Waarom investeren in onderwijs zoal belangrijk is, 3 meer onverwachte redenen

Eerst en vooral, meer geld in onderwijs investeren wil niet per definitie zeggen dat onderwijs beter wordt, wat oa PISA steeds weer aantoont en wat in ons mytheboeken uitgebreid behandelen. Het is belangrijk dat je het geld wijs investeert. Maar, dit gezegd zijnde, er zijn wel goede redenen om in onderwijs sowieso te investeren. Vaak denkt men dan aan innovatie of concurrentiekracht, wat prima is. Maar wat dacht je van deze drie misschien meer onverwachte redenen?

  • Scholing doet mensen langer leven. Een nieuwe Deense studie toont dat mensen die langer naar school gaan langer leven. Vooraleer je correlatie roept (wat ik zelf ook zou doen), dit longitudinale onderzoek compenseert voor een heleboel zaken (zoals materiële rijkdom), en toch blijft de link met het aantal jaren studeren en langer leven staan.
  • En als we dan al langer leven, blijft ons geheugen ook nog eens beter werken volgens een onderzoek in 6 Europese landen. Scholing blijkt namelijk een positief effect te hebben op hoe ons geheugen werkt. Het effect blijkt significant positief ongeacht achtergrond, langer naar school gaan zorgt voor een beter geheugen meer dan 40 jaar later. De onderzoekers vermoeden ook nog een positief effect op de taal.
  • Scholing kan ook criminaliteit doen dalen. Dit toonde het proefproject in Chicago aan, waarbij bijlessen wiskunde er voor zorgde dat er meer tieners naar het hoger onderwijs doorstroomden, maar ook een positief effect had op de criminaliteitscijfers bij de begeleide groep versus de controlegroep.

Er zijn ongetwijfeld nog redenen, alle suggesties zijn welkom!

Kansen geven door kansen te ontnemen?

Als je kind naar het deeltijds kunstonderwijs gaat, is de kans op slagen in het hoger onderwijs groter. Het staat er, en ja, er zijn verschillende onderzoeken die meerwaarde van bvb muziekonderwijs aantonen, maar de kans is groot dat dit een verhaal is van het verwisselen van correlatie met een causaal verband.De kans dat de kinderen van gezinnen met een hogere sociaal-economische status (SES) deeltijds kunstonderwijs volgen is reëel.

Vorige week kreeg ik een opvallende oplossing voor ongelijke kansen: een pleidooi voor ouders om minder voor te lezen voor hun kinderen. Het ontlokte me een gemeend ‘say what?’. Voorlezen blijkt inderdaad een belangrijk rol te kunnen spelen bij de ontwikkeling van een kind. En terug kunnen hier verschillen opduiken tussen gezinnen (al dan niet gelinkt aan SES) waardoor de kansen ongelijk worden. Maar is dan de oplossing kinderen kansen te ontnemen omdat anderen deze kansen niet krijgen? Enkele jaren geleden was er een pleidooi om huiswerk af te schaffen in het Brusselse onderwijs. Er zijn gegronde redenen om kritisch te zijn bij huiswerk, maar een van de argumenten was dat de groep kinderen die geholpen worden door ouders een ongelijk voordeel krijgen ten opzichte van kinderen bij wie de ouders dit niet doen.

Mogen kinderen niet meer op reis naar Rome omdat andere kinderen dan een oneerlijke achterstand hebben in de les geschiedenis? Het klinkt gek, maar het is een val waar we soms dreigen in te vallen in hedendaagse onderwijsdiscussies.

Ik wil nu vooral niet schrijven: de wereld is ongelijk, leer er mee leven. Integendeel! Het is essentieel belangrijk dat we kansen geven aan elke kind, ook aan de kinderen die kansen ontlopen. Dit kan door bijvoorbeeld ouders “freedom of mind” te geven, zo bleken goedkopere sociale woningen in de UK (causaal) gelinkt te zijn aan betere schoolresultaten, door kinderen te ondersteunen via bijvoorbeeld tutorprojecten, door ouders de ondersteunen via taaltips,…  en door goed onderwijs voor iedereen aan te bieden.

P.S.: en natuurlijk door de drempels voor deeltijds kunstonderwijs te verlagen en/of laag te houden.

Echte revoluties zijn een klein artikeltje in de krant

Vandaag staat er in de meeste kranten een artikel over de nieuwe powerwall van Tesla. In de drie kranten die ik deze ochtend doornam, staat het artikel steevast vrij ver in de krant zonder veel nadruk. Toch lijkt me de potentie van dit nieuw product groter dan de meeste zaken die Apple of Microsoft de voorbije tijd hebben gelanceerd.

Wat kan een batterij die je aan je muur kan hangen betekenen voor de mensheid?

Denk even mee:

  • Je hebt zonnepanelen en hierdoor kan je de stroom opsparen die je anders het net opstuurt.
  • Vanaf nu geen elektriciteitspannes meer.
  • Je hebt geen zonnepanelen, maar koopt toch een dergelijke batterij en laadt deze ‘s nachts op aan voordelig tarief, waardoor je enkel nog goedkope elektriciteit gebruikt.
  • Dicht bij huis: de powerwall batterij zou ook al snel naar Duitsland komen waardoor de stroomvraag daar snel kan dalen, wat goed is voor landen als België die nachtmerries hebben over blackouts.

Eerder deze week was er het bericht van men van plan is niet meer nieuwe gasleidingen aan te leggen in bijvoorbeeld nieuwbouwwijken. De vraag is ook of bijvoorbeeld verwarmen met gas door een dergelijke batterij niet op vrij snelle termijn een duurdere optie wordt.

Er is altijd een mogelijkheid dat wat gisteren aangekondigd werd minder straf zal zijn in de praktijk, maar dan nog is het maar het begin. Ik ben geen fan van Tesla, maar dit product kan belangrijker zijn dan gelijk welke auto ze ooit op de markt brengen.

Oja. Er was deze week ook een live-demo van de Microsoft Hololens. Ik ben zwaar onder de indruk, maar als ik hier doordacht voor onderwijs kreeg ik een minder positief beeld. Beeld je een klas in waarbij elke leerling een dergelijke bril op de neus krijgt, maar waarbij zoals vandaag in computerklassen al kan, de leraar letterlijk bepaalt wat je ziet? En hoewel ik aandacht in de klas belangrijk vind, enkel je ogen nog kunnen dichtdoen als enige kans tot even ontsnappen lijkt me echt te mager.

Vlaamse literatuurstudie over onderwijs en neurologie én een studie naar het geloof in neuromythes

Gisteren werd op de studiedag “Neurowetenschap en onderwijs” een nieuwe literatuurstudie voorgesteld die gemaakt werd in opdracht van de Vlor met de titel “Krachtig leren. Cognitief neurowetenschappelijk benaderd“.

De literatuurstudie gaat in op 3 lijnen (leren op maat, zelfregulatie en actief leren) en kijkt daarbij naar wat de rol van neurologie kan zijn voor onderwijs. Het boek zelf en de presentatie van het boek gisteren zijn zeker relevant en zeer interessant. Eerst en vooral worden enkele bekende neuromythes weggezet: Links-rechts brein, mannen en vrouwen hebben een ander brein (klopt) maar dus moet je ze anders benaderen voor leren (al een pak moeilijker) en natuurlijk de leerstijlen.

Bij deze laatste raak je al aan een moeilijkheid die regelmatig zou opduiken. Rond leerstijlen kan je neurologisch wel iets zeggen, maar tegelijk weten we uit cognitieve psychologie en onderwijskundig onderzoek al veel langer dat dit onzin is. Vaak biedt neurowetenschap vooral bevestiging van dingen die we al uit andere onderzoekstakken weten. In wat volgt was zo de aandacht opvallend voor Dwecks fixed en growth mindset waarbij de literatuurstudie stelt dat er hiervoor neurologische evidentie zou bestaan. In feite was de rode draad tijdens de hele studienamiddag een pleidooi voor interdisciplinariteit.

Verder uitgebreide aandacht voor het belang van executive functions, waarbij enerzijds een terechte waarschuwing voor de vele commerciële pakketten die hier op inzetten maar die qua validiteit en effect nauwelijks scoren. De onderzoekers gingen niet zo ver om het weggesmeten geld te noemen, maar dit was de duidelijke boodschap tussen de lijnen. Anderzijds was er ook een pleidooi om hier meer bij stil te staan in onderwijs, zowel in beleid als in de klaspraktijk.

Toch ook een puntje van kritiek. Bij actief leren werd aangegeven dat de onderzoekers vanuit een sociaal-constructief denkkader op zoek gingen naar wat neurologie te bieden heeft. Zelf zou ik liever gezien hebben dat men niet vanuit een bepaalde kennistheorie had gekeken, maar net met een open geest. Gelukkig bleek al snel dat er ook neurologische bevestiging is voor veel herhalen (wat je niet echt snel sociaal-constructief zou noemen) en belang voorkennis (wat eerder cognitivistisch is). Door zich sterk vast te houden aan de lijnen als uitgangspunt heeft men mogelijks zo kansen laten liggen tot bijvoorbeeld een meer falsificerende houding.

Los van deze kritiek is het boekje zelf een relatief laagdrempelig overzicht en hierdoor alvast een aanrader.

Maar er was meer. Prof. Bert De Smedt van de KULeuven onderzocht de voorbije maanden namelijk ook de houding van Vlaamse leerkrachten en CLB-medewerkers tegenover neurologie en onderwijs en neuromythes. Dit onderzoek neemt hierbij de vragenlijst uit het artikel in Nature van Paul Howard-Jones.

Wat blijkt? Onze leerkrachten en clb-medewerkers scoren behoorlijk goed op kennis van het brein én geloven relatief minder neuromythes dan in de andere onderzochte landen. De meest populaire mythe blijft leerstijlen die quasi iedereen lijkt te geloven. Dat de strijd hier nog lang zal zijn, werd trouwens op de studiedag pijnlijk duidelijk toen een pedagogische begeleider – die gevraagd werd commentaar op de literatuurstudie te geven – aangaf dat empirische evidentie een ding is, maar onderwijs iets anders en dat hij op basis van zijn persoonlijke ervaring in leerstijlen zal blijven geloven en dus ook blijven promoten. Verder bleken ook de L-R-mythe en de idee dat bijvoorbeeld het trainen van motorische handelingen zouden helpen bij leren van taal veelgeloofde mythes. Positief was vooral dat veel leerkrachten (en nog meer CLB-medewerkers) wel degelijk geloven dat onderwijs kan helpen als er in het brein iets mis gaat.

De conclusie was vooral dat het verhaal nog lang niet klaar is. Neurologie voor onderwijs is en blijft nog een tijdje een jonge onderzoekstak met mogelijkheden en beperkingen. Als we samen met praktijkmensen en vooral ook andere onderzoekstakken verder op weg kunnen gaan, is het te hopen en te verwachten dat we nog vooral bij zullen leren.

Minder geld naar onderwijs aan de universiteiten? Mijn bedenkingen

Vandaag koud wakker worden op een nieuwe warme lentedag als je de opinie leest van Robert Stouthuysen over de volgens hem klassiek universiteit die op sterven ligt maar dit nog niet goed beseft. Hij klaagt vervolgens aan dat onze instellingen de digitale boot aan het missen zijn. Gelukkig is ons onderzoek wereldtop, maar er gaat gewoonweg te veel geld naar het onderwijsluik. Meer nog hij schrijft letterlijk: de universiteit als onderwijsinstelling is op sterven na dood. De universiteit zal digitaal zijn of niet zijn.

En dan volgt een verhaal van een man die volgens mij de berichtgeving rond bijvoorbeeld MOOC’s zeer eenzijdig gelezen heeft. De vele hoera-verhalen zijn al lang aangevuld door meer kritische geluiden. De uitval, het mindere bereik staan haaks op de democratiserende hoop die we eerst hadden.

De aap komt al snel uit de mouw: er moet een grote productiviteitsverhoging komen in de instellingen voor hoger onderwijs.

Een paar denkfouten:

  • alsof er de voorbije jaren geen productiviteitsverhoging is gebeurd. Het aantal studenten in hoger onderwijs is de voorbije jaren zowat ontploft, maar de personeelsomkadering is op zijn zachtst gezegd niet gevolgd.
  • digitaal wordt in het stuk voorgesteld als een besparing. Ik hoor die fout wel vaker maken, maar het ontwikkelen en ontwerpen van degelijke online materiaal kost minstens evenveel als gewoon les geven. Ja, je kan gewoon een video van een pratende prof, misschien een van zijn hoorcolleges, online zetten, maar… ik hoop dat de goede man dat niet bedoelt. Misschien is het dan interessant na te gaan hoe effectief dat is (3x raden).
  • dat jongeren hiervoor vragende partij zijn. Verschillende onderzoeken in Canada, Europa maar ook in Azië toont dat dit niet klopt. Digitale platformen worden vooral gebruikt door mensen die al een diploma behaalden en/of al aan het werk zijn.

In feite pleit de erevoorzitter van VOKA voor iets waar ik al langer voor waarschuw: bij slecht gebruik van MOOC’s zal contactonderwijs verglijden tot een luxeproduct waar enkel de sterke of de rijke studenten recht op hebben.

In het stuk wordt de universiteit compleet herleid tot een economisch gegeven. Onderzoek moet centraal staan als motor voor economische ontwikkeling. Maatschappelijke dienstverlening, die derde taak van hoger onderwijs, wordt al helemaal vergeten. En het is niet toevallig dat Stouthuysen onderwijs wil inperken. De oude betekenis van school is niet voor niets “vrije tijd”, in de betekenis van vrij van economische waarde. Eigen aan onderwijs is dat het gaat om ‘vertraagde tijd’, tijd voor reflectie en verkenning.

Toch heeft de man wel een punt: we moeten dringend nadenken over hoe we ons hoger onderwijs vandaag te vaak vorm geven. We gebruiken nog steeds te veel de goedkoopste maar tegelijk een van de minst effectieve werkvormen: hoorcolleges, net omwille van productiviteit. Ik geef zelf graag hoorcolleges en voor bepaalde inzichten werkt deze werkvorm wel, maar het gaat fout als de keuze niet om didactische maar om financiële redenen gemaakt wordt.

En ja, we moeten er voor zorgen, bijvoorbeeld door betere oriëntering via platformen zoal SIMON of LUCI, dat er minder uitval is of dat de  studentengroepen onnodig groot zijn omdat niet de juiste mensen op de juiste plaats zitten.

Als we sterke toekomstige werknemers en onderzoekers willen krijgen, moeten we volgens mij vooral ook weer meer kunnen vormen en aanzetten tot reflectie, onderzoekende vaardigheden en kritische geest. Misschien eindigen we dan zelfs dichter bij het resultaat dat Stouthuyzen voor ogen heeft. Het kan wel betekenen dat we meer geld naar onderwijs moeten sturen. We noemen dat investeren in de toekomst.

“Het recht op vergeten”, waarom doen we het niet zo?

De voorbije dagen hebben we verschillende voorbeelden gehad waarbij mensen geconfronteerd worden in de media met iets wat ze ooit op sociale media geplaatst hebben. Willem Elias, Abou Jahjah en in de VS de opvolger van Jon Stewart, Trevor Noah hebben het te verduren gekregen.

Los van mijn mening over elk van deze drie voorbeelden, deed het me terug nadenken over hoe belangrijk het recht op vergeten aan het worden is in deze tijd waarin we een “recorded life” leven. Alles wat we (digitaal) doen of zeggen kan bewaard worden en blijkbaar ooit tegen ons gebruikt worden.

Europa heeft op dit moment al een eerste wetgeving rond het recht op vergeten, maar in de praktijk gaat het vooral over feiten die niet meer gevonden zouden kunnen worden via Google.

Zelf kwam ik uit op een heel eenvoudig en wellicht te eenvoudig voorstel voor specifiek sociale media:

  • Alle informatie die je op sociale media publiek of semi-publiek plaatst is standaard maar 6 maanden beschikbaar.
  • Wil je  toch dat dit langer vindbaar is, bijvoorbeeld omdat je als muzikant dingen deelt, of omdat je het leuk vindt, dan kan je zelf er voor kiezen dit langer toegankelijk te maken.
  • Zelf heb je wel altijd toegang tot wat je ooit postte.

Eventueel zou je ook bij bijvoorbeeld Facebook een knop kunnen krijgen met opties hoe lang zaken publiek terugvindbaar kunnen zijn, 3 maanden, 6 maanden,… net zoals je nu kan instellen wie wat ziet.

Je zal nog altijd niet kunnen voorkomen dat een derde via bijvoorbeeld screenshots een kopie bewaart, maar het is misschien een haalbare stap naar ‘recht op vergeten’?

 

Behoud onverbloemde sprookjesversies (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

We kennen sprookjes vooral uit de versies van Grimm en Disney-films. Dit zijn gekuiste versies van verhalen die generaties lang doorverteld werden, bij de haard in de winter en buiten op het erf in de zomer. De Vlaamse antropoloog Marita de Sterck publiceerde onlangs Vuil Vel, een boek met veertig sprookjes in ongecensureerde vorm. Dat betekent bloederiger en vunziger: ouders die hun eigen kinderen met de blote hand vermoorden en Roodkapje die naakt naast de wolf in bed gaat liggen.

Volksverhalenonderzoeker Theo Meder hield een voordracht bij de boekpresentatie. Hij stelt:

“Als het merendeel van het publiek uit volwassenen en pubers bestond, dan konden het kruidige verhalen zijn – verhalen voor volwassenen onder elkaar. Mochten er kinderen bij zitten, dan luisterden ze mee, en hoorden ze mee met de seksueel getinte verhalen over meiden en vrijers, lachten ze om de domme streken van de seizoensarbeiders, huiverden ze mee met de akelige verhalen over weerwolven en witte wieven, over demonen van het type Kludde en reuzen van het type Lange Wapper, verhalen over de organen etende stiefmoeder van Sneeuwwitje, of de vrouwenmoordenaar Blauwbaard. Waarna de kleinsten niet meer konden slapen van de opwinding, de spanning en de angst.”

Gender
De kuising van sprookjes heeft te maken met pedagogie. Journalist en antropoloog Cathérine Ongenae schreef voor Knack een artikel over de achtergronden van Vuil Vel. Ze laat sprookjesdeskundige Harlinda Lox aan het woord. Het censureren gebeurde vooral door onderwijzers en priesters toen de sprookjes werden opgeschreven, legt Lox uit. Zo waren dwergen uit Sneeuwwitje oorspronkelijk kannibalen.

Gender speelde daarbij een belangrijke rol. De gebroeders Grimm verzamelden 200 verhalen, maar we kennen er maar zo’n vijftien. De rest voldeed niet aan het toenmalige vrouwbeeld: de vrouwen waren daarin niet netjes of geduldig genoeg. Als er een feministisch tintje aan zat werden sprookjes herschreven: eigenzinnige vrouwen belandden dan op de brandstapel.

Vervreemding
Sprookjes zijn vooral geduid vanuit de psychoanalyse. Het zou gaan om taboe, schuld en schaamte. In het artikel van Ongenae komt ook klinisch psycholoog Myriam Maes aan het woord, bij wie sprookjes een rol spelen in haar therapieën:

“Rauwe sprookjes zijn een antigif tegen het moraliseren van volwassenen. Mensen duwen wreedheid weg uit angst, maar je moet ze toelaten als je ermee wilt leren omgaan. Door negatieve gevoelens te verbieden, loochenen we onze fantasieën en vervreemden we van onszelf. Rauwe sprookjes moraliseren niet, ze gaan voorbij goed en kwaad. Je betreedt een andere wereld waar andere dingen mogen. Sprookjes leren je vrij te denken, gaan in tegen taboes, overschrijden grenzen. Door ze te vertellen, doorbreek je sociale dammen zoals schuld, schaamte en walging. In die zin staan rauwe sprookjes lijnrecht tegenover onze manier van opvoeden, waarin kinderen braaf en gehoorzaam moeten zijn, en alles moeten overnemen zonder vragen te stellen.”

Erfgoed
Het zijn dus volwassenen die kinderen onschuldig willen houden. Hiermee bezweren zijn hun eigen angst, stelt Maes. Het het risico is dat de ongecensureerde vertellingen verloren gaan. Theo Meder besluit zijn voordracht daarom met een pleidooi voor behoud:

“[H]et is ook niet de bedoeling dat omwille van de tere kinderziel, de volwassen vertelling zou moeten verdwijnen. Ook dit is cultureel erfgoed en ik hoop van harte dat Marita doorgaat met het uitgeven van onverbloemde sprookjesversies. En ik mag zelfs hopen dat deze sprookjesversies weer op het repertoire komen te staan van volwassen vertellers.”

Luister ook dit item van Onder Mediadoctoren over sprookjes toen en nu. 

Ter verdediging van sociale media

Stromae nieuwste clip en de hetze rond en over het drama van Steve Stevaert hebben 1 ding gemeen: sociale media lijken het gedaan te hebben.

Paul van Haver, aka Stromae, is slim. Zijn videoclip is geniaal, maar ook dubbel:

De man is wereldwijd groot geworden niet enkel door de ijzersterke songs, maar evenzeer door slimme, online marketing. Ik vermoed dat hij bij Stima zeer hoog staat op het lijstje voor het marketingcongres.

Gisteren vielen zowel traditionele als sociale media over elkaar in de nieuwsgaring rond eerst de aanklacht tegen minister van staat Steve Stevaert en later de vermissing en zelfdoding. Hierbij deed volgens mij de journalist van De Tijd zijn job door het nieuws relatief sec te brengen, en ging een krant als De Telegraaf volledig uit de bocht met hun titel waarin ze stellen dat de verkrachtingsminister vermist wordt.

Op sociale media, twitter op kop, gingen ook verschillende mensen uit de bocht. Ik schrijf bewust mensen en niet gebruikers, omdat we collectief lijken te vergeten dat het onderwerp en de schrijvers nog steeds mensen zijn.

De eerste wet van Kranzberg luidt “technologie is noch goed, noch slecht, maar is ook nooit neutraal.” Dit geldt zeer zeker ook voor sociale media. Dit argument zou ook en wordt ook gebruikt om wapens goed te praten, maar het essentiële verschil met bijvoorbeeld pistolen is dat sociale media niet uitgevonden zijn om iemand te doden, net zomin als het het broodmes dat je deze ochtend gebruikte om je boterham te smeren (met dank aan @netlash voor het beeld).

Voor elk vreselijk voorbeeld, zijn er talloze mooie verhalen. Ik leer elke dag bij van wat collega’s wereldwijd over onderwijsonderzoek delen via sociale media. Ik zag en nam deel aan verschillende online onderwijsdiscussies die een pak diepgaander waren dan een gesprek van een paar minuten op radio of televisie, zelfs al is het in 140 tekens die heen en weer gaan.

Een metafoor die ik de voorbije 24 uur veel hoorde is dat Twitter een café is met toogpraat van lallende dronkaards. Dit is veel te kort door de bocht. Die dronkaards, of beter trollen zijn er, al dan niet zich anoniem verschuilend achter een alias, zich lekker veilig wanend. Maar het is niet de massa die zich zo lallend voortbeweegt. In de rest van het café zitten mensen te vieren dat er een nieuw kind geboren is, krijgt een ander steun bij het verlies dat hij of zij doormaakt, wordt een koppeltje verliefd op elkaar,… Het lijkt wel het echte leven, en daarvan is het ook een weerspiegeling.

Uit verschillende onderzoeken blijkt dat sociale media vaak een verlengde is van het gewone leven van elke dag, soms wordt Facebook en co een uitvergroting. De grote verschillen met het dagelijkse leven zijn dat wat je doet meer publiek kan zijn en langer bewaard wordt. “Vergeten” is daarom een belangrijk discussie geworden in de hele privacy-discussie.

Maar net als vergeten, is volgens mij vergeven ook vooral geen technisch probleem of uitdaging, maar is het vooral mensenwerk. Guillaume Van der Stighelen vatte het – op twitter – mooi samen:

Het tijdperk van mobiel is het tijdperk van samen. (Linda Duits)

Deze blogpost verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Demonstranten zitten op de DamJarenlang werd jongeren verweten dat ze geen idealen hebben. De babyboomers waren immers de protestgeneratie en niemand doet ze dat na. Jongeren van nu zouden de internetgeneratie zijn: verknocht aan hun mobiele telefoon, niet bereid tot meer dan het liken van een goed doel op Facebook. De bezetting (of beter: bevrijding) van het Maagdenhuis toont een heel ander beeld van de hedendaagse student. De studenten die daar zitten zijn politiek bewust, maar geloven niet in bestaande partijen. Ze denken vrij en ze organiseren zich.

Sinds de jaren ’90 is de universiteit veranderd. Inspraak werd afgepakt, een competitief beurssysteem werd ingevoerd, studentenaantallen stegen en er ontstond een publish or perish-cultuur. Medewerkers lieten dit over zich heen komen. Er werd onderling veel geklaagd en er verscheen menig opinieartikel in de krant, maar van verzet was geen sprake. Het waren de studenten die uiteindelijk actie ondernamen, die vonden dat er genoeg gepraat was en dat er druk uitgeoefend moest worden.

Anders dan de docenten zijn deze studenten niet geknecht, ondanks het leenstelsel. In het Maagdenhuis vinden dagelijks lezingen plaats, van kleine en grote namen. De studenten laten zich vervoeren door theorieën over verandering. Daarbij hebben ze een sterke hang naar gemeenschap. Het Maagdenhuis is nu een centrale ontmoetingsplek. De studenten willen volwaardig onderdeel zijn van de academische gemeenschap en daarbij hoort een plek om samen te komen.Voor jongerenonderzoekers moet die zucht naar offline samenkomen niet nieuw zijn. Onder studenten viel al langer op dat ze graag samen buitenshuis studeren (vandaar de enorme behoefte aan studieplekken) en dat ze contacturen erg waarderen.

Een volwaardig onderdeel zijn betekent serieus genomen worden en meebeslissen. Dat is dan ook de voornaamste inzet van het protest: een meer democratische universiteit. Ze laten zich niet ringeloren door oppervlakkige ideeën over burgerschap, maar denken voor zichzelf. Als docent kan je daar niets anders dan trots op zijn. Als jongerenonderzoeker dringt de vraag zich op in hoeverre deze groep een voorhoede is van wat gaat komen.

Een voorspelling wil ik daar wel over doen: het belang van fysiek samenkomen zal steeds meer prominenter worden. We zien dit bijvoorbeeld ook bij fans. Zij waren de early adaptors van het internet en vormden daar nieuwe gemeenschap. Nu draait alles om bij elkaar zijn op fysieke plekken, op fanconventies of om live in het Vondelpark de finale van Wie Is De Mol te kijken. Het tijdperk van mobiel is het tijdperk van samen.

Beeld: zitten op Dam tijdens de protestmars van 13 maart 2015. (c) Linda Duits