De OESO breidt zijn onderwijsonderzoek gestaag uit (en niet iedereen is daar even blij mee)

De meeste mensen kennen PISA als het bekendste onderwijsonderzoek van de OESO, sommigen zullen de volwassen versie kennen PIAAC, en er is ook de bevraging van leerkrachten en directies, TALIS. De OESO doet nog verschillende andere onderzoeken en er zijn nu twee extra ‘lagen’ aangekondigd.

De eerste laag slaat op een verdieping bij TALIS waar men nu ook video-onderzoek wil toevoegen. Via analyses van klasobservaties wil men nog beter begrijpen wat in de klas gebeurt. Behalve dat men iets heel innovatief noemt, terwijl dergelijk onderzoek wel al langer bestaat, zou je hier niet veel op tegen kunnen hebben. Toch vermoed ik dat er hier ook kritiek kan en zal komen in de long run. De open brief die eerder al verscheen tegen PISA had het onder andere over de enorme invloed die de OESO heeft op het curriculum en indirect op de pedagogisch-didactische aanpak. Die opmerking kan je wellicht hier ook maken.

Over een tweede onderzoek is er nu al wat deining ontstaan. In het SSES-onderzoek wil men de ‘social and emotional skills’ van kinderen op 10 en 15 jaar monitoren:

Wat is de verwachte output?

  • a set of validated international instruments to measure social and emotional skills of school-aged children
  • a dataset with information on the level and spread of social and emotional skills of children at ages 10 and 15, obtained from multiple sources, and accompanied with a wide scope of background and contextual variables
  • an improved understanding amongst policy-makers, education leaders, teachers, parents and other stakeholders on the critical role of social and emotional skills and the types of policies and practices that support the development of these skills
  • an improved understanding of whole child development, specifically as it relates to the development of social and emotional skills of children and youth

In tijden waar gesproken wordt om holistisch naar een kind te kijken, lijkt dit logisch. Een blogpost die massaal gedeeld werd, gaat echter in tegen het onderzoek, onder andere omdat het sterk zou leunen op de Big Five-persoonlijkheidstheorie en andere theorieën zoals Grit of Growth mindset zou negeren. Ik neem die commentaar er even uit omdat ik hier de OESO wel begrijp en tegelijk zelf daardoor een andere kritiek wel deel. The Big Five is een van de weinige echt onderbouwde persoonlijkheidstheorieën, al zou je misschien nu beter de opvolger gebruiken. Grit en growth mindset zijn weliswaar populair, maar momenteel niet onomstreden en zeker niet van het niveau van The Big Five. Mijn kritische vraag is wel hoezeer iets nature of nurture is qua persoonlijkheid en waarom de OESO dit per se moet meten en instrumenteren en hoe ver de conclusies en aanbevelingen naar beleid dan zullen ingrijpen.

Zelf vind ik beide onderzoeken dus wel degelijk interessant qua data-verzameling en als aanvulling bij wetenschappelijk onderzoek, al heb ik vragen bij de mogelijke gevolgen.

Een handige gids tegen nepnieuws + kanttekeningen over zulke nadruk op ‘factiness’ (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Nepnieuws is in. Sommige politici maken zich er zorgen om, andere retweeten het ongegeneerd. Docenten willen hun leerlingen er tegen wapenen en journalisten doen hun best het kapot te checken. Voor die laatste twee groepen is er nu een handige gratis gids om misleidende en virale content, memes en trolacties te onderzoeken. De gids heet de Field Guide to ‘Fake News’ and Other Information Disorders en is gemaakt door Public Data Lab en First Draft.

Het handboek legt sterk de nadruk op de netwerken waarin nepnieuws circuleert. Lezers worden aangemoedigd niet alleen te kijken naar het waarheidsgehalte van de boodschap, maar vooral naar het belang van dit nepnieuws voor de verspreiders en hun volgers:

“[We urge investigators to consider items which are classified as fake news not only in terms of truth, falsity, and the extent to which they accurately depict states of affairs in the world, but also in terms of how they are shared, amongst whom, what they depend on, and the many varieties of value and significance that may be attributed to them by different publics” (p. 202).

Hoe geven verspreiders en volgers betekenis aan nepnieuws? Vinden ze het vooral grappig, resoneert het met andere betekenissen die ze al hebben? Welke infrastructuur en dynamiek gaat er schuil achter de verspreiding van nepnieuws?

De gids bestaat uit vijf hoofdstukken vol praktische tips, die zich richten op respectievelijk hotspots op Facebook, het algemene web, de ‘techno-commerciële’ bases van nepnieuwssites, politieke memes op Facebook en trolpraktijken op Twitter. De tips zijn georganiseerd als recepten: concrete stappenplannen die onderzoekers kunnen volgen. Het niveau is hoog en daarmee is de gids wellicht niet geschikt voor middelbare scholieren. De aard is serieus en de auteurs hebben protocollen opgesteld. Dat maakt de gids een must-read voor journalisten die zich bezighouden met factchecks en nepnieuws.

Heeft het zin?
Het boek is het resultaat van indrukwekkend werk op dit gebied. Zoals beschreven gaat het voorbij aan het simpelweg checken van nepnieuws. De gevraagde nauwkeurigheid en volledigheid betekent dat het voor de meeste journalisten veel te veel werk gaat zijn. Factchecking is veel makkelijker en lijkt op het eerste oog ook effectief te zijn.

Net voordat ik de Field Guide bekeek las ik een relevant stuk van techsocioloog Nathan Jurgenson over nieuwsconsumptie. Hij is kritisch op het idee dat het tot je nemen van meer informatie je ook beter geïnformeerd maakt. Tegenover Trump ‘truthiness’ (het negeren van feiten in de naam van een grotere waarheid) hebben Amerikaanse journalisten ‘factiness’ geplaatst:

“Factiness is the inverse of truthiness; it’s the taste for the aesthetic of “facts” — the elaborate and formal presentation of data — at the expense of missing larger truths. Factiness is at work in data visualizations and in the pretense of outcome predictions worked out to the tenth of a percentage point. …  Factiness is obsessing over the assembly of fact after fact while refusing to assess the basic truth of our political reality” (zp).

Door Trump steeds abnormaal te noemen (er wordt soms verwezen naar de upside-down uit Stranger Things), lijkt het alsof er een politieke realiteit buiten Trump bestaat die wél normaal is. Maar het hele politics-as-entertainment en de bigotry zijn niet nieuw, ze waren al de realiteit.

Trump is volgens Jurgenson een realityshow, een campagne die nooit stopt. Hij is geen trol maar volgt exact de regels van wat scoort in hedendaagse politieke verslaggeving: de sportverslaggeving met de nadruk op winnen, met de continue schandalen en het drama. Zelfs zijn zogenaamde ‘oorlog met de pers’ past hierin: het is rivaliteit die opgevoerd wordt voor de kijkcijfers.

Factiness geeft een gevoel van troost, een tegengif. Door nog meer nieuws te consumeren voel je je ‘in the know’. Maar omdat er zoveel nieuws is, neemt de waarde van ieder los stukje nieuws af:

“There is so much happening right now that really matters as I type this (and again as I edit it) that it feels wrong to not pay attention. It feels even worse knowing it won’t still be discussed in a month. Or a week. With more news, Constant News, the value of any individual piece of news shrinks. The disjunction between what matters today and what we’ll care about tomorrow creates a tension; it makes me doubt whether I should continue to watch. A central product of news coverage as it is generated today is the process of seeing information, any information, revealed, debated, and made irrelevant in time for a new topic to come along. Coverage that cares so deeply today and has moved on tomorrow posits a tragic contradiction: that everything matters profoundly but nothing matters at all” (np.)

Jurgensons punten zijn ook voor Nederlandse journalisten van belang. Zij spelen immers eveneens een dubbelrol: ze bieden een podium aan de tweets van Wilders en publiceren eindeloos veel portretten van Baudet en zijn collegae, om vervolgens daar kritisch op te zijn en afstand van te nemen. In dezelfde krant lees je factchecks van hun uitspraken. Het is allemaal onderdeel van dezelfde machine, die gedijt op spektakel zoals iedere andere vorm van amusement. De aandacht van de consument wordt gegrepen, maar de burger daarachter blijft ongeïnformeerd.

Is het M-decreet een pyrrusoverwinning voor inclusie?

Vandaag lekte in de kranten een vernietigend rapport over het M-decreet dat ondertussen 2,5 jaar ingevoerd is. Het rapport is behoorlijk vernietigend, al zijn er ook verzachtende omstandigheden omdat de bevraging gebeurde 6 weken ver in de invoering van de nieuwe ondersteuningsnetwerken. Een invoering die er kwam omdat er al veel mis bleek te gaan, maar die ook door late besluiten holder de bolder moest doorgevoerd worden.

Wat misschien weinig mensen over mij weten, is dat ik als student en bij het begin van mijn carrière aan de Arteveldehogeschool nauw betrokken was bij verschillende initiatieven rond inclusief onderwijs. De idee dat iedereen recht heeft op goed onderwijs, blijft voor mij een belangrijk uitgangspunt. De discussie kan wel gaan over wat dat goed onderwijs dan wel kan zijn.

Een ding lijkt nu vaak zeker: wat vele kinderen via het M-decreet vandaag krijgen, is niet per se synoniem met goed onderwijs. Ik zei het anderhalf jaar geleden al in beperkte kring en mijn vrees lijkt uit te komen: voor mensen die pro inclusief onderwijs zijn, lijkt het M-decreet meer en meer op een pyrrusoverwinning. De roep om weer meer buitengewoon onderwijs klinkt steeds luider in opiniestukken en open brieven. Er is minstens een partij waarvan politici hier openlijk al herhaaldelijk voor pleitten.

Laat het duidelijk zijn: de tijd dringt. Niet alleen voor alle kinderen, ouders, leerkrachten, ondersteuners én directies die vandaag geconfronteerd worden met moeilijke omstandigheden, maar ook voor iedereen die voor inclusief onderwijs wil gaan. En neem van mij aan, de kans dat de omstandigheden ook steeds moeilijker zullen worden door onder andere stijgende lerarentekorten is reëel.

Zullen we ouder worden binnenkort kunnen ‘genezen’?

Transhumanisme is een fascinerende tak van de wetenschap. Deze video legt 3 manieren uit waarop onderzoekers het verouderen van ons lichaam willen tackelen. De video is tegelijk een les met de nodige nuances, maar op het einde ook een pleidooi voor fondsen (wat het weer wat minder maakt).

Originele examenvraag: herken je docent en hoe heet hij of zij?

Een wel zeer aparte examenvraag zorgt voor nogal wat commotie op sociale media in China. Als reactie op de vele studenten die zelden of nooit naar de les komen, stelde men namelijk de volgende examenvraag.

Vrij vertaald: wie van de volgende personen is jullie lesgever en hoe heet hij of zij?
Wie de vraag niet correct kon beantwoorden, verloor 41 punten, zowat 30% van de totale score…
(bron)

Audio als nieuwe hype (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Radio is een hardnekkig medium. Ondanks de komst van cassettebandjes (waar je makkelijk je eigenlijk playlist op maakte) en cd’s bleven mensen naar de radio luisteren. Soms weet je gewoon niet in welke muziek je zin hebt en dan is het fijn om een radiostation voor jou te laten kiezen. Bovendien vinden veel mensen het prettig om naar pratende mensen te luisteren, of dat nou geinende dj’s zijn of serieuze journalisten en hun gasten. Technologie speelt ook een rol: in de auto luister je, en ondanks ontwikkelingen als cd-wisselaars bleef radio de makkelijkste audio voor in de auto.

Audio is volgens internetondernemer Alexander Klöpping “op dit moment Heel Erg Hot”. Hij schrijft dat ter aankondiging van Blendle Audio, een dienst waar je naar voorgelezen nieuwsberichten kunt luisteren. Klöpping noemt drie redenen, waarvan er een verbonden is aan de luisterpraktijk in de auto:

“Steeds meer auto’s hebben Apple CarPlay of Android Auto. Die software maakt het normaler om in de auto zelf zelf muziek of podcasts te kiezen, in plaats van naar lineaire radio te luisteren.”

Daarnaast voorspelt Klöpping dat steeds meer mensen thuis slimme speakers (zoals Alexa van Amazon) zullen hebben. Ook dat maakt het luisteren naar audio-on-demand makkelijker. De laatste reden dat audio zo hot is, is de opmars van podcasts. Klöpping stelt (zonder bron) dat vijftien procent van de Amerikanen wekelijks naar een podcast luistert.

Radiozenders moeten de komst van CarPlay en Android Audio niet te onderschatten. Internet in de auto bedreigt het ouderwetse lineaire luisteren. De trend die bij televisie is ingezet, zal zich hierdoor ook bij radio gaan voordoen. Net zoals het fijner is om een serie via Netflix te kijken wanneer jij dat wilt, is het fijner om een podcast naar keuze te luisteren dan om afhankelijk te zijn van wie radiomakers in de studio hebben. Bovendien gaan podcasts echt de diepte in en word je niet gestoord door een muziekje omdat een zendermanager dat zo bedacht heeft.

Overigens zal deze ontwikkeling tamelijk langzaam gaan, omdat veel mensen in oude auto’s rijden waarin dit nog niet ingebouwd is. Live radio zal ook niet helemaal verdwijnen, net zoals dat er behoefte blijft aan live televisie. Sportwedstrijden en nieuws werken niet on-demand. Televisieproducenten maken ook gebruik van liveness om kijkers lineair aan zich te blijven binden, denk aan programma’s als The Voice. De nadruk op actualiteit is een sterk pluspunt van lineaire radio.

BNR heeft de ontwikkelingen goed in het vizier. De nieuwszender heeft een eigen Expert Podcast Netwerk waarmee ze bestaande, onafhankelijke podcasts aanbieden aan hun luisteraars. Onder Mediadoctoren is daar een van. Ook bij de publieke zenders willen ze de podcastboot niet missen: verschillende radioprogramma’s zijn via iTunes terug te luisteren. Dat wordt nu echter vooral nog als extra dienst gezien, in plaats van als de toekomst.

Schijnargumenten en Drogredeneringen

Blogcollectief Onderzoek Onderwijs

Er zijn veel schijnargumenten/drogredeneringen [EN: logical fallacies] die gebruikt worden om een discussie te vertroebelen en feiten tegen te werken. Hieronder vindt de lezer een mooie afbeelding van twintig daarvan:

Neem “anecdotal” [anekdotisch]. Anekdotisch ‘bewijs’ is gebaseerd op een enkel voorval van iets dat soms/vaak door de persoon zelf ervaren. Het maakt, bijvoorbeeld, niet uit hoe vaak er empirisch wetenschappelijk bewezen is dat leerstijlen pure onzin zijn, het standaardantwoord van sommige ouders en docenten (die beter moeten weten): “…maar bij mijn kind / bij die en die leerling werken beelden veel beter dan woorden”.

Een andere vaak gebruikte drogredenering is de ‘strawman’ [stropopredenering / een stroman is een vogelverschrikker] waarbij men niet het werkelijke standpunt van de tegenstander weerlegt maar een (karikaturale) variant daarvan. Koploper hier is het wegzetten van directe instructie als uitsluitend klassikaal frontaal onderwijs (waarbij de leerkracht praat en de leerling slechts luistert).

En laten wij de…

View original post 391 woorden meer

Aanleg voor wetenschap belangrijker dan geloof voor jongeren om evolutietheorie te accepteren

Een nieuwe studie bij 1200 Britse jongeren tussen 14 en 16 jaar in 70 klassen toont een opvallende correlatie. Waar je zou denken dat al dan niet geloven de belangrijkste factor is om de evolutietheorie te accepteren (iets wat bij Amerikaanse volwassenen eerder bleek), blijkt de aanleg voor wetenschap een veel belangrijkere rol te spelen dan welke mate de jongere al dan niet gelooft.

De onderzoekers stellen dat de Britse jongeren in hun steekproef die de evolutietheorie niet omarmden, dit meestal niet deden omdat deze theorie tegen hun geloof ingaat, maar wel omdat ze moeite hadden met de basisideeën.

Abstract van het onderzoek:

It is considered a myth that non-acceptance of scientific consensus on emotive topics is owing to difficulties processing scientific information and is, instead, owing to belief-associated psychological conflicts, the strongest non-acceptors being highly educated. It has been unclear whether these results from adults explain variation in response to school-level teaching. We studied a cohort of UK secondary school students (aged 14–16) and assessed their acceptance and understanding of evolution. In addition, to address their aptitude for science we assessed their understanding of genetics and their teacher-derived assessment of science aptitude. As both models predict, students with low initial evolution acceptance scores showed lower increases in the understanding of evolution. Contrary to conventional wisdom, this effect is better explained by lack of aptitude: before teaching, students with low acceptance had lower understanding of both evolution and of genetics; the low-acceptance students sat disproportionately in the foundation (rather than higher) science classes; low-acceptance students showed lower increments in the understanding of genetics; and student gain in the understanding of evolution correlated positively with gain in the understanding of genetics. We find no evidence either for a role for psychological conflict in determining response to teaching or that strong rejectors are more commonly of a higher ability. From qualitative data we hypothesize that religious students can avoid psychological conflict by adopting a compatibilist attitude. We conclude that there are students recalcitrant to the teaching of science (as currently taught) and that these students are more likely to not accept the scientific consensus. Optimizing methods to teach recalcitrant students is an important avenue for research.

Nieuw onderzoek naar hoe onze persoonlijkheid verandert doorheen de tijd

Liggen onze persoonlijkheidstrekken vast of niet? Of beter: kan je je partner ooit veranderen of niet? Het is het onderwerp van een nieuwe studie waarbij data gebruikt werd van meer dan 50000 Amerikaanse en Europese respondenten die men kreeg door data van 14 onderzoeken te combineren. Hierbij keek men na hoe de typische big five-persoonlijkheidstrekken evolueerden. Wat bleek? Meestal zie je vergelijkbare patronen.

BPS Digest vat het als volgt samen:

Combining data from all the studies showed that four of the five main personality traits showed statistically significant change, on average, through life, thus contradicting William James’ famous assertion that personality is set like plaster after age 30. The exception was trait Agreeableness (related to warmth and empathy), but actually this trait was found to change in each individual study, but in different directions for different studies (sometimes increasing through life, sometimes diminishing), such that it appeared stable when considered in aggregate.

Putting Agreeableness aside, the overall pattern was for the other traits to decline across the lifespan by about 1-2 per cent per decade, such that participants became, on average, more emotionally stable (save for an uptick in Neuroticism at the very end of life), but generally less outgoing, less open-minded, and less orderly and self-disciplined. This is somewhat consistent with the previously described Dolce Vita (literally “sweet life”) effect, which describes how we change in late life in response to having fewer responsibilities.

Maar er vallen nog een paar dingen op:

  • Er zijn de nodige individuele verschillen.
  • Er zouden regionale verschillen bestaan.

Dit is een zeer interessante nieuwe analyse, maar er zijn de nodige beperkingen én de studie levert nieuwe vragen op (bijvoorbeeld hoe het komt dat een individu van de algemene tendensen afwijkt).

Abstract van het onderzoek (nog in preprint):

This study assessed change in the Big Five personality traits. We conducted a coordinated integrative data analysis (IDA) using data from 14 studies including 47,190 respondents to examine trajectories of change in the traits of neuroticism, extraversion, openness, conscientiousness, and agreeableness. Coordinating models across multiple study sites, we fit nearly identical multi-level linear growth curve models to assess and compare the extent of trait change over time. Quadratic change was assessed in 8 studies with four or more measurement occasions. Across studies, the linear trajectory models revealed stability for agreeableness and decreases for the other four five traits. The non-linear trajectories suggest a U-shaped curve for neuroticism, and an inverted-U for extraversion. Meta-analytic summaries indicate that the fixed effects are heterogeneous, and that the variability in traits is partially explained by baseline age and country of origin. We conclude from our study that neuroticism, extraversion, conscientiousness, and openness go down over time, while agreeableness remains relatively stable.