Personaliseren, differentiatie en gestandaardiseerde testen

Kreeg vandaag een zelfde vraag van verschillende mensen, dus een extra blogpost dringt zich op.

Naar aanleiding van de berichten in de Standaard (en lees graag ook de meer genuanceerde versie van de onderzoekers zelf) kreeg ik de vraag hoe je gecentraliseerde toetsen kan rijmen met net de grotere vraag naar differentiatie en personalisatie.

Deze vraag is niet onlogisch, omdat deze twee tendenzen effectief elkaar lijken tegen te spreken. Belangrijk is te begrijpen dat differentiatie (en de meer hippere vorm: personaliseren) op verschillende aspecten van het leerproces kunnen slaan: je kan zowel differentiëren op vlak van doelstellingen, tijd, inhouden, media, werkvormen,… en logischerwijze ook op vlak van evaluatie. Evalueren houdt best ook verband met alles wat vooraf kwam. Beoordelen kan je best niet los zien van doelen en aanpak (zie ook onder andere het concept van constructive alignment).  Mijn favoriete quote over evaluatie (en dus ook over de doelen die je evalueert): ze zijn de staart die de hond doen kwispelen.

Maar… differentiatie en personalisatie betekent niet dat er geen gemeenschappelijke (minimum)doelen zouden zijn die door de overheid vastgelegd worden. Iedereen leert bijvoorbeeld Nederlands en meerdere andere talen, wiskunde, enz.

En terwijl bijvoorbeeld vanaf volgend jaar er voor Engels, Frans en Duits enorme verschillen kunnen ontstaan in het basisonderwijs omdat scholen zelf kunnen kiezen wanneer ze al dan niet met taalinitiaties beginnen, zal er wel degelijk een punt zijn binnen het leerplichtonderwijs dat er door het gros van de leerlingen een bepaald niveau bereikt moet worden. Hier kunnen gestandaardiseerde testen eventueel een rol spelen. Zelfs binnen gedifferentieerde pakketten kunnen dergelijke testen een zekere meerwaarde betekenen.

Op die manier hoeven beide tendenzen elkaar dus niet noodzakelijk tegen te spreken.

Speel een duet met je computer via machine learning en AI

Een paar keer per week jam ik met mijn oudste zoon. Ik begeleid hem dan op gitaar terwijl hij improviseert op zijn trompet. Maar misschien heeft hij mij binnenkort niet meer nodig. Wat als een computer even makkelijk met je samen zou kunnen spelen? Dit is waar Google nu mee uitpakt als experiment op basis van hun Magenta-platform. Je speelt enkele noten en de computer antwoordt. Eerst nog wat verkennend, maar het ding leert je beter ‘aanvoelen’ en beter samenspelen.

Deze video van Google legt je uit hoe het werkt, maar nog beter: je kan het zelf uitproberen!

Infografiek: een pleidooi voor volledig begeleide instructie

Oliver Caviglioli is de ontwerper die oa de posters over studiemethodes vormgaf van The Learning Scientists die ik vertaalde. Nu maakte hij een infografiek op basis van dit artikel dat Paul Kirschner samen met Sweller en Clark schreef voor American Educator en dat ook in het Nederlands vertaald werd.

De poster is vanaf maandag ook downloadbaar (ik zal de link toevoegen) en sluit trouwens ook mooi aan bij de lezing die ik donderdag gaf op de STEM-netwerkdag.

Lectuur op zaterdag: wetenschap in het kapsalon, politici vs experts en je bent niet de meerderheid (en meer)

De weekendbijlage:

Tot slot: je bent niet de meerderheid

Persbericht NRO: Academische opleidingsscholen bevorderen onderzoekende houding leraren

De academische Pabo’s bestaan nu al een tijdje, hoog tijd voor een rapport over de effecten. Dit rapport en persbericht van het NRO geeft een stand van zaken:

Academische opleidingsscholen hebben veel impact op de professionalisering van leraren en op de schoolontwikkeling. Bovendien verstevigen academische opleidingsscholen de samenwerkingsrelatie tussen scholen en lerarenopleidingen. Wel zijn er grote verschillen tussen en binnen deze opleidingsscholen.

Anders dan andere opleidingsscholen combineren academische opleidingsscholen het opleiden van toekomstige leraren met het doen van praktijkonderzoek in de school. Doel van dit onderzoek is vooral schoolontwikkeling en de professionele ontwikkeling van leraren en studenten. Er zijn op dit moment 33 academische opleidingsscholen, 16 po, 16 vo en 1 mbo. Van een dergelijk partnerschap maken meerdere scholen en in het vo ook meerdere lerarenopleidingen deel uit.

Betrokkenheid

Het onderzoek dat op de scholen wordt gedaan, leidt vaak daadwerkelijk tot verandering van leraargedrag én heeft invloed op de ontwikkeling van de school. Dat is vooral ook te danken aan de grote betrokkenheid van leraren en schoolleiding. Dit blijkt uit een studie naar de waarde van de academische opleidingsschool, uitgevoerd door Avans Hogeschool, Fontys en de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. Het lukt volgens de coördinatoren van academische opleidingsscholen om de onderzoekende houding van leraren te bevorderen. Ze kijken kritischer naar zichzelf en de schoolcultuur en proberen meer gezamenlijk verbeteringen door te voeren. Door onderzoeksliteratuur te bestuderen en relevante data te verzamelen worden ook beleidsbeslissingen beter onderbouwd. Het kost wel veel tijd om dit te bereiken. Academische opleidingsscholen die langer bezig zijn, zeggen meer effect te zien.

Impact

“De academische opleidingsschool heeft vaak veel impact”, zegt lector Anje Ros. “De scholen zijn zelf heel trots. Het doet echt iets met de cultuur in de school. In plaats van ad hoc gedrag zie je nu dat er meer planmatig naar de ontwikkeling van de school en de leraren wordt gekeken.

“Het past ook meer bij het landelijke streven naar autonomie van leraren en collectief leren. De academische opleidingsschool levert daar een goede bijdrage aan.”

Verschillen

Wel zijn er grote verschillen tussen de scholen. In het po voeren vaak een of meerdere studenten het onderzoek uit, omringd door leraren, met begeleiding van een onderzoeksdocent van de opleiding. Onderwerpen van onderzoek worden meestal bepaald door het primaire proces: hoe kunnen leraren hun onderwijs en zo hun eigen handelen verbeteren. In het vo doen docentonderzoekers ook wel vakdidactisch onderzoek of worden overstijgende thema’s bestudeerd, zoals het toetsbeleid of meta-cognitieve vaardigheden. Het onderzoek van de student staat hier meestal los van en er is minder begeleiding vanuit de opleiding.

Voorwaarden

Twee knelpunten worden door de academische opleidingsscholen genoemd: de waan van alledag die het lastig maakt tijd en keuzes te maken. En samenwerken met meerdere partners met hun verschillende belangen is niet eenvoudig.

Er is een aantal voorwaarden waaraan moet worden voldaan, wil het praktijkonderzoek succes hebben, zegt Ros. “Het onderzoeksthema moet passen bij de schoolontwikkeling en leraren moeten zich ermee verbonden voelen. Daarnaast is de betrokkenheid van de schoolleider essentieel. Hij of zij moet het stimuleren, faciliteren en het lerarenteam de mogelijkheid geven mee te doen. Bovendien is borging van deze werkwijze in de schoolcultuur belangrijk.

“Het onderzoek moet een vaste plek hebben, zonder veel extra werk op te leveren. Het kan een enorme impuls aan de scholen geven. Het ministerie van OCW zou dat moeten blijven stimuleren. Andere scholen zien dat de academische opleidingsscholen zich ontwikkelen. Zij zouden die kans ook moeten krijgen.”

Ros, A., Van der Steen, J, & Timmermans, M.C.L. (2016). De waarde van de academische opleidingsschool. Avans Hogeschool Breda, Fontys Eindhoven, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen.

Dit onderzoek (Onderzoek in academische opleidingsscholen (AOS)) is gefinancierd door het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek.

Publicatie(s)

Waarover spraken jongeren met Awel in 2016? Ouders blijft top thema

Vandaag publiceerde Awel (de kinder- en jongerentelefoon) het jaarlijkse overzicht. Dit is het persbericht, met een kleine bedenking van mezelf na het persbericht:

In 2016 voerden de vrijwilligers van Awel 33.253 gesprekken met kinderen en jongeren. Dat is een daling met 5% tegenover 2015, toen vooral de aanslagen in Parijs heel wat vragen opriepen bij de Vlaamse jeugd. Awel zag een duidelijke piek in het aantal oproepen in de weken na 13 november. Hoewel de aanslagen niet veel later in eigen land plaatsgrepen, was het effect op het aantal oproepen in maart 2016 aanzienlijk kleiner en bij de aanslagen in Nice van juli 2016 en in Berlijn van december 2016 zag Awel helemaal geen effect meer in de gesprekken aan de hulplijn. Ook opvallend: waar ‘angst en spanning’ op de zevende plaats staat in de lijst van meest besproken onderwerpen, blijft de relatie tot de ouders sinds jaren op kop staan met een aandeel van 21% van alle gesprekken.

Minder contacten over angst en spanning: gewenning of betere hulpverlening?

Dat de aanslagen in 2016 niet zo’n piek teweeg brachten, kan verschillende oorzaken hebben. Het is denkbaar dat jongeren gewend zijn geraakt aan het voorvallen van aanslagen dicht bij huis. Mogelijk zijn ouders, scholen en leeftijdsgenoten intussen ook beter voorbereid om kinderen en jongeren met vragen hierover op te vangen. Het thema ‘angst en spanning’ was al een vaste gast in de top 10 van gespreksonderwerpen bij Awel voordat aanslagen dichter bij huis voorvielen. We kunnen daarom vermoeden dat het aandeel van de aanslagen in de cijfers niet alleen tijdelijk maar ook beperkt is. Begin 2018 wil Awel hierover uitsluitsel kunnen geven dankzij een grondige studie van gesprekken geregistreerd onder ‘angst en spanning’.

Ouders blijven meest besproken onderwerp

Jongeren liggen nog steeds het vaakst wakker van hun relatie met hun ouders. Jaar na jaar, ook in 2016, is dat het meest besproken thema bij Awel. Bovendien is het aandeel ervan alleen maar toegenomen: één op de vijf gesprekken gaat intussen hierover, bij de chat zelfs bijna één op de drie. Deze gesprekken gaan over conflict tussen ouders, scheiding, niet kunnen praten met ouders en dergelijke meer. Verbinding met elkaar blijkt, ongeacht de situatie, de belangrijkste vereiste voor een goede band. Investeren in het welzijn van gezinnen en het emotioneel welbevinden van kinderen en jongeren moet dan ook een topprioriteit zijn.

Awel ontwikkelde een tool die kinderen en jongeren kan helpen om met hun ouders in gesprek te gaan, deze werd in 2016 door 7241 kinderen en jongeren geraadpleegd. Omdat jongeren ook vaak heel wat steun vinden bij elkaar, lanceert Awel deze zomer een peer-to-peerproject op het interactieve forum waarbij de focus ligt op lotgenotencontact.

Website blijft drukbezocht

Jongeren die zelf geen vraag durven, willen of kunnen indienen, komen ook goed op de website awel.be terecht en lezen er wat Awel en leeftijdsgenoten zeggen. Awel.be telde in 2016 maar liefst 1.736.030 bezoeken, een toename met 7% tegenover vorig jaar.

Lees hier alle cijfers van Awel in 2016 of download het document in bijlage.

De kleine persoonlijke noot: ik denk dat er inderdaad veel is ingezet door oa scholen om kinderen en jongeren de kans te geven om over terreur te spreken. Het kan ook zijn dat deze onderwerpen ook makkelijker met ouders en leerkrachten te bespreken zijn dan bvb ouders zelf.