Het tijdperk van mobiel is het tijdperk van samen. (Linda Duits)

27 03 2015

Deze blogpost verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Demonstranten zitten op de DamJarenlang werd jongeren verweten dat ze geen idealen hebben. De babyboomers waren immers de protestgeneratie en niemand doet ze dat na. Jongeren van nu zouden de internetgeneratie zijn: verknocht aan hun mobiele telefoon, niet bereid tot meer dan het liken van een goed doel op Facebook. De bezetting (of beter: bevrijding) van het Maagdenhuis toont een heel ander beeld van de hedendaagse student. De studenten die daar zitten zijn politiek bewust, maar geloven niet in bestaande partijen. Ze denken vrij en ze organiseren zich.

Sinds de jaren ’90 is de universiteit veranderd. Inspraak werd afgepakt, een competitief beurssysteem werd ingevoerd, studentenaantallen stegen en er ontstond een publish or perish-cultuur. Medewerkers lieten dit over zich heen komen. Er werd onderling veel geklaagd en er verscheen menig opinieartikel in de krant, maar van verzet was geen sprake. Het waren de studenten die uiteindelijk actie ondernamen, die vonden dat er genoeg gepraat was en dat er druk uitgeoefend moest worden.

Anders dan de docenten zijn deze studenten niet geknecht, ondanks het leenstelsel. In het Maagdenhuis vinden dagelijks lezingen plaats, van kleine en grote namen. De studenten laten zich vervoeren door theorieën over verandering. Daarbij hebben ze een sterke hang naar gemeenschap. Het Maagdenhuis is nu een centrale ontmoetingsplek. De studenten willen volwaardig onderdeel zijn van de academische gemeenschap en daarbij hoort een plek om samen te komen.Voor jongerenonderzoekers moet die zucht naar offline samenkomen niet nieuw zijn. Onder studenten viel al langer op dat ze graag samen buitenshuis studeren (vandaar de enorme behoefte aan studieplekken) en dat ze contacturen erg waarderen.

Een volwaardig onderdeel zijn betekent serieus genomen worden en meebeslissen. Dat is dan ook de voornaamste inzet van het protest: een meer democratische universiteit. Ze laten zich niet ringeloren door oppervlakkige ideeën over burgerschap, maar denken voor zichzelf. Als docent kan je daar niets anders dan trots op zijn. Als jongerenonderzoeker dringt de vraag zich op in hoeverre deze groep een voorhoede is van wat gaat komen.

Een voorspelling wil ik daar wel over doen: het belang van fysiek samenkomen zal steeds meer prominenter worden. We zien dit bijvoorbeeld ook bij fans. Zij waren de early adaptors van het internet en vormden daar nieuwe gemeenschap. Nu draait alles om bij elkaar zijn op fysieke plekken, op fanconventies of om live in het Vondelpark de finale van Wie Is De Mol te kijken. Het tijdperk van mobiel is het tijdperk van samen.

Beeld: zitten op Dam tijdens de protestmars van 13 maart 2015. (c) Linda Duits





Schaalvergroting in onderwijs, een overzicht

23 03 2015

Dit weekend bleek onder andere uit artikels in De Tijd dat de basisscholen aan de alarmbellen trekken over de enorme schaalvergroting die het katholieke onderwijs wil doorvoeren. Let wel, dit gaat niet over grotere scholen, maar over groter organisatorische gehelen. Ze willen van de huidige iets minder dan 800 schoolbesturen naar een 150 schoolbesturen gaan. Het basisonderwijs vreest hierdoor dat de kleuterscholen en lagere scholen (nog meer) in de verdrukking zullen komen.

Voor alle duidelijkheid, het VSKO heeft hiervoor goede redenen:

  • Vaak zijn schoolbesturen nu vrijwilligerswerk en men wil een professionalisering doorvoeren.
  • Die professionalisering is nodig om bijvoorbeeld beter personeelsbeleid mogelijk te maken,
  • en ook zo beter het hoofd te bieden aan de complexere werkelijkheid waarin scholen vandaag moeten opereren.

De overheid is vandaag dergelijke schaalvergroting ook niet ongenegen omdat het voor hun masterplan secundair onderwijs dan makkelijker wordt om domeinscholen te organiseren die per inhoudelijk domein zowel doorstroomrichtingen, arbeidsmarktgerichte opleidingen als gecombineerde richtingen aanbieden. Verder hoor je hier ook vaak het personeelsbeleidargument, met expliciete verwijzing naar de startende leerkracht die dan misschien niet op 1 school genoeg uren kan vinden, maar wel binnen het groter geheel.

Maar de de directies van de basisscholen hebben ook goede punten:

  • “In de toekomst zal het werkingsbudget niet langer naar de school gaan, maar naar de scholengroep. Die verdeelt het geld tussen de scholen. Voor de basisscholen ligt dat gevoelig, want ze riskeren minder geld te krijgen. Nochtans pleiten ze al jaren voor meer ondersteuning.”
  • “Macht is een tweede pijnpunt. De basisscholen zijn bezorgd dat ze worden opgeslorpt in een groter geheel waarover ze geen controle hebben.” (bron De Tijd)

Maar er zijn meer bedenkingen te maken, los van de vraag of het goed of negatief is:

  • Toen ik vroeg op de studiedag van NGVO in juni vorig jaar toen dit plan de eerste keer naar buiten kwam, of het risico niet bestaat dat zo het VSKO zichzelf overbodig kan maken, was het antwoord toen: is mogelijk.
  • Vandaag spreken we over schaalvergroting en expliciet niet over schoolvergroting, maar er zijn weinig zekerheden dat uit efficiëntie drang het ene niet tot het andere kan leiden.

Ik geef toe dat ik zelf koele minnaar ben van enorme scholengroepen, om de redenen die onder andere professor Devos opnoemt, al zie ik ook mogelijke voordelen die de professor ook benoemt. Zelf vraag ik me af als je basisonderwijs lokaal wil verankeren en wil organiseren dicht bij de mensen, het misschien geen piste kan zijn om te verplichten dat er aparte scholengroepen komen voor basisonderwijs en secundair onderwijs. Zo kan de eigenheid gegarandeerd worden. Ik zie hier ook mogelijke nadelen, de overgang van het ene niveau naar het andere, maar tegelijk vermijd je dan ook de verenging die kan ontstaan van leerlingen die binnen een schoolorganisatie gehouden willen worden.





Een kleine ode aan mijn “kantoor”

20 03 2015

Collega’s weten het al langer. Vergaderen doe ik niet graag – anderzijds wie wel? – en als ik zelf een vergadering moet organiseren verhuist die heel vaak van de campus weg naar Het Salon.

Journalisten die me wilden interviewen en die me liever in levende lijve zagen dan via de telefoon, kregen steeds de boodschap: afspreken in Het Salon.

Als ik in de buurt van school moest blijven voor praktische redenen, maar toch wou werken op mijn manier (geen commentaar hoe die manier dan wel is). Je raadt het al…

Zowel de vergaderingen als de interviews eindigden voor mij bijna steeds met een tomatensoepje, zonder balletjes graag.

En nu sluit mijn kantoor. Een plek waar ik minder ging toen ik student was, maar gaandeweg een deel van mijn leven werd.

De eigenaar wil het rustiger aan doen. En hij heeft daar alle recht toe.

In de plaats zou een glutenvrij restaurant komen. Ook zij hebben daar alle recht toe.

Maar 1 ding is zeker, ik ga mijn kantoor meer dan missen.

P.S.: ik vermoed, als ik zie hoe gezellig druk het nog steeds is in Het Salon dat er nu een echt gat in de markt is ontstaan, beste Gentse ondernemers en vergeet de soep en de strips niet!





Leerkrachten in Wales krijgen een ‘leerpaspoort’ en een nieuwe educatieve master voor meer professionalisering

17 03 2015

Professionalisering van leraren heeft volgende oa John Hattie een grote impact op het leren van de leerlingen in de klas. Wales, als regio, kreeg de voorbije jaren slechte rapporten qua ontwikkeling van de leerkrachten en de overheid wil hier dringend iets aan doen.

De maatregelen samengevat:

2 maatregelen springen mij in het oog: het professionele leer paspoort dat als het ware een continue vorming van een leraar bijhoudt. Hier vraag ik me af in welke mate dit enerzijds een formaliteit kan blijven of anderzijds een middel kan zijn voor repressie (“jij deed niet genoeg aan bijscholing”). Ik denk dat het toegang verlenen tot kwaliteitsvolle leerkansen hier belangrijk zal zijn.

De tweede maatregel is ‘new master in education practice’, de mogelijkheid om als leerkracht een extra kwalificatie te behalen in de vorm van een nieuwe master met als bedoeling het beter doorstromen van effectieve leermethodes in de klas. Van dit laatste, dat voor een stuk aanleunt op oa het Schotse systeem, ben ik zelf een voorstander. Let wel, het gaat dan niet over de universitaire lerarenopleiding zoals die vandaag bestaat, maar een specifieke opleiding voor leraren die al les geven en zich verder willen ontwikkelen.

Je kan meer informatie vinden over deze opleiding in deze folder, hier of in deze video:





Vandaag is het “rapportdag” voor onze opleiding

13 03 2015

Gisteren verscheen een klein artikel op Limburg actueel dat de voorbode is voor het nieuws dat vanmorgen om 9u bekend gemaak wordt: de evaluaties van de lerarenopleidingen secundair onderwijs door de verschillende visitatiecommissies.

Ik maakte al twee dergelijke visitaties mee, en het is – naast veel werk – een spannende onderneming. Iedereen zet zijn beste beentje voor, net zoals bij een groot mondeling examen. En dan is het een eerste keer bang afwachten of je ergens iets tussen de regels kan lezen die de commissievoorzitter zal zeggen op het einde van het visitatiebezoek, net voor ze weggevoerd worden met de al klaar staande taxi’s zodat we maar niks zouden kunnen vragen.

En dan is het wachten, deze keer extra lang, op het resultaat. De opleidingen krijgen wel een eerste versie van de eigen beoordeling om commentaar op te geven, maar het totale plaatje wordt pas vandaag bekend gemaakt.

Zelf heb ik geen flauw idee wat in ons rapport staat of wat er in de andere rapporten staat. Maar deze ochtend staat in De Morgen wel al een schot voor de boeg:

  • Bijna alle hogescholen krijgen een voldoende of beter voor hun gewone, voltijdse opleiding.
    Oef, alhoewel dat ene woordje ‘bijna’… Ik heb wel goede hoop voor onze opleiding, vorige keer scoorden we echt goed.
  • Toch mag er meer worden gevraagd en er is een kloof met de praktijk.
    Een voldoende betekent dat de opleiding voorbereidt op het werkveld, maar tegelijk lijkt het voor een van de visitatiecommissievoorzitters (wat is de woordwaarde hier van?) alvast niet genoeg om jongeren echt te wapenen voor de job van leerkracht vandaag, met een duidelijke link naar een nood aan ondersteuning van beginnende leraren. (Ik beschreef zelf ooit hoe ik droom van een 3-jarige opleiding die een startbewijs kan opleveren om les te geven, vervolgens 3 jaar intensieve begeleiding tijdens de job in samenwerking tussen middelbaar onderwijs en hogeschool en vervolgens de optie om deeltijds in 2 jaar een master te halen in combinatie met werk.)
  • De opleidingen voor werkstudenten scoren minder goed.
    Een zeer opvallend element: de inspectie zou aangeven dat de kwaliteit van de opleidingen voor werkstudenten, waarbij studenten in avondles opgeleid worden, extra in de gaten moet gehouden worden. Ze zouden lang niet altijd de zelfde competenties behalen als de voltijdse studenten.
    Dit laatste is geen onbelangrijk thema. Om de (grote) nood aan leerkrachten in de toekomst te lenigen, kijkt men heel erg naar de zogenaamde zij-instromers: mensen die op latere leeftijd, na een andere carrière toch voor het beroep van leerkracht kiezen. Het zou me niet verbazen als de bronnen van De Morgen kloppen, dat dit wel eens politiek een belangrijk thema kan worden.

Straks, om 9 uur ben ik aan het les geven met een groep zeer gemotiveerde eerstejaarsstudenten. Het zal dus pas later zijn dat ik ons rapport kan bekijken dat om 9 uur op de site van de VLUHR zal verschijnen. Net zoals mijn oma voor elk rapport een kaarsje deed branden toen ik studeerde, duim je mee?





Een nobelprijswinnaar spreekt…

12 03 2015

De VRT had een gesprek met François Englert, nobelprijswinnaar, over wetenschap met 2 duidelijke waarschuwingen:

“Hoewel het zich niet altijd meteen in een nuttige toepassing of succes vertaalt, is het volgens hem op de lange termijn ontzettend belangrijk. “Mensen beseffen mogelijk onvoldoende dat een gebrek een fundamenteel onderzoek in vele andere domeinen gevolgen zal hebben”, zegt hij. “Op de lange termijn zal het overal de creativiteit vernietigen.”

Daarnaast hekelt hij de toenemende druk die op academici rust om op korte tijd veel te publiceren in wetenschappelijke tijdschriften. Vooral jonge wetenschappers krijgen hierdoor vaak niet te ruimte om creatieve en vernieuwende ideeën uit te werken.”

Gisteren tweette @neuroskeptic een onderzoek over medisch, wetenschappelijk onderzoek in Vlaanderen die een derde waarschuwing inhoudt die hier bij aansluit:

Abstract van dit onderzoek van Tijdink et al.:

There is increasing evidence that scientific misconduct is more common than previously thought. Strong emphasis on scientific productivity may increase the sense of publication pressure. We administered a nationwide survey to Flemish biomedical scientists on whether they had engaged in scientific misconduct and whether they had experienced publication pressure. A total of 315 scientists participated in the survey; 15% of the respondents admitted they had fabricated, falsified, plagiarized, or manipulated data in the past 3 years. Fraud was more common among younger scientists working in a university hospital. Furthermore, 72% rated publication pressure as “too high.” Publication pressure was strongly and significantly associated with a composite scientific misconduct severity score.





3 voorstellen over werkdruk in onderwijs van David Didau

11 03 2015

Planlast en werkdruk zijn thema’s die niet enkel in het Vlaamse onderwijs een thema zijn, maar een nieuwe bevraging bij 44000 leerkrachten in de UK toont dat de situatie niet onvergelijkbaar is.

David Didau (@learningspyder) geeft 3 concrete voorstellen om als beleid met werkdruk om te gaan:

  1. Never ever introduce a policy predicated on the idea that teachers can, or should, do more than they are already doing. Teachers are at capacity. No one is holding a bit back to cope with the next cockamamie initiative. Any policy which ignores this advice will either fail or prevent teachers from spending time of some other, presumably worthwhile, activity. It might really help if someone in the DfE got an economist to explain opportunity cost to them.
  2. If you add something to teachers’ workload, take something else away. And do it explicitly so that no one is confused about what they should or shouldn’t be doing. If it’s deemed absolutely essential for children to learn about British values, what are they going to stop have curriculum time spent on? If teachers absolutely must be held account for meeting targets based on spurious data or triple mark their books, what will they be required to stop doing?
  3. Hold school leaders to account for teachers’ well-being. It is morally reprehensible that teachers are expected to sacrifice their home lives to make space for work demands that cannot be met during the school day. Every teacher I’ve spoken to over the last couple of years agrees that their marking load has increased considerably over the past 5 years. I doubt whether this enormous increase in effort has resulted much in the way of increased attainment. But it’s certainly had an impact on teachers’ well-being.Students’ outcomes are vitally important, but they should never come at the cost of teachers’ health and well-being.

Het laatste voorstel is er eentje waar ik voor Vlaanderen wel echt wat bedenkingen bij heb. De job van schooldirecteur is bij ons vaak nog een pak zwaarder dan die van leraar. Ik heb eerlijk gezegd veel bewondering voor wat vandaag schooldirecties al doen. Dus voor 3 moet komen: zorg dat 1 en 2 ook gelden voor schooldirecties en liefst dat hun taken nog meer verlicht worden, zodat er plaats is voor 3.

Meer voorstellen, concreet rond planlast, check ook dit rapport.





2 verschillende klanken over sociale en emotionele opvoeding op school

11 03 2015

Eerder deze week schreef Johannes Visser dit stuk in de Correspondent over het werk van Gert Biesta. Visser beschrijft hoe vandaag er een stijgende aandacht is voor persoonlijkheidsvorming op school.

In een recente Policy Brief van het CPB wordt gesteld dat cognitieve vaardigheden maar een beperkte voorspellende waarde hebben voor succes. Niet intelligentie, maar persoonlijkheid is een belangrijke factor in het behalen van succes. ‘Persoonlijkheid voorspelt succes. Vermijd eenzijdige focus op cognitie,’ kopt de beleidsbrief dan ook.

En

Maar met ‘succes’ bedoelt het CPB niet dat iemand een gelukkig leven zal leiden of een goede burger zal zijn. Dat blijkt wel uit de conclusie die het Planbureau trekt:

‘In welke richting mensen hun persoonlijkheid het beste kunnen ontwikkelen, hangt dus af van de mate waarin ze over bepaalde persoonskenmerken beschikken en het soort baan dat ze ambiëren. Er moet voor elk deel van de populatie goed gekeken worden aan de ontwikkeling van welke vaardigheden het schort, voordat effectieve maatregelen genomen kunnen worden.’

Biesta dan:

Het onderwijs kan volgens Biesta door middel van het curriculum, pedagogiek en lesplannen hooguit proberen om ervaringen te creëren waarin leerlingen verantwoordelijkheid op zich kunnen nemen, of, andersom: ervoor zorgen dat ons onderwijs zulke ervaringen niet uitsluit.

En net nu publiceert de OESO een nieuw boek over Skills for Social Progress: The Power of Social and Emotional Skills en kondigt Schleicher dit aan:

…the OECD is going to develop more measures and an international comparative framework, in order to better grasp youth’s current and future needs for social and emotional skills. So this report augments the reflection on how future policies could best encourage and nurture the development of social and emotional skills, of course, working hand in hand with parents and teachers.
Not surprisingly, we need a wide range of diverse skills to contribute to the economy, support better social outcomes and build more unified and tolerant societies. Cognitive abilities such as literacy and problem-solving remain crucial. But, people with strong social and emotional foundation skills thrive better in a highly dynamic labour market and rapidly changing world.  Investing in these skills will be central to addressing numerous socio-economic challenges, and for ensuring prosperous, healthy, engaged, responsible and happy citizens.
Juist, net dat waar Visser en Biesta voor waarschuwen. Alle discussies die we de voorbije 10 jaar gehad hebben over het cognitieve in onderwijs zijn aan het verschuiven naar een nieuw domein: het emotionele en het affectieve.




Nee, schrijf aub geen post met 10 voordelen van de Apple Watch in onderwijs…

9 03 2015

Ja, je kan het bijvoorbeeld gebruiken in de sportles, maar…

  • bij een toestel waarbij je voor het goedkoopste model 349 dollar moet betalen,
  • en waarbij je ook nog een smartphone nodig hebt van minstens 399 euro?

Dan denk ik dat we meer dringende kosten hebben in het onderwijs.

Dus schrijf misschien liever een post waar je zo een bedrag per leerling kan vinden en wat je er dan allemaal aan zinnige dingen mee kan doen.

(En ja, ik vind het ding er mooi uitzien).





Niemand klikt op je twitter-linkjes (Linda Duits)

18 02 2015

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

bedroefde tweetbirdVroeger was Twitter vooral een babbelbox. Het was een gezellige boel en ‘s avonds laat werd het nog gezelliger als sommige mensen wat gedronken hadden en nog vrijer hun gedachtespinsels deden. Twitter groeide, er kwamen steeds meer journalisten en celebrities, en er kwamen gedragsregels. Net als andere sociale netwerken werd Twitter steeds meer gezien als een manier om inhoud te delen – om te linken naar plekken elders. Het werd een plek voor traffic. Maar werkt dat eigenlijk wel?

Mensen zijn soms jaloers op mijn redelijk hoge aantal volgers en denken daardoor dat ik ook veel verkeer weet te generen, bijvoorbeeld naar dit blog. Ik weet zelf wel beter: het aantal mensen dat hier komt is een uiterst klein deel van mijn volgers. Dat komt onder andere omdat niet iedereen constant zijn feed leest. Daarom is het verstandig om een belangrijke link meermaals te twitteren. ‘Voor de avondploeg’ zie je dan soms staan. Daarnaast is niet iedereen geïnteresseerd in mijn schrijfsels; sommige mensen volgen me alleen voor de StarWars-plaatjes.

Gisteren verscheen er op The Atlantic een stuk waarin redacteur Derek Thompson zijn eigen kliksucces analyseert. Thompson heeft zo’n 27.600 volgers. Een recente tweet van hem met een link naar een van zijn artikelen had 155.260 impressies gegenereerd – het was meer dan duizend keer geretweet. Toch viel het bereik tegen. Slechts één procent van al die mensen die zijn tweet zagen, klikte op het linkje. Thompson was zwaar teleurgesteld. Hij overpeinst:

Is the social web just a matrix of empty shares, of hollow generosity? As Chartbeat CEO Tony Haile once said (on Twitter), there is “effectively no correlation between social shares and people actually reading.”> People read without sharing, but just as often, perhaps, they share without reading.

Thompson moppert dat de tweets die hij verstuurt vooral ten voordele van Twitter komen. Dat is nogal overdreven: ook als je volgers niet op je linkjes klikken, nemen ze kennis van alle geweldige dingen die je doet. Zijn boodschap is evenwel belangrijk voor de mensen die Twitter instrumenteel benaderen: je komt dan bedrogen uit. Om het nog erger te maken: Medium geeft je naast het aantal views van je artikel ook het percentage mensen dat het heeft gelezen. Bij mijn eerste en vooralsnog enige stuk ging dat om 39 procent.

Uiteraard ben ik zelf ook even gaan neuzen in mijn analytics (u kunt uw eigen hier bekijken). Gelukkig heb ik soms tweets waarop wel vijf procent van de mensen die de tweet ziet, klikt. Daar zit misschien een lesje in voor Thompson: uiteindelijk draait het om de kwaliteit van je volgers.

Noot: overigens doet Twitter het nog altijd beter dan Facebook. Zie wat we daar eerder over schreven








Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 7.151 andere volgers

%d bloggers op de volgende wijze: