Toegankelijk versus lat lager in het hoger onderwijs

Er is momenteel een discussie aan de gang in De Standaard over de universiteit. Het startte met dit interview met socioloog Jelle Mampaey die stelt: “Het Vlaamse hoger onderwijs heeft de mond vol van gelijke kansen, maar er gaapt een kloof tussen de mooie woorden en de realiteit.” en qua aanpak blijft hij enerzijds vaag, maar “Minder abstract taalgebruik en jargon gebruiken, zou er een aspect van moeten zijn.”

Wouter Duyck antwoordt vandaag met deze opinie:

“Eenvoudiger taalgebruik in de Vlaamse aula’s zal jongeren uit kansengroepen niet vlotter aan een diploma helpen. Iedereen die getalenteerd en gemotiveerd is moet, los van zijn sociale achtergrond, toegang hebben tot kwaliteitsvol hoger onderwijs. De lat lager leggen zal de sociale mobiliteit noch de welvaart verhogen.”

Het grappige is dat Mampaey verwijst naar pedagogen die een oplossing moeten aanbrengen (“Hoe dat radicaal andere onderwijzen er dan uit moet zien, daarvoor verwijst de socioloog naar zijn collega’s pedagogen die hebben aangetoond hoe het moet.”), terwijl deze pedagoog wil verwijzen naar didactiek en de plaats van de universiteit in ons onderwijs.

Eerst en vooral wil ik niet in de val trappen dat we steeds naar het voorgaande onderwijsniveau moeten kijken voor de oplossing. Universiteiten kijken dan naar het secundair onderwijs dat op zijn beurt naar het basisonderwijs kijkt. En ja, Heckman heeft ooit aangetoond dat we zo vroeg mogelijk moeten investeren om ongelijkheid tegen te gaan, maar de nobelprijswinnaar heeft vandaag zelf aan zijn Heckman-curve sustaining toegevoegd: als je na de investeringen in het jongste kind niet voor blijvende ondersteuning zorgt, verdwijnt nagenoeg het effect van de aanpak tegen ongelijkheid. Ongelijkheid tegengaan is dus een taak van iedereen – ook van het hoger onderwijs-, maar moet dit dan door de eigenheid van de universiteit te loochenen? Nee, maar misschien wel door te kijken naar wat de universiteit als taken heeft.

Wat is een universiteit? Een plaats voor kennisdeling en onderzoek en waarbij het laatste het eerste bevrucht (en ik vergeet even de derde taak van sociale dienstverlening). Die kennisdeling heeft een zeker abstractieniveau, eigen aan het hoogste onderwijsniveau. Maar abstract taalgebruik kan drie redenen hebben. Je kan heel abstract praten omdat je jezelf heel slim wil doen lijken. Dit is fout en dat moet er uit, maar dit gedrag is niet beperkt tot de universiteit (iemand nog iets gehoord over de kloof tussen politiek en de burger?). Ten tweede omdat je bepaalde nuances en concepten wil weergeven die anders niet mogelijk uit te drukken zijn. Dit is essentieel en mag de universiteit niet verliezen. Maar zelfs hier kan concreet starten belangrijk zijn. De derde reden kan je omschrijven als ‘the curse of knowledge’, zoveel weten dat je je tegelijkertijd niet meer kan inleven in het beginnersniveau van de lerende. Dit laatste is een groot probleem waar ik op het einde wil terugkomen.

Maar eerste wil in ingaan op het belang van het concrete en voorkennis. 3 jaar geleden hoorde ik professor Etienne Vermeersch in een debat met Rik Torfs op de Boekenbeurs provocerend stellen dat hij zichzelf een grote dommerik vindt omdat hij dingen die hij niet kent zich altijd eerst concreet moet voorstellen. De man is echter geen dommerik, hij is vooral normaal. Een aloud didactisch principe is dat je nieuwe inhoud best eerst concreet, vervolgens schematisch en ten slotte abstract aangereikt krijgt. Geake {2009) bevestigt dit principe nog eens op basis van neurologisch inzichten en stelt provocerend dat ons brein niet gemaakt is om abstract te denken.

Het is dus de taak van gelijk welke lesgever op gelijk welk onderwijsniveau om in te schatten welke voorkennis zijn studenten of leerlingen al dan niet hebben voor zijn of haar lesonderwerp en op basis daarvan het abstractieniveau te bepalen. Als het een onderwerp is aan de universiteit waar de lesgever er mag van uitgaan dat zijn of haar studenten de concrete stappen al verwerkt hebben in de vooropleiding, dan is het niet zijn taak om die stap nog aan te bieden. Als de inhoud echter nieuw-nieuw is, dan is het zijn of haar taak om wel zo concreet mogelijk te zijn. De lat moet hoog zijn, maar niet onnodig of onmogelijk hoog.

De kwaliteit van lesgevers aan de universiteit kan heel erg verschillen. Ik herinner me zelf de legendarische lessen van Walter Prevenier die toonde dat het concreet kon zonder abstractie te verliezen omdat hij gewoon een verdomd goed lesgever was. Ik weet dat er nog veel van dergelijke proffen rondlopen, maar ook dat er een pak andere zijn. Het probleem is dat de beste onderzoekers niet noodzakelijk de beste lesgevers zijn en vice versa. Enkel mensen die de ‘curse of knowledge’ kunnen omzeilen slagen er in om goed en begrijpelijk les te geven. Maar dat laatste kost veel tijd en  moeite. Deze inzet is echter nog te vaak ondergeschikt aan het belang dat gehecht wordt aan onderzoek ten koste van de andere twee taken van de universiteit.

Als de onderwijstaak ten volle gewaardeerd wordt en op niveau aangeboden wordt (eventueel met ook onderwijsprofessoren die vooral hier hun sterktes kunnen uitbouwen), aangevuld met ondersteuningstrajecten die vaak nu al bestaan om hiaten in vooropleiding te compenseren, dan denk ik dat universiteiten hun deel van de taak om ongelijkheid tegen te werken opnemen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s