Opinie vandaag in DS: Wat heb je nou aan algebra (in 2030)? #onsonderwijs

Er komt een groot maatschappelijk debat over de Eindtermen de komende 50 dagen (zie ook hier) onder het motto “Ons onderwijs” en ik werd gevraagd voor een opiniestuk hierover. Nee, de titel is niet mijn afkeer van algebra (integendeel), maar een verwijzing naar Loekie Knol*.

‘Wat heb je vandaag op school geleerd?’ In 1993 coverde De Nieuwe Snaar deze song van De Elegasten om een wel heel speciale reden. Het was een oproep aan iedereen in Vlaanderen om mee na te denken over de toen nieuwe eindtermen voor het secundair onderwijs.

Nu, 23 jaar later, begint er opnieuw een discussie over wat onze kinderen moeten kennen, kunnen en misschien zelfs zijn als ze uit het leerplichtonderwijs komen. Eindelijk. Ik kan niet anders dan vragen: denk alstublieft mee.

De voorbije jaren gingen veel onderwijsdiscussies over structuren. Denk aan die over de hervorming van het secundair onderwijs. De vraag wat wij als samenleving belangrijk vinden dat onze kinderen zullen leren is minstens even fundamenteel. Hoe willen wij toekomstige generaties voorbereiden op hun toekomst? Maar evenzeer: wat willen wij als samenleving aan de volgende generatie meegeven dat we zelf waardevol vinden?

Hugo Claus en de regel van drie

Beide vragen zijn volgens mij evenwaardig. De eerste lijkt vaak het meest relevant: welke kennis en vaardigheden hebben jongeren nodig in een wereld die steeds lijkt te veranderen? Hoe kunnen we hen wapenen om een plaats te vinden in die samenleving? In Nederland was er vorig jaar al een uitgebreide bevraging over de einddoelen. Toen zag je dat er veel aandacht was voor digitale vaardigheden. Verder vonden onze noorderburen het cruciaal dat hun kinderen leerden te leven in een meer diverse wereld.

De tweede vraag, wat willen we meegeven, slaat op het conservatieve karakter van onderwijs. Wat willen we niet verloren zien gaan? Willen we bijvoorbeeld dat onze kinderen de gruwel van de Eerste en Tweede Wereldoorlog blijven kennen? Of Hugo Claus? De regel van drie? Volgens de filosofe Hannah Arendt is er een heel specifieke reden voor onderwijs om kennis aan volgende generaties door te geven: onderwijs moet dat doen opdat volgende generaties zelf kunnen beslissen wat ze met die kennis aanvangen. Onze jongeren van vandaag moeten dan later zelf beslissen wat ze weggooien dan wel meegeven aan hun kinderen.

Die vragen moeten we dus trachten te beantwoorden. Ga erover in discussie. Maar ik wil waarschuwen voor drie mogelijke valkuilen bij het denken over doelen in onderwijs.

1. Kijk naar de toekomst en blijf niet hangen in de hypes van vandaag.

Neem van mij aan, dat is zeer moeilijk. Als je naar het voorbije publieke debat in Nederland kijkt, leer je veel over wat we in het hier en nu belangrijk vinden. De waarde van sommige voorstellen op langere termijn is soms minder duidelijk. Omdat ik niemand wil beledigen, leg ik dit uit aan de hand van een fictief voorbeeld: stel dat we vandaag massaal op een hoverboard zouden rijden, dan nog is het moeilijk in te schatten hoe belangrijk lessen hoverboard zijn voor het leven in 2025.

2. Denk niet dat kennis niet meer belangrijk is omdat je vandaag zowat alles kan opzoeken.

Dat is een populaire en hardnekkige onderwijsmythe. De kans is groot dat enkele van de belangrijkere doelen bijvoorbeeld creativiteit en een kritische geest zullen zijn. Creativiteit kan je echter niet opzoeken of downloaden. Een van de belangrijkste voorwaarden voor creativiteit is kennis. En kritisch zijn zonder kennis van zaken, is gewoon lastig doen. Een discussie over welke kennis en vaardigheden in de eindtermen thuishoren, is zeker opportuun.

3. Verwar het middel niet met het doel.

Laat me dat uitleggen aan de hand van leren programmeren en logisch leren denken. Allebei kunnen een valabel doel zijn, maar in de zin ‘leren programmeren om logisch te leren denken’ is enkel het laatste een doel en is leren programmeren een inhoud en middel om dat doel te bereiken. Het is echter best mogelijk dat er andere wegen zijn om ‘logisch denken’ te bereiken.

De inschatting wat de beste weg is om een doel te bereiken, hangt van veel factoren af. Wat is de voorkennis van de leerlingen? Wat zit er in de actualiteit? Wat is er mogelijk in de omgeving? Welke inhouden en werkvormen hebben in deze context het meeste leereffect? Deze en andere afwegingen moeten leerkrachten maken om hun leerlingen te begeleiden bij de eindtermen die we de komende tijd samen zullen bepalen.

Ik kijk uit naar boeiende discussies!

* Voor wie niet weet wie Loekie Knol is en wat ze met Algebra te maken heeft (en dat is geen schande, ik ontdekte het gisteren ook pas voor het eerst door de redacteur van De Standaard), dit maakt veel duidelijk:

Stel je mag onverwacht op reis… over het belang van kennis

Wat leuk, je mag onverwacht op reis naar een voor jou onbekende plaats. Neem China. Je hebt nauwelijks tijd om te pakken, laat staan om je voor te bereiden. Ter plekke krijg je geen gids, maar je hebt wel je mobiele telefoon bij je om dingen op te zoeken en de roaming kosten worden voor je betaald.

Je zou niet verdwalen. De GPS van je mobiel zou hier voor zorgen. Je zou niet verhongeren, lang leve tripadvisor. Maar hoeveel zou je missen? Hoeveel zou je zelfs niet opzoeken omdat je het niet als bijzonder herkent. Bij gebrek aan referentiekader zou je voorbij gebouwen lopen die een speciale betekenis voor het land hebben. Je zal wellicht enkel highlights bekijken die je vond als “must sees”. Misschien word je wel door iets kleins geraakt, maar verder ben je zo goed als blind.

Het is net als elke blues song die voor een niet-ingewijde wel heel erg op die andere blues song kan lijken. De kennis die je ooit opdeed over China, Blues, of welk ook gebied, zal je helpen om meer te zien. Referentiekaders kun je niet 1, 2, 3 te voorschijn toveren, vaak al omdat je niet eens zal merken dat je ze mist.

Liever zou ik als ik onverwacht naar China zou mogen, tijd hebben om me voor te bereiden, en dan nog zal ik mijn best moeten doen om iets meer te “zien”.

Net als creativiteit kan je “meer zien” niet downloaden. Het is een van de redenen waarom kennis nodig is.

Dit idee haalde ik trouwens bij Joshua Foer in zijn boek “Moonwalking with Einstein”.

Twee onderzoeken naar het gebruik van Snappet op tablets in Nederlands onderwijs toont meerwaarde

Kennisnet publiceerde net 2 onderzoeken naar het gebruik van tablets en interactieve software (i.c. Snappet). Beide onderzoeken hebben samen een grote steekproef. Er werd gewerkt met controlegroepen waarbij bij het onderzoek van de Universiteit van Twente ook de toewijzing random gebeurde. Ook interessant is te merken dat de resultaten van beide onderzoeken, ondanks verschillende steekproef en ietwat verschillende aanpak, niet perfect identieke maar vergelijkbare resultaten opleveren.

Beide onderzoeken zijn dus zeer zeker relevant, waarbij ik graag op een element dieper inga. Een quote uit het Kennisnet-bericht:

Leraren bleken zich in een klas zonder tablets vooral te richten op de gemiddelde leerling. De prestaties van de laag en hoog scorende leerlingen bewogen daardoor steeds meer naar het gemiddelde toe. Gevolg: de beste leerlingen ontwikkelen hun reken- en taalvaardigheid minder snel dan de andere leerlingen. Bij gebruik van de software ontwikkelden de beste leerlingen zich juist evenveel.

Alfons ten Brummelhuis, expert wetenschappelijk onderzoek bij Kennisnet: “Elke leraar wil liefst al zijn leerlingen op hun eigen niveau lesgeven, en past dan zijn lessen vaak aan op twee of drie niveaus. Want met meer dan 20 leerlingen in je klas is het fysiek onmogelijk elke leerling onderwijs op maat bieden. We weten nu dat het met dit soort adaptieve onderwijstechnologie wél kan. En dat is goed nieuws voor de leerlingen, de leraren en de hele leermiddelenmarkt.”

Beide onderzoeken zijn inderdaad hoopgevend, maar het Mattheus-effect is in beide onderzoeken opvallend, alhoewel niet onlogisch. Vrij vertaald: de kloof tussen sterkere leerlingen en de zwakkere leerlingen wordt groter. Of dit goed of slecht nieuws is minder eenduidig volgens mij. De mensen van Kennisnet wijten het aan het element dat we nog aan het begin van de ontwikkeling staan. Toch is het voor mij een belangrijk aandachtspunt, vooral ook omdat de reden waarom leerlingen zwakker presteren verschillende oorzaken kan hebben.

Verder geef ik nog deze waarschuwing mee van Kennisnet:

Tigges drukt andere scholen dan ook op het hart eerst een plan te maken voordat ze aan de slag gaan met een programma als Snappet: “De winst die je kunt behalen valt of staat met de onderwijskundige begeleiding en de afspraken die je maakt – over inzet in de hele school, over het gebruik van de data. Ook moeten leraren goed worden geschoold en moet je als school zorgen dat je je technische randvoorwaarden op orde hebt. Als je het hapsnap inzet, gaat het mis.”

Annet van Duren, onderwijsdirecteur bij Snappet, laat in een schriftelijke reactie weten blij te zijn met de resultaten. “Deze onafhankelijke, wetenschappelijke onderzoeken laten zien dat het werkt om traditionele, goed werkende elementen van onderwijs te verankeren en deze te versterken met de nieuwe mogelijkheden van techniek.”

Je kan beide rapporten hier downloaden.

Over onderwijs: eten wat de pot schaft of niet

In ons gezin ben ik het vaak die kookt. Ik doe het graag. Dit koken bracht me bij de volgende gedachte over onderwijs. De voorbije decennia zijn de gewoontes op vlak van thuis koken en eten namelijk behoorlijk veranderd. Waar de norm was dat iedereen moest eten wat de pot schaft, is het niet abnormaal dat verschillende maaltijden of versies van maaltijden gemaakt worden voor verschillende mensen aan tafel. Dit kan gaan van gewoon een tweede groente of een ander stuk vlees, tot echt compleet verschillende maaltijden. .

De redenen om dit te doen kunnen divers zijn. Zelf ben ik allergisch aan vis- en schaaldieren, dus is een alternatief noodzakelijk. Soms is er ook een praktische reden: gezinsleden die op verschillende momenten thuis komen. Een andere reden kan zijn dat een kind iets niet graag lust (zie oa hier)

Bij dit laatste zullen nu al een paar lezers misschien een ongemakkelijk gevoel krijgen. Maar moet een kind dan niet dingen leren eten? Stel je voor dat een kind enkel zou moeten eten wat het graag lust. Zou het dan ooit spruitjes eten? Of iets anders dan pizza of frietjes? En is het af en toe niet daarom nodig dat een kind eet wat de pot schaft? Ook al omdat je niet altijd tijd hebt om twee of drie verschillende maaltijden te maken. Anderzijds zal je als je regelmatig kookt, hopelijk voor genoeg variatie zorgen en er mee rekening houden dat je niet elke keer iets minder populair op tafel zet. Tegelijk besef je dat elke dag frietjes allesbehalve gezond is.

In onderwijs moet je soms een andere “maaltijd” maken niet omdat een kind allergisch is (alhoewel sommige kinderen dit misschien wel denken), maar bijvoorbeeld omwille van inclusie en je het kind niet wil laten verhongeren. Vaak ga je differentiëren in aanpak en inhoud, omdat bijvoorbeeld de ene grotere honger heeft, de andere een kleinere maag,… Soms ga je kinderen laten proeven, omdat het nieuw is maar je het de kinderen dit wil leren kennen. Wie weet, vragen ze daarna meer. Soms zal een leerkracht ook zeggen dat het leren is wat de pot schaft, omdat het gezond of nodig is. Maar soms zal een leerkracht ook zeggen dat het leren is wat de pot schaft, omdat het gezond of nodig is. Dat laatste is ook een taak die bij opvoeding en vorming hoort, net als alle voorgaande. Ouders die moeilijke eters hebben thuis, weten hoe moeilijk leren eten soms kan zijn. Je zal alles proberen, ook dit is een taak van de leerkracht.

Smakelijk.

 

Just in Time onderwijs?

Ik las net dit stuk over Just in Time onderwijs van Frans Schouwenburg waarin hij Van Alphen interviewt. Het klinkt goed, waarom nutteloze kennis leren voor het geval je het ooit nodig zou hebben (just in case) terwijl je het beter kan oproepen als je het nodig hebt.

In het stuk wordt gesteld dat er wel een basis nodig is, dat wel:

“Goed rekenen, lezen op het hoogste niveau, goed stellen, een verhaal kunnen schrijven. Maar dat hoeft niet klassikaal. We doen dit in workshops en halen hogere rendementen omdat we specialisten in taal en rekenen hebben, die groepsoverstijgend aan alle leerlingen instructies geven en de vorderingen analyseren; een flinke professionaliseringsslag.”

Maar… net als in het pamflet dat de aanleiding voor dit stuk vormde zitten er naast interessante pistes volgens mij ook enkele denkfouten.

In het pamflet wordt niet echt omschreven wat de basiskennis is, maar wordt ook hier gesuggereerd dat deze relatief beperkt is, je kan de rest toch opzoeken of oproepen als je het nodig hebt. De tegenstelling just in case versus just in time gaat echter voorbij aan drie taken die onderwijs heeft (zie oa Biesta) naast subjectivicatie, wat hier een grote brok van het verhaal is met een sterke nadruk op persoonlijke en zelfs individuele ontwikkeling, en kwalificatie, wat in deze tekst vaak negatief bejegend wordt, is er ook nog socialisatie en heeft onderwijs de taak volgens Hannah Arendt om ook dingen door te geven die we als samenleving belangrijk vinden. Niet om ze voor altijd te bewaren, wel opdat de volgende generatie het warm water niet steeds opnieuw moet uitvinden maar kan verder bouwen en desnoods dingen kan weggooien en zo progressie te maken.

Ken Robinson, die een belangrijke inspiratie voor het pamflet was, maakt de fout dat hij creativiteit verengt tot een zeer nauwe Roussiaanse definitie, terwijl voor creativiteit net een ding cruciaal is: kennis en referentiekaders. Referentiekaders zijn dan zaken die je misschien zelfs soms ogenschijnlijk vergat, maar die je toch dingen helpen om zaken correct in te schatten, te kaderen en je helpen om nieuwe oplossingen te bedenken. Nee, kennis is niet nutteloos, vroeger niet, nu niet en ook niet in de toekomst.

Onderhuids zit door de sterke nadruk op het personaliseren ook een potentieel zeer liberale houding, met zeer persoonlijke verantwoordelijkheid, maar dat is een andere discussie.

 

Intrigerende gedachte: de leerkracht als vrij beroep

Vandaag staat in de Standaard een opiniestuk van onderwijspsycholoog Jan Elen, onderschreven door 30 aanwezigen van een studiedag rond het lerarentekort.

Het tweede, derde en vierde punt zijn niet echt nieuw te noemen (alhoewel nog veel work in progress):
2. Zet meer in op technologie en bevraag de essentie van leraarschap
3. Maak van onderwijs een multidisciplinaire ploegsport
4. Professionele leergemeenschappen

Het is vooral het eerste punt dat mij opvalt: Maak van leraar een vrij beroep

Even het precieze stuk bekijken:

Op dit moment is de leraar een bediende, een ambtenaar die op basis van een diploma wordt aangeworven. Leraars hebben als groep nauwelijks inspraak in de organisatie van hun beroep. In sectoren als de advocatuur of de geneeskunde is dat anders.

Als vrij beroep staan leraars ten dienste van leerlingen én dienen ze een maatschappelijk belang. Leraars kunnen zich dan in een beroepsvereniging groeperen die het leraarschap definieert, de toegang tot het beroep reguleert en leraars ondersteunt.Collega’s stellen dan hun specifieke en erkende expertise ter beschikking van scholen om samen school te maken. Zelf het leraarschap definiëren versterkt het beroep en verhoogt het aanzien.

Dit stuk lijkt erg op het pleidooi dat Jelmer Evers en Rene Kneyber houden in hun boeken Het Alternatief of Flip the system. Het lijkt me vooral een pleidooi voor meer inspraak van de leerkracht in het hele proces. Die beroepsvereniging (wat dus niet het zelfde is hier als een vakbond maar eerder iets als een orde van geneesheren) lijkt me vandaag al mogelijk en in Nederland zien we ook vandaag al een leerkrachtenregister (waarbij ik merkte dat je altijd een gevaar van een zeker formalisme kan krijgen). Tegelijk vraag ik me af of als een mogelijk bij-effect er geen marktwerking kan ontstaan tussen leerkrachten en op welke manier deze stap een probleem dat we vandaag al kennen niet kan verergeren: de minst ervaren leerkrachten komen in de meest uitdagende klassen terecht. Of misschien moet er dan ook een soort pro-deo taak bijkomen?

Interessante voer voor discussie!

 

Uitkijken naar een Bosman-arrest in het Nederlandse onderwijs?

In onderwijs kennen we geen overuren, maar tegelijk is het een sector met veel mensen die extra werk doen en een hoge uitval met burnout.

Vandaag staat er in de Nederlandse Volkskrant het verhaal van de strijd van een leerkrachte Wiskunde, Denise Hupkens die naar de rechter trok om haar overuren die ze moet maken uitbetaald te krijgen.

Ik kan de uitslag niet voorspellen, maar stel dat Denise Hupkens gelijk krijgt, kan dit verstrekkende gevolgen hebben.

Enkele weken geleden nog kwam in een gesprek met een goede vriend ter sprake hoe mensen die werken in onderwijs, zorg,… meestal meer doen dan het noodzakelijke. Het gevaar bestaat dan wel dat – onder druk van besparingen – ze steeds meer moeten doen. Voor het zelfde loon, in de zelfde tijd: dus of moet je harder werken, of minder goed of in onderwijs waar tijd toch niet echt gemeten wordt: toch langer.

Volgens TALIS werken Nederlandse leerkrachten gemiddeld 39 uur, maar een gemiddelde kan veel verschillen verbergen. Ervaring versus beginneling, verschillen in vakgebieden, moeilijkheidsgraad, onderwijsniveaus, onderwijsvormen.

Benieuwd dus wat morgen zal geven…

PISA wil nu ook samenwerken tussen leerlingen meten

Eind december, we kijken al vooruit, komen de nieuwe PISA-resultaten en een nieuwigheid is dat nu ook gekeken zal worden naar hoe leerlingen samenwerken.

Het was in feite al geweten, de OESO publiceerde al dit rapport over hun eerste testen, maar in een artikel in TES geeft PISA-topman meer uitleg:

If students are good at maths, if they are good at reading, we take it for granted that they are also a good problem-solver and a good collaborator,” Mr Schleicher, the OECD’s (Organisation for Economic Cooperation and Development) education director said. “But maybe that’s not going to be true.”

Education ministers around the world are going to find out through the results of a new Pisa test in “collaborative problem-solving” which will be published in December alongside the usual triennial Pisa assessments.

Under the new test, 15-year-olds who took part in Pisa last year were given computer-based tasks in which they worked through a “chat” function with computer-generated virtual collaborators to solve a problem.

The measurement focuses primarily on the way a pupil engages with others, rather than solely on the correct solution. “It’s the first time countries are going to have the evidence and it’s going to be interesting and important,” Mr Schleicher said.

“If we find some countries are very good in solving problems but not good at collaborating, I think [governments] are going to pay attention because it is going to matter.”

Ik lees op twitter zeer veel kritiek. Je kan je inderdaad verschillende dingen afvragen:

  • In welke mate is de nood aan samenwerken nieuw?
  • Wil de OESO niet zo nog meer het curriculum bepalen? (als je de tekst leest in TES: het antwoord is duidelijk ja)
  • Is online samenwerken gelijk aan echt samenwerken?

Anderzijds kijk ik zelf wel uit naar de info, als deze tenminste met de nodige voorzichtigheid gebracht en bekeken wordt, namelijk als een bron, niet als het ultieme bewijs.

Hoe een drang naar authenticiteit vooruitgang kan tegenwerken

Authenticiteit is een begrip dat in wat ik doe nog steeds speciale aandacht krijgt. Een van de mooiste inzichten kreeg ik van het boek Faking It van Taylor & Barker waarin ze beschrijven hoe de blues gered en bijna vermoord werd door Britse muzikanten en muziekliefhebbers.

Het waren onder andere The Rolling Stones die er voor zorgden dat blues grootmeesters als Muddy Waters hun verdiende aandacht kregen. Veel zwarte muzikanten kregen eerst waardering in de UK vooraleer ze (her)ontdekt werden in hun thuisland.

Die drang naar de authentieke roots van de muziek die de Britse muzikanten zelf speelden en beluisterden redde zo de muziekstijl, maar…

Tegelijk beschrijven Taylor en Barker hoe de muziek zo steriel werd. Amerikaanse blues muzikanten werden geselecteerd op eenvoud. Een Bo Diddley met zijn junglebeat kon, maar blues die nauwer aansloot bij jazz kon dan weer niet. Te intellectueel, te ver gevorderd, te weinig authentiek in de perceptie van de luisteraar. Hierdoor kon het genre gedurende decennia nauwelijks nog evolueren.

Waarom vertel ik dit. Ik moest er aan denken toen ik gisteren dit artikel las over de strijd die sommige studenten voeren aan het (prestigieuze) Oberlin college over het voedsel aan hun universiteit:

“The sushi is anything but authentic for Tomoyo Joshi, a College junior from Japan, who said that the undercooked rice and lack of fresh fish is disrespectful.”

The Telegraph brengt het stuk als een zoveelste voorbeeld van een overdreven politic correctness die over de universitaire wereld lijkt te waaien, maar hier lijkt het dichter aan te sluiten bij wat ik net beschreef:

‘When you’re cooking a country’s dish for other people, including ones who have never tried the original dish before, you’re also representing the meaning of the dish as well as its culture,’ Joshi said. ‘So if people not from that heritage take food, modify it and serve it as ‘authentic,’ it is appropriative.'”

Nu, de kwaliteit van de sushi is misschien effectief niet zo best (wat sommige tweets) doen vermoeden, maar de drang naar authenticiteit lijkt hier dus ook een rol te spelen.

 

Een blik op een toekomst…

Wat als…

  • Trump de primary’s wint en er daarna een schandaal uitbreekt over Clinton waardoor Trump effectief president wordt?
  • Le Pen door een nieuwe aanslag gekatapulteerd wordt naar het presidentschap in Frankrijk?
  • Vervolgens de EU implodeert?
  • Ondertussen het Kalifaat, Daesh of hoe we IS vandaag noemen uitbreidt met stukken in Egypte, Marokko, Turkije en Tunisië?
  • Het gebruik van sociale media effectief onmogelijk gemaakt wordt onder zestien jaar?
  • Uber verboden wordt in de meeste landen?
  • Cumberbatch & Freeman na de Sherlock-special geen tijd meer hebben voor reeks 4?
  • De aarde toch een pak warmer wordt dan twee anderhalve graden graad.

Kleine en grote vrezen. Realistisch? Misschien, gaan ze wellicht allemaal gebeuren? Wellicht niet? Net zomin als veel van de disruptieve voorspellingen die vandaag ook gemaakt worden.

2015 was het jaar dat Bert en ik naar de toekomst keken en er zijn grote uitdagingen en mogelijke oplossingen. Er zullen zwarte zwanen zijn en zekerheden die toch blijven staan. Jammer genoeg weten we nog niet welke.

Wat we wel weten is dat de werkelijkheid nooit zo positief is als dromers hopen, noch zo negatief als pessimisten wanhopen. Het ontslaat ons niet om te gaan voor het beste, opdat het best mogelijk hopelijk gebeurt.

De komende dagen zullen er nog zeker blogposts verschijnen, maar iets minder frequent. Het was het eerste jaar dat ik probeerde een maand niet te bloggen, maar zo een regime wil ik me nu echt niet opleggen. Bloggen blijft te leuk.

Het is wel vandaag de laatste werkdag van het jaar voor me en ik wil graag iedereen bedanken voor de voorbije tijd. Ik heb het geluk gehad veel fijne mensen te ontmoeten en heel veel bij te leren. Heb ontelbare kilometers afgelegd in Vlaanderen en Nederland, maar ook voor het eerst daarbuiten en heb me vaak in de arm geknepen omdat ik niet kon geloven wat ik allemaal mocht meemaken. Ik heb mogen samenwerken met fijne collega’s binnen en buiten mijn hogeschool.

Het mooiste moment van het voorbije jaar was ook ergens onderweg, mijn vrouw en ik zelf ontroerd omdat op onze achterbank drie jongens spontaan luidkeels Daydream meezongen, niet wetend hoe dierbaar het liedje voor hun ouders is.

Ik wens jullie allemaal een fijn eindejaar. Ga en hoop voor het beste, laat je niet te veel ontmoedigen door tegenslagen en geniet van je eigen Daydream-momenten.

En hopelijk tot ergens onderweg!

Pedro