Persbericht over de nieuwe lerarenopleidingen in Vlaanderen vanaf 2019

Dit is het persbericht dat net op de site van de minister verscheen. Ik geef enkele bedenkingen onderaan de tekst:

Vanaf het academiejaar 2019-2020 zullen 18-jarigen ook aan de universiteit kunnen kiezen om leraar te worden via een educatieve master. De bacheloropleidingen aan de hogescholen worden versterkt en de studenten zullen er kunnen kiezen om leraar Nederlands voor anderstaligen te worden. Experten met beroepservaring zullen leraar kunnen worden via een educatieve graduaatsopleiding in het hoger beroepsonderwijs. Zij kunnen ook onmiddellijk starten als leraar terwijl ze nog de opleiding volgen in het statuut van leraar-in-opleiding. Deze maatregelen maken deel uit van de hervorming van de lerarenopleiding in Vlaanderen. Op voorstel van Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits heeft de Vlaamse Regering de hervorming goedgekeurd.

Al jarenlang geniet ons Vlaams onderwijs een bijzonder groot vertrouwen. Dat is de verdienste van de dagelijkse inzet van bijna 140.000 leraren. Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits wil een aantrekkelijke lerarenopleiding en het beroep van leraar nog meer het prestige geven dat het verdient.

De lerarenopleidingen worden vanaf het academiejaar 2019-2020 hervormd en versterkt.

De weg naar het leraarschap

Wie leraar wil worden volgt vanaf 2019-2020 altijd een opleiding aan de hogeschool of de universiteit. De specifieke lerarenopleiding, die studenten slechts na een diploma of werkervaring kunnen aanvatten, verdwijnt. In alle lerarenopleidingen gaan vakinhoud en leraarschap voortaan hand in hand. De hogescholen en universiteiten worden verantwoordelijk voor de opleidingen en zullen ze maximaal blijven openstellen voor zij-instromers, ook op de locaties waar vandaag centra voor volwassenenonderwijs leraren opleiden.

Educatieve masters

Universiteitsstudenten kunnen vandaag pas na het behalen van hun masterdiploma kiezen om leraar te worden door het volgen van een bijkomende opleiding (de specifieke lerarenopleiding). Vanaf 2019-2020 kunnen ze vanaf hun bachelor kiezen voor een pakket educatieve keuzevakken en meteen doorstromen in een educatieve master. Het gaat om nieuwe opleidingen in verschillende domeinen (wetenschappen, talen, economie…). Ook binnen de kunstopleidingen aan de hogescholen komen er educatieve masters.

Educatieve bachelors

Hogeschoolstudenten kunnen in de toekomst nog steeds leraar worden via de bacheloropleidingen kleuter-, lager en secundair onderwijs. Die bestaan vandaag al maar worden inhoudelijk verder versterkt. Sinds 2017 moeten studenten reeds een niet-bindende toelatingsproef afleggen om te kunnen starten.

Trajecten op maat voor zij-instromers

Experten uit het werkveld (bv. schrijnwerker of bakker) kunnen leraar worden wanneer ze minstens 3 jaar nuttige beroepservaring hebben. Vandaag volgen zij een specifieke lerarenopleiding aan een centrum voor volwassenenonderwijs. Voor hen komt er vanaf 2019-2020 een educatieve graduaatsopleiding aan de hogescholen. Dat traject start op basis van hun beroepservaring en zal leiden tot een diploma binnen het vernieuwde hoger beroepsonderwijs.

De educatieve bachelor- en masteropleidingen worden eveneens toegankelijk voor volwassenen die reeds over een diploma beschikken en eventueel al een professionele loopbaan achter de rug hebben. Zij krijgen toegang tot verkorte bachelor- en mastertrajecten zodat ze in één jaar ook het diploma van leraar kunnen behalen.

Na het secundair onderwijs, maken we nu ook in het basisonderwijs mogelijk dat toekomstige leraren in het statuut van leraar-in-opleiding al les geven terwijl ze de opleiding volgen.

Inhoudelijke versterking

De huidige lerarenopleidingen in Vlaanderen zijn kwalitatief sterk. De vernieuwingen starten dus niet van een wit blad. Wat goed is, wordt behouden. Inhoudelijk stimuleert het decreet om elke opleiding nog sterker te laten inzetten op thema’s als vakdidactiek, klasmanagement, grootstedelijkheid, taalvaardigheid, meertaligheid en diversiteit.

Minister Crevits maakt nu al 1 miljoen euro vrij om de huidige en toekomstige opleidingen inhoudelijk te versterken. De komende weken sluit zij daarover met de hogescholen en de universiteiten beheersovereenkomsten af. De lerarenopleidingen krijgen bovendien een opdracht in de professionalisering van leraren die al aan de slag zijn door bijvoorbeeld ook te voorzien in navorming. Ook van leraren verwachten we dat ze levenslang leren, hun vorming stopt niet bij het behalen van het diploma.

Leraar Nederlands voor anderstaligen

In de bacheloropleiding secundair onderwijs zullen studenten ook kunnen kiezen voor “Nederlands als niet-thuistaal” als één van de twee vakken waarin ze worden opgeleid (naast wiskunde, geschiedenis, informatica…). Zo worden zij optimaal voorbereid om les te geven in bijvoorbeeld OKAN-klassen (onthaalonderwijs voor anderstalige kinderen) of opleidingen NT2 in het volwassenenonderwijs te geven (Nederlands tweede taal).

Master basisonderwijs

De Vlaamse onderwijsraad adviseerde al eerder om de piste van een master basisonderwijs grondig te onderzoeken. De Vlaamse regering geeft de VLOR nu groen licht om het kader van deze nieuwe master verder te verkennen en uit te werken. Om die opleiding vorm te geven vragen we de VLOR tegen eind november 2017 advies over hoe masters in het basisonderwijs best kunnen worden ingezet en hoe hun opleiding best wordt georganiseerd. Het is de bedoeling dat deze masters effectief voor de klas komen te staan, net zoals de bachelors.

Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits: “Onderwijs is mensenwerk, dus hervorm je het onderwijs best via die mensen die het iedere dag waarmaken op de klasvloer. Vlaanderen heeft nood aan veel en sterke leraren. Daarom zorgen we tegen het academiejaar 2019-2020 voor versterkte opleidingen die voor alle leraren een volwaardig diploma hoger onderwijs zal opleveren. Op 18 jaar zal je meteen kunnen kiezen om leraar te worden: aan de hogeschool én aan de universiteit. Wie later de keuze maakt om leraar te worden krijgt een traject op maat.”

Concrete voorbeelden

Lies is 18 jaar en gaat wiskunde studeren aan de universiteit:

Nu: 3 jaar bachelor + 2 jaar master + nog een bijkomende specifieke lerarenopleiding = 6 jaar

Vanaf 2019: 3 jaar bachelor (met educatieve keuzevakken) + 2 jaar educatieve master = 5 jaar

Patrick is 51 en schrijnwerker, hij heeft geen diploma hoger onderwijs:

Nu: specifieke lerarenopleiding aan een centrum voor volwassenenonderwijs = diploma van leraar

Vanaf 2019: graduaatsopleiding aan een hogeschool = diploma van leraar én van gegradueerde

Jef is 35, bachelor elektromechanica, werkt ruim 10 jaar voor een technisch bedrijf en wil les geven in het secundair onderwijs:

Nu: specifieke lerarenopleiding = 1 jaar

Vanaf 2019: verkorte bachelor secundair onderwijs aan de hogeschool = 1 jaar

Ok, meer dan commentaar heb ik vooral vragen die vooral voor mezelf onduidelijk blijven:

  • Wat als Lies geen wiskunde gaat studeren, maar – ik zeg maar iets – Frans – Duits, dan is het verhaal toch licht anders?
  • Hoe gaat het zitten met verloning van de masters in het basisonderwijs?
  • Hoe zit het met de inhoud van die opleidingen? Ik merk op twitter dat verschillende partijen claimen dat er meer aandacht zal komen voor vakinhoud, vakdidactiek, enz. Ook hier merk je dit in de tekst, maar je leest ook stimuleren… Dus vrijheid van de opleidingen blijft, al hoorde ik de voorbije weken ook andere geluiden. The proof of the pudding is in the eating…
  • Maar de belangrijkste vraag voor mij is vooral: hoe gaan we de 18-jarigen en de zijstromers overtuigen om de keuze te maken voor die verschillende nieuwe opleidingen?

De nabije toekomst zal wellicht antwoorden brengen.

Lessen opnemen of niet in het hoger onderwijs?

Het wordt steeds vaker gedaan: lessen worden opgenomen zodat studenten die al dan niet aanwezig waren in de les de les kunnen voor de eerste keer bekijken of terug kunnen bekijken. Universiteiten investeren in degelijk materiaal, proffen laten zich al dan niet gewillig filmen en… wat is het effect?

Een studie die ik dit weekend op mijn Engelstalige blog plaatste werd zeer veel gelezen. Uit deze studie blijkt dat online lessen geen positief effect zouden hebben in vergelijking met offline lessen, integendeel. Studenten zouden minder slagen én het zou net voor leerlingen uit zwakkere milieus een groter negatief effect hebben. In een discussie over dit onderzoek via Twitter voegde Herman Van der Werfhorst dit onderzoek uit 2015-6 van Bos et al er aan toe:

Universities increasingly record lectures and make them available online for students. Though the technology to record these lectures is now solidly implemented and embedded in many institutions, the impact of the usage of recorded lectures on exam performance is not clear. The purpose of the current study is to address the use of recorded lectures in an authentic setting by focusing on the actual time spent on the usage of recorded lectures and the impact on lecture attendance and exam performance. The participants were 396 first-year university psychology students attending a mandatory course on biological psychology. During the course, student attendance to face-to-face lectures was registered and the viewing of the recordings monitored. Results revealed that a large amount of students used the recorded lectures as a substitute for lecture attendance. The group who uses recorded lectures as a supplement when developing a knowledge base score significantly higher on the assessment. When assessing higher order thinking skills, no significant differences were found between using recording lectures and attending lectures. This can be partly explained by relatively low predictive value either form of lectures have on exam performance.

De studie is kleiner dan deze die ik in het weekend besprak, maar is wel genuanceerd. En geeft dit interessant overzicht:

What is already known about this topic

  • Adoption of the use of recorded lectures is mainly based on teacher beliefs.
  • Students appreciate the availability of recorded lectures, which leads to higher course
    satisfaction.
  • Exact implications on lecture attendance and course performance are not clear.

What this paper adds

  • Our research analyses the use of recorded lectures in an authentic setting by focusing on the actual time spent on the usage of recorded lectures.
  • This paper provides insight in the effects of integrally recording lectures on lecture attendance, students’ usage of recorded lectures and their effects on exam performance.
  • This paper shows how much both types of lectures (online and face to face) contribute to the final course performance.

Implications for practice and/or policy

  • This paper shows that students use recorded lectures as a substitute for lecture attendance and not complementary.
  • The choice to either attend lectures or watch them online has no influence on final grades.

Dus: opnemen of niet? Ik heb geen eenduidig antwoord. De studie van Bettinger et al. suggereert het belang van face to faces meer dan de studie van Bos et al., maar gebeurde in een verschillende setting (veel studenten verschillende vakken en opleidingen in 1 universiteit bij Bettinger et al. maar niet enkel opgenomen lessen versus opgenomen lessen bij 1 vak in 1 opleiding aan 1 universiteit bij Bos et al.). Meer onderzoek is dus zeker nodig, maar tegelijk tonen deze studies voor de nodige voorzichtigheid, zeker bij specifieke doelgroepen.

Vier ingrediënten om kansarme kleuters uit te dagen met STEM en taal

Kleutergewijs

STEM, science – technology – engineering – mathematics, is hot, ook in de kleuterklas. STEM sluit mooi aan bij de sterke Vlaamse tradities rond wereldoriëntatie in de kleuterklas, maar gaat nog een stap verder. Bovendien biedt STEM ook heel goede kansen voor taalontwikkeling (Cabell et al., 2013).

Hoe kunnen we STEM combineren met taalontwikkeling? Dat willen we op de hogeschool Odisee onderzoeken. In onze speurtocht naar goede praktijken vonden we alvast een interessant onderzoeksproject met vijfjarige, arme kleuters van het Amerikaanse platteland (Wright & Gotwals, 2017).

In dit onderzoek gebruiken Wright en Gotwals vier ingrediënten voor de integratie van STEM met taal. Elk ingrediënt is gebaseerd op eerder onderzoek:

  1. Prikkelende vragen als leidraad

Binnen het thema ‘onze eigen tuin’ mogen de kleuters een minituin vorm geven. De kleuters haalden eerder aan dat ze graag een tent in de tuin willen hebben. Maar hoe kunnen ze een stevige, waterdichte…

View original post 869 woorden meer

Een video over gestandaardiseerde testen met nuances

Toen ik de aankondiging van deze video op de TED-Ed site zag, vreesde ik eerlijk gezegd het ergste. De video is echter genuanceerder dan ik vreesde, al biedt de video in de laatste paar minuten wel veel kritiek zonder alternatieven. Zelf vond ik het stuk van Jan Vanhoof en Peter Van Peteghem onlangs in De Standaard mooi qua nuancering.

Lectuur op zaterdag: 3D, clickbait, Dweck en Kim Jung Pink Floyd

De weekendbijlage bij deze blog:

Tot slot: op twitter ontstond een meme waarbij foto’s van Kim Jung Un omgevormd werden tot Pink Floyd Covers. Check hier voor een best of.

Nederlanders overschatten de tijd die ze online doorbrengen (Linda Duits)

Deze post verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

De grootste makke van de communicatiewetenschap is dat we niet in staat zijn mediagebruik goed te meten. Het is moeilijk om vast te stellen hoeveel tijd mensen naar muziek luisteren of hoe lang ze naar Nederland 1 kijken. Het meten van digitaal mediagebruik is misschien wel nog moeilijker. Zo schreven we in 2013 over onderzoek naar Facebookgebruik van studenten (spoiler: ze overschatten dat).

Dat neemt niet weg dat we mediagebruik toch vaak claimen te meten, omdat het een essentiële variabele is. Het belang van accuraatheid is dus groot. UvA-communicatiewetenschappers Theo Araujo, Anke Wonneberger, Peter Neijens  en Claes de Vreese vergeleken tracking data met zelfrapportage [open access]. Ze wilden achterhalen welke factoren zelfrapportage beïnvloeden en welke strategieën opstellers van vragenlijsten kunnen inzetten om te zorgen dat respondenten een betere inschatting maken van hun mediagebruik.

Methode
De onderzoekers maakten gebruik van een bestaand online panel van TNS NIPO. Een deel van de deelnemers daaraan heeft software geïnstalleerd waarmee het internetgebruik gemeten kan worden (tracking). Voorwaarde voor deelname aan het onderzoek was dat de respondent alleenstaand was, om zeker te weten dat alleen die persoon de computer had gebruikt. 921 mensen voldeden aan de criteria, waarvan uiteindelijk 690 mensen reageerden.

Deze respondenten moesten vragen beantwoorden over één specifiek apparaat (computer of tablet) waarop de tracking software was geïnstalleerd. De helft van de respondenten kreeg steeds eerst drie ‘anchoring questions’ voorgelegd: vragen die bedoeld zijn om het geheugen te verbeteren. Wat voor soort dag was het? Was je aan het werk? Voor welke situatie gebruikte je je apparaat?

Alle respondenten moesten in minuten aangeven hoe lang ze hadden geïnternet de dag ervoor en hoe lang op een typische dag. Daarnaast moesten ze vragen beantwoorden over multitasken.

Al het internetverkeer op het apparaat gedurende een maand werd bijgehouden. De software legde alle bezochte URLs vast, evenals hoeveel seconden de URL actief bleef in de browser (dat wil zeggen: de tijd dat die tab de weergegeven pagina was).

Overschatting
Respondenten gaven in de survey aan dat ze de dag ervoor gemiddeld 126,74 minuten online waren geweest. De zelfrapportage voor een typische dag was 143,14 minuten. De software liet zien echter dat respondenten de dag ervoor gemiddeld 103,55 minuten het internet had gebruikt, terwijl over de gehele periode een gemiddelde dag neerkwam op 126,27 minuten. Bij de gemiddelden zien we dus overschatting: het werkelijke gebruik was lager dan wat mensen dachten. Dat was natuurlijk niet voor iedereen zo, sommige respondenten maakten een onderschatting, andere een overschatting en weer andere zaten goed in de buurt. De gemiddelde absolute fout voor de dag ervoor was 100,64 min en 94,66 minuten voor een typische dag.

Hoeveel internet men gebruikt speelt daarin een rol: mensen die weinig internetten, hadden overrapportage, terwijl mensen die veel internetten hun gedrag onderschatten. Multitasken had alleen een effect bij de respondenten die veel internet gebruikten: hogere niveaus multitasken betekende bij hen minder vaak onderrapportage. Tabletgebruikers deden het niet anders dan computergebruikers als het gaat om absolute fouten, maar specifieke modellen lieten wel zien dat zij eerder hun gebruik onderschatten.

Een deel van de steekproef kreeg dus ‘anchoring questions’ met het idee dat zij hierdoor accuratere antwoorden zouden geven. Dat bleek niet zo te zijn.

Implicaties
De resultaten stemmen dus droevig: mensen maken grove fouten bij het inschatten van hun mediagebruik. Overrapportage komt daarbij het meest voor. Dat geldt niet voor mensen die veel internetten of internet via de tablet gebruiken: zij onderschatten eerder hun gebruik. De gebruikte anchoring questions lossen dat probleem niet op. De onderzoekers stellen dat het beter is om te vragen naar een typische dag dan vragen naar gisteren, want dat geeft betere resultaten. Andere anchoring questions zouden daarbij kunnen helpen, bijvoorbeeld wanneer er een indicatie wordt gegeven van de werkelijke gemiddelde tijd. Het is van belang zulke vragen te testen.

Ook uit eerdere onderzoeken met andere media zoals televisie en telefoon blijkt dat mensen doorgaans hun mediagebruik overschatten, behalve als zij grootgebruikers zijn. De onderzoekers gaan niet in op de culturele redenen die hieraan mogelijk ten grondslag liggen. Wellicht vinden we al snel dat we te veel internetten, omdat we dat als ledigheid zien. Zicht op zulke redenen zal evenwel moeilijk te vertalen zijn in concrete aanpassingen aan vragenlijsten. We blijven dus nog maar een tijd aanmodderen.

Kinderen worden beter in het uitstellen van beloning (interessante analyse)

Nee, de titel is niet verkeerd. En ja, ik snap dat je het niet gelooft en het onderzoek is nog niet peer reviewed maar zet wel aan tot denken. Maar je wil wellicht meer weten, dus herinner je je deze nog?

Juist, de beroemde Marhsmallow test die toont hoe kinderen zich al dan niet kunnen inhouden als ze alleen zijn met het snoepje. Als ze wachten dan krijgen ze er twee, maar kunnen ze zich inhouden? Er zijn veel dingen te vertellen over deze test, maar voor vandaag: bekijk even deze grafiek:

Wat zie je hier? John Protzko bekeek alle data van de vele replicaties van de Marshmallow test en wat stelt hij vast? Onze kinderen vandaag zijn beter in het uitstellen geworden, of meer correct: ze stellen gemiddeld langer uit. Zelf voeg ik er aan toe dat dit misschien wel goed nieuws is voor onze executieve functies waaraan deze test vaak gelinkt wordt.

Vond dit onderzoek via BPS Digest en je kan hier een preprint lezen met wel 1 belangrijk detail: het onderzoek is nog niet peer reviewed!!