Nieuw OESO-rapport over onderwijs aan de jongste kinderen: starting strong

Ik kondigde het deze ochtend al aan in deze post, er is net een nieuw OESO-rapport gepubliceerd. Het is (nog) geen PISA-onderzoek voor kleuters, maar meer over de randvoorwaarden die er momenteel bestaan zoals investeringen in voorschoolse opvang en kleuteronderwijs. Je kan onder andere zien hoe Vlaamse en Nederlandse kleuterjuffen relatief grotere klasgroepen hebben dan collega’s in verschillende andere landen.

De OESO doet opvallend naar het einde van de presentatie weer enkele aanbevelingen die ik grotendeels kan begrijpen op basis van het rapport maar waarbij ik me bij eentje wel afvraag hoe men tot deze uitspraak komt.

Het weinige wat we weten over effectief kleuteronderwijs is best schokkend

Vandaag publiceert de OESO een eerste groot onderzoek naar kleuteronderwijs in de deelnemende landen. Dit Amerikaanse onderzoek is alvast zeer interessante lectuur. Johan De Wilde vat het rapport samen en bespreekt het meest opvallende inzicht.

Kleutergewijs

Een globale benadering op kleuteronderwijs dat een breed gamma aan leerdoelen vooropstelt en actief leren vanuit het kind propageert, lijkt de verschillen tussen SES-kinderen en andere kinderen eerder te vergroten dan te verkleinen. Dat is een van de markantste conclusies van een team van Amerikaanse onderzoekers dat een overzicht heeft gepresenteerd van wat we weten over effectief onderwijs, onderwijs dat kleuters veel doet leren. Je kan hun rapport gratis downloaden en erin grasduinen. Het is voer voor meer blogberichten, maar met deze kluif ga ik alvast aan de haal.

Ons brede curriculum drukt ons mensbeeld uit en daarmee basta

Doelen bepalen is een normatieve kwestie. Politici steken niet alleen geld in wat ze belangrijk vinden, ze bepalen ook wat het verdient als ontwikkelingsdoel nagestreefd te worden en wat niet. Voor kleuters vinden zij dat een brede ontwikkeling wenselijk is, een ontwikkeling die verder kijkt dan taal en wiskunde, maar ook…

View original post 1.059 woorden meer

Bijna niet te geloven: hoe een schrijfoefening van 15 minuten levens van jongeren kan veranderen

Ongeveer al mijn belletjes beginnen te rinkelen als ik hoor dat een schrijfoefening in de eerste jaren van het middelbaar onderwijs niet enkel dan voor betere leerresultaten zorgt, maar zelfs een blijvende impact heeft die jaren later nog terug te vinden is.

Toch zou het verhaal kloppen en de schrijfoefening is er niet zomaar eentje. J. Parker Goyer en Geoffrey Cohen organiseerden al jaren geleden 2 RCT (randomized controlled trials), waarbij willekeurig jongeren uit minderheidsgroepen geselecteerd werden om deel te nemen aan een experiment waarbij ze gevraagd werden om een reeks van schrijfoefeningen te doen. De controlegroepen kregen een neutrale schrijfoefening, de anderen kregen een lijst van waarden zoals integriteit, creativiteit, culturele identiteit, familieband,… en werden gevraagd om over de twee of drie waarden te schrijven die zij het belangrijkste vonden voor hun eigen identiteit. Gedurende de loop van het jaar herhaalden de leerlingen in de waardengroep deze schrijfoefening twee tot vijf keer.

Nu hebben ze jaren later 500 van de deelnemers van beide experimenten terug gecontacteerd en wat blijkt? Latino studenten die de oefening deden aan het begin van het secundair onderwijs, hadden 5 keer meer kans om in meer uitdagende richting te zitten in het derde jaar van middelbaar onderwijs. Zwarte studenten die deelnamen aan het onderzoek – en die langer gevolgd werden in het onderzoek – gingen significant vaker verder studeren en vaker aan meer selectieve instellingen (in de VS studeer je niet zomaar waar je wil) in vergelijking met jongeren die niet de schrijfoefening deden.

Ook opvallend: de oefening had geen blijvend effect op blanke leerlingen.

De redenering achter de schrijfopdracht is dat de stap naar het middelbaar onderwijs een moment is die erg vormend kan zijn voor het verdere leven van de jongere. Door de jongeren op dat moment deze gerichte schrijfoefening te geven, kon een stuk de onzekerheid van deze periode doorbroken worden én tegelijk bepaalde positieve kenmerken van de eigen identiteit in de verf gezet worden.

Dit onderzoek smeekt om replicatie in verschillende regio’s. Niet omdat ik niet in de resultaten geloof – het onderzoek lijkt me echt prima uitgevoerd – maar wel om eerst en vooral te kijken of het overal even goed werkt. En als dat het geval is, heb ik misschien een ideetje om in te voeren bij het begin van het schooljaar in het middelbaar onderwijs…

Abstract van het longitudinale deel van het onderzoek:

Small but timely experiences can have long-term benefits when their psychological effects interact with institutional processes. In a follow-up of two randomized field experiments, a brief values affirmation intervention designed to buffer minority middle schoolers against the threat of negative stereotypes had long-term benefits on college-relevant outcomes. In study 1, conducted in the Mountain West, the intervention increased Latino Americans’ probability of entering a college readiness track rather than a remedial one near the transition to high school 2 y later. In study 2, conducted in the Northeast, the intervention increased African Americans’ probability of college enrollment 7–9 y later. Among those who enrolled in college, affirmed African Americans attended relatively more selective colleges. Lifting a psychological barrier at a key transition can facilitate students’ access to positive institutional channels, giving rise to accumulative benefits.

Enkele extra bronnen over het onderzoek:

Persbericht NRO: Kennis over werkplekleren is nog te beperkt

Duaal leren en werkplekleren zijn belangrijke thema’s, ook in Vlaanderen. Deze studie en dit persbericht waarschuwt voor de beperkte kennis die we hier tot nu toe over hebben.

We weten nog te weinig over de organisatie van werkplekleren in vmbo, mbo en hbo. Dat stelt het Kenniscentrum Kwaliteit van Leren van de HAN na een systematische analyse van zo’n 4.000 onderzoekartikelen uit de periode 2005-2015. “Binnen mbo-opleidingen beslaat werkplekleren zo’n 40 tot 60 procent van het curriculum”, zegt lector Loek Nieuwenhuis. “In het hbo verschilt het per opleiding. Het is raar dat we hier zo weinig van weten, terwijl we bijvoorbeeld wel van alles weten over differentiëren in de klas.”

Studenten zien hun stageperiode vaak als ‘werken’, niet als ‘leren’. Ze zien er naar uit, maar zijn vaak nog te ontevreden over dit deel van hun opleiding. Veelgehoorde geluiden zijn dat werkplekleren te veel afhangt van de individuele begeleiders. Ook ontbreekt soms een goede afstemming tussen school en werkplek.  “Ik denk aan een secretaresseopleiding waarin studenten op vrijdag stage liepen”, zegt onderzoeker Derk-Jan Nijman. “Maar juist op vrijdag waren veel collega’s en begeleiders vrij en waren er weinig uitdagende taken te doen.”

Tegenvallende literatuur

Om te kijken welke wetenschappelijke kennis nu eigenlijk beschikbaar is over de pedagogisch-didactische vormgeving van werkplekleren in vmbo, mbo en hbo, voerden de onderzoekers een systematische review uit. De relevante onderzoeken vonden vaak plaats binnen één opleidingscontext. Dat was in eerste instantie een teleurstelling. Onderzoekster Aimée Hoeve: “Omdat de onderzoeken beschrijvend waren en aan één context gebonden, was het lastig vergelijken. Het leverde een zeer gefragmenteerd beeld van werkplekleren op.”

Wat we wel weten over werkplekleren

Op basis van de systematische analyse zijn ontwerpregels gedestilleerd voor de organisatie en inrichting van werkplekleren. Deze regels betreffen de drie doelen van werkplekleren: de acquisitie van de benodigde kennis en kunde, het participeren in de beroepsgroep, en de oriëntatie op het uiteindelijke beroep door de leerling of student. Opvallend is dat het weinige onderzoek dat beschikbaar is zich focust op de acquisitie van kennis en kunde. Kenniscentrum Kwaliteit van Leren werkt aan een handzame vorm van de ontwerpregels voor vmbo-, mbo- en hbo-docenten die concreet met werkplekleren aan de slag willen.

Over werkplekleren

Werkplekleren is meer dan alleen de stage, maar betreft het aanleren van specifieke kennis en vaardigheden rondom een bepaald beroep in de werkcontext. Daar gaat een stage natuurlijk ook over. Maar werkplekleren omvat ook leren participeren in de beroepsgroep, omdat je de taal leert spreken en de cultuur leert begrijpen. En ten slotte is een uitdrukkelijk doel van werkplekleren de oriëntatie op het toekomstige beroep.

Zie voor meer uitleg over werkplekleren de Canon van ECBO.

Nieuwenhuis, L., Hoeve, A., Nijman, D-J. & Van Vlokhoven, H. (2017), Pedagogisch-didactische vormgeving van werkplekleren in het initieel beroepsonderwijs: een internationale reviewstudie. HAN, Kenniscentrum Kwaliteit van Leren, Nijmegen.

Dit literatuuronderzoek (Pedagogisch-didactische aspecten van werkplekleren in het beroepsonderwijs) werd verricht met subsidie van het NRO.

Hypes in het kleuteronderwijs en wat ermee aan te vangen

Kleutergewijs

Verteltassen, mindfulness, en busy bags

Hebben jullie de afgelopen tien jaar al eens overwogen om verteltassen in te voeren op school? Allicht, ze zijn immers al lang aan een opmars bezig. Na deze hype kwamen er andere: mindfulness voor kleuters, busy bags voor wachtmomenten in de kring, en vers van de pers de pedagogie van C. Alvarez. Telkens gaat het om bevlogen leerkrachten, die reageren op de noden van hun kleuters en met hun enthousiasme anderen aansteken.

Er nadert een lange zomertijd om je te bezinnen. Of het nu gaat om een hype of een origineel project, ik daag je uit om jouw volgende innovatie te beoordelen met onderstaande vragen (geïnspireerd op Willingham, 2016)!

Is jouw innovatie een medicijn of een wonderpil?

Sommige innovaties worden voorgesteld als medicijnen: ze komen tegemoet aan één of enkele welomschreven noden in het onderwijs. Ze werken daarvoor en voor niets anders: bijvoorbeeld, levende…

View original post 1.169 woorden meer

Interessante OESO-presentatie: wat kan je leren uit internationale vergelijkingen voor het vormen van leraren

Eerlijk, er zijn verschillende zaken te bedenken bij deze presentatie. Onder andere hoe correlationeel onderzoek (wat PISA is) hier soms wel heel erg causaal wordt gebracht. Of hoe sommige inzichten ook al lang bekend waren zonder internationale vergelijkingen (denk aan belang relatie leerkracht- leerling). Ik zie de presentatie vooral als een interessant vertrekpunt voor verschillende discussies bij het nadenken over de lerarenopleiding, waarbij je als je dieper wil ingaan op die discussies natuurlijk nog veel meer bronnen nodig hebt.

Hoe mijn studenten me deze week verbaasden, levert me enkel vragen op.

Sorry voor de clickbait-achtige titel, maar ik loop al sinds midden deze week op deze blogpost te knoeien.

De achtergrond.

Donderdag gaf ik mijn laatste lessen aan in totaal 120 studenten die binnenkort afzwaaien als leerkracht. Die sessies zijn altijd zeer fijn om te doen. De studenten hebben net hun bachelorproef ingediend, de grote stage is achter de rug, er zijn geen examens meer. De meeste zijn al aan het solliciteren of aan het denken wat ze volgend jaar gaan studeren.

Mijn twee sessies bestonden uit 2 delen. Eerst beschrijf ik verschillende belangrijke tendensen in onderwijs en probeer ik samen met de studenten de komende jaren in te schatten. Het tweede deel is een soort van AMA, ask me anything over onderwijs. Omdat ik verre van alwetend ben, moeten de studenten hun vragen op voorhand insturen. Daar ging het deze week mis.

Mis?

Voor alle duidelijkheid: de studenten namen het insturen van vragen zeer serieus. Sommige van de thema’s lagen erg voor de hand. Dat de studenten zich zorgen maken over het M-decreet of nog steeds de hervorming van het secundair onderwijs onduidelijk vinden, toont dat ze al goed geïntegreerd zijn in het werkveld waar zowat dezelfde thema’s spelen. Maar er was een derde categorie van vragen die ik niet had verwacht. 1 op 5 studenten vroeg me een variant op de vraag of ze binnenkort nog nodig zullen zijn.

In tijden van duidelijke lerarentekorten – die wel inhoudelijk en regionaal kunnen verschillen – leek deze vraag compleet van de pot gerukt, maar deze schrik heeft met één welbepaald ding te maken: ze vrezen dat onderwijs misschien verdwijnt of toch volledig digitaal zal gaan en ze zo overbodig zullen worden.

Is dat zo?

Bij het bekende Oxford-rapport over jobs die mogelijk zullen verdwijnen, staan de jobs in het onderwijs bij de groep die het minst kans loopt op verdwijnen. Ook de voorbije weken maakte duidelijk dat initiatieven zoals Carpe Diem of de Steve Jobsscholen geen succes bleken. Zeker Carpe Diem maakte – weer – duidelijk hoe belangrijk leerkrachten zijn. Meer nog: de voorbije jaren merkte ik een verschuiving bij grote spelers als Pearson, IBM en recent nog Microsoft dat de idee om technologie de leerkracht te laten vervangen ingeruild werd voor een visie waarbij men zich richt op de vraag hoe technologie de leerkracht optimaal kan ondersteunen. Vrij vertaald: ik heb mijn studenten op dit vlak bewust kunnen geruststellen. Maar…

Ik zit nu met vragen.

Leeft dit idee sterk bij jongeren vandaag? We zien de inschrijvingscijfers in de lerarenopleidingen jaar op jaar dalen. Hiervoor zijn er verschillende verklaringen die wellicht allemaal deels een invloed hebben. Maar deze verklaring hoorde ik zelf nog nooit eerder. Denken jongeren vandaag dat de job van leerkracht onder druk staat? Dat we binnenkort geen leraren meer nodig hebben? Als ik dit zou denken, zou ik ook wel twee keer nadenken of ik in het onderwijs ga. Maar ook: waar komen deze ideeën vandaan.

Uit de twee gesprekken die ik met studenten had, kon ik niet achterhalen waar dit sentiment vandaan komt. Als ik naar de verschillende varianten van de vraag kijk, zie ik vooral de link met het digitale en werd slechts heel af en toe een onderwijsgoeroe vernoemt.

Nu mijn vraag aan jullie, leerkrachten en collega-lerarenopleiders: herkennen jullie dit? Of was het gewoon toeval dat dit bij deze groep studenten zo hard leefde.

Lectuur op zaterdag: kinderen opgroeien in de wildernis, goedgelovig door Facebook (en meer)

De weekendbijlage bij deze blog:

En dan nog dit: