Er kiezen terug meer studenten geneeskunde om huisarts te worden, wat leert ons dit voor onderwijs?

Goed nieuws – mag ook wel eens af en toe – er kiezen merkelijk veel meer studenten geneeskunde voor het beroep van huisarts. Een dreigend, nijpend tekort wordt zo wellicht afgewend. Mooi.

Belangrijker is de vraag waarom, zo lezen we in het Nieuwsblad:

Het succes komt niet uit de lucht ­gevallen, zegt professor Huisarts­geneeskunde Dirk Devroey (VUB). “De studie is aantrekkelijker geworden. Al vanaf het tweede jaar maken studenten via stages kennis met het beroep. Gaandeweg leren ze het vak appreciëren”, zegt hij. “Het is meer dan pilletjes voorschrijven. Je krijgt het gevoel een gezondheidscoach te zijn die aan preventie kan doen”, stelt VUB-student Erik Smets (25).

Ook een beter inkomen – dat met 70 procent is gestegen – en een aantrekkelijker uurrooster – dankzij de groepspraktijken – doen de richting her­opflakkeren. Tot slot is er nog het toenemend belang van nieuwe ­technologieën en apps.

Deze ochtend hoorde ik op Radio 1 ook nog een extra verklaring: meer en meer wordt er in groepspraktijken gewerkt waardoor de administratieve planlast overgenomen werd.

Allemaal zeer interessant voor andere beroepen waar een nijpend tekort dreigt, zoals bijvoorbeeld onderwijs? Naar huisartsen kijken is zeker interessant omdat we verschillende gelijkenissen kunnen zien: vlakkere carrière, vervrouwelijking van het beroep,…

Meer samenwerken en integratie van nieuwe technologie – zie groepspraktijken – is een taak voor de leraren en scholen zelf, genoeg kennis van de praktijk en de gepaste (liefst evidence based) invoering van nieuwe technologieën is de taak van de lerarenopleidingen en begeleidingsdiensten. Het beter loon en vooral de betere werkomstandigheden zijn een taak voor de overheid.

Het goede nieuws is: het kan dus wel. Aan de slag?

Presentatie: Waar is kunst zoal goed voor?

Ik werd door de Genkse Academies gevraagd om kort een visie op kunst- en cultuureducatie en kunst- en cultuuronderwijs te geven als basis voor een paneldiscussie. Oa het vermelde OESO-rapport en recent werk van Gert Biesta inspireerden me.

Netflix begraaft het generatiedenken, maar wat als ze gelijk hebben…

Netflix heeft gebruikers in 130 landen en zit dus op een berg data over smaak en voorkeur qua films en series. Als ze nu naar die ‘big data’ kijken, concluderen ze dat land, geslacht of leeftijd als voorspellend element ‘garbage’ is. Er zijn nu eenmaal meer verschillen binnen geslachten, leeftijdsgroepen of landsgrenzen.

In feite is dit bijvoorbeeld voor leeftijd niet nieuw. Denken in generaties is populair, maar net om de reden die Netflix geeft problematisch: er zijn vaak meer verschillen binnen generaties dan tussen generaties.

Toch zijn er wel degelijk profielen mogelijk, nog steeds volgens de populaire streamingsite. Zo hebben de mensen die van Anime houden niet met elkaar gemeen dat ze in Japan leven, wel dat ze – ehm – nogal nerdy zijn. (bron)

Let wel: dat men voor smaak voor series of films bij de specifieke doelgroep van Netflix ontdekte dat demografische kenmerkten weinig een rol speelden, wil niet zeggen dat deze per definitie geen rol spelen in niks. Maar laten we even verder doordenken. Wat kan dit betekenen voor bijvoorbeeld onderzoek? Zo werd enkele jaren geleden bekend dat toen de steekproef groter werd bij onderzoek naar verschillen in het brein tussen mensen met en zonder autisme, de verschillen die opdoken in studies met kleinere steekproef verdwenen. Categorieën als geslacht en leeftijd zijn in feite gemakkelijke opdelingen in onderzoek, maar misschien soms te makkelijk.

Zagen we zondag al een glimps van het volgende probleem?

De beelden gingen zondag de wereld rond: een groep hooligans (zo noemden ze zichzelf, ze worden ook anders genoemd in de media) gaat in stoet naar het beursplein in Brussel om op een nogal aparte manier te tonen dat ze eensgezind tegen terreur zijn. Los van alle politieke discussies die dit momenteel oplevert en de imagoschade die ons land nog maar eens oploopt, wil ik het over iets anders hebben, misschien was dit een glimps van een volgend maatschappelijk probleem.

Door de aanslagen is er nu heel veel aandacht voor de situatie van een grote groep moslimjongeren in onze samenleving, maar als we kijken naar de UK dan blijkt dit niet de groep te zijn met de slechtste toekomstkansen. Het zijn namelijk blanke laag- of onopgeleide jongens die er zeer slecht voor staan, slechter dan allochtone jongeren. Ik zeg niet dat dit het algemene profiel is van de groep die zondag manifesteerde in Brussel, maar er zijn zeker gelijkenissen.

In een reactie op de blogpost die ik hier eerder over bracht, kreeg ik signalen dat dit fenomeen zich mogelijk ook al in Nederland voordoet en ook in de VS wordt dit stilaan een thema. En het is vaak ook deze groep die jobs doet of zal doen die in de verdrukking komen.

Een schrale troost: als zondag een voorteken was, dan staan we niet alleen met het probleem.

Leraren en journalisten #brussels

Gisteravond reed ik na die bizarre dag naar huis van een muziekstudio, een cocon van 2 uur even afgesloten van de wereld. Op de radio een onafgebroken stroom van zelfde hallucinante feiten toen ik opeens een MR-politica de twee belangrijkste beroepsgroepen in deze tijden hoorde opnoemen: leerkrachten en journalisten. IK had hulpverleners en speurders verwacht, maar nee.

De journalisten zijn broodnodig om iedereen op de hoogte te brengen, de leraren omdat zij kinderen moeten helpen de situatie te begrijpen en om mee te vechten tegen radicalisering.

Hoe mooi ook de oproep – ze wou direct meer geld voor onderwijs – is dit belang te veel eer. Ik kan niet spreken voor journalisten, maar een dergelijke taak voor onderwijs is er zeker wel, maar onderwijs kan het niet alleen.

Straks zie ik mijn studenten na de geschorste les gisteren. Ik ga met hen – leerkrachten in wording – praten over hoe je met zoiets omgaat, hopend dat zij het nooit moeten doen. Wellicht hopend tegen beter weten in.

Maar de wortels aanpakken van wat vandaag gebeurt? Als onderwijs dat kon oplossen zou ik het direct zeggen en kwaad zijn dat we het nog niet opgelost hebben. Toch moeten we wel alles proberen te doen. Maar dat is dan binnen en buiten het onderwijs.

Hou elkaar warm vandaag.

Pedro

Focus, een beetje commentaar op #onderwijs2032

De voorbije week was er in Nederland relatief veel te doen over #onderwijs2032 op twitter omdat het voorstel ter bespreking kwam in de Nederlandse kamer. Er is veel over te schrijven, maar ik wil er een element uitnemen waar dit artikel mee eindigt (en waar staatssecretaris Sander Dekker nogal gebeten op reageerde): het idee om het belang van vakken af te zwakken en meer vakoverschrijdend de leerstof aan te bieden.

Er is hier zeker iets voor te zeggen. We gebruiken in het dagelijkse leven toch ook niet een uurtje wiskunde en daarna een uurtje Nederlands. Trouwens al gemerkt hoeveel Nederlands je nodig hebt voor die les wiskunde, of hoeveel wiskunde voor die les fysica, enzovoort?

Verder kennen we in Vlaanderen al vakken als PAV, project algemene vakken, en MAVO, maatschappelijke vorming, waarbij de integratie van verschillende vakken een feit is. Ook in ons basisonderwijs is geïntegreerd werken een belangrijk uitgangspunt.De vraag is echter of gebruik in dagelijks leven een goede basis is voor hoe een beginneling het meest effectief leert. Weet ook dat een beginner anders leert dan een expert in een vakgebied.

Daarom dat ik de uitspraak van Anna Bosman, hoogleraar dynamiek van leren en ontwikkeling aan de Radboud universiteit zo interessant vindt:

„Het wordt pas interessant om combinaties van vakken te maken als je voldoende kennis hebt van de deelgebieden’’

Waarbij ik me perfect kan inbeelden dat dit cyclisch gebeurt met apart en geïntegreerd die elkaar afwisselen. Eerst de nodige voorkennis opbouwen in een of meerdere vakgebieden om dan aan de transfer te werken. Waarna misschien terug even apart gegaan wordt, om terug samen te komen,…

Probleem is: les geven in vakken kan je makkelijk wegzetten als ouderwets. Hoewel geïntegreerd werken ook echt niet nieuw is, blijft het nog steeds het voordeel van het ‘moderne’ hebben tegenover het makkelijke beeld van onderwijs dat niet zou willen veranderen. Daarom bedacht ik dat vakspecifiek misschien gewoon een hip ‘frame’ nodig heeft.

En dat frame vond ik: focus. Het belang van focus is sluipend aan toenemen in onze samenleving: in alle informatiegeweld even je met 1 ding bezighouden, niet multitasken maar singletasken om efficiënter vooruit te gaan,… Focussen wordt steeds hipper. Wat zijn app’s vaak: software die 1 ding goed kunnen in plaats van enorme softwarepakketten zoals Office die veel kunnen. Vrij vertaald: focus.

En dus: ons af en toe focussen op school: daar kan wellicht niemand tegen zijn? School is zelfs synoniem met focus, een plaats waar je even niet met alles bezig moet zijn, maar je kan richten op leren. Meer nog: ik kan me zo inbeelden dat mensen graag zouden pleiten voor meer focus in de klas. Ik vermoed nu al dat het gevaar kan bestaan dat er bedrijven overwegen om cursussen ‘leren focussen’ aan te bieden (als die er al niet mindful zijn).

Maar tegelijk is er het besef dat focus niet steeds en constant kan. Waarom worden verkeersleiders zo goed betaald, waarom is hun job zo stresserend? Naast de grote verantwoordelijkheid: de constante nood aan focus. Dus een goede variatie aan focus en meer algemeen, vakspecifiek en vakoverschrijdend, lijkt zo interessanter.

Minder tienerzwangerschappen dankzij sociale media (Linda Duits)

Een nieuwe gastbijdrage van Linda, deze verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Het gaat goed met de jeugd. Niet alleen in Nederland en België, maar in de hele Westerse wereld zien we tieners van nu minder probleemgedrag vertonen dan tieners van vroeger. Vox maakte een mooie interactieve tool waarmee je jouw leeftijdscohort (bijvoorbeeld geboren in 1976 als ik) kunt vergelijken met (Amerikaanse) tieners van nu. Er zijn verschillende redenen aan te dragen waarom dat zo is: kleinere gezinnen, meer aandacht, meer jeugdwerk.

In The Times verscheen gisteren een artikel waarin werd gerapporteerd dat tienerzwangerschappen in het Verenigd Koninkrijk in de afgelopen jaren sterk gedaald zijn. Een onderzoeker wijst erop dat er meerdere oorzaken mogelijk zijn, maar dat het gebruik van sociale media zeker een van de oorzaken is:

“If a tablet is providing sufficient entertainment at home they may be less likely to go out and find themselves in the kinds of situations which can lead to unwanted pregnancy. … There are many reasons behind the fall in teenage pregnancy, and access to better contraception and sex education are of course among them, but we also need to recognise the many ways in which young people’s lives have changed.”

Kort gezegd: tieners worden minder snel zwanger omdat ze minder fysieke tijd met elkaar doorbrengen. Het is een aannemelijke gedachte: sexting is immers ook veiliger dan seksen in de zin dat je er geen ziektes van kunt krijgen. Toch is de claim discutabel. Tieners bevinden zich steeds minder in de publieke ruimte (dankzij beperkingen van ouders en overheid) en vullen dat gat met sociale media. Maar een ongewenste zwangerschap doe je doorgaans niet op in de publieke ruimte, maar in de privésfeer.

De toegang tot informatie, bijvoorbeeld via het internet, lijkt mij een veel betere voorspeller van deze daling. Vlak daarbij vooral ook niet het belang van MTVs 16 & Pregnant en de Teen Mom-series uit.

800 woorden: U heeft een visie op onderwijs? De leerkracht nog meer.

Samen met nog drie andere denkers en stemmen over onderwijs werd ik gevraagd door 800woorden.nl een stuk van, euh, 800 woorden te schrijven over onderwijs. Je vindt de 4 stukken hier. Dit is mijn stuk:

Stel je een klas voor met een kleine 100 leerlingen van verschillende leeftijden samen met 1 à 2 leerkrachten, waarbij iedereen vrij individueel aan de slag gaat en waarbij een leerkracht de oudste les geeft die op hun beurt les geven aan de jongere, en zo verder. Klinkt hypermodern? Ik beschreef net het mutueel onderwijs dat op het einde van de 19de eeuwe populair was in onder andere Parijs en Brussel.

De discussie progressief versus conservatief in onderwijs is namelijk niet nieuw. Meer nog: zinnen als “het kind centraal stellen”, “natuurlijk leren” of het belang van authentiek leren gaan terug tot de Romantiek. Deze beweging en de nodige tegenbewegingen hebben de voorbije decennia (en langer) voor golfbewegingen gezorgd in het denken over onderwijs.

Bij de tegenstelling in het onderwijs tussen progressief enerzijds en conservatief anderzijds zijn er twee issues die beide kampen vaak over het hoofd zien en die de debatten soms vermoeiend kunnen maken: “beide hebben hun merites” en “iedereen is progressief”.  Ik leg graag beide uit.

In 2012 onderzocht Margeret Brown de schoolresultaten van leerlingen uit Britse scholen. Haar bedoeling was om progressieve aanpakken te vergelijken met scholen die eerder een conservatieve benadering propageren. Hierbij stootte ze eerst en vooral op een eerste probleem: de invulling van progressief en conservatief is vaak niet eenduidig te maken. Maar na een vrij arbitraire opdeling te hebben gemaakt, bleken de verschillen tussen scholen gemiddeld zo goed als onbestaand. Ook qua welbevinden is het niet zo dat leerlingen in progressieve scholen minder graag naar school gaan dan in meer traditionele scholen. We zien iets gelijkaardigs als we uitzoomen naar landniveau en kijken naar landen of regio’s die zeer goed scoren op internationale vergelijkingen. Zuid-Korea en Finland scoren beide hoog, maar kunnen qua aanpak niet meer verschillen. Zuid-Korea kan relatief makkelijk in de meer traditionele hoek geplaatst worden, Finland wordt vaak geroemd als het schoolvoorbeeld – pun intended – van progressief onderwijs. Maar de resultaten verschillen gemiddeld zeer weinig, en qua welbevinden scoort Finland verrassend allesbehalve best volgens PISA.

Het tweede issue is dat onderwijsdenkers in feite per definitie progressief zijn, maar dat de manier waarop vooruitgang gemaakt kan worden, grondig kan verschillen. Hiervoor verwijs ik graag naar Hannah Arendt. Deze filosofe stelde dat onderwijs per definitie conservatief moet zijn, omdat een van de taken van het onderwijs is datgene door te geven aan de volgende generatie wat we als samenleving belangrijk vinden. Maar dit is slechts een deel van het verhaal. Onderwijs moet dit namelijk doen met een heel specifieke reden: opdat de volgende generatie zijn eigen keuzes kan maken wat te bewaren en wat weg te laten. We geven mee opdat de volgende generaties verdere progressie kunnen maken, zonder per se het wiel opnieuw uit te vinden.

In de dagelijkse klaspraktijk, en nu verwijs ik terug naar Margaret Brown, blijken leerkrachten in de omgang met hun leerlingen vaak noch conservatief noch progressief, ze zijn vooral eclectisch. Leerkrachten zijn vooral sterk in het maken van een persoonlijke collage aan aanpakken die voor hen en hopelijk hun leerlingen het beste werken. Dan blijken veel leerkrachten die denken veel interactie bij hun leerlingen te leggen, meer gestuurd te werken dan ze zelf denken. Tegelijk blijken veel leerkrachten die eerder zichzelf conservatief zouden situeren meer los te komen van doceren of sturing dan de buitenwacht vermoedt. Er zijn natuurlijk steeds uitzonderingen, maar een beetje lesgever probeert iets anders als ze merken dat wat ze doen niet werkt. Dit laatste is vaak de belangrijkste reden voor hun eclecticisme.

Daardoor zijn discussies over wat nu de beste aanpak is – los van progressief of conservatief – gedoemd te verzanden. One size fits all bestaat niet, wat elke goede lesgever beseft. Variatie is cruciaal omdat er niet een aanpak of visie bestaat die voor alle doelen bij alle leerlingen in elke context werkt. Discussies en inzichten over wat wanneer werkt en waarvoor zijn dus veel relevanter.

Maar moeten we het dan helemaal niet meer over visies hebben? Toch wel, al is dit dus vaak iets voor beleidsmensen en andere mensen buiten de klas. Het belang van een visie voor een school bevindt zich in een andere hoek. Daniel Muijs van de universiteit van Southampton wees er in een recent overzicht op dat een eenduidige visie van een school belangrijk is voor het leren, omdat de leerlingen de school zo als een coherent geheel ervaren. Maar welke visie, dat is dus minder belangrijk.

De discussie progressief versus conservatief onderwijs zal nog lang niet gaan liggen en heeft zeker zijn waarde, maar dus vaak minder in de klas. Daar doen leerkrachten namelijk vooral hun job voor onze kinderen. Ook dat is iets dat niet nieuw is, gelukkig maar.

Hoe fout kan je doorslaan in onderwijs? Scholen afrekenen op “grit”

Nee, met doorslaan heb ik het niet over dat akkefietje aan de faculteit filosofie in Leuven, maar wel over dit ontluisterend idee in sommige delen van de V.S.. Er is al een tijdje aandacht voor persoonskenmerken als “grit” daar in onderwijs, het belang van vastberadenheid, doorzettingsvermogen,… Er verschijnen tal van boeken over het onderwerp en de nodige trainingen. Ondertussen verschijnt er wel onderzoek dat een en ander relativeert.

Maar nu brengt de NY Times het verhaal van plannen om scholen af te rekenen op het resultaat van hoeveel vastberadenheid en doorzettingsvermogen ze al dan niet bij hun leerlingen bereiken. Er is al veel te zeggen over centrale testen en afrekencultuur, maar dit slaat imho alles.

Een van de belangrijkste propageerders van “grit” neemt niet toevallig compleet afstand van de praktijk:

“I do not think we should be doing this; it is a bad idea,” said Angela Duckworth, the MacArthur fellow who has done more than anyone to popularize social-emotional learning, making “grit” — the title of her book to be released in May — a buzzword in schools.

She resigned from the board of the group overseeing the California project, saying she could not support using the tests to evaluate school performance.