Wat je best zegt als je een startende leerkracht of een student in een lerarenopleiding ziet…

De media gaan stilaan in onderwijsmodus in Vlaanderen en draaien al op volle toeren in Nederland. Ik wou een stukje schrijven hoe ik me erger hoe er weer af en toe over leerkrachten gesproken wordt, soms onderhuids soms openlijk. Ik erger me omdat ik dan zie hoe de volgende dag het moreel bij mijn studenten weer een pak is gedaald. En ondertussen dalen de cijfers in de opleiding gestaag, terwijl een lerarentekort een meer dan reële dreiging is.

Maar ik wil positief zijn, en dus deze tekst als alternatief: wat je best zegt als je een startende leerkracht of student in een lerarenopleiding ontmoet:

Bedankt dat je dit doet, we hebben je nodig.

En als je wat meer tijd hebt? Dan mag je gerust dit ook zeggen:

Ik weet dat je soms vragen krijgt of je niks beter kon vinden,
terwijl het een van de mooiste beroepen is die er bestaat:
kinderen oppikken in hun wereld en dan die wereld openbreken.
Ik ben jaloers dat jij het wonder van het schrijven van een eerste woord mag zien,
of letterlijk op het gezicht van een kind mag zien hoe het plots een inzicht krijgt.

Ik weet dat mensen over vakantie zullen beginnen,
terwijl je gewoon je overuren opneemt.

Ik weet dat mensen zullen zeggen dat het een tweede of derde keuze voor je was
(wat meestal niet zo is, trouwens),
maar elke goede leerkracht is welkom.

Bedankt dat je onze kinderen zult troosten, helpen én terechtwijzen.

Ik zal als ouder kritisch zijn, maar niet blind de kant van mijn kind kiezen,
horen wat je zegt en gemaakte keuzes proberen te begrijpen,
en samen komen we er dan wel uit.

Bedankt dat jij het wil doen. Ga ervoor!

Ik wou dat meer mensen deze keuze maakten.

En voor iedereen die iets dergelijks van mij of mijn collega-lerarenopleiders wil horen, je kan je nog inschrijven voor de lerarenopleiding. Weet dat we de lat hoog leggen voor we je op kinderen loslaten, maar je zou zelf niet minder willen als leerkracht.

Beste studenten, tot in september!

Tablets zijn ‘out’ bij jongeren, wat betekent dit voor onderwijs?

Gisteren bleek uit een artikel uit de Tijd dat volgens onderzoek van Google en TNS dat de populariteit van tablets bij jongeren spectaculair is afgenomen. De smartphone wint zelfs nog terrein, is persoonlijker dan de iPad of andere toestellen.

Wat kan dit betekenen voor onderwijs, waar bijvoorbeeld in de VS Chromebooks en andere laptops terug veld winnen tegenover tablets?

In eerste instantie helemaal niks. Het is niet dat het toestel nu opeens een pak minder kan daarvoor. Of technologie populair is of niet, zegt niets over potentiële meerwaarde of niet. Je zou nu hier een groot stuk kunnen verwachten waarom we tablets nu moeten bannen, maar dat is even fout als zeggen dat we tablets moeten invoeren omdat ze populair zijn. Dus alle scholen die nu inzetten op tablets en waar het goed gaat: keep calm and carry on.

Maar het is belangrijk te beseffen dat in tweede instantie deze cijfers bevestigen dat populariteit van een bepaalde technologie de slechtst mogelijke reden is om deze technologie in onderwijs in te voeren.

Het is handig dit in het achterhoofd te houden de komende jaren als het gaat over virtual of augmented reality of welke andere technologie er aan komt. De meerwaarde voor leren is cruciaal, niet het nieuwe of het hippe.

 

Even over meerkeuze-examens

Vandaag komt de KU Leuven in het nieuws met een nieuwe vorm van meerkeuze-examens. Dat men de stress wil aanpakken van de studenten bij een dergelijke vorm van examen, is mooi. Door het gokken aan te pakken wil men wellicht ook het verschil aanpakken dat meerkeuzevragen hebben op meisjes en jongens.

Maar er zijn ook een paar andere bedenkingen te maken. Ik zie twee belangrijke redenen waarom multipele choice-examens populair geworden zijn:

  • Meerkeuze-examens lijken meer objectief, maar het verschil tussen jongens en meisjes lijken hier alvast vraagtekens bij te plaatsen.
  • Dergelijke examens zijn praktischer en goedkoper.

Er kruipt een pak tijd in het opstellen van dergelijke meerkeuzevragen, het grote werk zit vooraf, maar het verbeteren kan met technologie razendsnel gaan. Zeker als je les geeft aan gigantische groepen, zoals we nu gewoon zijn geworden in het hoger onderwijs, kan dit een oplossing bieden. Sommige vakken geef ik zelf aan 400 studenten, reken zelf maar uit wat dit betekent voor manueel verbeterwerk versus de examens op een multifunctional leggen en de resultaten een kwartiertje later in een spreadsheet zien verschijnen.

Een mooi extra voordeel is dat we ook de kwaliteit van de vragen daarna makkelijker kunnen meten en zo een pool van goede examenvragen kunnen samenstellen die eventueel kunnen hergebruikt worden.

Maar…  er is nog een probleem. Dit onderzoek uit 2003 van Clark en Linn toont het belang van contactonderwijs voor begrip – wat door besparingen afgebouwd wordt – maar toont ook hoe de achteruitgang van begrip niet vastgesteld wordt door meerkeuzevragen in tegenstelling tot open vragen. De verklaring kan je een stuk bij Hattie en Yates (2013) vinden: het is makkelijker te herkennen (wat je bij meerkeuzevragen hebt) dan zelf iets te construeren (wat je bij open vragen moet doen). De ironie lijkt dus dat 2 besparingsmaatregelen elkaars effect zouden kunnen verbergen.

Het is cruciaal dat er verschillende vormen van evaluatie naast elkaar blijven bestaan, ook meerkeuze, maar ook open vragen, observaties, enz.

Maar dat wist De Ideale Wereld ook al:

Misbruik het verantwoordelijkheidsgevoel van leerkrachten niet

Leerkrachten hebben een groot verantwoordelijkheidsgevoel. Ik weet niet of het ontstaat door de job, ik vermoed dat het eerder bij het profiel hoort van wie voor onderwijs kiest. Je merkt dit verantwoordelijkheidsgevoel vaak in kleine dingen. Al gemerkt hoe leerkrachten spreken over hun leerlingen, over hun klas.

Dit verantwoordelijkheidsgevoel kan nadelen hebben. Het kan soms leraren hinderen om risico’s te nemen en zwaar te experimenteren. Leerkrachten kunnen er onderdoor gaan als ze het gevoel hebben dat ze niet kunnen leveren aan hun kinderen wat ze verdienen.

Maar dat zelfde verantwoordelijkheidsgevoel zorgt er ook voor dat er nu al, op het moment dat ik dit schrijf, een pak leerkrachten in hun klaslokaal bezig zijn het nieuwe schooljaar voor te bereiden. Het klaslokaal aankleden, schilderen misschien, terwijl ook de directie all-round klusjesman of -vrouw blijkt te zijn.

Het is het zelfde verantwoordelijkheidsgevoel dat er voor zorgt dat – zoals vandaag uit een bevraging van het COV blijkt – leerkrachten zelf in de buidel tasten om te investeren in het materiaal dat er nodig is voor onze kinderen om bij te leren.

Het is het zelfde verantwoordelijkheidsgevoel dat er voor zorgt dat leerkrachten toch verder doen als klasgroepen groter worden, als omstandigheden zwaarder worden,… Ze willen er zo lang mogelijk zijn voor hun kinderen. Tot het breekt.

Laten we als samenleving dit verantwoordelijkheidsgevoel koesteren en vooral niet misbruiken. We hebben alle lesgevers – en directies, een verhaal vaak van verantwoordelijkheidsgevoel in het kwadraat – broodnodig en de cijfers van afhakers zijn nu al veel te hoog terwijl het aantal studenten die leerkracht willen worden stelselmatig daalt.

Kleine oproep: is of was loser het meest gebruikte scheldwoord op de speelplaats?

Morgen geef ik een lezing in Rotterdam rond de vraag ‘Wie ben ik?’. Het is niet zozeer dat ik het puur over identiteit ga hebben (in feite echt niet), maar in voorbereiding bekeek ik onder andere ook het werk van Paul Verhaeghe. Een uitspraak van hem die hij in het boek doet maar ook in verschillende interviews herhaalde als argument en bewijs dat onze samenleving (te) neo-liberaal is geworden, is dat op de (Vlaamse) speelplaats van de lagere school ‘loser’ het belangrijkste scheldwoord is geworden.

In een Nederlands interview voor de VPRO specificeert hij het over Vlaamse kinderen tussen 7 en 12 jaar.

Probleem nu is: ik heb indertijd al gezocht en het voorbije weekend terug, ik vind dit onderzoek niet. Hij vermeldt het niet in zijn boek. Je vindt in bijvoorbeeld Scholar wel vaak deze stelling, maar deze zijn steeds terug te brengen tot Verhaeghe zelf.

Vond wel Nederlands commercieel onderzoek (ook getipt via Karin Winters) maar daar komen hele andere scheldwoorden uit (homo scoort bvb goed). Los dat het quote van Verhaeghe over Vlaanderen zou gaan en dat dit onderzoek recenter is en scheldwoorden snel evolueren.

Het heeft wel alvast een leuk gesprek gisteravond opgeleverd met mijn zonen die in de lagere school zitten over welke scheldwoorden bij hen gebruikt worden (mijn oren gingen nogal open).

Maar omdat ik niet van losse eindjes hou en het me dus bezig houdt: kan iemand mij de bron bezorgen?

PS.: stuurde ooit een mail naar de auteur en kreeg geen antwoord.

Dubbele moral panic-alert: flakka en roasting

Stanley Cohen is al een tijdje niet meer onder ons, maar dat wil niet zeggen dat er geen moral panics meer zijn. Voor alle duidelijkheid: deze term werd onder andere door zijn werk bekend alhoewel McLuhan eerder zou geweest zijn.

Wat is een moral panic?

Morele paniek is een buitenproportionele, vijandige en gemediatiseerde reactie op een situatie of technologie, een persoon of groep, die waarden en normen lijken te bedreigen. Het begrip verklaart maatschappelijke angstreacties die niet in verhouding staan tot de ernst, het risico, de schade of de dreiging.

Via Linda Duits ontdekte ik een eerste potentiële moral panic in Nederland: Flakka.

Dit verhaal begint met een oproep van het Albert Schweitzer ziekenhuis in Dordrecht voorzichtig te zijn met Flakka omdat ze 2 patiënten zouden hebben die in juli werden binnengebracht en die vermoedelijk ernstig onder invloed verkeerden van deze nieuwe, extreem stimulerende drug. Het woord vermoedelijk is hier cruciaal, omdat men het niet getest heeft of wel degelijk dit middel gebruikt werd door de 2 patiënten. Voeg daar een column aan toe en de media heeft het massaal over de nieuwe zombiedrug. Er is een potentiële basis voor een stevige moral panic waarbij het niet ondenkbaar is dat hierdoor potentiële gebruikers op zoek gaan naar die nieuwe veelbelovende drug die niet een illegaal zou zijn… Gelukkig komt er van het  het Nederlandse Trimbos-instituut duiding via dit bericht:

Het Trimbos-instituut ziet pas reden om aan te nemen dat flakka in Nederland als drug wordt gebruikt wanneer aanwezigheid ervan daadwerkelijk is geconstateerd na een incident. Uit de verschillende monitoractiviteiten blijkt niet dat de stof in Nederland in brede kring gebruikt wordt of dat er als flakka aangekochte samples bij het DIMS of NFI worden gezien. Daarnaast zijn er vanuit instellingen voor verslavingszorg geen signalen over gebruik van deze drug. Ondanks de vermeende geringe aanwezigheid van flakka op de Nederlandse drugsmarkt, is wel al besloten om de werkzame stof alfa-PVP later dit jaar op Lijst 1 van de Opiumwet te plaatsen.

Niet meteen landelijk waarschuwen
Waarschuwen bij drugsincidenten is belangrijk om preventief meer incidenten tegen te gaan en de gebruiker op de hoogte te brengen van gevaarlijke drugs op de markt. Het Trimbos-instituut heeft dit in het verleden ook in het geval van bijvoorbeeld vervuilde ecstasy en gevaarlijk hoog gedoseerde XTC-pillen, zowel landelijk, als zeer gericht naar de gebruikers gedaan. Bij een landelijke waarschuwing is het belangrijk om eerst de feiten op een rij te hebben. En dan pas te waarschuwen als helder is uit chemisch analytisch of toxicologisch onderzoek, de cijfers en trends om welke stof het precies gaat en of het gebruik dusdanig is dat meerdere incidenten op termijn te verwachten zijn.

Van een andere orde is een tweede potentiële moral panic die in de UK opdook, namelijk roasting die een nieuwe vorm van cyberpesten zou zijn. De naam verwijst naar een praktijk die in de VS niet ongebruikelijk is en die onder andere op Comedy Central en op Vier met ‘Achter de rug’ al tv-programma’s opleverde:

A roast is an event in which a specific individual, a guest of honor, is subjected to good-natured jokes at their expense intended to amuse the event’s wider audience.

Maar nu zouden meisjes dit online doen met onschuldige jongens. De Telegraph meldde dit als eerste:

Charlotte Robertson, of online safety consultants Digital Awareness UK, said roasting was prominent among pupils of leading independent schools as well as in state schools across the country.

Speaking to The Daily Telegraph, Ms Robertson, whose company provides advice to independent girls’ schools, including those in the Girls’ Day School Trust (GDST), said: “Roasting is done under the guise of good humour, which is why it is so dangerous because it is often done among friends.

“Someone would just lay into someone else and completely humiliate them but do it in a way that’s portrayed as humorous – a level up from banter.”

She added: “Girls will roast boys. They will create an online chat room about another boy.” Ms Robertson said girls join in because “they are trying to show bravado and competitiveness”.

Asked whether this is just a continuation of online bullying, she said: “It’s very severe and people will ride on the back of what’s trending in world news.

“They will use killings or any bad news by way of inspiration to create a nasty “meme” [photograph with humorous caption] about someone.”

Her firm has launched a video campaign for the GDST to highlight such issues “because parents feel so disempowered and so out of the loop with what young people are doing”.

Als je goed leest, zie je dat we te doen hebben met een consultant van een bedrijf (die trouwens hiertegen ook al ondersteuning aanbiedt…). De trend wordt in The Sun al een epidemie, alhoewel deze krant er aan toevoegt dat de trend in feite oorspronkelijk veel onschuldiger zou zijn geweest: het zou onder vloggers even mode zijn geweest om zichzelf humorvol aan te pakken.

Wil dit nu zeggen dat beide zaken niet voorkomen of kunnen voorkomen? Als je terugkijkt naar de definitie van moral panic waar dit stuk mee begon, zegt deze niks over al dan niet voorkomen van waarover een buitenproportionele reactie komt. Enkele jaren geleden was er – niet ontoevallig ook in de zomer – een kleine moral panic rond auditieve drugs. In september, in een van mijn eerste lessen, kon ik het niet laten te vragen aan mijn studenten wie het kende – en eventueel wie er al mee had geëxperimenteerd. Enkele studenten bekenden het al geprobeerd te hebben (behalve wat hoofdpijn geen resultaat trouwens). Belangrijkere vraag die volgde: waar hadden ze het leren kennen? Via de media was hun antwoord. Herlees nu even het antwoord van Trimbos.

Voor de liefhebbers enkele eerdere moral panics:

Nog een onderwijsdenker is heengegaan: Seymour Papert

Enkele maanden geleden stierf Bruner, een van de belangrijke denkers achter het constructivisme. Vandaag leer ik via de blog van Donald Clark dat Seymour Papert deze week is heengegaan. Een korte Wikipedia-samenvatting over het leven van de psycholoog en wiskundige:

Van 1954 tot 1958 studeerde hij wiskunde aan de Universiteit van Cambridge. Van 1958 tot 1963 werkte hij nauw samen met de pedagoog Jean Piaget aan deUniversiteit van Genève aan de constructivistische theorie van het leren. Vanaf 1963 werkte hij aan het MIT en richtte daar samen met Marvin Minsky het Artificial Intelligence Lab op. Papert hield zich intensief bezig met het thema kinderen en computers, en ontwierp in 1968 de programmeertaal Logo.

Vanaf de jaren 1970 schreef hij artikelen en boeken over opvoeding, leren, denken, kunstmatige intelligentie en wiskunde. In 1985 richtte hij samen met Nicholas Negroponte het MIT Media Lab op. Later werkte hij mee als adviseur aan het project van de 100-dollar-laptop voor scholieren

Donald Clark geeft een mooi overzicht van het werk van Papert waarbij het constructionisme (niet het constructivisme) centraal staat en maakt in een beweging duidelijk dat Lego Mindstorms zo heet als eerbetoon aan Papert. Als mensen van mijn generatie iets van Papert hebben ervaren, dan is het namelijk de Logo-programmeertaal waarmee je een schildpad kan bedienen.

Maar… Clark beschrijft ook eerlijk dat veel van het gedachtegoed van Papert kritiek kan krijgen:

If one does not believe in cinstructionism and social constructivism or the strand of educational thought that comes from Piaget, Vygotsky and social constructivists, then Papert may hold little sway. The arguments against his ideas and methods are generally those that are against social constructivism; that it can be time consuming, wasteful and can lead to disadvantaged learners losing out in collaborative work. The OLPC project has also been the subject of many trials around the globe, yet none have been shown to have led to significant increases in educational attainment.

Maar tegelijk heeft Clark gelijk dat hij een van de eersten was die het digitale in het onderwijs serieus nam.

Een ijsje op een bankje in een winkelstraat (over nep-vrijwilligers die je op straat lastigvallen)

Je zit met je kinderen op een bankje in een winkelstraat te genieten van een ijsje. Achter je zit een man. Hij zit te wachten op zijn vrouw en dochters en wordt aangesproken door een meisje. Of hij geen donateur wil worden van Amnesty International.

Ik kan het niet laten en luister mee hoe ze steeds agressiever op de man inpraat. Hoe ze zelf 10 euro elke maand stort. Als hij opmerkt dat hij ooit hoorde dat niet alle geld bij goede doelen terecht komt, antwoordt ze dat hij een foto mag maken van haar identiteitskaart om haar te contacteren als het anders zou blijken.

De man twijfelt. Hij wil er nog eens over denken. Het meisje, met t-shirt van Amnesty, rugzak, net als de 5 andere jongeren in de straat, gaat enthousiast nog een stapje verder. Dat het dan zonde zou zijn dat hij bij een andere vrijwilliger zou tekenen, omdat zij dan hem al zo ver had gekregen.

De man merkt niet op dat dit laatste een wel hele rare uitspraak is. Waarom zou het er toedoen bij wie hij zich uiteindelijk opgeeft? Heel eenvoudig: omdat het meisje geen vrijwilligster is, maar een jobstudente van een bedrijf dat door goede doelen ingehuurd wordt om mensen geld te doen geven. En ze heeft een target van aantal donateurs die ze moet laten tekenen. Daarom moet hij zeker dit bij haar doen.

En om dat te bereiken zijn er wel wat leugens nodig, naast het feit dat ze geen vrijwilligster is. Zo weet ze heel goed dat niet alle geld naar Amnesty zal gaan, maar een eerste deel van wat de man eventueel zal storten gaat naar haar werkgever, in dit geval Direct Result (er zijn ook nog andere bedrijven actief zoals bijvoorbeeld Pepperminds)

Hoe weet ik dit laatste? Vorige week vroeg ik me door een gelijkaardig verhaal af of het bedrijf DDF die vroeger deze jongeren op pad stuurde nog bestond. Het bedrijf bleek in 2012 failliet te zijn gegaan, maar het systeem is nog steeds zeer levendig. Ik observeerde het groepje jongeren en kon al snel zien wie de teamleider was. Hem sprak ik aan en vroeg ik op de man af hoe het bedrijf heet waar ze voor werken. Hij schrok duidelijk even: ‘hoe weet u dat, meneer?’, maar toen ik zei dat ik het verhaal van DDF en dergelijk ken, gaf hij direct de naam. Hij vroeg me wel wat mijn beroep was en waarom ik het wou weten. Volgens hem was het meisje nieuw en maakte ze daarom deze fout door leugens te verkondigen. Spijtig genoeg is dit volgens mij niet waar. Ik hoorde al meerdere dergelijke gesprekken aan, en de verhalen verlopen steeds volgens een gelijkaardig stramien. Denk aan callcenters.

Ik weet dat het voor goede doelen en dergelijke bedrijven uiteindelijk vaak een win-win situatie blijkt. Ze vragen je nooit naar een eenmalige gift, maar naar maandelijkse stortingen en gemiddeld blijft een donateur lang genoeg geld storten dat het goede doel ook effectief geld krijgt. Wel vraag ik me af hoe het hierbij zit met de regelgeving rond eerlijke reclame en in welke mate het goede doel het agressieve middel heiligt. Verder is het extra erg voor de echte vrijwilligers die nog steeds bestaan en die hierdoor een negatieve naam kunnen krijgen.

Oja, de man heeft uiteindelijk niet getekend, zijn vrouw die er aankwam kafferde het meisje nogal uit voor haar agressieve aanpak. Eerlijk, ik kon haar deze keer geen ongelijk geven.

Ik vertik het!

Ik vertik het om de moed te verliezen, maar het is moeilijk.

Ik vertik het niet naar de Gentse Feesten te gaan die vandaag beginnen.

Ik vertik het niet naar Frankrijk te gaan, laten we het land niet een zoveelste tik geven.

Het is zo dat 1 idioot ongelooflijk veel doden kan maken met een vrachtwagen als moordwapen.

Het is zo dat als ik vorige week Werchter verliet, dat ik – eenmaal uit de ‘veilige zone’ even dacht hier zou vanalles kunnen misgaan.

Het is zo dat ik een rare kriebel in mijn buik had toen zondag mijn oudste zoon naar Brussel vertrok op kamp. Je weet wel, Brussel…

Gelukkig won de ratio.

Want ik wil niet bang zijn, maar het is moeilijk.

Ik wil het vertikken.

Voor wie in Nice iemand verloor: ontzettend veel sterkte.

Voor mijn stadsgenoten: een goede Gentse Feesten.

Voor iedereen: wij zijn met veel, veel meer goede mensen dan de terroristen.

Kleine frustratie in tijden van Netflix, Yelo, enz.

Nee, dit wordt niet een vroeger was het beter blogpost, maar de voorbije weken botste ik op een kleine frustratie in deze tijden van Netflix, Yelo en andere streamingdiensten, zeker nu de laatste videotheken sluiten: we raken de toegang tot een deel van ons filmgeheugen kwijt. Of beter: we zijn overgeleverd aan de keuzes van enkelen als het over makkelijke toegang tot een collectief filmarchief gaat.

2 concrete voorbeelden:

  • Mijn jongens zijn nogal wild van het liedje Convoy uit de jaren 70. Ooit ontdekten ze deze song in mijn iTunes-bibliotheek en het werd herdoopt in het Cowboy-lied. De song was de inspiratie voor een gelijknamige film waarvan ik als tiener de VHS-tape zowat heb stukgekeken. Ik wou de film herbekijken, maar dit bleek niet evident op legale wijze. Via streamingdiensten alvast geen succes, kan hem wel via de iTunes-store kopen of huren (maar zonder Nederlandstalige ondertitels).
  • Vandaag deelde een kennis op Facebook een compilatie uit de Pink Panther films. Voor alle duidelijkheid: de originele met de legendarische Peter Sellers en niet de ietwat duffe remakes met Steve Martin. Perfecte films voor op een druilerige herfstzomernamiddag. Maar terug ontdek je al snel hoe beperkt het aanbod is van de streamingsdiensten (en terug wel de mogelijkheid via iTunes).

Voor de opkomst van de videotheken was het sowieso kijken wat de tv schaft, maar in de jaren 90 en bij het begin van deze eeuw kon je zeker in de stad de grootste filmklassiekers makkelijk te pakken krijgen. Zo kon ik mijn vrouw in spe bvb ooit de fantastische films Adam’s Rib of Roman Holiday tonen. Films die voor Netflix of Telenet (de streamingdiensten waar ik toegang tot heb) niet interessant zijn. Wellicht omdat ik maar een van de weinige freaks ben die deze films nog wil zien. iTunes scoort beter, maar het bedrag loopt op en ook dit aanbod is zeer zeker niet sluitend.

We hebben het vaak over beperkt aanbod als het gaat over muziek met songs die enkel op Spotify, Tidal,… staan of net niet op die media staan. Deze streamingaanbieders zijn heel slim in hoe ze je navigeren naar wat ze wel in hun aanbod hebben, om zo te verhullen wat ze allemaal niet hebben.

Een dergelijk uitgebreid archief is wellicht ook niet commercieel rendabel, maar net tegelijk daardoor zie ik een belangrijke rol voor bvb bibliotheken: een collectief aanboorbaar geheugen.