Persbericht KBS: Het secundair onderwijs kan jongeren beter voorbereiden op het leven

Het advies van het ouderpanel over de toekomst van secundair onderwijs dat de Koning Boudewijnstichting maakte in opdracht van minister Crevits is er. Meer uitleg in dit persbericht:

Het kan beter. Het secundair onderwijs kan onze jongeren beter voorbereiden op het latere leven dan het vandaag doet. Dat is geen kritiek, maar een oproep.

Dat zegt het Ouderforum Secundair Onderwijs van de Koning Boudewijnstichting: 24 uitgekozen ouders die zich via een bijzondere methode – een deliberatief proces naar het model van de Deense consensusconferenties – hebben gebogen over het onderwijs voor het jaar 2030, het jaar waarin de kinderen die vandaag in het eerste leerjaar zitten, stilaan gaan afstuderen.

De ouders geven in zeven punten een genuanceerd antwoord op twee vragen die Vlaams minister van Onderwijs, Hilde Crevits, hen enkele maanden geleden gesteld had:
– Wat moet het secundair onderwijs bereiken met alle jongeren?
– En hoe jongeren best tot keuzes brengen tijdens het secundair onderwijs?

“Het onderwijs is zoals een olifant: een groot, log beest maar ook wel gevoelig. En net zoals deze olifant is het onderwijs bezig met een delicate evenwichtsoefening.” 

In hun antwoord op de eerste vraag concentreerden de ouders zich op drie rollen waarvan ze vinden dat het secundair onderwijs die beter moet vervullen.

Het secundair onderwijs

1. moet de jongeren beter voorbereiden op het leven, op hun ontplooiing als burger. Dat houdt onder meer in: leren omgaan met geld; sociaal engagement leren opnemen; EHBO; leren debatteren. De ouders vinden dat een opdracht die zij en de school delen.

2. moet hen beter voorbereiden op de superdiverse samenleving: de mens leren zien als persoon en niet als een optelsom van uiterlijke kenmerken, veel talenkennis bijbrengen, de jongeren inleiden in de cultuur- en religieverschillen en hen leren om hier op een respectvolle manier mee om te gaan.

3. moet erkennen dat er niet alleen op de schoolbanken geleerd kan worden: de school moetvoor alle jongeren het werken en de wereld van de arbeid als leerbron binnenbrengen: via stages, werkervaringsprojecten, vrijwilligerswerk. De werkplek is de ideale plaats om het probleemoplossend denken en de creativiteit aan bod te laten komen, en om theorie en praktijk te mengen. Het duaal leren moet een volwaardige opleidingsvorm worden in alle richtingen.

4. Jongeren zullen betere keuzes maken, zegt het ouderforum in antwoord op de tweede vraag, als echt uitgegaan wordt van de talenten van jongeren, en als ze ervaring mogen opdoen in verschillende studie- en werkdomeinen. Dat moeten ze kunnen tijdens de eerste graad van het secundair onderwijs. Dat moet daarom een brede eerste graad zijn. De oude onderwijsvormen ASO/TSO/KSO/BSO verdwijnen; jongeren moeten zoveel mogelijk op dezelfde campus school lopen.

5. Dat veronderstelt een andere organisatie van het leren. De aloude lessen van 50 minuten zullen minder voorkomen: modulair werken en projectwerk zijn meer aangepast aan de 21ste eeuw. Leraars zullen meer in team werken en leerlingen langer dan een jaar begeleiden en coachen. Dat zal het welbevinden van de leerlingen en hun motivatie doen toenemen.

6. Het welbevinden van de leraars verdient ook meer aandacht. Zij verdienen meer waardering. Ze moeten ook anders opgeleid worden: voorbereid worden op teamwerk, op de ‘superdiversiteit’. En hun opleiding zou best ook duaal zijn en dus grotendeels plaats hebben op hun toekomstige werkplek, de school. Leerkrachten hebben niet zozeer een vaste benoeming nodig, maar een personeelsbeleid dat gericht is op de ontplooiing van hun professionaliteit.
De lerarenteams moeten diverser worden.

7. En de scholen? Dit alles veronderstelt scholen die niet gelijk moeten zijn maar die wel gelijkwaardige kwaliteit afleveren. Dat moet objectief en vergelijkend getest worden. De gelijkwaardige kwaliteit moet ook bewaakt worden door de overheid via de eindtermen: die bepalen wat scholen moeten bereiken. De eindtermen moeten concreter worden, en sneller aangepast worden.
Scholen moeten ouders en leerlingen in het schoolbeleid betrekken. En die moeten alle gegevens krijgen die toelaten de kwaliteit van het onderwijs van een school te beoordelen. Transparantie moet troef zijn.

Drie weekends van intensief overleg
Het ouderpanel kwam tussen oktober 2015 en januari drie weekends samen voor intensieve momenten van informatievergaring en discussie. Tijdens die weekends werden meerdere specialisten en praktijkmensen gehoord. De meningen van de ouders werden scherp gesteld en aan die van de anderen getoetst. “Wij hebben gezocht wat ons, ouders, echt drijft in deze discussies: wat moeten wij, ouders, verdedigen voor onze jongeren in het licht van 2030”, schrijven ze zelf in de inleiding van het eindrapport.

Het eindrapport werd op de laatste dag overhandigd aan Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits die het persoonlijk in ontvangst kwam nemen van de ouders. Zij maakte van de gelegenheid gebruik om een aantal van de conclusies te bespreken en bijkomende vragen te stellen.

Minister Crevits : “Onderwijs beroert ouders. Dat bewijst de visie van dit ouderpanel dat zijn blik op 2030 mocht werpen. In 2030 verlaten de meeste kleuters die nu in de eerste kleuterklas zitten het secundair onderwijs. Deze ouders trekken duidelijk de kaart van een secundair onderwijs dat jongeren voorbereidt op het burgerschap van morgen. Met een open blik op de superdiverse samenleving. De ouders roepen op om muren tussen leren en werkten te slopen en houden een warm pleidooi voor levenslang leren. Ook de leraars krijgen de waardering die ze verdienen. Een aantal van de voorstellen sluit aan bij de richting die we uit willen gaan met het duaal leren, de hervorming van de lerarenopleiding en de modernisering van het secundair onderwijs. Maar het rapport daagt ook uit om verder te kijken. Het bevat reflecties en voorstellen die zeker nog op beleidstafels naar boven zullen komen. Vandaar mijn grote appreciatie en dank aan de ouders die dit mee tot stand hebben gebracht.”

De methode
Het ouderpanel volgt een wetenschappelijke methode die al in de jaren ’70 in Denemarken werd uitgewerkt. De “consensus conference” is gebaseerd op twee principes: diversiteit en tijd voor deliberatie.
24 deelnemers – 13 mannen, 11 vrouwen – werden willekeurig gekozen uit alle lagen van de bevolking: ouders met jonge en oudere kinderen, verschillende opleidingen en uit alle hoeken van Vlaanderen. Ze wisselen gedurende drie volledige weekends van gedachten met elkaar, met mensen uit de onderwijspraktijk, met experts uit verschillende sectoren van de samenleving. Dit maakt het mogelijk om het thema vanuit alle gezichtspunten te behandelen.

Onderzoekers van de VUB staan in voor de onafhankelijke evaluatie van het ouderpanel.
Overal in de wereld zijn er ondertussen honderden ‘consensus conferences’ georganiseerd. De Koning Boudewijnstichting heeft een jarenlange ervaring met deze methode, zowel nationaal als Europees. Ze organiseerde burgerpanels over uiteenlopende thema’s als de behandeling van radioactief afval, de toekomst van het hersenonderzoek (met de steun van het DG Onderzoek van de Europese Commissie), terugbetaling in de gezondheidszorg en de toekomst van de Europese Unie.

Het hele rapport kan je hier downloaden.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s