Het didactische verhaal in PISA over (STEM)-onderwijs

De PISA-storm is nog lang niet gaan liggen, maar na de vorige drie posts (hier, hier en vooral hier), wil ik even stilstaan bij een verhaal dat ik al op mijn Engelstalige blog bracht, en dat eerder iets lijkt te zeggen over didactiek.

Deze grafiek is in mijn bescheiden mening een van de belangrijkste grafieken van de eerste 2 PISA-rapporten – zo niet de belangrijkste. Het bevat zowel een to do-lijst van dingen die moeten aangepakt worden (SES, gender-ongelijkheid,…), maar ook een how to-lijst, en dan valt iets op:

Maar wat betekent enquiry-based versus teacher-directed nu?

2 andere grafieken maken dit duidelijk, waarbij onder de nul gaan slecht nieuws betekent:

Als je ooit over het project Follow Through hoorde, dan hoeft deze grafiek je minder te verbazen, maar het lijk wel op het eerste gezicht haaks te staan op wat je vandaag vaak hoort in en over STEM-onderwijs. Begrijp goed: het is niet zo eenvoudig als zeggen: laten we traditioneel onderwijs gaan geven, dat staat er helemaal niet en pleit PISA zeer zeker niet voor. Variatie van onderwijs is cruciaal, ook in licht van mensen motiveren om voor wetenschappen te kiezen.

Kijk zeker ook naar het belang van adaptief onderwijs, lees differentiatie, in de eerste grafiek. En het betekent ook niet dat onderzoekend leren niet meer mogelijk is, maar misschien is dan deze quote van Hattie en Yates wel heel erg relevant en wat Daniel Muijs in zijn presentatie hier ook al aangaf:: directe instructie is de meeste effectieve methode voor het aanleveren van basiskennis. Eenmaal die basiskennis aanwezig, kan bijvoorbeeld onderzoekend leren wel degelijk een meerwaarde betekenen (zie ook Hattie, 2009).

Wat ik wel zeker weet: dit is voer voor een discussie die actief gevoerd moet worden…

Mijn quote voor de Vlor over onderwijs: ‘It’s life Jim, but not as we know it’

De Vlaamse Onderwijsraad vroeg heel veel mensen om een favoriete quote over onderwijs. Je kan de mijne hier vinden (net als de andere quotes). Maar ik deel het ook graag hier.

‘It’s life Jim, but not as we know it’

Er zit meer achter deze beroemde Star Trek-zin* dan je denkt. Onderwijs is namelijk effectief het leven zoals we het niet echt kennen. Goed onderwijs is vertraagde tijd en ruimte, trager dan het echte leven omdat kinderen de kans krijgen om te leren.

Onderwijs reflecteert het leven, maar probeert meer te zijn dan het hier en nu, zowel in het meegeven van het verleden als in het denken over het heden en over mogelijke toekomsten.
Maar onderwijs is nog het mooist als het levens van kinderen en jongeren verandert. Als ze opgepikt worden in hun leefwereld, maar die daarna opengetrokken wordt en er letterlijk een wereld voor hen opengaat.
It’s life Jim, but not as we know it, en dat is maar goed ook.

*leuk detail: deze zin kennen we in feite vooral door de parodie-song Startrekkin’ en werd nooit in de tv-reeks zelf door Spock uitgesproken. Het is net als “Play it again, Sam”, de zin die vaak met de film Casablanca geassocieerd wordt, maar die in de film niet voorkomt.

https://www.youtube.com/watch?v=FCARADb9asE

PISA, post 3, wat allemaal opvalt

Ok, PISA, we hebben de algemene resultaten, de rapporten:

Er zijn ook de Vlaamse cijfers, nu wat er nog allemaal opvalt.

  • In Vlaanderen is de genderkloof echt nog groot voor wetenschappen én wiskunde, ten voordele van de jongens. Voor taal is er die ook maar dan voor de meisjes, en de kloof is minder groot. En de kloof is er niet enkel voor het kunnen:
    pisa-gender
    En je merkt ook, we doen het goed voor wetenschappen, maar niet noodzakelijk graag… En we weten niet zeker of we het wel zo goed doen:
    pisa-gender-2
  • Er is een grafiek over leerkrachtgestuurd versus onderzoekend leren die volgens mij de belangrijkste grafiek is van het hele tweede rapport. Check hier voor meer info.
  • Deze grafiek zal wel vaak in de media komen, maar ik wil op iets anders wijzen:
    pisa-vlaanderen-kloof
    Vlaanderen scoort inderdaad slecht, maar ik heb even de vergelijking gemaakt met PISA 2006 over wetenschappen. Dan scoorden we ook slecht qua invloed SES, maar lag het Belgische gemiddelde dichter bij ons. Nu zien we België als land nog een pak slechter doen. En dat is een rode draad als je het PISA-rapport leest: wat een enorme uitdaging staat Wallonië te wachten. Als Vlaanderen het meer dan behoorlijk goed doet, België dichter bij het OESO-gemiddelde strandt, dan heb je niet veel PISA-wiskunde nodig om te beseffen hoe slecht het Franstalig onderwijs scoort. Ik weet eerlijk echt niet op welke manier dit beter kan, en ik vrees dat het voorgestelde plan van vorige week hier het grote verschil zal maken.
  • En nu we toch bezig zijn, ook deze grafiek zul je veel tegenkomen de komende dagen:
    pisa-vlaanderen-kloof-2
  • En ik wil het feestje nog niet slechter maken, maar we doen het wel slechter dan wijzelf, en in de zelfde redenering als daarnet kijkend naar het gemiddelde van België, we dalen meer dan de Franstaligen voor wetenschappen. Toch wil ik bij deze daling een zeker voorbehoud maken. Het belangrijkste is dat de daling niet komt door een daling bij onze sterkste leerlingen, maar net weer bij de zwakste leerlingen:
    pisa-daling
  • En je kan dat ook merken aan de cijfers per onderwijsvorm: “De gemiddelde prestatie voor wetenschappelijke geletterdheid daalde tussen 2006 en 2015 wel significant voor de leerlingen uit het TSO (-17 punten) en het BSO (-31 punten).”
  • De daling bij taal is niet significant, maar voor wiskunde… “In Vlaanderen gaat de gemiddelde score voor wiskundige geletterdheid tussen 2003 en 2015 met 31 punten achteruit, net iets minder dan Finland.” De daling ten opzichte van 2012 is dan weer niet significant. Het is dus belangrijk naar welk referentiepunt je kijkt (de daling van wiskunde was bij de vorige meting een van de belangrijkste thema’s).

En is er meer? Ongetwijfeld, en besef: er komen nog 3 PISA-rapporten aan…

Onderwijs, dat zijn keuzes en gevolgen (commentaarstuk)

Eergisteren werden de TIMSS-resultaten bekend gemaakt, volgende week komt de OESO met het nieuwste PISA-rapport. Beide zijn internationale vergelijkingen waarbij het onderwijs in de deelnemende landen tegen het licht gehouden worden.

Wat leren we zoal uit TIMSS? Onze 10-jarigen blijken het echt goed te doen voor wiskunde (11de plaats) en een pak minder goed voor wetenschappen (lage middenmoot). De kans dat we volgende week niet zo best scoren op PISA is reëel. Niet omdat we het opeens per se zoveel slechter doen in ons onderwijs. Maar elke PISA-ronde – waarbij de prestaties van 15-jarigen vergeleken worden – heeft steeds een specifieke focus en de focus is deze keer… wetenschappen.

Goede scores, slechte scores, er zijn veel verschillende verklaringen voor, maar een van de belangrijkste invloeden zijn de keuzes die we maken in ons onderwijs. Twee voorbeelden om het concreet te maken.

Als we in ons lager onderwijs er voor kiezen om in het vak wereldoriëntatie te focussen op meer inzicht en vaardigheden, is dat een te verdedigen keuze. Maar de consequentie van die keuze is dat we in de TIMSS-vergelijking voor wetenschappen opvallend zwakker scoren voor kennis en het beter doen voor redeneren en toepassingen. Als je die keuze maakt, en achter die keuze staat, dan is dit resultaat dus logisch.

Idem met de vaststelling dat de kinderen die bij ons starten in het lager onderwijs er gemiddeld zwakker voorstaan dan in veel andere landen. TIMSS legt hierbij een stuk de link met de vaststelling dat ouders bij ons iets minder vaak met de kinderen spelen, maar de onderzoekers zien ook een verklaring in de vaststelling dat in Vlaanderen in de kleuterschool minder de nadruk gelegd wordt op leren in vergelijking met andere landen. Het klopt, je hoort hier wellicht vaker dat het welbevinden van kinderen belangrijk is, en dat het kind nog moet kunnen spelen. Terug: deze keuze is verdedigbaar, maar heeft dus een minder sterke start als consequentie.

Er is ook een derde vaststelling te maken op basis van TIMSS, eentje die ook al merkbaar was in de vorige ronde van PISA drie jaar geleden. Onze sterkste leerlingen worden niet genoeg uitgedaagd. Concreet zien we deze groep minder goed presteren. Je zou kunnen stellen dat het goed is dat de kloof tussen sterk en zwak klein is – voor TIMSS doet enkel Nederland nog beter, enkel daar is de kloof tussen sterk en zwak kleiner – maar een andere optie is dat je er voor gaat dat onze sterkste leerlingen meer excelleren.

Dergelijke keuzes liggen vandaag voor ter discussie. We hebben het voorbije jaar met onze samenleving uitgebreid kunnen denken over de nieuwe eindtermen die er dra zullen moeten komen. Momenteel buigt het Vlaamse parlement zich over de voorstellen. Terwijl de discussies vaak gaan over wat wel en wat niet in ons onderwijs aan bod moet komen, behoren ook de bovenstaande drie keuzes tot die zelfde eindtermendiscussie. En er zijn dan twee opties die voor mij best evenwaardig kunnen zijn: ofwel blijf je bij de gemaakte keuzes, maar dan aanvaard je de gevolgen van bijvoorbeeld minder kennis in wetenschappen, ofwel verander je het curriculum, meer specifiek verander je de eindtermen. De vraag is nu: wat willen we als samenleving. Antwoord hopelijk binnenkort in het parlement.

Mijn opinie voor Knack: Bingedrinken: ‘Dé jongere bestaat niet’

Gisteren schreef ik deze opinie voor Knack naar aanleiding van de Pano-aflevering van woensdag:

Hoe gaat het met onze Vlaamse jongeren? Uw antwoord hangt misschien af van de vraag of u gisteren al dan niet de Pano-reportage zag.

Indien u wel zag hoe bingedrinken bij jongeren zou toegenomen zijn, of u las een van de artikels naar aanleiding van de reportage waarin neergepend staat dat alcohol nog steeds of opnieuw cool is, zal u waarschijnlijk denken dat onze jongeren voor galg en rad opgroeien.

Maar als u de reportage niet zag, maar wel toevallig vorige week in de iets kleinere berichten in de media las dat we nog nooit eerder zo weinig tienerzwangerschappen kenden, bestaat de kans dat u positiever denkt over onze jongeren.

Was wat de reportage aankloeg fout? Neen, bingedrinken is wel degelijk een probleem en het is in ons land nog steeds te makkelijk om alcohol te kopen. De gevolgen van overdreven alcoholgebruik op jonge hersenen mogen daarenboven niet onderschat worden.

Maar iets wat de reportagemakers niet meegaven is het gegeven dat het gemiddelde drankgebruik bij minderjarige tieners al jaren daalt. De cijfers van het jaarlijkse onderzoek van het VAD (Vlaams expertisecentrum voor alcohol, illegale drugs, psychoactieve medicatie, gokken en gamen) tonen in feite nog meer nuance. Het alcoholgebruik van -16-jarigen daalt. Ook bij 16- tot 18-jarigen daalt het regelmatige alcoholgebruik, maar stijgt bij wie drinkt wel het voorkomen van dronkenschap.

Daar komt nog bij dat uit dezelfde jaarlijkse bevraging in mei nog bleek dat ook het cannabisgebruik bij minderjarigen licht daalt.

Als u duizelig wordt van deze ogenschijnlijk van elkaar verschillende feiten, is er toch een eenvoudige verklaring: dé jongere bestaat niet.

Zelfs het dalende cannabisgebruik verbergt grote verschillen tussen jongeren: het komt meer in het TSO/BSO voor dan in het ASO en er zijn meer jongens dan meisjes die cannabis gebruiken. Zo zijn er ook steeds meer -16-jarigen die nog geen druppel alcohol dronken, maar is er tegelijk ook een groep jonge tieners die het wel op een comazuipen zet.

Het gevaar bij reportages zoals die van Pano, is dat we denken ‘de jongere’ te leren kennen, iemand die dus helemaal niet bestaat. Deze veralgemening doet beide groepen jongeren geen goed. De ‘brave’ jongeren krijgen onnodig het label van ontsporing en de jongeren die echt een probleem hebben, krijgen mogelijk minder gerichte aandacht omdat het om een wijdverspreid probleem lijkt te gaan.

Dus hoe gaat het met onze Vlaamse jongeren? Dat is een moeilijke vraag waarop één reportage geen antwoord kan bieden. Met de meerderheid gaat het best ok, met sommigen gaat het minder goed, en er zijn er met wie het echt niet goed gaat.

Gezondheid en onderwijs als luxeproduct

De voorbije week was er heel wat te doen over vaccinatie in Nederland (de kans is reëel dat dit nu overslaat naar Vlaanderen, zucht). Ik besteedde er aandacht aan in mijn wekelijkse Lectuur op zaterdag in de vorm van een mini-dossier.

Deze tweet over het onderwerp zette me aan het denken:

Het deed me spontaan denken aan Malala Yousafzai, de jonge nobelprijswinnares die haar pleidooi voor onderwijs voor meisjes (en jongens!) bijna met haar leven moest bekopen. In beide gevallen gaat het over gezondheid en onderwijs op plekken waar deze nog niet iets gewoons zijn geworden. Het zijn dingen waarvoor je moet vechten om te overleven en een leven op te bouwen.

Maar een dergelijke gevecht is bij ons – gelukkig – voor velen al lang niet meer nodig. Dus vragen opeens mensen zich af of we die vaccins wel nog nut hebben, idem of onderwijs wel nog nodig is (soms zelfs uit de zelfde hoek). Dit alles te vaak gekruid met wat we vandaag als post-truth kunnen omschrijven.

Dit is geen “vroeger was alles beter”-verhaal, maar wel “we zijn vroeger vergeten”-verhaal. Zover vooruitgegaan dat je niet meer ziet waar je vandaan kwam.

Mijn stuk voor Knack over het online leven van kinderen en jongeren

Gisteren kreeg ik de vraag van Knack of ik een opinie wou schrijven. Dit was het resultaat:

Twee berichten over jongeren en sociale media vandaag in de kranten. Een eerste bericht in De Morgen praat over een ‘internationale studie’ waarbij 5.000 jongens en meisjes tussen tien en vijftien jaar in Frankrijk, Duitsland, Spanje, Italië en de Benelux bevraagd werden. Hieruit blijkt dat Belgische en Nederlandse kinderen zich online het meest roekeloos gedragen.

Het tweede onderzoek wordt beschreven in verschillende kranten en werd uitgevoerd door onder andere Michel Walrave van de Universiteit Antwerpen. Hieruit blijkt dat een op de vier jongeren tussen 14 en 18 jaar die Snapchat hebben, sexy beelden van zichzelf via de app maakt en verstuurt. Drie procent gaf aan dat onder druk te hebben gedaan.

Een van beide onderzoeken is een pak alarmerend van toon dan het andere onderzoek. Bij het onderzoek van de Universiteit Antwerpen duikt er een belangrijke nuancering op. Ja, er zijn gevaren en we moeten jongeren waarschuwen, maar weet wel dat sexting niet an sich fout is.

Een ander geluid horen we bij het onderzoek van Kaspersky Lab, waar je in de cijfers wel ook positieve elementen kan zien, maar waarbij de toon vooral alarmerend is. Kaspersky Lab is namelijk een bedrijf gespecialiseerd in online beveiliging met ook een product op de markt specifiek voor bange vaders en moeders. Hun software zorgt ervoor dat ouders toezicht kunnen houden op ‘de communicatie van kinderen, waaronder openbare activiteiten op Facebook en gesprekken en sms-berichten op Android-apparaten.’

Dit laatste is niet nieuw. Toen Microsoft zijn meest recente besturingssysteem op de wereld losliet, was een van de verkoopargumenten ook al dat het verschillende tools bevatte om het onlinegedrag van je kinderen te volgen.

Maar het actief volgen wat je kind doet – en zeker als je dat achter de rug van je kind zou doen – is niet de oplossing om problemen te voorkomen. De kans dat je er hierdoor voor zorgt dat je kind minder met je deelt en het gedrag nog minder zichtbaar wordt is zeer reëel.

Het is belangrijk dat je als ouder al vanaf jonge leeftijd vooral positieve interesse toont in wat je kind online doet en zelf het goede voorbeeld geeft. Toon interesse als je kind iets moois op Ketnet online heeft gezet, toon interesse naar nieuwe bouwsels op Minecraft. Leg uit waarom je een app liever niet ziet zitten, bijvoorbeeld omdat het spel te gewelddadig is naar je eigen waarden of omdat er in-app aankopen mogelijk zijn. Vraag zelf toestemming aan je kind of je een foto over hem of haar online mag zetten. Hiervoor moet je natuurlijk al vroeg met je kind praten en zoals Child Focus aangeeft jezelf ook informeren.

Als je dit doet, vergroot je de kans dat als het fout gaat, je kind naar jou komt om hulp en raad te vragen. Als het kind vreest dat het zal horen ‘ik had het nog zo gezegd’, is de kans dat ze eerder naar vriendjes vluchten voor advies groot. Vriendjes die die zware taak niet altijd aankunnen.

Als het misgaat – gelukkig gebeurt dat slechts bij een relatief klein deel van de jongeren – of als je meer achtergrond wil, dan zijn er verschillende bronnen online te vinden. Je hebt zo onder andere Clicksafe, Medianet van Mediawijs.be of ook het Nederlandse Mediaopvoeding.nl.

Een ander soort discussie: wat willen we bewaren?

Het is een woord waar ik meer jeuk van krijg dan van vlooien, maar disruptie blijft een centraal thema in veel hedendaags denken. De voorbije weken kwam ik enkele kwalijke gevolgen tegen van hedendaagse disrupties, oa door Uber, dat bij mij een vraag begon te rijpen: naast dat we ons moeten afvragen wat allemaal op de schop moet, is het even belangrijk stil te staan bij wat we willen bewaren.

Al snel kan je hier te persoonlijk worden, bijvoorbeeld in mijn geval zou het zijn cola in flesjes van 20cl, de Fender Stratocaster en ongeveer alle muziek die hier ooit mee gemaakt werd en de steak Martino, maar ik bedoel het ruimer.

Ik heb absoluut geen exhaustieve lijst, maar wil enkele concrete voorbeelden geven van dingen waar ik zelf voor zou pleiten.

  • Onderzoeks- en wetenschapsjournalistiek. Nu media steeds meer onder druk staan, komen twee duurdere vormen van journalistiek in het gedrang die volgens mij nochtans onontbeerlijk zijn voor de rol van vierde macht.
  • Onderwijs als gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. Over deze heb ik nog het langst getwijfeld. Niet over de noodzaak, wel over de formulering. Onderwijs evolueert, dus het hoe wil ik niet vastleggen. Er zijn prima scholen die niet vanuit overheid ontstaan zijn, dus vrij initiatief zou ik hier zeker niet willen onmogelijk maken. Maar curriculum als in wat we als samenleving belangrijk vinden en de kwaliteitscontrole (om te kijken of dit curriculum al dan niet bereikt wordt), lijken me onontbeerlijk.
  • Onafhankelijk onderzoek. Er is veel onderzoek dat door bedrijven en instellingen betaald worden, en dat is fijn. Maar humane wetenschappen, fundamenteel onderzoek en ander onderzoek met niet onmiddellijke return on investment worden vandaag al vaak snel in vraag gesteld.

Na deze drie voorbeelden komen de spreekwoordelijke drie puntjes om de discussie open te gooien.

Oja, ik denk echt dat we in de toekomst evenveel nood zullen hebben aan ethici als aan technici…

Mijn stuk voor Didactief Online over eindtermen in Vlaanderen en Nederland

Monique Marreveld vroeg me om een stukje te schrijven over het curriculumdebat zowel in Vlaanderen als in Nederland voor Didactief Online. Dit is het resultaat:

Bepaal mee wat er op school moet geleerd worden. Het was het uitgangspunt van zowel onderwijs2032, het paradepaardje van de Nederlandse staatssecretaris Sander Dekker, als van VanLERENsbelang van de Vlaamse minister van onderwijs Hilde Crevits.

De bevolking werd via campagnes gevraagd om mee te denken over wat onze kinderen in de toekomst, 2032 of later, zouden moeten kennen en kunnen.

Persoonlijk was ik blij met beide initiatieven. Een discussie over het ‘wat’ en ‘waarom’ in het onderwijs op regelmatige momenten is belangrijk. Wat willen we als samenleving dat onze kinderen meekrijgen? Er volgden veel suggesties en vervolgens de nodige rapporten die de ideeën ordenden en samenvatten. In Nederland was dit het rapport Schnabel, vakkundig gefileerd door Arjan Lubach, in Vlaanderen kwamen er verschillende rapporten van onder andere de Vlaamse Scholierenkoepel, de algemene bevraging, enzovoort.

Toch doken er er al snel verschillende problemen op. In beide gevallen vergleden de vragen ‘wat’ en ‘waarom’ al snel naar het veel makkelijkere ‘hoe’ en kwamen er didactisch/pedagogische suggesties. Dit laatste zorgt er bijvoorbeeld voor dat ruim een kwart van de suggesties in Vlaanderen gewoon niet kunnen ingevoerd worden door de minister. De grondwet bepaalt namelijk dat onderwijs vrij is, wat concreet betekent dat de overheid weinig tot geen inbreng kan hebben in hoe doelen bereikt worden. Als je dan bijvoorbeeld zou schrijven dat kinderen moeten leren filosoferen om kritisch te kunnen denken, dan is kritisch denken het doel (wat in de eindtermen kan) en leren filosoferen het middel (wat de minister dus niet kan bepalen).

Als we deze ‘hoe’-antwoorden dus noodzakelijkerwijs even parkeren, dan zie je dat in beide landen je met wat slechte wil zou kunnen stellen dat de olifant een muis heeft gebaard. De lijstjes met doelen en voorstellen zijn vaak minder wereldschokkend dan opvallende suggesties die in de loop van het proces gehoord werden.

Je kan het vergelijken met een programma als The Voice. Tijdens de voorrondes zie je wel kandidaten die niet in het format van mooi en jong passen, maar door het slimme systeem van de battles, worden deze dan toch weggeselecteerd. Jammer, maar, helaas. Bij het proces van het schrijven van de rapporten verdwijnen vaak de meer extreme kanten.

En dan blijven er zaken over die vaak al in onderwijs gebeuren – werken aan burgerschap bijvoorbeeld – met een sterke nadruk op wat vandaag in het hier en nu belangrijk is, gekruid met enkele zaken die ook al door de UNESCO in de jaren negentig gesteld werden of in enkele van de vele 21st century skills modellen opduiken. In beide gevallen valt op hoe weinig de conserverende rol van onderwijs aan bod komt, dit is wat we willen meegeven als samenleving van wat we collectief bereikt hebben of historisch belangrijk vinden. En oja, onderwijs moet zeker voorbereiden op het echt leven.

En nu? In Nederland zijn er binnenkort verkiezingen en het valt nog te bezien wat een volgende minister of staatssecretaris van onderwijs met het rapport en de aanbevelingen zal doen. Dit zal natuurlijk een stuk van de gezindte van de beleidsmakers afhangen, maar het voordeel van een dergelijk rapport is dat het een argumentatiemachine kan zijn. Je vindt er altijd wel iets in dat je punt kan ondersteunen.

In Vlaanderen loopt het proces nog en wil men midden november aan het parlementaire werk beginnen. Minister Crevits heeft het project veel minder gebruikt om zichzelf te profileren en het Vlaamse parlement heeft nu de discussie naar zich toegehaald. Dit is hoopgevend, omdat alle partijen – meerderheid en oppositie – zo aangeven het debat belangrijk te vinden. De hete adem van de verkiezingen kunnen de parlementsleden al zachtjes voelen, maar ze zijn nog veraf genoeg zodat er misschien iets van terecht zal komen. In Vlaanderen zijn er daarbij wel twee bewegingen onderhuids aanwezig: een beweging bij politici – eerder in de oppositie – die meer greep willen krijgen op de inhoud enerzijds, anderzijds meerderheidspartijen die bij de vorming van de regering aangaven de eindtermen te vereenvoudigen om (nog) meer autonomie aan de scholen te geven.

En ben ik nog steeds blij met beide initiatieven? De effecten zijn zoals ik beschreef nog moeilijk in te schatten. Dat mensen collectief aangespoord worden om na te denken over het wat en waarom van onderwijs, blijf ik belangrijk vinden. Dat dit tot een grootste gemene deler kan leiden, hoort wellicht bij het proces. De meerwaarde zit dus wellicht meer in het denken over.

Tot slot: in – voorlopig onderwijsgidsland – Finland werd net The World’s Biggest Parents’ Evening gelanceerd waarbij ouders over het hele onderwijs mogen meedenken. Dus niet enkel over het wat en waarom, maar effectief over alle aspecten van het onderwijs. Maar in plaats van zich te richten op het onderwijsbeleid, is het de bedoeling dat ouders in overleg gaan met de leerkrachten en directies van hun eigen scholen om zo de eigen praktijk te bekijken. Wedden dat het een idee kan worden van een volgende staatssecretaris?