Wat je best zegt als je een startende leerkracht of een student in een lerarenopleiding ziet…

De media gaan stilaan in onderwijsmodus in Vlaanderen en draaien al op volle toeren in Nederland. Ik wou een stukje schrijven hoe ik me erger hoe er weer af en toe over leerkrachten gesproken wordt, soms onderhuids soms openlijk. Ik erger me omdat ik dan zie hoe de volgende dag het moreel bij mijn studenten weer een pak is gedaald. En ondertussen dalen de cijfers in de opleiding gestaag, terwijl een lerarentekort een meer dan reële dreiging is.

Maar ik wil positief zijn, en dus deze tekst als alternatief: wat je best zegt als je een startende leerkracht of student in een lerarenopleiding ontmoet:

Bedankt dat je dit doet, we hebben je nodig.

En als je wat meer tijd hebt? Dan mag je gerust dit ook zeggen:

Ik weet dat je soms vragen krijgt of je niks beter kon vinden,
terwijl het een van de mooiste beroepen is die er bestaat:
kinderen oppikken in hun wereld en dan die wereld openbreken.
Ik ben jaloers dat jij het wonder van het schrijven van een eerste woord mag zien,
of letterlijk op het gezicht van een kind mag zien hoe het plots een inzicht krijgt.

Ik weet dat mensen over vakantie zullen beginnen,
terwijl je gewoon je overuren opneemt.

Ik weet dat mensen zullen zeggen dat het een tweede of derde keuze voor je was
(wat meestal niet zo is, trouwens),
maar elke goede leerkracht is welkom.

Bedankt dat je onze kinderen zult troosten, helpen én terechtwijzen.

Ik zal als ouder kritisch zijn, maar niet blind de kant van mijn kind kiezen,
horen wat je zegt en gemaakte keuzes proberen te begrijpen,
en samen komen we er dan wel uit.

Bedankt dat jij het wil doen. Ga ervoor!

Ik wou dat meer mensen deze keuze maakten.

En voor iedereen die iets dergelijks van mij of mijn collega-lerarenopleiders wil horen, je kan je nog inschrijven voor de lerarenopleiding. Weet dat we de lat hoog leggen voor we je op kinderen loslaten, maar je zou zelf niet minder willen als leerkracht.

Beste studenten, tot in september!

De evolutie van een wetenschappelijk artikel: timelapse-video toont de 463 versies

Schrijven, herschrijven, commentaren verwerken, verder aanpassen. Het hoort bij het werk van een wetenschapper en Tim Weninger wou dit aantonen aan de hand van een korte video waarin hij alle 463 versies van het zelfde artikel naast elkaar geplaatst heeft in 1 timelapse-video. Je ziet eerst het artikel groeien en dan de constante stroom aan tweaks en herzieningen.

Tablets zijn ‘out’ bij jongeren, wat betekent dit voor onderwijs?

Gisteren bleek uit een artikel uit de Tijd dat volgens onderzoek van Google en TNS dat de populariteit van tablets bij jongeren spectaculair is afgenomen. De smartphone wint zelfs nog terrein, is persoonlijker dan de iPad of andere toestellen.

Wat kan dit betekenen voor onderwijs, waar bijvoorbeeld in de VS Chromebooks en andere laptops terug veld winnen tegenover tablets?

In eerste instantie helemaal niks. Het is niet dat het toestel nu opeens een pak minder kan daarvoor. Of technologie populair is of niet, zegt niets over potentiële meerwaarde of niet. Je zou nu hier een groot stuk kunnen verwachten waarom we tablets nu moeten bannen, maar dat is even fout als zeggen dat we tablets moeten invoeren omdat ze populair zijn. Dus alle scholen die nu inzetten op tablets en waar het goed gaat: keep calm and carry on.

Maar het is belangrijk te beseffen dat in tweede instantie deze cijfers bevestigen dat populariteit van een bepaalde technologie de slechtst mogelijke reden is om deze technologie in onderwijs in te voeren.

Het is handig dit in het achterhoofd te houden de komende jaren als het gaat over virtual of augmented reality of welke andere technologie er aan komt. De meerwaarde voor leren is cruciaal, niet het nieuwe of het hippe.

 

Persbericht NRO: Goed onderwijs vraagt om meer afstemming en verbinding tussen betrokkenen

Een persbericht en nieuw rapport van het NRO:

Er bestaan veel verschillende opvattingen over onderwijskwaliteit onder betrokkenen – van overheid, schoolbesturen en schoolleiders tot leraren en ouders. Dat is de kracht van ons onderwijsbestel. Om die variëteit meer recht te doen en tegelijk een zekere mate van overeenstemming te bereiken over wat onderwijskwaliteit zou moeten zijn, pleiten onderzoekers voor meer verbinding en afstemming tussen betrokkenen. Zij noemen dat alignment.

Alignment in het primair onderwijs vindt plaats op drie verschillende niveaus: op beleidsniveau (de overheid, Inspectie, PO-raad et cetera), op bestuursniveau (schoolbestuur, schoolleider, educatieve uitgeverijen, OR) en op lesniveau (leraren, de schoolleider, de klas, ouders). Dat staat in het rapport Autonomie in onafhankelijkheid dat drie eerdere onderzoeken samenbrengt van het NRO-onderzoeksproject Ongemak van Autonomie: Sturen van onderwijskwaliteit in het primair onderwijs.

Professionele gemeenschappen

Elk van die niveaus is relevant voor het realiseren van goed onderwijs. Binnen die niveaus bestaan er al netwerken die in relatie tot elkaar staan. De onderzoekers gaan echter verder in hun aanbeveling: “De professionele gemeenschappen die wij bepleiten zijn niet alleen een versterking van de capaciteit binnen het eigen niveau of binnen de eigen kring. Maar ze gaan ook nadrukkelijk om de koppeling tussen die verschillende niveaus en kringen.”

Figuur 1: Alignment van krachten (partijen) rond onderwijskwaliteit. Het midden, ‘onderwijskwaliteit’ moet open blijven en gevuld worden met ideeën uit de gesprekken tussen partijen. Het is expliciet niet de bedoeling dat enkele partijen (bijvoorbeeld de overheid of Onderwijsinspectie) de overhand krijgen en het midden ‘innemen’.
Figuur 1: Alignment van krachten (partijen) rond onderwijskwaliteit. Het midden, ‘onderwijskwaliteit’ moet open blijven en gevuld worden met ideeën uit de gesprekken tussen partijen. Het is expliciet niet de bedoeling dat enkele partijen (bijvoorbeeld de overheid of Onderwijsinspectie) de overhand krijgen en het midden ‘innemen’.

 

Gedeelde ideeën

Alignment kan op allerlei manieren plaatsvinden: door bepaalde gespreksvormen te organiseren, gedeelde ideeën of beelden te ontwikkelen, contacten te leggen et cetera.

Om die verbinding en afstemming te bereiken moeten de verschillende partijen dus met elkaar in contact komen en in gesprek gaan. Het is alleen de vraag wie daarvoor het initiatief moet nemen. Daarvoor wordt er al snel gewezen naar de overheid.

Handelingsvrijheid

Uit het deelonderzoek naar de sturing van onderwijskwaliteit bleek al dat de invulling die de overheid geeft aan onderwijskwaliteit dominant is. En dat er sprake is van een zekere mate van ‘systeemconformisme’; het onderwijsveld vindt het ook wel prettig als er heldere eisen zijn waaraan ze moeten voldoen, die geven houvast.

Daarnaast spelen educatieve uitgeverijen hierin een belangrijke rol, met hun kant-en-klare methoden die het onderwijsveld maar al te graag gebruikt. Er is zo weinig ruimte voor de invloed van anderen. Binnen het bestaande systeem hebben scholen en leraren echter meer handelingsvrijheid dan ze denken. En sommigen benutten die ook; maar dat zijn uitzonderingen.

Eigenaarschap

Het resultaat is dat onderwijskwaliteit nu sterk is gereduceerd tot een afrekenbare ‘beleidstarget’. Dat leidt niet tot eigenaarschap, maar tot een gevoel van directieve aansturing. “Toch zouden alle betrokkenen zich mede-eigenaar moeten voelen van het gesprek over onderwijskwaliteit, en het initiatief kunnen nemen tot dat gesprek”, zegt onderzoeker Martijn van der Steen. Ook leraren, die zich tot nu toe maar beperkt mengen in de discussie, zoals bleek uit het deelonderzoek naar professioneel vermogen. “Binnen de school is het bijvoorbeeld goed om periodiek met elkaar te praten over onderwijskwaliteit. Dat kan vanuit de schoolleiding komen, maar net zo goed vanuit de leraren.”

“Dit vraagt om investering in professioneel kapitaal in het onderwijsveld zelf: het benutten van de beschikbare ruimte om zelf, binnen scholengemeenschappen, tot eigen opvattingen over onderwijskwaliteit te komen en daarbij horende strategieën om dat in de praktijk te brengen”, aldus de onderzoekers in het rapport.

Dit onderzoek werd gefinancierd door de ProBO (voorheen BOPO), de beleidsgerichte programmaraad van het NRO.

Meer informatie:

  • Bekijk het integratierapport (online pdf) van het NRO-onderzoeksproject ‘Ongemak van Autonomie: Sturen van onderwijskwaliteit in het primair onderwijs’.
  • Meer informatie is in te winnen via Ilsa de Jong: jong@nsob.nl

Hoe evolueerden jongeren tussen 2005 en 2014 in Engeland? Ze werden meer ernstig.

Onderzoekers van het onderwijsdepartement van Engeland vergeleken data van 14-jarigen in 2005 en 2014 met elkaar bij een steekproef van 30,000 mensen in 13,000 gezinnen.

En men heeft enkele opvallende evoluties vastgesteld. De jongeren vandaag lijken meer ernstig, en dit vertaalt zich in meer verantwoordelijk gedrag. Ze zijn meer bezig met hun toekomst, willen vaker verder studeren en vertonen tegelijkertijd minder risicogedrag, roken minder, enz.

Maar er is ook ander nieuws, vooral de tienermeisjes vertonen meer “psychological stress” waarbij kinderen uit rijkere milieus hier gemiddeld meer last van bleken te hebben. Verder namen de problemen toe voor kinderen die opgroeien in eenoudergezinnen.

De onderzoekers zien in de cijfers een weerspiegeling van het economisch klimaat.

Lees meer hier bij de BBC.

Het geheim achter goede vriendschappen? “Interconnected memories”

Gedeelde herinneringen, herinneringen die in elkaar haken, zou volgens onderzoekers wel eens een geheim achter sterke vriendschappen zijn. Nicole Iannone en haar collega’s vonden in hun onderzoek dat studenten en online respondenten die het item “my best friend and I can remind each other of things we know,” hoog scoorden, vaker vriendschappen hadden die langer duurden, beter waren van kwaliteit en waarbij de vrienden elkaar meer vertrouwden. Geslacht speelde hierin geen rol over hoe goed de gedeelde herinneringen waren. Tegelijkertijd bleken vriendschappen tussen mensen van gelijk geslacht meer overlap qua gelijkaardige thema’s in herinneringen  te hebben (bijvoorbeeld samen meer weten over films), terwijl gemengde vriendschappen elkaar meer kunnen aanvullen qua thema’s.

Eerlijk? Ik denk dat dit laatste inzicht misschien het meer interessante deel is van het onderzoek. Het eerste deel over gedeelde herinneringen lijkt me een potentiële cirkelredenering. Terwijl het tweede deel een cruciale tip geeft voor iedereen die wil meedoen aan een quiz: ga voor een gemengde vriendenteam.

Abstract van het onderzoek:

Transactive memory is a system for encoding, storing, and retrieving information between people, where each person has knowledge of the other’s memory. Through two studies, we assessed whether transactive memory occurs in best friendships (N = 682). Results showed that transactive memory systems (TMSs) do exist in best friendships. Importantly, stronger TMSs are associated with higher friendship quality (satisfaction and commitment), and their strength is related to different friendship characteristics (e.g., trust). A novel method for assessing TMS structure was developed. Mixed-gender friendships were associated with more differentiated structures (different knowledge), and friendships higher in inclusion of other in the self were associated with more integrated structures (similar knowledge). These studies have implications for the quality and operation of friendships.

Een alternatief huiswerkbeleid

Zag deze al een paar keer passeren bij mijn Britse tweeps in mijn tijdlijn en het zou nu effectief echt blijken:

Nu, het verhaal voor of tegen huiswerk is niet zo eenvoudig, maar het effect van de andere ‘huistaken’ kloppen wel, imho. Al zijn die voor veel gezinnen ook niet evident!

Mooi overzicht van 5 leer- en kennistheorieën

Ik voeg zelf kennistheorieën toe omdat bijvoorbeeld het connectivisme veel vertelt over kennis- en kennisdeling maar op vlak van leren weinig effectief meegeeft.

De tijdlijn met namen kan ook wel voor wat verwarring zorgen, Vygotsky en Piaget zijn een inspiratie voor constructivisme, maar kunnen evengoed bij het cognitivisme staan. En oja, er zijn nog veel meer theorieën en personen (om maar de recent overleden Papert en het constructionisme te noemen)

Update na enkele commentaren: zelf vind ik niet dat er een rangorde zit tussen deze theorieën, maar het plaatje kan wel geïnterpreteerd worden als de ene is minder goed dan de voorgaande. Er zijn veel argumenten te vinden om dit zeker zo niet te zien, waaronder mijn eerste opmerking dat de laatste theorieën weinig met leren te maken hebben.

leertheorieen

Even over meerkeuze-examens

Vandaag komt de KU Leuven in het nieuws met een nieuwe vorm van meerkeuze-examens. Dat men de stress wil aanpakken van de studenten bij een dergelijke vorm van examen, is mooi. Door het gokken aan te pakken wil men wellicht ook het verschil aanpakken dat meerkeuzevragen hebben op meisjes en jongens.

Maar er zijn ook een paar andere bedenkingen te maken. Ik zie twee belangrijke redenen waarom multipele choice-examens populair geworden zijn:

  • Meerkeuze-examens lijken meer objectief, maar het verschil tussen jongens en meisjes lijken hier alvast vraagtekens bij te plaatsen.
  • Dergelijke examens zijn praktischer en goedkoper.

Er kruipt een pak tijd in het opstellen van dergelijke meerkeuzevragen, het grote werk zit vooraf, maar het verbeteren kan met technologie razendsnel gaan. Zeker als je les geeft aan gigantische groepen, zoals we nu gewoon zijn geworden in het hoger onderwijs, kan dit een oplossing bieden. Sommige vakken geef ik zelf aan 400 studenten, reken zelf maar uit wat dit betekent voor manueel verbeterwerk versus de examens op een multifunctional leggen en de resultaten een kwartiertje later in een spreadsheet zien verschijnen.

Een mooi extra voordeel is dat we ook de kwaliteit van de vragen daarna makkelijker kunnen meten en zo een pool van goede examenvragen kunnen samenstellen die eventueel kunnen hergebruikt worden.

Maar…  er is nog een probleem. Dit onderzoek uit 2003 van Clark en Linn toont het belang van contactonderwijs voor begrip – wat door besparingen afgebouwd wordt – maar toont ook hoe de achteruitgang van begrip niet vastgesteld wordt door meerkeuzevragen in tegenstelling tot open vragen. De verklaring kan je een stuk bij Hattie en Yates (2013) vinden: het is makkelijker te herkennen (wat je bij meerkeuzevragen hebt) dan zelf iets te construeren (wat je bij open vragen moet doen). De ironie lijkt dus dat 2 besparingsmaatregelen elkaars effect zouden kunnen verbergen.

Het is cruciaal dat er verschillende vormen van evaluatie naast elkaar blijven bestaan, ook meerkeuze, maar ook open vragen, observaties, enz.

Maar dat wist De Ideale Wereld ook al: