Waarom er geen school komt op basis van mijn visie…

De voorbije dagen heb ik nogal epische discussies meegemaakt op Twitter. Het is vakantie… De aanleiding was het stuk van Rutger Bregman waarop ik trouwens hier een factcheck deed. Ik merkte dat ik door kritische vragen te stellen quasi gelijk in een bepaalde hoek geplaatst werd.

Deze keer stelde ik vragen bij bepaalde vernieuwingen die eerder progressief genoemd zouden kunnen worden. Niet omdat ik tegen vernieuwing ben, maar omdat bepaalde elementen al eerder uitgeprobeerd zijn en vooral er vaak negatieve effecten zijn op ongelijkheid. Meer vragen stelde ik bij bepaalde bronnen in het artikel van Bregman die behoorlijk eenzijdig genoemd kunnen worden.

Eind juni had ik een – niet publieke – discussie in Londen over vernieuwingen die eerder traditioneel zouden kunnen genoemd worden. Hier was ik ook kritisch omdat men de term evidence-based liet vallen maar tegelijkertijd oa expliciet niet van samenwerkend leren wou horen, terwijl hier wel degelijk ook evidentie voor bestaat.

Wat hadden beide situaties gemeen naast gedreven persoonlijkheden? Er werd aan cherry picking gedaan, vrij selectief naar wetenschap gekeken om een bepaald punt te maken. Ik kreeg 2 jaar geleden de vraag van een school die evidence based wou werken… tot ze ontdekten dat de evidentie haaks stond op de visie die ze hadden. Zo werkt wetenschap dus niet. De voorbije jaren kreeg ik vaker de vraag of ik geen onderzoek kende of onderzoek wou doen om een overtuiging te bewijzen. Dat is een beetje zoals een verdachte die vraagt onderzoek te doen om hem of haar vrij te pleiten. Je kan als detective onderzoek doen, maar je kan en mag niet zeggen hoe iets zal uitdraaien.

Dat laatste herken ik maar al te goed. De voorbije jaren heb ik zelf te vaak gevloekt omdat een onderzoek niet uitkwam wat ik verwachtte of hoopte. Maar dat hoort er nu eenmaal bij. Als alles zou uitkomen zoals we verwachten, dan zou er geen onderzoek meer nodig zijn.

Gisteren kreeg ik ook de vraag of ik een school zou kunnen tonen die volledig aan mijn visie voldoet. Dat is onmogelijk, want dan ga je van een paar zaken uit die niet kloppen. Ten eerste dat ik een dergelijke visie zou hebben. Ten tweede dat er dan volgens mij maar een goede visie zou bestaan.

Maar eerlijk? Toen ik recent door de Balie gevraagd werd om mijn visie op onderwijs te geven, was mijn eerste, spontane reactie: maar ik heb helemaal geen visie op onderwijs. Na een lange reflectie besefte ik dat dit niet klopte, op onderwijs heb ik wel degelijk een visie. Ik wil onderwijs mee helpen verbeteren, en er is nog wel meer waar ik achter sta. Tegelijkertijd ben ik er van overtuigd (opgelet, visie) dat er niet 1 zaligmakende visie is op hoe een school er moet uitzien. Meer nog, in het boek dat in oktober uitkomt, leg ik uit dat het hebben van een visie belangrijker is, dan welke visie iemand aanhangt voor effectief onderwijs. Een van de rijkdommen van bijvoorbeeld het Vlaamse onderwijs is volgens mij de rijkdom aan verschillende benaderingen in scholen.

Dus voor wie me in een of kamp wil plaatsen, mijn levensmotto is niet voor niets geleend van Groucho Marx: ik wil niet lid zijn van een club die mensen zoals ik als lid accepteert.

En voor mensen die zich afvragen waarom ik in beide gevallen – zowel bij het eerder progressieve als het negatieve voorbeeld – kritisch reageerde? Ten eerste omdat er sprake was van cherry picking in wetenschappelijke inzichten, en ten tweede omdat altijd alles beter kan.

Spelen vandaag kinderen meer of minder?

Vandaag verscheen op de Correspondent een stuk van Rutger Bregman over onderwijs waar veel bedenkingen bij te maken zijn, maar ik wil me even focussen op het uitgangspunt. Bregman stelt namelijk dat vandaag kinderen minder spelen dan vroeger. Hierbij geeft Bregman aan een brede definitie van spelen te hanteren, maar uit het gesprek dat ik met hem had op Twitter blijkt hij het vooral te hebben over vrij spel (hij valt ook Lego aan in het stuk als voorbeeld van gestructureerd spel, wat fout is: Lego kan beide zijn).

Maar terug naar de interessante stelling of kinderen vandaag minder spelen. Bregman verwijst hiervoor naar 2 bronnen:

Deze laatste bron is niet longitudinaal, ze beschrijven een toestand op moment van afname, maar uitspraken over meer of minder in de tijd kan je op basis hiervan niet doen.

De eerste bron kende ik al voor het stuk van Bregman en zijn conclusie deed me nogal raar opkijken. In het rapport staat namelijk… het tegenovergestelde. Op pagina 125 staat er dat ouders wellicht meer samen spelen met hun kinderen dan in de jaren tachtig.

Volgens Bregman lees ik dit verkeerd. Hij ziet dit namelijk als bewijs dat kinderen minder spelen omdat ouders meer met hun kinderen bezig zijn. Hij vermoedt dus dat samenspel minder vrij is dan spel alleen (en opvallend hij problematiseert dus dat ouders meer met hun kinderen bezig zijn).

Maar hierover geeft het rapport geen uitsluitsel. Het enige wat er staat is dat ouders meer met kinderen spelen. Betekent dit dat kinderen vandaag minder spelen? Staat er niet in. Betekent dit dat kinderen vandaag minder vrij spelen? Staat er niet in.

Ondertussen zien we het online spelen toenemen, en niet enkel gestructureerde spellen, maar ook zogenaamde sandbox-games, vrije spelen zoals Minecraft of Roblox. Dus het kan evengoed zijn dat er een verschuiving van spelen gebeurt ipv een vermindering.

Heb ik nu gezegd dat kinderen vandaag niet minder spelen? Nee, wel dat je imho dit niet kan stellen op basis van de bronnen die Bregman gebruikt.

Fondsenwerving: ‘vrijwilligers’ of jobstudenten met targets? (column)

Gisteren verscheen mijn laatste column voor radio 1 voor de zomerbreak:

Je zag ze ongetwijfeld al in een winkelstraat. Leuke, jonge mannen en vrouwen getooid in t-shirts van Oxfam, Artsen zonder vakantie, of een ander goed doel. Ze spreken iedereen aan en proberen je te overtuigen om maandelijks geld te storten voor hun goede doel.

Wacht even, hun goede doel? Nee, dat klopt niet echt. Deze studenten zijn namelijk bezig met een vakantiejob en lijken vrijwilligers, maar zijn het niet. Er zit een bedrijf achter dat hen betaalt en hun loon wordt met een deel van de giften betaald.

Zelf zit ik eerlijk gezegd met een dubbel gevoel hierbij. Enerzijds besef ik dat de goede doelen die van deze diensten gebruik maken meer geld binnenhalen dan zonder deze professioneel getrainde overtuigers. Anderzijds zit ik om verschillende redenen met een slechte smaak in de mond.

Neem vorige zomer. Ik zit in de Veldstraat een ijsje te eten met mijn jongste zoon. Achter me zit een man. Hij zit te wachten op zijn vrouw en dochters en wordt aangesproken door een meisje. Of hij geen donateur wil worden van Amnesty International.

Ik kan het niet laten en luister mee hoe ze steeds agressiever op de man inpraat. Hoe ze zelf 10 euro elke maand stort. Als hij opmerkt dat hij ooit hoorde dat niet alle geld bij goede doelen terecht komt, antwoordt ze dat hij een foto mag maken van haar identiteitskaart om haar te contacteren als het anders zou blijken. De man krijgt niet te horen dat zijn geld eerst naar een bedrijf zal gaan.

De man twijfelt. Hij wil er nog eens over denken. Het meisje, met T-shirt van Amnesty, rugzak, gaat enthousiast nog een stapje verder. Dat het dan zonde zou zijn dat hij bij een andere vrijwilliger zou tekenen, omdat zij dan hem al zo ver had gekregen.

De man merkt niet op dat dit laatste een wel hele rare uitspraak is. Waarom zou het er toedoen bij wie hij zich uiteindelijk opgeeft? Heel eenvoudig: deze jobstudente heeft een target van aantal donateurs die ze moet laten tekenen of ze verliest haar job. Of ze zelf stort lijkt me nog maar de vraag.

Ondertussen bewegen er een paar dingen. Oostende overweegt nu om deze fondsenwervers te verbieden, zelfstandigenorganisatie NSZ klaagde al eerder over deze jobstudenten. De bedrijven achter deze jongeren in de straat zagen de bui al hangen, dus vanaf nu krijg je deze jongeren aan de deur.

Het ergste vind ik dit voor de echte vrijwilligers die de straat op gaan voor een goed doel dat niet van deze diensten wil gebruik maken. Het is zeer moeilijk om het verschil te zien. Ik vraag me af, is dit geen geval van oneerlijke concurrentie?

Bannen we maar liever laptops in de les?

Nog niet zo heel lang geleden plaatste ik hier een interessante MIT-studie die toonde dat de aanwezigheid van laptops in de les voor minder leren zorgde, zelfs als je met het toestel enkel dingen kon doen die met de les te maken hebben. Nu wordt een nieuw artikel van Scientific American massaal gedeeld op Twitter met een gelijkaardige boodschap: laptops in de les hebben weinig voordelen, heel veel nadelen.

De aanleiding voor het artikel is dit onderzoek met resultaten die iedereen die ooit achteraan in een aula zat, wel zal herkennen: de meeste studenten zijn met hun laptops compleet andere dingen aan het doen dan wat voor de les relevant is. Op dat moment zijn ze dus aan het multitasken en dat is desastreus voor het leren.

Uit het onderzoek blijkt dat van de 100 minuten les, de laptopstudenten gemiddeld 40 minuten met compleet andere zaken bezig waren op hun computer en slechts 5 minuten met de les gerelateerd. Het is dus weinig verwonderlijk dat de studenten die de laptop bij zich hadden gemiddeld – vermoedelijk daardoor – slechtere punten behaalden.

Je zou nu kunnen zeggen dat dit slechts twee studies zijn, maar er is een pak meer. Zie hiervoor ook de links in het artikel in SA.

Wil dit zeggen dat we alle technologie uit onderwijs moeten bannen? Heel zeker niet. De boodschap is wel: er zijn momenten waarbij leerlingen en studenten best geen technologie om handen hebben zodat ze zich kunnen focussen. Maar er zijn ook genoeg studies die aantonen hoe technologie een meerwaarde kan hebben. Dat de lesgever hierin een stuk de regie op zich moet nemen, lijkt me ook aangewezen, studenten zullen hun eigen gebruik niet noodzakelijk correct inschatten. Meer nog: correct met technologie leren omgaan voor het leren, lijkt me een belangrijk leerpunt dat we in onderwijs moeten meegeven.

En oja, ook nog dit: geen laptops in de les wil ook niet zeggen dat er per definitie opgelet wordt. Er is ook nog een ander belangrijk punt: er moet goed les gegeven worden.

‘Om het lerarentekort op te lossen, moet de leerkracht centraal staan’

Gisteren schreef ik dit stuk voor Knack.

Het bericht verscheen dat onderwijsminister Hilde Crevits het deeltijds pensioen als mogelijke oplossing ziet voor het lerarentekort, iets wat al snel door de minister op Twitter genuanceerd werd.

Het lerarentekort, je krijgt alleen al snel lezersbrieven als je nog maar durft te beweren dat het tekort bestaat. Waarom? Wel, er worden enorme regionale verschillen opgetekend, en ook welke vakken je als leerkracht kan geven, bepaalt hoe gegeerd je bent voor scholen.

Het is fout te denken dat dit een typisch Vlaams fenomeen is, integendeel: het is zowat een wereldwijd probleem. Concreet zijn er dicht bij huis grote tekorten in het Verenigd Koninkrijk en in Nederland. Berichten van klassen die maandenlang bepaalde lessen niet krijgen zijn er niet meer ongewoon.

De voorbije weken bekeek de Volkskrant verschillende mogelijke opties, van scholen een dagje per week sluiten, over leerkrachten die op afstand les kunnen geven in verschillende scholen tot klassen van meer dan veertig leerlingen.

De ene methode is orthodoxer dan de andere, maar de meesten hadden vaak slechts een beperkt resultaat.

Er bestaan natuurlijk nog opties. Zowel Nederland als het Verenigd Koninkrijk zien het inschakelen van buitenlandse leerkrachten als een mogelijke oplossing. Ondertussen geven in de grensstreek met Nederland al verschillende Vlaamse leerkrachten les. Maar als het probleem zo algemeen is, is ‘het buitenland’ plunderen geen optie – er zijn daar namelijk ook tekorten.

Maar geld gaat verloren. In Nederland blijken scholen vandaag al dure uitzendbedrijven in te schakelen om nog leerkrachten te vinden. Geld dat dus niet naar onderwijs gaat, maar er wel voor bestemd is.

Dit is bij mijn weten nog niet het geval in Vlaanderen, maar ik sprak afgelopen winter met verscheidene schooldirecteurs die elke ochtend bang afwachten of er een lesgever ziek zou vallen. Het zoeken van vervangingen bleek voor hen bijna een fulltime job te zijn.

Als je hoopt dat ik nu met goed nieuws en oplossingen zal komen aandraven, moet ik je teleurstellen want de bodem van de kelk is nog niet bereikt. We zien de voorbije jaren de inschrijvingscijfers in de lerarenopleidingen namelijk dalen. En herinner je je nog de babyboom die er tot drie jaar geleden voor zorgde dat er (te) weinig plaats was in crèches en kleuterscholen? De oudste kinderen van die babyboom starten nu in het middelbaar onderwijs. En we kunnen dan wel proberen scholen bij te bouwen, ondanks de prijs blijft dat een pak eenvoudiger dan leerkrachten vinden.

De overheid wou hier iets aan doen door bijvoorbeeld de job van leerkracht aantrekkelijker te maken met het loopbaanpact. Maar omdat de verschillende partners het niet eens werden, is er enkel een studie besteld die nog een jaartje op zich zal laten wachten. Dan zijn er twee verkiezingen, wat ook nog wel voor de nodige vertraging zal zorgen. Oja, de lerarenopleiding aan de hogeschool duurt drie jaar. Blijkbaar hebben we tijd.

Ik twijfelde heel erg om deze tekst te schrijven. Het laatste wat ik wil, is nog meer mogelijke kandidaten afschrikken. Voor zij die dit lezen graag dit: het is en blijft een zeer mooi beroep waar je veel in moet steken, maar wel veel uit terugkrijgt.

Ik kreeg in juni de kans om enkele uren met een honderdtwintigtal afzwaaiende leerkrachten te praten. Ik hoorde vooral angst. Startende leerkrachten hebben veel vragen over het M-decreet en een vierde vraagt zich zelfs af of leerkrachten binnenkort niet door computers zouden vervangen worden.

Ik heb hen verteld dat projecten zoals de Steve Jobs-scholen in Nederland of de Carpe Diem-scholen in de Verenigde Staten, waarbij leerkrachten vervangen werden door tablets en computers, in slecht weer waren gekomen en – na eerste positieve ervaringen – toch geen succesverhalen bleken.

Ondertussen hebben bedrijven als IBM, Pearson of Microsoft de droom om leerkrachten te vervangen door technologie opgeborgen en kijken ze nu vooral hoe technologie leraren kan ondersteunen. Onderwijs gaat namelijk niet enkel over kennisoverdracht, maar ook over relaties, opvoeding en zoveel meer. Voor dit alles heb je leraren nodig.

Een van de makkelijkere uitspraken in onderwijs is: stel het kind centraal. Dit zegt weinig en toch win je er makkelijk onderwijsdiscussies mee. Maar als we voor ons kinderen iets willen betekenen, dan vrees ik dat de komende jaren vooral de leerkracht centraal zal moeten staan.

We zullen onze leerkrachten moeten vertroetelen, koesteren, en betalen. Want we weten dat iets duur wordt als het schaars blijkt.

Die ochtend in het kantoor van de schooldirecteur (column over politiek en cyberpesten)

Ik schreef deze column voor radio 1.

“Mevrouw, meneer, u moet begrijpen dat ik u echt wou spreken”, de schooldirecteur schraapt zijn keel en neemt een blad papier dat voor hem ligt.

“Het begon onschuldig met enkele grapjes op sociale media, maar al snel noemde uw zoon een medeleerling consequent leugenaar op Twitter. Vorige week volgde dan een eerste dreigement, en dan kwam er de kers op de taart: een filmpje waarin het hoofd van zijn favoriete slachtoffer monteerde en op YouTube iedereen kon zien hoe de jongen zogezegd in elkaar geslagen wordt.”

De directeur pauzeert even.

“Dan zijn er nog de opmerkingen over sommige meisjes in de klas en obsessie met bloed. Er zijn de aantoonbare leugens, er zijn…”

Stel dat dit een echte schooldirecteur zou zijn over een leerling, dan weet ik hoe het gesprek zal verder lopen. Wellicht is het een voorbode van een schorsing. Vandaag wordt het ook door sommige een moderne versie van presidentieel gedraag genoemd.

Cyberpesten is een belangrijk probleem onder andere onder jongeren. Pesten is niet nieuw, maar cyberpesten snijdt vaak nog net iets dieper. Het pesten komt namelijk zo letterlijk de slaapkamer binnen via de Smartphone.

Steeds meer scholen proberen dit fenomeen te bestrijden. En goed nieuws: in de meeste landen lijkt het cyberpesten af te nemen, al blijft elk slachtoffer er een te veel.

Het is moeilijk in te schatten welke invloed het politieke online gedrag kan en zal hebben op cyberpesten onder jongeren. Er zijn nog geen nieuwe Amerikaanse cijfers. ProPublica verzamelt ondertussen wel gevallen van pestproblemen op Amerikaanse scholen waarbij de naam van de president als verdediging of als reden gebruikt werd. In de periode tussen oktober en mei, werden er 54 van dergelijke incidenten gemeld.

Los van politieke voor- of afkeuren, is dit een opvoedingsuitdaging: kinderen en jongeren zien vandaag hoe bepaald pestgedrag kan en zelfs lijkt beloond te worden.

Het blijft daarom essentieel dat we kinderen blijven leren dat ze verantwoordelijk zijn voor hun daden en dat hen laten nadenken over mogelijke gevolgen van hun gedrag. En dat veel van wat ik schreef in de inleiding vandaag wel degelijk strafbaar is.

Behalve dan voor sommige politici.

Deze uitspraak rond inclusie en GON is wellicht belangrijk precedent.

Het schooljaar is voorbij, kinderen en ouders denken misschien nu wat minder aan school. Leerkrachten ruimen op. Maar dat wil niet zeggen dat er geen onderwijsnieuws is. Bijvoorbeeld dit bericht in De Standaard over de ouders van 3 blinde kinderen dit naar de rechter trokken omdat ze vonden dat hun kinderen niet genoeg begeleid worden in het reguliere onderwijs. De rechter gaf hen gelijk:

‘De Vlaamse Gemeenschap wentelt een belangrijk deel van haar verantwoordelijkheid voor de integratie van blinde en slechtziende kinderen in het gewoon onderwijs, af op de vrijwillige inzet van hun omgeving.’ In een recent vonnis is de Brusselse rechter streng voor de Vlaamse overheid: wie verwacht dat scholieren met een beperking integreren in reguliere scholen – de inzet van het veelbesproken M-decreet -, moét voldoende GON-ondersteuning voorzien. GON staat voor ‘geïntegreerd onderwijs’. Vandaag krijgen blinde en slechtziende kinderen vier, maximum zes uren GON-begeleiding per week en dat is volgens de rechter verre van genoeg om de visuele communicatiebarrière te doorbreken.

Dit is groot nieuws in het licht van de hele discussie over het M-decreet en vooral de verdeling van de GON-middelen zoals deze net is afgesproken. Ik vraag me af in welke mate deze uitspraak een precedent kan vormen voor veel andere ouders? Ja, denkt de advocaat van de ouders, waarbij de rechter niet naar de scholen kijkt, voor alle duidelijkheid:

Dat niet de Vlaamse overheid maar de inrichtende macht de toegekende GON-uren verdeelt, is als argument van de tafel geveegd. ‘Als je zo weinig uren toekent, valt er niet veel te verdelen’, duidt de raadsman van Anaïs, Freya en Laurens.
Het vonnis heeft een grote precedentswaarde, benadrukt hij. Op basis van deze rechtspraak kunnen andere kinderen met een beperking naar de rechtbank trekken om recht op redelijke aanpassingen ten volle te doen gelden. Het kan de overheid een smak geld kosten, maar ook op dat vlak anticipeert de rechter: de Vlaamse Gemeenschap heeft voldoende ‘ruime financiële middelen’, zo stipuleert het vonnis.

Over dit laatste kan je behoorlijk lang discussiëren, maar je mag vooral 1 ding niet vergeten: inclusief onderwijs en de vertaling naar het M-decreet is een direct gevolg van een VN-gedrag. Dit wil zeggen dat – alsof de overheid het al zou willen – de overheid niet terug kan. De voorbije jaren heb ik af en toe gehoord dat sommigen inclusief onderwijs als een besparing zagen. Deze uitspraak maakt duidelijk dat dit niet het geval is…

Juf Veerle gaat met pensioen (over onderwijs)

Deze column verscheen gisteren op de site van Radio 1.

Het is de laatste schoolweek. Leerlingen en leerkrachten kijken uit naar de vakantie. Ouders hebben hopelijk al oplossingen voor de opvang gevonden en dan is er nog juf Veerle*. Juf Veerle beleeft haar laatste werkdagen voor ze op pensioen gaat.

Elk kind op school kent juf Veerle. Ze stond de voorbije jaren vaak aan de schoolpoort om iedereen ’s ochtends te verwelkomen. Ze maakte een praatje met alle kinderen die ze ook nog allemaal bij naam bleek te kennen. Als zorgjuf was ze de toeverlaat voor iedereen: ouders, leerkrachten en vooral de leerlingen.

Juf Veerle stopt nu, maar het onderwijs dat ze verlaat, kent veel zorgen. Er is namelijk uitzonderlijk veel onduidelijkheid in en over het Vlaamse onderwijs. Het M-decreet en de gon-ondersteuning zijn nu de voorbije weken wel officieel geregeld. Maar de korte termijn waarop de veranderingen moeten worden ingevoerd, zorgde zeker niet voor rust of duidelijkheid.

Verder zijn er de eindtermen. Deze hadden er al maanden moeten zijn, tenminste als we die minimumdoelen terdege willen invoeren op 1 september 2018. Door het onhaalbaar lang uitblijven van deze nieuwe eindtermen, staat nu wellicht ook het invoeren van de vernieuwing van het secundair onderwijs onder druk.

En dan is er de onzekerheid over de opvolging van alle collega’s die net als juf Veerle met pensioen gaan. We weten dat het lerarentekort er is. Het verschilt wel qua regio en qua invulling: meer tekorten in de stad, meer tekorten aan leraren Frans of wiskunde. Deze tekorten zijn er en zullen enkel erger worden. Tegelijk zijn alle plannen om de loopbaan aantrekkelijker te maken uitgesteld. Officieel omdat men meer onderzoek wil, in de praktijk tot na de volgende verkiezingen.

Ik wil alle directies, leerkrachten en ondersteunend personeel verdiende rust toewensen de komende weken. Ik schrijf weken, omdat we misschien geen leerlingen zullen zien maar vaak wel degelijk bezig zullen zijn voor school. Ik wil ouders en leerlingen ook een deugddoende vakantie toewensen. Bij de beleidsmakers hoop ik vooral op helderheid van geest en besef van urgentie. En voor juf Veerle, vooral heel veel dank van de honderden leerlingen en ouders van wie ze het leven veranderde.

* Ik veranderde de naam van de juf enerzijds omwille van privacy en anderzijds omdat ik weet dat er veel juffen én meesters zijn zoals juf Veerle in het Vlaamse onderwijs.

Even over kennis en eindtermen

Natuurlijk, het zijn enkel nog wat extremere uitzonderingen zoals Sugata Mitra die stellen dat kennis op school door Google mag vervangen worden en ik merkte dat steeds meer het besef groeit dat in onderwijs kennis én vaardigheden nodig zijn.

Maar mocht er nog iemand twijfelen, dan moet je even kijken hoe je spontaan reageert op het nieuws dat in Turkije de evolutieleer geschrapt wordt uit het curriculum. De vraag is nog maar of er veel jongeren ooit die evolutieleer dan zullen opzoeken…

Oja, nog even iet anders over de eindtermen. Vrijdag passeerde deze opvallende tweet:

Ik vroeg als reactie waar hij zoal aan dacht en kreeg duidelijk antwoord:

‘Het is niet ongezond dat een jongere een leven heeft waar ouders niet alles over weten’

Knack vroeg me een stuk te schrijven, dit was het resultaat:

De voorbije maanden werd er veel aandacht besteed aan het geheime, online leven van jongeren.

De Blue Whale challenge, waarbij jongeren zouden uitgedaagd worden om zichzelf te pijnigen was misschien nog een hoax die wel kon inspireren, maar er bleken ook veel concretere gevaren te zijn.

Zo stierf er in Nederland een jongen door verstikking omdat hij online geleerd had dat het een natuurlijke manier zou zijn om high te worden. Spijtig genoeg struikelde de jongen, waardoor hij zichzelf niet meer kon redden en stierf. De politie en ouders ontdekten dat het geen zelfmoord was omdat de jongen alles had gefilmd.

Er was ook de jongen in Vlaanderen die zelfmoord pleegde omdat zijn naaktfoto verspreid werd. Sexting is de voorbije weken trouwens opvallend vaak in de media geweest.

Er is een opvallende gelijkenis met een verhaal van wat langer geleden. Drie Londense meisjes verdwenen. Ze liepen weg van huis om zichzelf in te lijven bij IS. Achteraf ontdekten de speurders hoe ze via grooming online overtuigd werden tot hun daad. Achteraf.

Het zijn verschrikkelijke verhalen die gelukkig nog steeds grote uitzonderingen zijn in hun fatale afloop. Ook radicaliserende jongeren – en volwassenen – zijn vandaag nog steeds de uitzondering.

Er zijn twee logische reacties die je zowel bij ouders als de overheid ziet opduiken: controle en repressie.

Voor ouders reageerde de markt al snel. Zowel Microsoft als Google maken het ouders vandaag erg makkelijk om het doen en laten van hun kinderen op toestellen verbonden met het internet te volgen.

Vandaag kwam er het voorstel om het surfen naar radicaliserende sites te verbieden, net zoals het surfen naar kinderporno al verboden is. Dit vraagstuk is aan de wetgever, maar voor ouders en opvoeders wil ik wel graag enkele pedagogische wenken meegeven.

Vertrouwen is cruciaal in een relatie. Als je je kind controleert zonder dat die het weet, en het wordt ontdekt, bestaat het gevaar dat het gedrag nu helemaal underground gaat en moeilijker te achterhalen valt.

Het is trouwens niet altijd ongezond dat een jongere een leven heeft waar ouders niet alles over weten. Dat heet opgroeien.

Probleem is dan wel dat je moet weten wanneer het fout gaat. Kijken naar het kind of de jongere is de enige oplossing. Gedragsveranderingen, zich minder goed voelen enzovoort. Het zijn allemaal tekenen dat er iets misloopt.

Maar besef ook dat de jongen die zichzelf verstikte geen enkel teken vooraf toonde, niet on- of offline.

Repressief optreden verder kan wel degelijk nodig zijn bij accute situaties. Bij vergaand online pesten bijvoorbeeld dient er opgetreden te worden. Maar ook hier kunnen specifieke uitdagingen opduiken. Zo is het soms minder duidelijk dan je denkt wie dader en wie slachtoffer is. Opgroeien blijft een hindernissenparcours.