Correlatie en causaal verband en smartphones

Vandaag in onder andere Humo en De Morgen staan artikels over smartphones en kinderen met de nodige waarschuwingen. De aanleiding voor deze artikels is het werk van onder andere Jean Twenge dat ik enkele maanden geleden ook al hier bracht. De Morgen brengt gelukkig ook Peter Nikken die de nodige duiding en relativering geeft, maar laten we kijken naar wat Twenge zelf stelt.

Het onderzoek waaruit blijkt dat jongeren later volwassen worden omdat ze vanalles uitstellen is interessant. Maar wat hier beschreven wordt in Humo is een correlatie, 2 of meerdere dingen die samen voorkomen:

Wat hier staat is een sterk vermoeden van Twenge eerder dan dat haar data dit bewijst als zekerheid. In haar boek en de opinie in The Atlantic haalt ze ook feller uit dan in wetenschappelijk werk. Wil dit nu zeggen dat we niet moeten nadenken over smartphone gebruik? Zeker wel, onder andere rond slaap is er echt wel de nodige evidentie dat we met problemen zitten. Maar er is ook iets anders: het is belangrijk dat we nadenken over deze evoluties die Twenge wel degelijk ziet en kijken wat deze kunnen betekenen voor onze samenleving. Als kinderen en jongeren bijvoorbeeld later volwassen worden, lees ook later verantwoordelijkheid leren nemen, wat betekent dat voor onderwijs bijvoorbeeld? Of ook: wat zin andere mogelijke oorzaken, angst van ouders bijvoorbeeld? Of nog: moeten we sommige van deze evoluties goed of slecht vinden en indien het laatste: er iets aan doen?

Vrij vertaald: het is dus een pak complexer dan enkel te kijken naar de smartphone…

2 januari en we hebben al enkele relletjes op en over sociale media

Deze ochtend kreeg ik enkele tweets in mijn tijdlijn die ik niet echt kon plaatsen rond een zeker Logan Paul. De man is een vlogger zoals er zoveel zijn met de nodige volgers. Hij verbleef de voorbije tijd in Japan en zorgde nu met 1 vlog voor een wel heel morbide primeur. Terwijl hij in een Japans zelfmoordbos rondloopt, vindt hij iemand die net zelfmoord gepleegd heeft. Alles wordt getoond. De terechte verontwaardiging is enorm.

Ondertussen heeft de vlogger al zijn excuses gemaakt, maar ze zijn van een bedenkelijk niveau (voor mijn Nederlandse lezers, ze doen aan recente excuses in het NRC denken over een handgemeen):

En nu we toch in Nederland zijn, daar heeft Boef de goegemeente ook al geschoffeerd door meisjes die hem een lift gaven kech’s te noemen bij een filmpje op Snapchat. Het eerste woord dat ik in 2018 bijleer is blijkbaar een Marokkaanse woord voor slet of hoer. Zijn excuses kwamen eerst in de vorm van een aanval in een nieuwe video waarin hij stelt: Even een opmerking voor al die ’kechs’… Want ik heb een paar mensen boos gemaakt omdat ik kech zeg, maar wat doen jullie in een club met alcohol, met korte rokjes, om acht uur ’s ochtends, met jongens? Wat ben je aan het doen? Je bent gewoon een kech.” Tja, wat deed hij zelf daar?

Wordt 2018 het jaar van de opvallende rolmodellen? Beide heren hebben voor alle duidelijkheid ook een ruim (zeer) jong publiek.

Wat als de technologiereuzen in de problemen raken? Disruptie of the empire strikes back? 

We hebben de voorbije jaren zeer veel technologische ontwikkelingen gezien – al kregen we eerder 140 280 tekens in plaats van het grote kanker-medicijn, maar kom. Zeker op vlak van sociale media kenden we de voorbije jaren enorme evoluties waarbij miljoenen mensen met elkaar geconnecteerd werden. The Zuck gebruikte wel het woord friend, wat voor een zekere ontwaarding van het woord leek te zorgen, maar samen met mobiele technologie konden we van alles met elkaar beginnen delen.

Maar de voorbije 12 maanden werd kritiek die vaak al onderhuids bestond, steeds vaker luider en meer mainstream. Want er zijn steeds meer bedenkingen. Een kleine greep:

  • Fake news, filterbubbel en de macht die de technologie kan hebben op ons denken – en hoe die macht misbruikt kan worden om de publieke opinie te manipuleren,
  • Polarisering,
  • Een toename van eenzaamheid, die vaak gelinkt wordt aan sociale media,
  • Ons schijnbaar niet-meer bestaande recht op privacy,
  • het schijnbaar teloorgaan van focus, slaap,…

Het ding is dat veel van deze zaken niet per se nieuw zijn of vaak niet direct per se gelinkt zijn aan sociale media. Propaganda en foutieve informatie die hele bevolkingsgroepen beïnvloeden? Ik wil geen Godwin doen, dus verwijs ik maar naar 15 jaar geleden en de niet bestaande weapons of mass destruction die tot een olie-oorlog leidden. Eenzaamheid is ook niet nieuw, trust me, en de link tussen terrorisme en privacy is minstens even groot als de link tussen privacy en sociale media.

Maar er is meer, zoals bijvoorbeeld het solutionisme dat onze samenleving binnensloop. Dit is het idee dat er voor complexe problemen eenvoudige technologische oplossingen bestaan. Dit solutionisme leidde dat tech-giganten zoals Bill Gates of Marc Zuckerberg als rijke filantropen erg proberen te wegen op het beleid maar zelden met positieve effecten kunnen uitpakken. Het zorgt voor een democratisch deficit.

Maar tijden lijken momenteel te veranderen. Zowel in Europa als in de VS roert de politiek zich. GAFA (Google, Apple, Facebook en Amazon) worden meer en meer geviseerd. Onlangs hoorde ik de vergelijking met de anti-trust maatregelen die decennia eerder genomen werden tegen te toenmalige grote economische spelers. Het is tekenend hoe Zuckerberg de voorbije 12 maanden is omgegaan met de mogelijke Russische inmenging in de Amerikaanse politiek via Facebook. Het ging van ontkenning, over minimalisering tot belofte om er daadwerkelijk iets aan te doen wegens dramatisch erger dan gedacht. Dit was paniekvoetbal van iemand die weliswaar veel geld heeft, maar merkt dat er een tegenbeweging gaande is. Europa heeft met Margrethe Vestager een commissaris die GAFA en co probeert te raken waar het meest pijn doet, de portemonnee. The Economist sprak al over een Techlash om dit alles te beschrijven. Ondertussen morrelt Trump aan de netneutraliteit, en terwijl je zou denken dat de grote spelers hier blij mee zouden zijn, zijn ze dit allerminst. De ironie is dat al die internetbedrijven vooral ook de infrastructuur gebruiken van telecombedrijven. Die laatste groep meer macht geven, bedreigt terug te macht die de grote GAFA- spelers momenteel hebben.

Ook in onderwijs zien we dat we steeds kritischer beginnen omgaan met media in de klas. Focus is belangrijk voor leren en veel van wat we verhoopten met nieuwe en sociale media bleek niet tot het extra leerresultaat te leiden. Dit wil niet zeggen dat er geen meerwaarde is, en alle media bannen is even dom als alle heil van technologie verwachten. Het was tekenend hoe Singularity Hub de voorbije zomer blogde dat onderwijs de moeilijkste sector was om te automatiseren. No shit, Sherlock? Eerlijk, we zien volgens mij vooral nu een normalisering die steeds weer gebeurde met onderwijsmedia.

Dat zal wellicht ook met de technologie gebeuren die we vandaag gebruiken. Ons leven is veranderd, maar de nieuwigheid verdwijnt en dagelijks gebruik blijft over. Soms met positieve gevolgen, soms met negatieve gevolgen en dan krijg je campagnes zoals tegen suiker, alcohol, sociale media in het verkeer of mobiele telefoons in de klas zoals aangekondigd in Frankrijk.

Het is fout te denken dat bedrijven zoals Google, Facebook, Amazon of zelfs Apple onaantastbaar zijn. Dat dachten we ook van Enron, GM of dichter bij huis Sabena of V&D. Terwijl deze GAFA- grote winsten maken – al zaagt Trump zeer actief aan de stoelen van Amazon – zijn andere, kleinere spelers zoals Twitter of Spotify nog steeds zwaar verlieslatend. De grote aandacht die naar startups gegaan is, verschuift naar de vraag hoe bedrijven van startup kunnen evolueren naar blijvende winst.

Het is moeilijk te voorspellen hoe dit alles zal verder evolueren. Ik heb geen glazen bol. Als ik een gokje zou moeten wagen, dan kan veel van wat ik hier beschreef voor een vertraging zorgen in technologische ontwikkelingen op het vlak van de eerste twee letters van ICT. Een ding ben ik vrij zeker van: het blijven boeiende tijden, maar wellicht op een andere manier dan we tot voor kort dachten.

Dankbaar vooruitkijken van 2017-2018, ‘op eentje met suiker’

In deze laatste blogpost van dit jaar wil ik zelf ook even terugkijken en vooruit kijken. Toen mijn vrouw en ik gisteren op de trein terug naar huis zaten te wachten, konden we het niet laten het jaar te overlopen terwijl naar onze drie spelende jongens zaten te kijken. De voorbije 12 maanden viel op hoe in onze omgeving verschillende mensen geconfronteerd werden met serieuze tegenslag. We zagen ook veel mooie vriendschap, maar het besef dat alles breekbaar is, werd meer dan duidelijk in herinnering gebracht.

Tegelijk was het een jaar waarin ik zelf van de ene positieve verbazing in de andere verwondering terechtkwam. Eerst en vooral was er de grote spanning over mijn oma die terug met kanker geconfronteerd werd. De dag dat we hoorden, dat ze ook deze overwonnen had, was de mooiste van de voorbije 12 maanden. Ja, mooier dan mijn doctoraat, al is dat een fantastische tweede. Dat Nature het artikel van Paul Kirschner en mezelf oppikte de voorbije zomer, dat The Guardian ons boek als een van de 10 belangrijkste onderwijsboeken vermeldde, eerlijk? Ik kan het nog steeds niet vatten. Dat waren de meer spectaculaire dingen, maar genoeg opgeschept.

Wat heb ik de voorbije 12 maanden weer veel mogen bijleren van mensen in binnen- en buitenland, in levende lijven én op sociale media. Het hielp me als mens, als lesgever én als wetenschapper. Die laatste rol is het voorbije jaar steeds belangrijker geworden, en dat zal nog meer het geval zijn in 2018 met het nieuwe onderzoeksproject dat ik opstart in Leiden. Het wordt een project waarmee we naast onderzoek ook een pak jongeren mee zullen kunnen helpen. Ik heb momenteel 2 artikels ingediend en ben 3 nieuwe artikels aan het schrijven. Daarmee zal ik behoorlijk zoet zijn in 2018. Een nieuw boek zit er heel misschien in, maar hangt van het schrijfwerk af van Paul, Casper en mezelf. Wel zeker: de Engelstalige versie van Klaskit komt uit in maart van 2018.

2017 was voor mij ook een zeer muzikaal jaar met een plaat van Aleksandra & The Belgian Sweets en opnames van een nieuwe plaat met Willemsson waarvan een eerste single hopelijk binnenkort op de radio te horen en vooral ook de opnames van een nieuwe Blue and Broke plaat. Van deze laatste kan ik je enkel deze 11 seconden laten horen, maar weet dat we er samen ongelooflijk trots op zijn:

De nieuwe Willemsson komt wellicht in februari uit, de nieuwe Blue and Broke in april. Ik ga wellicht geen nieuwe plaat producen in 2018 wegens geen tijd, maar ik kijk nu al heel erg uit naar 13 april want dan plannen we iets zeer leuks met de band onder het motto #terugnaarMalmedy.

Dan is er nog deze blog. 2017 was een van drukste jaren ooit qua bezoekers en nee, ben nog lang niet van plan te stoppen. Dank voor de commentaren en tips die ik nog steeds vaak toegespeeld krijg, dank ook aan Linda Duits van wie er regelmatig gastposts opduiken.

Beste lezers, vrienden en kennissen. Dank voor de vele ontmoetingen, discussies en inzichten. Ik wil jullie allemaal veel goeds toewensen voor 2018 en laat het eentje met suiker zijn (voor niet-Gentenaars, de uitleg vind je hier).

Wil de ‘echte’ master opstaan?

Een stukje geschiedenis: na Bologna voerden de deelnemende landen een bama-structuur in, bachelors en masters werden de norm. Maar bij de invoering van deze structuur was er een kleine regio die besliste het toch nog anders te doen. Ze maakten een onderscheid tussen professionele bachelors (aan hogescholen) en academische bachelors (aan de universiteiten). Wil je van de professionele bachelor naar een master, moet je een schakelprogramma doen terwijl de academische bachelor onmiddellijk toegang geeft tot de masteropleiding.

Van dag 1 kon je dit systeem omzeilen als je er wat kilometers en geld voor over had: je studeerde als professionele bachelor aan een master in Nederland. Deze week bleek de Nederlandse Fontys-hogeschool in Vlaanderen een afdeling te hebben geopend om Vlaamse studenten deze omzeiling dichtbij aan te bieden. De Vlaamse hogescholen knarsetanden. Zij mogen dit niet. De inhoud van de Fontys-master – die zich richt op inclusie en zorg binnen onderwijs -bieden ze wel aan als ba-na-ba, bachelor na bachelor. Ook die leidt tot wat meer loon, maar… bestaat nergens in het buitenland die wel masters kennen.

Ondertussen maakten twee hogescholen bekend dat ze via een samenwerking met een Nederlandse instelling zelf ook vanaf volgend jaar een professionele master aan te bieden. En opeens hebben we wel veel verschillende masters.

  • Er is de ‘oer-master’, de academische master zoals je wil die aan de universiteit aangeboden wordt.
  • Er is de educatieve master waar nu aan gewerkt wordt, die het mogelijk moet maken om sneller leerkracht te worden aan de universiteit.
  • De master in de kunsten, de enige master die wel al aan hogescholen kan behaald worden in hun Schools of Arts (zie oa hier).
  • En dus nu ook professionele masters via de omweg via Nederland.

Over de educatieve master vloeide er al de nodige opinie-inkt, omdat oa historici en taalkundigen vrezen dat de kwaliteit van de masters die lesgeven achteruit zullen gaan. Zelf hoop ik vooral dat de educatieve masters niet beperkt zullen blijven tot het schrappen van een paar meer academisch gerichte vakken en deze vervangen door vakken en stages van de huidige academische lerarenopleiding.

Voor alle duidelijkheid: in het buitenland zullen deze vier masters gezien worden als… master en wellicht alle vier als echte master. En dat buitenland is niet onbelangrijk. Studenten die bijvoorbeeld als bachelor in het onderwijs afstuderen in Vlaanderen komen vaak in het buitenland in de problemen omdat hun diploma niet als het resultaat van een volwaardige opleiding gezien wordt waardoor ze zelf nog er een jaar extra moeten studeren om te mogen les geven los van de vraag of ze dat extra jaar inhoudelijk nodig hebben (Lees hier tussen de lijnen: mijn stelling is dat veel van onze bachelors even goed of zelfs beter presteren dan sommige masters in het buitenland).

“Meerkeuzevragen nemen toe. Maar hiermee kan je niet alles meten”

Gisteren verscheen mijn laatste column van dit jaar voor Radio1:

Het is weer die tijd van het jaar: de examens zijn er. In de praktijk nu al bij de leerlingen in het secundair onderwijs, maar ook in de hoofden van de studenten nadert de semesterstress. Rond examens zijn er momenteel twee tegenstrijdige bewegingen. Enerzijds willen we in onderwijs steeds vaker meer complexe compenties aanleren en evalueren. Daarom schrijven onze jongeren steeds vaker papers in het hoger onderwijs, zijn er geïntegreerde proeven en dergelijke meer. Maar aan de andere kant stijgt de schrik in onderwijs voor rechtszaken en andere betwistingen. Koppel dit aan de gestegen werkdruk door onder andere stijgende aantal studenten in hoger onderwijs en wat krijg je? De meerkeuzevragen nemen toe.

Ik heb zelf niks tegen multiple choice-vragen, maar het is duidelijk dat je hiermee niet alles kan meten. Bij elk doel hoort de juiste examenvorm.

Gelukkig zijn er vandaag nieuwe initiatieven die proberen om ook voor meer complexe doelen betrouwbare en liefst ook een snelle evaluatie mogelijk te maken. Zo is er bijvoorbeeld D-Pac, een initiatief van Imec en de Universiteit van Antwerpen. Samen ontwikkelden de onderzoekers een online tool voor wat we ‘comparative judgement’ noemen. Bij comparative judgement krijgt een groep van beoordelaars telkens 2 taken te beoordelen waarbij ze vrij snel moeten beslissen welke van de 2 taken de beste is. Dit wordt enkele rondes gedaan waardoor je een steeds verfijndere volgorde krijgt van de slechste taak tot de beste. Hoe kan je nu weten welke punten een taak verdient? Tussen de verschillende taken zitten ook anker-taken. Dit zijn taken waarvan verschillende experts zeggen: dit is een 12 of dit is een 15 op 20.

Ondertussen gebeurde zowel in het Verenigd Koninkrijk alsook in ons land verschillende onderzoeken naar hoe betrouwbaar de beoordelingen zijn, en de resultaten zijn veelbelovend. In afwachting van deze nieuwe beoordelingsvorm nog een boodschap voor alle leerlingen, studenten en beoordelaars van de examens: veel sterkte en succes!

Even over onderwijseconomisch onderzoek

Het voorbije weekend merkte ik op sociale media dat sommige mensen verbaasd reageerden op een uitspraak van professor Wouter Duyck in de Zevende Dag op Eén dat één leesniveau stijgen op 7 jaar gepaard gaat met meer dan 6000 dollar hoger loon op later leeftijd.

Dit soort onderzoek duikt vaker op en terwijl je bedenkingen kan hebben bij het economisch redeneren binnen het onderzoek, toont het wel het belang van onderwijs aan voor ook de economie. Is het economische dan het enige belangrijke? Nee, natuurlijk niet. Er is nog veel meer, maar het wegzetten is ook niet slim, zo zijn er ook correlaties tussen inkomen en gezondheid, hoe lang mensen leven, enz.

De voorbije jaren is er een hele tak ontstaan van economisch onderzoek naar onderwijs. Een van de bekendste economen die zich met het onderwijsdebat heeft gemoeid is James Heckman. Ik las veel van dergelijke onderzoeken en vaak boeiend, maar ik moet Christian Bokhove wel gelijk geven als het bij sommige papers – voor alle duidelijkheid, niet bij niet deze – wel soms wat begint te lijken op een ‘fishing trip’, waarbij in enorme databanken naar mogelijke correlaties gezocht wordt die altijd wel te vinden zijn, maar niet noodzakelijk inzicht geven of echt wel relevant zijn.

Anderzijds: voor een nieuw wetenschappelijk werk dat ik aan het schrijven ben de voorbije dagen zeer veel niet-economisch onderzoek doorgenomen en die opmerking kan ook gelden voor ander onderzoek, waarbij ik wel moet toegeven dat ik me soms in de krochten van de wetenschap (lees predatory journals) bevond.

Beter geen business as usual… (over #pirls en wat te doen)

Deze opinie verscheen eerder op de website van Knack.

Het is leuk als er goed nieuws is over ons Vlaams onderwijs, maar deze week is er vooral slecht nieuws te rapen. Uit het PIRLS-onderzoek blijkt dat de Vlaamse leerlingen het meest achteruit gingen voor begrijpend lezen in West-Europa. Concreet betekent dit dat de 10-jarigen van vandaag veel slechter informatie uit teksten kunnen halen dan hun leeftijdsgenoten 10 jaar geleden. In tijden van kenniseconomie en informatie-overaanbod is dit erg, en dan heb ik het nog niet over tijden van fakenews.

PIRLS toont het probleem, maar dergelijk onderzoek toont niet direct mogelijke oorzaken. Toch laat het onderzoek toe enkele belangrijke redenen uit te sluiten. Op Twitter werd al snel de link gelegd met migratie, maar ook kinderen die bij wijze van spreken nog nooit een migrant van dichtbij zagen, gaan achteruit. Mocht je denken dat het aan alle mogelijke vormen van ICT en sociale media zou liggen, sorry, maar de meerderheid van de landen gaan vooruit in het onderzoek en neem van mij aan: die kinderen gebruiken vaak net nog meer technologie dan onze kinderen. Het onderzoek toont ook dat kinderen minder goed presteren bij minder ervaren leerkrachten – iets wat we al langer wisten – maar: ook bij de meer ervaren leerkrachten gaan de prestaties achteruit. Er is ook goed nieuws: de kloof door sociale achtergrond is eindelijk veel kleiner geworden. Spijtig genoeg lijkt het door een collectieve achteruitgang.

Zijn er dan geen aanwijzingen voor mogelijke oorzaken. Enkele zaken vallen inderdaad op. De instructietijd die aan lezen besteed wordt, is in Vlaanderen opvallend laag. En ook: onze kinderen én onze ouders lezen opvallend minder vaak graag. Ook opvallend: in bijna elk onderzoek zie je een positief effect van professionalisering. Dit onderzoek bevestigt dat Vlaamse leerkrachten te weinig professionaliseren, maar nog meer opvallend: professionalisering zou hier eerder een negatief effect hebben. Maar opgelet: dit onderzoek meet veel, maar natuurlijk niet alles. Internationaal wordt bijvoorbeeld ook een link gelegd tussen goed begrijpend lezen en hoeveel teksten leerlingen ook voor andere vakken te verwerken krijgen. Iemand als een E.D. Hirsch legt de daling van het Franse onderwijs bijvoorbeeld bij de mindere focus op kennis, kennis die je nodig hebt om teksten te kunnen begrijpen. En eerlijk: ik vrees dat ik nog wel een tijdje door kan gaan met mogelijke oorzaken.

Ondertussen merk ik dat verschillende agenda’s bovengehaald worden en dan niet per se om noodvergaderingen vast te leggen. Nee, een pleidooi voor meer geld hier, een pleidooi voor masters in basisonderwijs daar, en vergeet zeker ook niet de betere begeleiding van jonge leerkrachten. Allemaal belangrijke discussies, maar eerlijk: het gevaar lonkt al snel dat we zo overgaan tot business as usual.

De onderzoekers geven terecht aan dat er geen mirakeloplossingen bestaan. Als we een dergelijke achteruitgang zien, dan betekent dit concreet dat we naar veel moeten kijken. Dan gaat het over én de eindtermen, én de leerplannen, én de pedagogische begeleiding, én de opleiding van leerkrachten. Er is nog meer: de leesbevordering kan en mag niet beperkt blijven tot de leerlingen, maar de ouders spelen hierin ook nog een cruciale rol.

Hierbij is het interessant te kijken naar landen die een opvallende verbetering getoond hebben qua begrijpend lezen. Engeland, lang een kneusje geweest in vergelijkende studies, doet het opvallend beter. Dit hoeft niet per se te verbazen. De voorbije jaren bleek al uit verschillende studies dat de kinderen in de UK opvallend meer en liever begonnen te lezen. Maar opgelet: vergelijkende pedagogiek leert ons ook dat je niet zomaar een model van uit het buitenland kan overnemen en denken dat het zal werken.

Een andere optie is om niks te doen en te wachten. Maar weet dat begrijpend lezen cruciaal is om bijvoorbeeld op 15 jaar de opdrachten te lezen van PISA, die andere vergelijking waar we goed op scoorden. Voorlopig?

Hoe evolueert het lezen van onze lagere schoolkinderen? #PIRLS

Vandaag is PIRLS gepubliceerd, de vijf-jarige internationale vergelijking van het lezen van kinderen in ons vierde leerjaar. We sloegen de vorige ronde over, waardoor we de cijfers voor Vlaanderen moeten vergelijken met 10 jaar eerder. En het nieuws is niet goed. Het aantal lezers die het hoogste niveau behaalden, ging terug van 7% in 2006, naar 4% in 2016. Het niveau daaronder werd in 2006 nog door 49% behaald, in 2016 is het nog 35%. Het aantal leerlingen die zelfs het laagste niveau niet behalen, steeg van 1% naar 3%.

De komende dagen zal je misschien verschillende verklaringen horen, maar voor wie denkt dat het door de vele schermen komt: nee. Meer nog, in de meeste deelnemende landen zien we net een verbetering van het lezen.

Wat wel opvalt is dat de Vlaamse (en Nederlandse) leerlingen minder vaak aangeven dat ze graag lezen en graag lezen gaat gepaard met betere resultaten. Verder valt ook op dat er hier relatief weinig tijd naar leesinstructie gaat in vergelijking met andere landen of regio’s. Ook als we kijken naar het aantal teksten (lang of kort, of toneelstukken), die leerlingen moeten lezen zien we dat onze leerlingen eerder minder lezen dan gemiddeld in de deelnemende landen.

Passend bij de discussies van de voorbije maanden, blijkt de groep leerlingen waarvan de directie aangeven dat ze zeer hoge eisen stellen slechts een paar procent uit te maken. Maar opgelet: er lijkt niet noodzakelijk een verband tussen dat hogere eisen stellen en betere leesprestaties.

Soms vind je ook behoorlijk interessante gegevens in de data die misschien minder het nieuws zullen halen. Zo blijkt 1 op 4 onderzochte kinderen quasi dagelijks zich moe te voelen en 1 op 5 zowat dagelijks honger te hebben. Opgelet hiermee scoort Vlaanderen behoorlijk goed in vergelijking met andere onderzochte regio’s en landen.

Er zit nog veel moois in de data, maar daarvoor heb ik nog veel meer tijd nodig!

UPDATE:

Over welbevinden en leren en de voorbije week

Wat een week. Het onderwijsnieuws was veel en heftig. Onderhuids zaten conflicterende visies over de link tussen welbevinden en leren. Het is onder andere door het werk van Ferre Laevers een basisidee bij veel onderwijsmensen dat welbevinden een voorwaarde is voor leren al is de theorie in hun handboeken de voorbije jaren echt wel aangepast. Tegelijk opperen steeds meer mensen dat ‘leuk’ of ‘welbevinden’ te centraal komt te staan in het onderwijs net ten koste van leren.

Probleem is dat welbevinden, leren en leuk geen synoniemen zijn. Blues geeft me welbevinden, maar net als fado is het niet ‘leuk’. Ik ken werkvormen met hoog welbevinden maar met weinig leren, en ik ken situaties waar veel geleerd wordt (je lief laat je in de steek) maar waar het welbevinden laag is… De oorzaak-gevolg relatie tussen welbevinden en leren ligt ook vaak net dat je je goed voelt omdat je iets geleerd hebt.

Mensen schrikken vaak als ik onderzoek van het Jeugdonderzoeksplatform citeer en er op wijs dat scholen meestal het welbevinden van buitenaf erven en er weinig in bepalen. Ze schrikken ook als ik PISA citeer en aangeef dat in Vlaanderen meer kinderen zich beter voelen op school dan in gidsland Finland. We denken niet enkel dat welbevinden belangrijk is, we denken ook dat het vaak ontbreekt in onderwijs. Terwijl dat als het ontbreekt het vaak van elementen komt… buiten het onderwijs.

Ik kreeg de voorbije week het vaakst de vraag of de kinderen op de Michaela school gelukkig zijn op hun school. Spijtig genoeg was het verboden die vraag te stellen. Volgens de school niet omdat ze schrik hebben voor het antwoord, wel omdat de leerlingen die vraag zo vaak kregen en geschokt werden door de sterke ongelovige reacties van bezoekers die hen niet wilden geloven. Eerlijk? Ik geloof hen wel. Ik heb via een omweg het toch gevraagd en de meeste voelden zich echt wel ok al net zoals overal in het onderwijs zeker niet iedereen.

Heb ik nu gezegd dat welbevinden niet belangrijk is? Nee, zeker niet. Ja, het is belangrijk dat we dingen leren in onderwijs, én kennis, én vaardigheden én gevormd worden. Een school waar niet geleerd wordt, is geen school. Maar een school waar kinderen zich nooit goed voelen, willen we dat? De voorbije jaren hebben we het aantal jongeren zonder diploma in Vlaanderen serieus kunnen doen verminderen, ik denk niet dat het de bedoeling kan zijn om dat aantal weer te doen toenemen. Mag onderwijs leuk zijn? Graag. Maar welbevinden en leuk alleen, nee. Leren alleen? Ook liever niet.

En dan heb ik het nog maar over drie taken in en van ons onderwijs…