PISA heeft misschien een probleem, geeft Andreas Schleicher toe

De kracht van de PISA-onderzoeken is dat je over de verschillende testrondes heen kan vergelijken. Maar wat als dat niet meer kan? Dan kan je dus niet met zekerheid zeggen of een regio nu beter of slechter scoort ten opzichte van zichzelf. Dat zou dus een kleine ramp kunnen betekenen, want waar er al eerder bedenkingen waren bij de vergelijkingen over landen heen, was de herhaalde afname bij dezelfde regio’s op zich zeer waardevol.

Maar… misschien is die ramp dus wel degelijk gebeurd. Ik schreef het zelf al in december net na de vrijgave van de resultaten dat er iets ingrijpends veranderd was: men switchte van papier naar computer-afname. Eigen onderzoek van de OESO suggereerde toen al dat dit voor vertekening kon zorgen, maar dit werd bij de release van rapporten niet echt als relevant meegegeven.

Nu geeft PISA-topman Schleicher toe dat het misschien wel degelijk een rol kan hebben gespeeld in een interview met TES. Mooi, maar dit betekent dus dat Zweden misschien onterecht opgelucht adem haalde, dat Slovenië niet per se het nieuwe Finland is, enz.

De student van de toekomst?

Deze video van Educause bevat verschillende zaken waarvan ik zelf eerder zou schrijven: ik hoop het.

Zo hoop ik dat de diversiteit van de studenten inderdaad toeneemt. Ook bij de verschillende voorspellingen rond technologie zie ik ook wel wat wishful thinking, ook al heeft men aandacht voor mogelijke uitdagingen. Ik zou de video dus niet bekijken als een voorspelling, maar als een interessant overzicht van mogelijke evoluties.

Even dit…

Wat volgt is iets wat verschillende mensen al van me weten, maar waar ik bij mijn weten nog niet over schreef op deze blog, namelijk over de spelregels die ik mezelf opleg. Naar aanleiding van een twitterstormpje dat ik deze ochtend over me kreeg wil ik een van die specifieke spelregels even verduidelijken.

Enkele jaren geleden vroeg ik aan journalisten waarom ze mij steeds belden. Een welbepaald antwoord viel me erg op, en was ik ook blij mee: “we weten nog steeds niet tot welke club je behoort”. Dat laatste is namelijk een spelregel die ik heel belangrijk vind. Mijn favoriete quote is niet voor niets van Groucho Marx:

Daarom zal je vooral van mij duiding horen, eerder dan dat ik per se een kant kies. Het zorgt ervoor dat ik bepaalde debatten weiger: of – vaak – omdat ik er te weinig over weet, of omdat ik een kant zou moeten kiezen door het format en dat ik me zou moeten inschakelen in of ander standpunt of club. De laatste keer dat ik dit deed was in Berlijn en alhoewel onschuldig en grappig, heb ik er nog steeds spijt van.

Dit wil niet zeggen dat ik geen mening zou hebben, die heb ik zeer zeker, of dat ik mijn mening niet zou durven geven. Maar dan zeg ik het er ook meestal bij: dat het maar mijn mening is, niet meer. Net zoals nu de categorie ‘commentaar’ is aangevinkt bij deze post.

Een ander gevolg is dat ik me nooit tot een of ander politieke voorkeur zal bekennen. Heb trouwens de afspraak met mijn vrouw dat ze me mag slaan als ik ooit zou overwegen in de politiek te stappen. In de mate van het mogelijke probeer ik wel iedereen te beantwoorden die me een vraag stuurt.

Ik vind het niet erg dat mensen tegen me roepen omdat ze het niet eens met me zijn, alhoewel ik liever een gesprek heb op normalere toon. Meer moeite heb ik als men mij bij een of andere club zou indelen. Niet omdat ik die club slecht of goed zou vinden, maar wel omdat ik Groucho Marxist ben.

Waarom laten we ons in het onderwijs zo graag beledigen?

De voorbije jaren zag ik het te vaak gebeuren. Je zit in een zaal vol leerkrachten of directeurs en vooraan staat er een spreker – meestal van buiten het onderwijs – die op een charismatische en grappige manier, de hele zaal beledigt als zijn ze schapen, verouderd, overbodig,… Je kan het ook in veel gedeelde video’s zien, zoals deze van Ken Robinson of die van Prince EA. Deze video’s zijn niet noodzakelijk echt correct (bvb Robinson) of helemaal fout (bvb Prince EA), maar ze worden toch massaal gedeeld, vaak door onderwijsmensen zelf.

Dit kan deels zijn omwille van een zelfkritische geest, waarbij leerkrachten zelf denken: het moet steeds beter. Het kan zijn vanuit een eigen ongemak over hoe bepaalde zaken lopen binnen het onderwijs. Soms is het ook gewoon goed dat iemand van buitenaf kijkt naar waar je mee bezig bent, maar dan graag iemand die verder gaat dan kretologie.

Maar… ik zie het andere te weinig. Veel te weinig. Leerkrachten en directeurs die trots vertellen waar ze mee bezig zijn. Die tegen goeroes zeggen dat ze niet weten waarover ze praten, maar dat ze gerust even een paar maanden mogen komen meedraaien. Die technofreaks erop wijzen dat deze een zoveelste utopisch beeld schetsen dat binnen 2 jaar achterhaald is en waar onderhuids vooral ongelijkheid een centraal thema is, terwijl onderwijs alle kinderen moet helpen.

Er gebeuren veel mooie dingen in het onderwijs, genoeg om trots op te zijn. Er blijft genoeg werk aan de winkel – zoals in elke sector – om niet zelfgenoegzaam te zijn. Maar een beetje meer trots en zelfbewustzijn, zou er misschien kunnen voor zorgen dat meer mensen voor onderwijs kiezen. Dat minder mensen vragen aan toekomstige leerkrachten of ze niets beter konden vinden.

Het lerarentekort zullen we zo niet alleen kunnen oplossen, de overheid heeft ook nog werk, maar het is wel wat we zelf kunnen doen. Vandaag wordt de Global Teacher Price uitgereikt. Dit is een mooi initiatief om het mooie in de verf te zetten. Maar laten we samen meer tonen dat de winnaar gelukkig geen uitzondering is.

Zucht, loopbaanpact uitgesteld

Tja, het stond in de sterren geschreven. Het loopbaanpact zou het niet halen deze legislatuur. Ook minister Crevits beet haar tanden stuk. Ja, er komt wel een onderzoek naar de werkdruk bij leerkrachten, maar dat zal minstens een jaar duren en dan zijn we wel heel erg dicht bij de volgende verkiezingen.

De voorbije weken werd vooral gefocust op extra uren voor de masters/licentiaten, iets wat in feite een idee was dat Lieven Boeve vorig jaar lanceerde, maar de voorbije weken vooral geassocieerd werd met de minister en dat voor de nodige onrust in de leraarskamer zorgde. Het zou een manier geweest zijn om geld op te brengen voor de nodige extra ondersteuning en jobzekerheid van jonge leerkrachten en voor een betere eindeloopbaan voor oudere lesgevers. Ik vond het zelf vreemd dat dit verhaal opeens terug in de media opdook enkele weken geleden. Los van de discussie of dit al dan niet een goed idee zou geweest zijn, stond het idee haaks op een ander idee dat al een tijdje rondzoemt, namelijk dat we niet meer naar het aantal lesuren zouden moeten kijken, maar meer zouden spreken van een schoolopdracht met ook oog voor alle andere taken die leerkrachten vandaag moeten doen.

De minister wil misschien al wel al bepaalde maatregelen nemen om de job aantrekkelijker te maken, maar het is onduidelijk met welk budget én het hele pact komt dus pas na het onderzoek. Voor alle duidelijkheid: dit moet je lezen als extra onderzoek, want er zijn al zeker onderzoeken over werkdruk bij het onderwijspersoneel. Er zijn cijfers van de SERV, er is het TALIS-onderzoek van de OESO, enz. Deze onderzoeken zijn natuurlijk niet van gisteren, maar van enkele jaren geleden, maar je hoeft geen genie te zijn dat maatregelen als het m-decreet voor meer werk kunnen hebben gezorgd.

Het lijkt me dat er vandaag enkel verliezers zijn. De bonden zullen weggezet worden als behoudsgezinde organisaties, de minister als iemand die dit niet kon oplossen, de leerkrachten foutief als mensen die niet een schamel uurtje meer willen werken,…

Maar de echte verliezers? Dat zijn we collectief. Ik ga even aan zelfplagiaat doen en een stuk van een eerdere post herhalen.

Het lerarentekort duikt af en toe in de media op, maar is voor veel scholen vandaag al een acute werkelijkheid. Ik sprak  verschillende directies ook buiten Antwerpen die ook al met de handen in de haren zitten. Elke ochtend vrezen ze de mail dat er een leerkracht ziek zou zijn.

En het zal enkel maar erger worden. De cijfers die je hoort over mogelijke tekorten tegen 2020 (binnen 3 jaar) gaan tussen de 14000 en 20000 leerkrachten te weinig. Die cijfers verbergen grote regionale en inhoudelijke verschillen. Een leerkracht wiskunde, Frans of wetenschappen is nu al een witte raaf aan het worden. Als je wil weten wat dit concreet kan betekenen, in Nederland kennen ze die realiteit al goed:

Tegelijkertijd daalt al jaren op rij het aantal studenten in de lerarenopleiding. Samengevat: we hebben meer leerkrachten nodig, het aantal studenten daalt. Een onverhoopte stijging van studenten volgend academiejaar lost zal trouwens het probleem van het lerarentekort niet oplossen, enkel milderen. En oja, dan is er nog het probleem dat veel jonge leerkrachten binnen de vijf jaar stoppen.

De vrees voor een negatieve spiraal is niet denkbeeldig: steeds minder leerkrachten, daardoor steeds meer druk voor de leerkrachten die er wel nog zijn, job die hierdoor nog onaantrekkelijker lijkt te worden,…

Als je nu al depressief bent, lees niet verder, want er is meer…

Bekijk even de volgende slide over het effect van ervaren en onervaren leerkrachten:

Deze grafiek moet je combineren met deze tweede grafiek:

Yep, in Vlaanderen komen onervaren leerkrachten het vaakst voor groepen die het zwakst aan de start komen. Weet ook dat het effect van de leerkracht bij die groep net groter is. Dit aanpakken zou imho een groter positief effect hebben om de huidige ongelijkheid in onderwijs weg te werken dan enige andere onderwijshervorming.

Ik heb geen makkelijke oplossingen, ik vrees dat die er niet zijn. Ik probeer mijn steentje bij te dragen door met mijn collega’s zoveel mogelijk jongeren warm te maken voor onderwijs en hen zo goed mogelijk te vormen. Maar we kunnen het niet alleen.

Maar uitstel – lees afstel – nee, dat is geen oplossing.

Mijn stuk voor Knack: Ouderbetrokkenheid is meer dan oudercontact

Knack vroeg me voor een stuk over ouderbetrokkenheid, dit was het resultaat:

Het is een verzuchting die ik wel vaker hoor van leerkrachten: de ouders die je niet hoeft te zien, zitten er als eerste, de ouders die je zou willen zien, komen niet opdagen. Het zal wellicht voor een stuk te kort door de bocht zijn, maar het is een verzuchting die Bart Somers en Hilde Crevits ook wellicht al te vaak gehoord hebben om niet te reageren. Nu is er een voorstel van de burgemeester van Mechelen om oudercontacten verplicht te maken. Klinkt goed, maar het is belangrijk te beseffen dat ouderbetrokkenheid veel meer is dan 3 keer per jaar komen babbelen over de prestaties van zoon of dochter.

Samaey en Vettenburg onderscheidden 7 dimensies als het gaat over ouderbetrokkenheid bij school.

  1. de gedragsdimensie, wat ouders doen,
  2. de tijdsdimensie, hoe vaak er contact is tussen ouders en school,
  3. wat de ouder weet over onderwijs (kennisdimensie);
  4. welke gevoelens de ouder heeft in de relatie tot de school (emotionele dimensie);
  5. welke overwegingen bepalen of ouders zich al dan niet inzetten voor het onderwijs van hun kinderen (rationele dimensie);
  6. de mate waarin de ouder ervan overtuigd is dat hij een rol kan spelen in de schoolloopbaan van zijn kind (overtuigingsdimensie);
  7. de mate waarin de ouder zich competent voelt of competent is om zijn kind te ondersteunen (competentiedimensie).

Een gesprek tijdens een oudercontact kan dan een begin zijn om zicht te krijgen op deze verschillende dimensies van betrokkenheid, maar daar zijn een paar voorwaarden voor. Eerst en vooral dat het een echt, open gesprek is en niet een leerkracht die vertelt en ouders die hopelijk begrijpend luisteren. Het gaat dan over beide kanten die elkaar leren kennen in het belang van het kind. Niet voor niets staat in de basiscompetenties van de lerarenopleidingen ook letterlijk ‘partner van ouders’.

Hoe meer de neuzen van school en ouders in de zelfde richting staan – en voeg daar graag de neus van dochter – en zoonlief ook maar aan toe – hoe groter de kans dat het goed gaat met het kind of de jongere. Op basis hiervan is het daarom belangrijk te beseffen wat doel is en wat middel. De omstandigheden voor het kind zo optimaal mogelijk maken is het doel, oudercontacten zijn een middel. Een belangrijk middel, maar niet het enige. Duidelijke, waar nodig laagdrempelige communicatie, is een ander middel. Maar er is meer. Er zijn ook de leerkrachten die ’s ochtends aan de schoolpoort elke leerling verwelkomen en een praatje slaan met de ouders, er zijn de paar scholen die een ouderkamer hebben,… Een verplicht oudercontact kan hoogstens een allerlaatste hefboom zijn, een stok achter de deur. Maar om de betrokkenheid van de ouders op al de zeven dimensies te vergroten, is veel meer nodig. Partners word je niet met azijn, maar misschien eerder met koffie of thee.

Opvallend voorstel van Franse presidentskandidaat Macron: geen gsm’s op school

Vandaag stelde onafhankelijk presidentskandidaat Emmanuel Macron zijn programma voor. Eerder was al duidelijk dat hij onderwijs belangrijk vindt, maar vandaag bleek er ook een opvallend element in zijn programma te zitten. Newsmonkey bericht:

Macron wil smartphones in scholen verbieden. Tenminste in scholen met leerlingen tot 16 jaar; de primaires en de collèges.

Er bestaat vreemd genoeg in Frankrijk al een wet die dat verbiedt. In 2010 werd die gestemd, toen nog vanwege de zorgen dat straling slecht zou kunnen zijn voor jongeren. Maar, de wet is nooit echt toegepast, dat werd overgelaten aan de scholen zelf, en die kwamen doorgaans met het soort arrangementen zoals we hier ook kennen: niet in de klas, alleen op de speelplaats, etcetera.

Macron wil het nu simpel maken: smartphones en GSMs worden gewoon verboden voor leerlingen op school tout court.

En dan zien experts mobiel leren als belangrijkste trend (via Wilfred Rubens):

Er is wel degelijk iets te zeggen voor de maatregel, niet vanwege de stralingsonzin, maar wel qua aandacht. Zelf denk ik echter dat het vooral belangrijk is om leerlingen goed leren om te gaan met (mobiele) technologie. Dat betekent: gebruiken als het een meerwaarde heeft, wegleggen als het afleidt van je eigenlijke doel. Een dergelijk algemeen verbod maakt mijn inziens dit een pak moeilijker.

Help, de mensen nemen het werk van robots af.

Laat ik beginnen met een bekentenis: ik hou echt niet van mijn wagen wassen. Gelukkig bestaan er al jaren gerobotiseerde wasstraten die je dit werk uit handen willen nemen. Ik doe het nog steeds niet echt vaak, maar handig dat ze bestaan.

Maar… de voorbije jaren doken er verschillende handcarwashes op. Enerzijds versies waarbij je het zelf kan doen, maar ook vaak waar je mensen betaalt… om het werk van de gerobotiseerde wasstraat te doen.

Misschien een detail, misschien een uitzondering, en zeer zeker bedenkingen bij te maken, maar ik vrees dat als ik de volgende keer hoor over het gevaar van robots en werk, vooral aan mijn vuile auto zal moeten denken…

Personaliseren, differentiatie en gestandaardiseerde testen

Kreeg vandaag een zelfde vraag van verschillende mensen, dus een extra blogpost dringt zich op.

Naar aanleiding van de berichten in de Standaard (en lees graag ook de meer genuanceerde versie van de onderzoekers zelf) kreeg ik de vraag hoe je gecentraliseerde toetsen kan rijmen met net de grotere vraag naar differentiatie en personalisatie.

Deze vraag is niet onlogisch, omdat deze twee tendenzen effectief elkaar lijken tegen te spreken. Belangrijk is te begrijpen dat differentiatie (en de meer hippere vorm: personaliseren) op verschillende aspecten van het leerproces kunnen slaan: je kan zowel differentiëren op vlak van doelstellingen, tijd, inhouden, media, werkvormen,… en logischerwijze ook op vlak van evaluatie. Evalueren houdt best ook verband met alles wat vooraf kwam. Beoordelen kan je best niet los zien van doelen en aanpak (zie ook onder andere het concept van constructive alignment).  Mijn favoriete quote over evaluatie (en dus ook over de doelen die je evalueert): ze zijn de staart die de hond doen kwispelen.

Maar… differentiatie en personalisatie betekent niet dat er geen gemeenschappelijke (minimum)doelen zouden zijn die door de overheid vastgelegd worden. Iedereen leert bijvoorbeeld Nederlands en meerdere andere talen, wiskunde, enz.

En terwijl bijvoorbeeld vanaf volgend jaar er voor Engels, Frans en Duits enorme verschillen kunnen ontstaan in het basisonderwijs omdat scholen zelf kunnen kiezen wanneer ze al dan niet met taalinitiaties beginnen, zal er wel degelijk een punt zijn binnen het leerplichtonderwijs dat er door het gros van de leerlingen een bepaald niveau bereikt moet worden. Hier kunnen gestandaardiseerde testen eventueel een rol spelen. Zelfs binnen gedifferentieerde pakketten kunnen dergelijke testen een zekere meerwaarde betekenen.

Op die manier hoeven beide tendenzen elkaar dus niet noodzakelijk tegen te spreken.