haken af zonder diploma. Dit blijkt uit cijfers die Koen Daniëls opvroeg bij minister Hilde Crevits (zie ook dit artikel in De Standaard), het zou vooral over studenten lager onderwijs gaan.

Dit is in vergelijking met de cijfers van andere opleidingen (3 op 10) heel hoog. Het betekent wellicht ook iets anders. Zoals minister Crevits stelt in het zelfde artikel toont het dat de lerarenopleidingen de lat hoog leggen. In plaats van te stellen dat het aanzien van het vak omhoog moet, zou dit inzicht (samen met de resultaten van PIAAC waaruit blijkt dat de Vlaamse leraren de derde plaats behalen van de OESO-landen) aangegrepen kunnen worden om net het aanzien te verhogen.

Ik ben zelf lerarenopleider en ik zie in het eerste jaar vaak studenten verdwijnen. Niet omdat wij ze “buizen”, maar omdat ze merken dat les geven niets voor hen is of omdat ze effectief schrikken van waar de lat ligt.

Of een student al dan niet in staat is om die “lat” te halen, zullen we misschien kunnen meten met een oriënteringsproef. De vraag of les geven al dan niet iets voor hem of haar is, dat wordt een pak moeilijker. Dit ontdekken studenten vaak pas door een echte ervaring voor de klas tijdens stage. Na de eerste stagelessen is een lerarenopleiding vaak een slagveld van studenten die beseffen dat dromen over voor de klas te staan anders kan zijn dan de echte performance. Dit laatste is een argument dat je minder hoort in de mediaberichtgeving vandaag.

En nu ga ik examens afnemen van mijn studenten.

 

Mijn persoonlijk probleem met de Global Teacher Prize

Er is een nieuwe jaargang aangekondigd van de Global Teacher Prize, een initiatief dat vorig jaar een eerste keer ingericht werd en dat de bedoeling heeft om onderwijs en leraren in het zonnetje te zetten. Van de 50 laureaten die dit jaar de voorlaatste ronde haalden ken ik oa Tom Bennett en Jelmer Evers.

Ik vind het een mooi initiatief, maar het zadelde me ook op met een probleem. Vorig jaar was er geen enkele Vlaamse of Belgische laureaat bij de laatste vijftig, dus ik wou nu graag iemand nomineren. Gevolg? Dagen tobben.

Door mijn job kom ik zoveel straffe en fijne leraren tegen dat kiezen moeilijk is. Als ik naar de laureaten van vorige editie kijk, zijn het vaak leraren die iets extra’s gedaan hebben, een beweging opgestart, bijscholingen voor collega’s organiseren, een eigen school hebben opgestart,… De leraren die ik tegenkom, hebben dat vaak niet gedaan.

Maar wat te denken over Riet die elke ochtend de kinderen op de basisschool met een glimlach ontvangt en voor wie de kinderen extra hun best doen, omdat ze zo lief is? Of wat met de leraren die ik vorige week ontmoette en hun leerlingen ondersteunden bij de eis van de kinderen dat de straat voor hun school autovrij werd?  Met succes, trouwens.

Mensen als Tom en Myriam zijn misschien minder voor de hand liggend als keuze, maar op iets latere leeftijd je job opgeven en voor onderwijs kiezen (en loon inleveren, terug onzekerheid,…), ik kan daar enkel respect voor hebben.

Het zijn maar enkele, misschien kleine voorbeelden van mooi werk dat ik dagelijks zie bij leraren. De namen zijn misschien fictief, de daden niet.

Hen nomineren voor een dergelijke wereldprijs lijkt misschien dom, want ogenschijnlijk zijn ze minder spectaculair. Anderzijds, zij zijn het die dagelijks het verschil maken en tonen wat een leraar is.

Het brengt me bij mijn grootste probleem: er zijn er zoveel?

En dan heb ik het enkel nog maar over de leerkrachten die ik persoonlijk ontmoet heb, een fractie van de lerarenpopulatie hier in onze plek op de wereldbol.

Ik ga zeker proberen iemand te nomineren, maar zelden voelde kiezen zo erg als verliezen.

De nieuwe rode balpen is een gom (of een gum)

Om de zoveel tijd duikt de discussie op of we niet beter de rode balpen moeten bannen uit school. Nu duikt een Britse cognitief psycholoog Guy Claxton op die liever iets anders verboden ziet op de schoolbanken: de gom (of voor mensen die iets hipper zijn in hun taal dan mezelf: de gum)

Op verschillende Britse scholen is de modernere variant, tipp-ex, sowieso al verboden, maar dan omdat jongeren er zouden aan snuiven. Claxton wil de gum weg omdat we zo kinderen zouden leren dat fouten niet mogen. Nee, de wereld bestaat uit het maken van fouten, deze erkennen en daaruit leren volgens de man.

In de Daily Telegraph vatte hij het zo samen:

“The eraser is an instrument of the devil because it perpetuates a culture of shame about error. It’s a way of lying to the world, which says ‘I didn’t make a mistake. I got it right first time.’ That’s what happens when you can rub it out and replace it.

Instead, we need a culture where children are not afraid to make mistakes, they look at their mistakes and they learn from them, where they are continuously reflecting and improving on what they’ve done, not being enthralled to getting the right answer quickly and looking smart.

They need to be interested in the process of getting the right answer because that’s what it is like in the big wide world.”

Zelf denk ik dat in de big wide world fouten maken wel degelijk kan, maar als iets fout is, we het ook vaak vervangen door een betere versie (ok, soms kan het lang duren, kijk naar de Fifa). Fouten maken en er uit leren, eerder dan niet durven proberen uit faalangst is een terecht leerpad maar ik vraag me of deze discussie niet vooral symbolisch is.

Meer nog, ik kan me best inbeelden dat veel ouders en leerkrachten hier eerder met een ‘typisch pedagoochelaars’ op zullen reageren. Maar dat is dus deze keer een andere beroepstak dan Claxton.

Waarom investeren in onderwijs zoal belangrijk is, 3 meer onverwachte redenen

Eerst en vooral, meer geld in onderwijs investeren wil niet per definitie zeggen dat onderwijs beter wordt, wat oa PISA steeds weer aantoont en wat in ons mytheboeken uitgebreid behandelen. Het is belangrijk dat je het geld wijs investeert. Maar, dit gezegd zijnde, er zijn wel goede redenen om in onderwijs sowieso te investeren. Vaak denkt men dan aan innovatie of concurrentiekracht, wat prima is. Maar wat dacht je van deze drie misschien meer onverwachte redenen?

  • Scholing doet mensen langer leven. Een nieuwe Deense studie toont dat mensen die langer naar school gaan langer leven. Vooraleer je correlatie roept (wat ik zelf ook zou doen), dit longitudinale onderzoek compenseert voor een heleboel zaken (zoals materiële rijkdom), en toch blijft de link met het aantal jaren studeren en langer leven staan.
  • En als we dan al langer leven, blijft ons geheugen ook nog eens beter werken volgens een onderzoek in 6 Europese landen. Scholing blijkt namelijk een positief effect te hebben op hoe ons geheugen werkt. Het effect blijkt significant positief ongeacht achtergrond, langer naar school gaan zorgt voor een beter geheugen meer dan 40 jaar later. De onderzoekers vermoeden ook nog een positief effect op de taal.
  • Scholing kan ook criminaliteit doen dalen. Dit toonde het proefproject in Chicago aan, waarbij bijlessen wiskunde er voor zorgde dat er meer tieners naar het hoger onderwijs doorstroomden, maar ook een positief effect had op de criminaliteitscijfers bij de begeleide groep versus de controlegroep.

Er zijn ongetwijfeld nog redenen, alle suggesties zijn welkom!

Kansen geven door kansen te ontnemen?

Als je kind naar het deeltijds kunstonderwijs gaat, is de kans op slagen in het hoger onderwijs groter. Het staat er, en ja, er zijn verschillende onderzoeken die meerwaarde van bvb muziekonderwijs aantonen, maar de kans is groot dat dit een verhaal is van het verwisselen van correlatie met een causaal verband.De kans dat de kinderen van gezinnen met een hogere sociaal-economische status (SES) deeltijds kunstonderwijs volgen is reëel.

Vorige week kreeg ik een opvallende oplossing voor ongelijke kansen: een pleidooi voor ouders om minder voor te lezen voor hun kinderen. Het ontlokte me een gemeend ‘say what?’. Voorlezen blijkt inderdaad een belangrijk rol te kunnen spelen bij de ontwikkeling van een kind. En terug kunnen hier verschillen opduiken tussen gezinnen (al dan niet gelinkt aan SES) waardoor de kansen ongelijk worden. Maar is dan de oplossing kinderen kansen te ontnemen omdat anderen deze kansen niet krijgen? Enkele jaren geleden was er een pleidooi om huiswerk af te schaffen in het Brusselse onderwijs. Er zijn gegronde redenen om kritisch te zijn bij huiswerk, maar een van de argumenten was dat de groep kinderen die geholpen worden door ouders een ongelijk voordeel krijgen ten opzichte van kinderen bij wie de ouders dit niet doen.

Mogen kinderen niet meer op reis naar Rome omdat andere kinderen dan een oneerlijke achterstand hebben in de les geschiedenis? Het klinkt gek, maar het is een val waar we soms dreigen in te vallen in hedendaagse onderwijsdiscussies.

Ik wil nu vooral niet schrijven: de wereld is ongelijk, leer er mee leven. Integendeel! Het is essentieel belangrijk dat we kansen geven aan elke kind, ook aan de kinderen die kansen ontlopen. Dit kan door bijvoorbeeld ouders “freedom of mind” te geven, zo bleken goedkopere sociale woningen in de UK (causaal) gelinkt te zijn aan betere schoolresultaten, door kinderen te ondersteunen via bijvoorbeeld tutorprojecten, door ouders de ondersteunen via taaltips,…  en door goed onderwijs voor iedereen aan te bieden.

P.S.: en natuurlijk door de drempels voor deeltijds kunstonderwijs te verlagen en/of laag te houden.