Minder geld naar onderwijs aan de universiteiten? Mijn bedenkingen

16 04 2015

Vandaag koud wakker worden op een nieuwe warme lentedag als je de opinie leest van Robert Stouthuysen over de volgens hem klassiek universiteit die op sterven ligt maar dit nog niet goed beseft. Hij klaagt vervolgens aan dat onze instellingen de digitale boot aan het missen zijn. Gelukkig is ons onderzoek wereldtop, maar er gaat gewoonweg te veel geld naar het onderwijsluik. Meer nog hij schrijft letterlijk: de universiteit als onderwijsinstelling is op sterven na dood. De universiteit zal digitaal zijn of niet zijn.

En dan volgt een verhaal van een man die volgens mij de berichtgeving rond bijvoorbeeld MOOC’s zeer eenzijdig gelezen heeft. De vele hoera-verhalen zijn al lang aangevuld door meer kritische geluiden. De uitval, het mindere bereik staan haaks op de democratiserende hoop die we eerst hadden.

De aap komt al snel uit de mouw: er moet een grote productiviteitsverhoging komen in de instellingen voor hoger onderwijs.

Een paar denkfouten:

  • alsof er de voorbije jaren geen productiviteitsverhoging is gebeurd. Het aantal studenten in hoger onderwijs is de voorbije jaren zowat ontploft, maar de personeelsomkadering is op zijn zachtst gezegd niet gevolgd.
  • digitaal wordt in het stuk voorgesteld als een besparing. Ik hoor die fout wel vaker maken, maar het ontwikkelen en ontwerpen van degelijke online materiaal kost minstens evenveel als gewoon les geven. Ja, je kan gewoon een video van een pratende prof, misschien een van zijn hoorcolleges, online zetten, maar… ik hoop dat de goede man dat niet bedoelt. Misschien is het dan interessant na te gaan hoe effectief dat is (3x raden).
  • dat jongeren hiervoor vragende partij zijn. Verschillende onderzoeken in Canada, Europa maar ook in Azië toont dat dit niet klopt. Digitale platformen worden vooral gebruikt door mensen die al een diploma behaalden en/of al aan het werk zijn.

In feite pleit de erevoorzitter van VOKA voor iets waar ik al langer voor waarschuw: bij slecht gebruik van MOOC’s zal contactonderwijs verglijden tot een luxeproduct waar enkel de sterke of de rijke studenten recht op hebben.

In het stuk wordt de universiteit compleet herleid tot een economisch gegeven. Onderzoek moet centraal staan als motor voor economische ontwikkeling. Maatschappelijke dienstverlening, die derde taak van hoger onderwijs, wordt al helemaal vergeten. En het is niet toevallig dat Stouthuysen onderwijs wil inperken. De oude betekenis van school is niet voor niets “vrije tijd”, in de betekenis van vrij van economische waarde. Eigen aan onderwijs is dat het gaat om ‘vertraagde tijd’, tijd voor reflectie en verkenning.

Toch heeft de man wel een punt: we moeten dringend nadenken over hoe we ons hoger onderwijs vandaag te vaak vorm geven. We gebruiken nog steeds te veel de goedkoopste maar tegelijk een van de minst effectieve werkvormen: hoorcolleges, net omwille van productiviteit. Ik geef zelf graag hoorcolleges en voor bepaalde inzichten werkt deze werkvorm wel, maar het gaat fout als de keuze niet om didactische maar om financiële redenen gemaakt wordt.

En ja, we moeten er voor zorgen, bijvoorbeeld door betere oriëntering via platformen zoal SIMON of LUCI, dat er minder uitval is of dat de  studentengroepen onnodig groot zijn omdat niet de juiste mensen op de juiste plaats zitten.

Als we sterke toekomstige werknemers en onderzoekers willen krijgen, moeten we volgens mij vooral ook weer meer kunnen vormen en aanzetten tot reflectie, onderzoekende vaardigheden en kritische geest. Misschien eindigen we dan zelfs dichter bij het resultaat dat Stouthuyzen voor ogen heeft. Het kan wel betekenen dat we meer geld naar onderwijs moeten sturen. We noemen dat investeren in de toekomst.





“Het recht op vergeten”, waarom doen we het niet zo?

9 04 2015

De voorbije dagen hebben we verschillende voorbeelden gehad waarbij mensen geconfronteerd worden in de media met iets wat ze ooit op sociale media geplaatst hebben. Willem Elias, Abou Jahjah en in de VS de opvolger van Jon Stewart, Trevor Noah hebben het te verduren gekregen.

Los van mijn mening over elk van deze drie voorbeelden, deed het me terug nadenken over hoe belangrijk het recht op vergeten aan het worden is in deze tijd waarin we een “recorded life” leven. Alles wat we (digitaal) doen of zeggen kan bewaard worden en blijkbaar ooit tegen ons gebruikt worden.

Europa heeft op dit moment al een eerste wetgeving rond het recht op vergeten, maar in de praktijk gaat het vooral over feiten die niet meer gevonden zouden kunnen worden via Google.

Zelf kwam ik uit op een heel eenvoudig en wellicht te eenvoudig voorstel voor specifiek sociale media:

  • Alle informatie die je op sociale media publiek of semi-publiek plaatst is standaard maar 6 maanden beschikbaar.
  • Wil je  toch dat dit langer vindbaar is, bijvoorbeeld omdat je als muzikant dingen deelt, of omdat je het leuk vindt, dan kan je zelf er voor kiezen dit langer toegankelijk te maken.
  • Zelf heb je wel altijd toegang tot wat je ooit postte.

Eventueel zou je ook bij bijvoorbeeld Facebook een knop kunnen krijgen met opties hoe lang zaken publiek terugvindbaar kunnen zijn, 3 maanden, 6 maanden,… net zoals je nu kan instellen wie wat ziet.

Je zal nog altijd niet kunnen voorkomen dat een derde via bijvoorbeeld screenshots een kopie bewaart, maar het is misschien een haalbare stap naar ‘recht op vergeten’?

 





Behoud onverbloemde sprookjesversies (Linda Duits)

4 04 2015

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

We kennen sprookjes vooral uit de versies van Grimm en Disney-films. Dit zijn gekuiste versies van verhalen die generaties lang doorverteld werden, bij de haard in de winter en buiten op het erf in de zomer. De Vlaamse antropoloog Marita de Sterck publiceerde onlangs Vuil Vel, een boek met veertig sprookjes in ongecensureerde vorm. Dat betekent bloederiger en vunziger: ouders die hun eigen kinderen met de blote hand vermoorden en Roodkapje die naakt naast de wolf in bed gaat liggen.

Volksverhalenonderzoeker Theo Meder hield een voordracht bij de boekpresentatie. Hij stelt:

“Als het merendeel van het publiek uit volwassenen en pubers bestond, dan konden het kruidige verhalen zijn – verhalen voor volwassenen onder elkaar. Mochten er kinderen bij zitten, dan luisterden ze mee, en hoorden ze mee met de seksueel getinte verhalen over meiden en vrijers, lachten ze om de domme streken van de seizoensarbeiders, huiverden ze mee met de akelige verhalen over weerwolven en witte wieven, over demonen van het type Kludde en reuzen van het type Lange Wapper, verhalen over de organen etende stiefmoeder van Sneeuwwitje, of de vrouwenmoordenaar Blauwbaard. Waarna de kleinsten niet meer konden slapen van de opwinding, de spanning en de angst.”

Gender
De kuising van sprookjes heeft te maken met pedagogie. Journalist en antropoloog Cathérine Ongenae schreef voor Knack een artikel over de achtergronden van Vuil Vel. Ze laat sprookjesdeskundige Harlinda Lox aan het woord. Het censureren gebeurde vooral door onderwijzers en priesters toen de sprookjes werden opgeschreven, legt Lox uit. Zo waren dwergen uit Sneeuwwitje oorspronkelijk kannibalen.

Gender speelde daarbij een belangrijke rol. De gebroeders Grimm verzamelden 200 verhalen, maar we kennen er maar zo’n vijftien. De rest voldeed niet aan het toenmalige vrouwbeeld: de vrouwen waren daarin niet netjes of geduldig genoeg. Als er een feministisch tintje aan zat werden sprookjes herschreven: eigenzinnige vrouwen belandden dan op de brandstapel.

Vervreemding
Sprookjes zijn vooral geduid vanuit de psychoanalyse. Het zou gaan om taboe, schuld en schaamte. In het artikel van Ongenae komt ook klinisch psycholoog Myriam Maes aan het woord, bij wie sprookjes een rol spelen in haar therapieën:

“Rauwe sprookjes zijn een antigif tegen het moraliseren van volwassenen. Mensen duwen wreedheid weg uit angst, maar je moet ze toelaten als je ermee wilt leren omgaan. Door negatieve gevoelens te verbieden, loochenen we onze fantasieën en vervreemden we van onszelf. Rauwe sprookjes moraliseren niet, ze gaan voorbij goed en kwaad. Je betreedt een andere wereld waar andere dingen mogen. Sprookjes leren je vrij te denken, gaan in tegen taboes, overschrijden grenzen. Door ze te vertellen, doorbreek je sociale dammen zoals schuld, schaamte en walging. In die zin staan rauwe sprookjes lijnrecht tegenover onze manier van opvoeden, waarin kinderen braaf en gehoorzaam moeten zijn, en alles moeten overnemen zonder vragen te stellen.”

Erfgoed
Het zijn dus volwassenen die kinderen onschuldig willen houden. Hiermee bezweren zijn hun eigen angst, stelt Maes. Het het risico is dat de ongecensureerde vertellingen verloren gaan. Theo Meder besluit zijn voordracht daarom met een pleidooi voor behoud:

“[H]et is ook niet de bedoeling dat omwille van de tere kinderziel, de volwassen vertelling zou moeten verdwijnen. Ook dit is cultureel erfgoed en ik hoop van harte dat Marita doorgaat met het uitgeven van onverbloemde sprookjesversies. En ik mag zelfs hopen dat deze sprookjesversies weer op het repertoire komen te staan van volwassen vertellers.”

Luister ook dit item van Onder Mediadoctoren over sprookjes toen en nu. 





Ter verdediging van sociale media

3 04 2015

Stromae nieuwste clip en de hetze rond en over het drama van Steve Stevaert hebben 1 ding gemeen: sociale media lijken het gedaan te hebben.

Paul van Haver, aka Stromae, is slim. Zijn videoclip is geniaal, maar ook dubbel:

De man is wereldwijd groot geworden niet enkel door de ijzersterke songs, maar evenzeer door slimme, online marketing. Ik vermoed dat hij bij Stima zeer hoog staat op het lijstje voor het marketingcongres.

Gisteren vielen zowel traditionele als sociale media over elkaar in de nieuwsgaring rond eerst de aanklacht tegen minister van staat Steve Stevaert en later de vermissing en zelfdoding. Hierbij deed volgens mij de journalist van De Tijd zijn job door het nieuws relatief sec te brengen, en ging een krant als De Telegraaf volledig uit de bocht met hun titel waarin ze stellen dat de verkrachtingsminister vermist wordt.

Op sociale media, twitter op kop, gingen ook verschillende mensen uit de bocht. Ik schrijf bewust mensen en niet gebruikers, omdat we collectief lijken te vergeten dat het onderwerp en de schrijvers nog steeds mensen zijn.

De eerste wet van Kranzberg luidt “technologie is noch goed, noch slecht, maar is ook nooit neutraal.” Dit geldt zeer zeker ook voor sociale media. Dit argument zou ook en wordt ook gebruikt om wapens goed te praten, maar het essentiële verschil met bijvoorbeeld pistolen is dat sociale media niet uitgevonden zijn om iemand te doden, net zomin als het het broodmes dat je deze ochtend gebruikte om je boterham te smeren (met dank aan @netlash voor het beeld).

Voor elk vreselijk voorbeeld, zijn er talloze mooie verhalen. Ik leer elke dag bij van wat collega’s wereldwijd over onderwijsonderzoek delen via sociale media. Ik zag en nam deel aan verschillende online onderwijsdiscussies die een pak diepgaander waren dan een gesprek van een paar minuten op radio of televisie, zelfs al is het in 140 tekens die heen en weer gaan.

Een metafoor die ik de voorbije 24 uur veel hoorde is dat Twitter een café is met toogpraat van lallende dronkaards. Dit is veel te kort door de bocht. Die dronkaards, of beter trollen zijn er, al dan niet zich anoniem verschuilend achter een alias, zich lekker veilig wanend. Maar het is niet de massa die zich zo lallend voortbeweegt. In de rest van het café zitten mensen te vieren dat er een nieuw kind geboren is, krijgt een ander steun bij het verlies dat hij of zij doormaakt, wordt een koppeltje verliefd op elkaar,… Het lijkt wel het echte leven, en daarvan is het ook een weerspiegeling.

Uit verschillende onderzoeken blijkt dat sociale media vaak een verlengde is van het gewone leven van elke dag, soms wordt Facebook en co een uitvergroting. De grote verschillen met het dagelijkse leven zijn dat wat je doet meer publiek kan zijn en langer bewaard wordt. “Vergeten” is daarom een belangrijk discussie geworden in de hele privacy-discussie.

Maar net als vergeten, is volgens mij vergeven ook vooral geen technisch probleem of uitdaging, maar is het vooral mensenwerk. Guillaume Van der Stighelen vatte het – op twitter – mooi samen:





Het tijdperk van mobiel is het tijdperk van samen. (Linda Duits)

27 03 2015

Deze blogpost verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Demonstranten zitten op de DamJarenlang werd jongeren verweten dat ze geen idealen hebben. De babyboomers waren immers de protestgeneratie en niemand doet ze dat na. Jongeren van nu zouden de internetgeneratie zijn: verknocht aan hun mobiele telefoon, niet bereid tot meer dan het liken van een goed doel op Facebook. De bezetting (of beter: bevrijding) van het Maagdenhuis toont een heel ander beeld van de hedendaagse student. De studenten die daar zitten zijn politiek bewust, maar geloven niet in bestaande partijen. Ze denken vrij en ze organiseren zich.

Sinds de jaren ’90 is de universiteit veranderd. Inspraak werd afgepakt, een competitief beurssysteem werd ingevoerd, studentenaantallen stegen en er ontstond een publish or perish-cultuur. Medewerkers lieten dit over zich heen komen. Er werd onderling veel geklaagd en er verscheen menig opinieartikel in de krant, maar van verzet was geen sprake. Het waren de studenten die uiteindelijk actie ondernamen, die vonden dat er genoeg gepraat was en dat er druk uitgeoefend moest worden.

Anders dan de docenten zijn deze studenten niet geknecht, ondanks het leenstelsel. In het Maagdenhuis vinden dagelijks lezingen plaats, van kleine en grote namen. De studenten laten zich vervoeren door theorieën over verandering. Daarbij hebben ze een sterke hang naar gemeenschap. Het Maagdenhuis is nu een centrale ontmoetingsplek. De studenten willen volwaardig onderdeel zijn van de academische gemeenschap en daarbij hoort een plek om samen te komen.Voor jongerenonderzoekers moet die zucht naar offline samenkomen niet nieuw zijn. Onder studenten viel al langer op dat ze graag samen buitenshuis studeren (vandaar de enorme behoefte aan studieplekken) en dat ze contacturen erg waarderen.

Een volwaardig onderdeel zijn betekent serieus genomen worden en meebeslissen. Dat is dan ook de voornaamste inzet van het protest: een meer democratische universiteit. Ze laten zich niet ringeloren door oppervlakkige ideeën over burgerschap, maar denken voor zichzelf. Als docent kan je daar niets anders dan trots op zijn. Als jongerenonderzoeker dringt de vraag zich op in hoeverre deze groep een voorhoede is van wat gaat komen.

Een voorspelling wil ik daar wel over doen: het belang van fysiek samenkomen zal steeds meer prominenter worden. We zien dit bijvoorbeeld ook bij fans. Zij waren de early adaptors van het internet en vormden daar nieuwe gemeenschap. Nu draait alles om bij elkaar zijn op fysieke plekken, op fanconventies of om live in het Vondelpark de finale van Wie Is De Mol te kijken. Het tijdperk van mobiel is het tijdperk van samen.

Beeld: zitten op Dam tijdens de protestmars van 13 maart 2015. (c) Linda Duits





Schaalvergroting in onderwijs, een overzicht

23 03 2015

Dit weekend bleek onder andere uit artikels in De Tijd dat de basisscholen aan de alarmbellen trekken over de enorme schaalvergroting die het katholieke onderwijs wil doorvoeren. Let wel, dit gaat niet over grotere scholen, maar over groter organisatorische gehelen. Ze willen van de huidige iets minder dan 800 schoolbesturen naar een 150 schoolbesturen gaan. Het basisonderwijs vreest hierdoor dat de kleuterscholen en lagere scholen (nog meer) in de verdrukking zullen komen.

Voor alle duidelijkheid, het VSKO heeft hiervoor goede redenen:

  • Vaak zijn schoolbesturen nu vrijwilligerswerk en men wil een professionalisering doorvoeren.
  • Die professionalisering is nodig om bijvoorbeeld beter personeelsbeleid mogelijk te maken,
  • en ook zo beter het hoofd te bieden aan de complexere werkelijkheid waarin scholen vandaag moeten opereren.

De overheid is vandaag dergelijke schaalvergroting ook niet ongenegen omdat het voor hun masterplan secundair onderwijs dan makkelijker wordt om domeinscholen te organiseren die per inhoudelijk domein zowel doorstroomrichtingen, arbeidsmarktgerichte opleidingen als gecombineerde richtingen aanbieden. Verder hoor je hier ook vaak het personeelsbeleidargument, met expliciete verwijzing naar de startende leerkracht die dan misschien niet op 1 school genoeg uren kan vinden, maar wel binnen het groter geheel.

Maar de de directies van de basisscholen hebben ook goede punten:

  • “In de toekomst zal het werkingsbudget niet langer naar de school gaan, maar naar de scholengroep. Die verdeelt het geld tussen de scholen. Voor de basisscholen ligt dat gevoelig, want ze riskeren minder geld te krijgen. Nochtans pleiten ze al jaren voor meer ondersteuning.”
  • “Macht is een tweede pijnpunt. De basisscholen zijn bezorgd dat ze worden opgeslorpt in een groter geheel waarover ze geen controle hebben.” (bron De Tijd)

Maar er zijn meer bedenkingen te maken, los van de vraag of het goed of negatief is:

  • Toen ik vroeg op de studiedag van NGVO in juni vorig jaar toen dit plan de eerste keer naar buiten kwam, of het risico niet bestaat dat zo het VSKO zichzelf overbodig kan maken, was het antwoord toen: is mogelijk.
  • Vandaag spreken we over schaalvergroting en expliciet niet over schoolvergroting, maar er zijn weinig zekerheden dat uit efficiëntie drang het ene niet tot het andere kan leiden.

Ik geef toe dat ik zelf koele minnaar ben van enorme scholengroepen, om de redenen die onder andere professor Devos opnoemt, al zie ik ook mogelijke voordelen die de professor ook benoemt. Zelf vraag ik me af als je basisonderwijs lokaal wil verankeren en wil organiseren dicht bij de mensen, het misschien geen piste kan zijn om te verplichten dat er aparte scholengroepen komen voor basisonderwijs en secundair onderwijs. Zo kan de eigenheid gegarandeerd worden. Ik zie hier ook mogelijke nadelen, de overgang van het ene niveau naar het andere, maar tegelijk vermijd je dan ook de verenging die kan ontstaan van leerlingen die binnen een schoolorganisatie gehouden willen worden.





Een kleine ode aan mijn “kantoor”

20 03 2015

Collega’s weten het al langer. Vergaderen doe ik niet graag – anderzijds wie wel? – en als ik zelf een vergadering moet organiseren verhuist die heel vaak van de campus weg naar Het Salon.

Journalisten die me wilden interviewen en die me liever in levende lijve zagen dan via de telefoon, kregen steeds de boodschap: afspreken in Het Salon.

Als ik in de buurt van school moest blijven voor praktische redenen, maar toch wou werken op mijn manier (geen commentaar hoe die manier dan wel is). Je raadt het al…

Zowel de vergaderingen als de interviews eindigden voor mij bijna steeds met een tomatensoepje, zonder balletjes graag.

En nu sluit mijn kantoor. Een plek waar ik minder ging toen ik student was, maar gaandeweg een deel van mijn leven werd.

De eigenaar wil het rustiger aan doen. En hij heeft daar alle recht toe.

In de plaats zou een glutenvrij restaurant komen. Ook zij hebben daar alle recht toe.

Maar 1 ding is zeker, ik ga mijn kantoor meer dan missen.

P.S.: ik vermoed, als ik zie hoe gezellig druk het nog steeds is in Het Salon dat er nu een echt gat in de markt is ontstaan, beste Gentse ondernemers en vergeet de soep en de strips niet!





Leerkrachten in Wales krijgen een ‘leerpaspoort’ en een nieuwe educatieve master voor meer professionalisering

17 03 2015

Professionalisering van leraren heeft volgende oa John Hattie een grote impact op het leren van de leerlingen in de klas. Wales, als regio, kreeg de voorbije jaren slechte rapporten qua ontwikkeling van de leerkrachten en de overheid wil hier dringend iets aan doen.

De maatregelen samengevat:

2 maatregelen springen mij in het oog: het professionele leer paspoort dat als het ware een continue vorming van een leraar bijhoudt. Hier vraag ik me af in welke mate dit enerzijds een formaliteit kan blijven of anderzijds een middel kan zijn voor repressie (“jij deed niet genoeg aan bijscholing”). Ik denk dat het toegang verlenen tot kwaliteitsvolle leerkansen hier belangrijk zal zijn.

De tweede maatregel is ‘new master in education practice’, de mogelijkheid om als leerkracht een extra kwalificatie te behalen in de vorm van een nieuwe master met als bedoeling het beter doorstromen van effectieve leermethodes in de klas. Van dit laatste, dat voor een stuk aanleunt op oa het Schotse systeem, ben ik zelf een voorstander. Let wel, het gaat dan niet over de universitaire lerarenopleiding zoals die vandaag bestaat, maar een specifieke opleiding voor leraren die al les geven en zich verder willen ontwikkelen.

Je kan meer informatie vinden over deze opleiding in deze folder, hier of in deze video:





Vandaag is het “rapportdag” voor onze opleiding

13 03 2015

Gisteren verscheen een klein artikel op Limburg actueel dat de voorbode is voor het nieuws dat vanmorgen om 9u bekend gemaak wordt: de evaluaties van de lerarenopleidingen secundair onderwijs door de verschillende visitatiecommissies.

Ik maakte al twee dergelijke visitaties mee, en het is – naast veel werk – een spannende onderneming. Iedereen zet zijn beste beentje voor, net zoals bij een groot mondeling examen. En dan is het een eerste keer bang afwachten of je ergens iets tussen de regels kan lezen die de commissievoorzitter zal zeggen op het einde van het visitatiebezoek, net voor ze weggevoerd worden met de al klaar staande taxi’s zodat we maar niks zouden kunnen vragen.

En dan is het wachten, deze keer extra lang, op het resultaat. De opleidingen krijgen wel een eerste versie van de eigen beoordeling om commentaar op te geven, maar het totale plaatje wordt pas vandaag bekend gemaakt.

Zelf heb ik geen flauw idee wat in ons rapport staat of wat er in de andere rapporten staat. Maar deze ochtend staat in De Morgen wel al een schot voor de boeg:

  • Bijna alle hogescholen krijgen een voldoende of beter voor hun gewone, voltijdse opleiding.
    Oef, alhoewel dat ene woordje ‘bijna’… Ik heb wel goede hoop voor onze opleiding, vorige keer scoorden we echt goed.
  • Toch mag er meer worden gevraagd en er is een kloof met de praktijk.
    Een voldoende betekent dat de opleiding voorbereidt op het werkveld, maar tegelijk lijkt het voor een van de visitatiecommissievoorzitters (wat is de woordwaarde hier van?) alvast niet genoeg om jongeren echt te wapenen voor de job van leerkracht vandaag, met een duidelijke link naar een nood aan ondersteuning van beginnende leraren. (Ik beschreef zelf ooit hoe ik droom van een 3-jarige opleiding die een startbewijs kan opleveren om les te geven, vervolgens 3 jaar intensieve begeleiding tijdens de job in samenwerking tussen middelbaar onderwijs en hogeschool en vervolgens de optie om deeltijds in 2 jaar een master te halen in combinatie met werk.)
  • De opleidingen voor werkstudenten scoren minder goed.
    Een zeer opvallend element: de inspectie zou aangeven dat de kwaliteit van de opleidingen voor werkstudenten, waarbij studenten in avondles opgeleid worden, extra in de gaten moet gehouden worden. Ze zouden lang niet altijd de zelfde competenties behalen als de voltijdse studenten.
    Dit laatste is geen onbelangrijk thema. Om de (grote) nood aan leerkrachten in de toekomst te lenigen, kijkt men heel erg naar de zogenaamde zij-instromers: mensen die op latere leeftijd, na een andere carrière toch voor het beroep van leerkracht kiezen. Het zou me niet verbazen als de bronnen van De Morgen kloppen, dat dit wel eens politiek een belangrijk thema kan worden.

Straks, om 9 uur ben ik aan het les geven met een groep zeer gemotiveerde eerstejaarsstudenten. Het zal dus pas later zijn dat ik ons rapport kan bekijken dat om 9 uur op de site van de VLUHR zal verschijnen. Net zoals mijn oma voor elk rapport een kaarsje deed branden toen ik studeerde, duim je mee?





Een nobelprijswinnaar spreekt…

12 03 2015

De VRT had een gesprek met François Englert, nobelprijswinnaar, over wetenschap met 2 duidelijke waarschuwingen:

“Hoewel het zich niet altijd meteen in een nuttige toepassing of succes vertaalt, is het volgens hem op de lange termijn ontzettend belangrijk. “Mensen beseffen mogelijk onvoldoende dat een gebrek een fundamenteel onderzoek in vele andere domeinen gevolgen zal hebben”, zegt hij. “Op de lange termijn zal het overal de creativiteit vernietigen.”

Daarnaast hekelt hij de toenemende druk die op academici rust om op korte tijd veel te publiceren in wetenschappelijke tijdschriften. Vooral jonge wetenschappers krijgen hierdoor vaak niet te ruimte om creatieve en vernieuwende ideeën uit te werken.”

Gisteren tweette @neuroskeptic een onderzoek over medisch, wetenschappelijk onderzoek in Vlaanderen die een derde waarschuwing inhoudt die hier bij aansluit:

Abstract van dit onderzoek van Tijdink et al.:

There is increasing evidence that scientific misconduct is more common than previously thought. Strong emphasis on scientific productivity may increase the sense of publication pressure. We administered a nationwide survey to Flemish biomedical scientists on whether they had engaged in scientific misconduct and whether they had experienced publication pressure. A total of 315 scientists participated in the survey; 15% of the respondents admitted they had fabricated, falsified, plagiarized, or manipulated data in the past 3 years. Fraud was more common among younger scientists working in a university hospital. Furthermore, 72% rated publication pressure as “too high.” Publication pressure was strongly and significantly associated with a composite scientific misconduct severity score.








Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 7.355 andere volgers

%d bloggers op de volgende wijze: