Sluikreclame op vlogs flink in het vizier van het Commissariaat voor de Media (Linda Duits)

Deze blogpost verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Er gelden strenge regels voor de manier waarop er reclame gemaakt mag worden in de media, maar YouTube is nog steeds een onontgonnen terrein. Dat heeft vloggers in staat gesteld veel geld te verdienen met het aanprijzen van spullen op een manier die op televisie nooit zou mogen. Omdat deze vloggers zich richten op jongeren (en soms kinderen) zijn de zorgen daarover extra groot. Het Commissariaat voor de Media heeft onderzoek gedaan om vast te stellen hoe groot de omvang van sluikreclame is. De conclusie:

“In bijna 90% van de vlogs en clips zijn duidelijk een of meerdere merken of producten te zien. In meer dan 60% van die gevallen komen merken en producten niet terloops aan bod, maar krijgen ze nadrukkelijk de aandacht. Die aandacht is vaak (zeer) positief. Bij meer dan 75% van de video’s waarin merken en/of producten aan bod komen, is onduidelijk of het al dan niet om betaalde aandacht gaat.”

Het Commissariaat heeft nog niet de bevoegdheid hier tegen op te treden zoals het dat wel kan bij radio en televisie. Europese wetgeving is in de maak, maar dat duurt lang. Daarom wordt er nu ingezet op zelfregulering. Het orgaan gaat in gesprek met vloggers, online content creators en multichannel networks (bedrijven die online makers helpen met hun bereik begroten en sponsoren binnenhalen). Ze zullen dus, bij gebrek aan wetgeving, een beroep doen op makers om zich beter te gedragen. Daarnaast willen ze om de tafel met koepelorganisaties op het gebied van opvoeding en mediawijsheid, wat er op wijst dat de verantwoordelijkheid ook bij de gebruiker wordt gelegd. Mediawijsheid wordt vaker ingezet als manier om gebruikers te ‘wapenen’ tegen schadelijke effecten van media, zonder dat makers aan banden worden gelegd.

Niet alle vlogs
Nieuwsuur besteedde aandacht aan het onderzoek van het Commissariaat en er verschenen berichten van de NOS. Hierop reageerden vloggers op Twitter dat de gevonden negentig procent hen erg hoog in de oren klonk. Het is daarom belangrijk goed te kijken naar de gehanteerde steekproef. Eerst zijn op basis van aantallen abonnees de twintig populairste Nederlandstalige kanalen van vloggers en online influencers vastgesteld. Van deze zijn vervolgens per kanaal aselect vijf video’s geselecteerd. Deze steekproef van honderd video’s in totaal is vervolgens geanalyseerd.

Dat betekent dat de uitspraken alleen gelden voor de populairste kanalen. Zij die veel abonnees hebben, gebruiken hun bereik om geld te verdienen met sluikreclame. Dat is een weinig verrassend inzicht. Het gebrek aan wetgeving laat alle ruimte en hoe meer abonnees je hebt, hoe groter de kans dat je onder contract komt bij een bureau. De uitspraken gelden niet voor andere vlogs. Bezorgde ouders doen er daarom goed aan gewoon eens wat vlogs te bekijken van het kanaal dat hun kroost graag kijkt.

Het is niet pedagogiek versus wetenschap

Enkele jaren geleden kwam Gert Biesta spreken op onze hogeschool. Boeiende lezing waarin hij zijn bekende uitgangspunten verduidelijkte. Achteraf volgde wel een klein gesprek en mailwisseling want ik schrok ervan hoe hij zich afzette tegen Evidence Based Education. Of beter: hoe hij zich afzette tegen een karikatuur van EBE die ik niet herkende, ook niet als zelf pedagoog zijnde.

Ja, ik merk zelf ook wel dat cijfers vaak misbruikt worden, maar zelden door wetenschappers zelf. Zo vond ik het persoonlijk heel erg dat er een boekje met enkel de grafiekjes van Hattie uitkwam, omdat de meerwaarde van zijn werk vooral zat in de tekst naast de grafiekjes. Zinnen als ‘huiswerk werkt niet’ of ‘kleinere klassen maken geen verschil’ zijn een vereenvoudiging die even weinig zeggen en even fout kunnen zijn als een dooddoener als ‘het kind staat centraal’.

Oh, geschrokken van die laatste? Ik kan die zin namelijk al vervangen door een vraag: staat het kind centraal of moet de toekomstige volwassene centraal staan? En kijkende naar de drie-indeling van Biesta, kun je je verder afvragen of enkel het kind centraal moet staan. En als het niet enkel het kind is dat centraal moet staan, staat het kind dan nog wel centraal? En zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan.

Er woedt al een tijdje een verwante discussie over zelfontdekkend leren versus instructie en de voorbije 2 weken leverde dit het nodige vuurwerk op in de Nederlandse commissie onderwijs tussen oa Paul Kirschner en Luc Stevens. Onder andere deze passage maakt dit duidelijk:

Stevens, een van de geestelijk vaders van Onderwijs 2032, liet zich niet zo snel uit het veld slaan. Hoe wordt de kennis waar Kirschner over spreekt, verworven, vroeg hij de Kamerleden? Kleine kinderen leren moeiteloos hun moedertaal. Van dat vermogen kun je op school ook gebruik maken. Niet dus, oordeelde Kirschner, hier worden biologisch, evolutionair ontstaan primair en secundair leren met elkaar verward. Leren op school is secundair en echt iets anders.

Is dit een tegenstelling tussen pedagogiek en wetenschap? Ik mag hopen van niet. Dan zou pedagogiek geen wetenschap zijn, eerst en vooral. Wel is het een tegenstelling tussen verschillende wetenschappen, cognitieve psychologie versus iets dat meer pedagogisch geïnspireerd is.

Stevens heeft ook een punt als hij dit zegt:

Onderwijs is ook opvoeden tot maatschappelijke verantwoordelijkheid, aldus Stevens. Het onderwijs heeft ook ‘een pedagogische opdracht. Die is bij alle vakken aan de orde.’ Moeten we het dan niet eens hebben over pedagogische kerndoelen voor 2032?

Behalve de boeiende vraag in welke mate die doelen voor 2032 veel zullen verschillen met deze van 2012 of eerder, is onderwijs volgens mij inderdaad meer dan kennis- of vaardighedenoverdracht.

Hoe valt dit allemaal te rijmen? Voor mezelf staan drie vragen in onderwijs centraal: hoe, wat en waarom. Het meer technische ‘hoe’ kreeg de voorbije jaren veel input van onderwijskunde en psychologie. Het wat en waarom is het domein van visie, je kan het zelfs ideologie noemen, of beter nog de studie van ideologieën. Ideologie is dan voor mij geen scheldwoord, maar gewoon…

…een geheel van ideeën over de mens, menselijke relaties en de inrichting van de maatschappij, dat leeft binnen een maatschappelijke groep, met name een politieke partij, een denkstroming of een sociale klasse.

Onderwijskundigen en cognitief psychologen focussen misschien wel op het hoe, maar geven ook input over het wat en waarom. Concreet: als er de vraag naar meer creativiteit is, dan zullen verschillende cognitief psychologen zeggen dat kennis (wat) nodig is om creativiteit aan te leren (waarom). Maar ook een puur theoretische pedagogiek – in de mate dat die al zou bestaan – zegt vaak niet enkel iets over het wat en waarom, vaak zeggen ze heel over het ‘hoe’. Er is onder andere een hele strekking van Rousseau-geïnspireerde denkers die een pak vertellen over hoe onderwijs zou moeten vorm gegeven worden. En verschillende van die antwoorden op het ‘hoe’ zouden mijn inziens ondertussen op zijn minst best wat genuanceerd worden door voortschrijdend inzicht. Fijn toch dat we al wat verder geraakt zijn dan de tijd van Locke en Rousseau? De uitspraak dat zelfontdekkend leren voor basiskennis de ongelijkheid tussen leerlingen met verschillende achtergronden kan vergroten wordt door verschillende onderzoeken uit verschillende onderzoeksdomeinen bevestigd en is iets waarmee we best in bepaalde pedagogische visies rekening houden. Dit is net zoals er in zowel onderwijskunde en psychologie ooit het idee van leerstijlen ontstond en deze nu ook beter ten grave gedragen worden door voortschrijdend inzicht.

Wetenschap is ook discussie en discussies tussen verschillende onderzoeksdomeinen zijn vaak moeilijk. Maar daarom niet minder nodig.

Lectuur op zaterdag: veerkracht, causaliteit, neuro en alternative facts

De weekendbijlage bij deze blog:

En tot slot nog deze brief van een zevenjarige die zogezegd van zijn school de opdracht kreeg meer te gamen

Leraren opleiden doe je samen

Wat Kris hier zegt? +1! (en oja, ik herinner me nog de tijd dat ik zelf in de lerarenopleiding zat mét oefenschool, een ware luxe!).

DUURZAAM ONDERWIJS

We hebben sterke lerarenopleidingen nodig. Daarover is iedereen het eens. Maar daarvoor heb je sterke banden nodig tussen alle betrokken partners. Op conferenties over onderwijs komt er vaak een moment waarop het gaat over dingen die niet zo goed lopen (“onze leraren spelen nog te weinig in op culturele en sociale diversiteit” of “er wordt te weinig gedifferentieerd”), en dan is er altijd wel iemand die de arm in de lucht steekt en zegt: “de lerarenopleiding moet daarvoor zorgen”. Meestal gaat er dan een zucht van instemming door de zaal. Als lerarenopleider bekruipt me dan steeds een onbehaaglijk gevoel: het lijkt dan even alsof lerarenopleidingen instituten zijn die los van onderwijs werken, maar wel alle problemen van onderwijs eigenhandig moeten, en kunnen, oplossen. Dat kan natuurlijk niet.

Leraren opleiden is een gezamenlijk, volgehouden, doorgedreven project. Alle betrokken partijen (overheid, koepels, stagescholen, lerarenopleidingen, studenten en onderwijsondersteuners) moeten samen aan het zeel…

View original post 534 woorden meer

NRO-persbericht: Interacties tussen docenten en leerlingen in kaart gebracht

Een nieuw promotie-onderzoek via het NRO:

Tien minuten kijken naar het verloop van interacties tussen docenten en leerlingen zegt al veel over hun relatie. Die relatie is belangrijk voor de motivatie en prestaties van leerlingen en voor het welbevinden van docenten. Dat schrijft Heleen Pennings in haar proefschrift ‘Interpersonal dynamics in teacher-student interactions and relationships’.

Pennings heeft de interacties tussen docenten en leerlingen gedurende tien minuten uit een willekeurige les in kaart gebracht. Alle gedrag van mensen geeft aan anderen ‘boodschappen’ over de mate van invloed die een persoon heeft in een interactie en of die persoon positief staat tegenover de ander (emotioneel nabij is).

De promovenda observeerde van seconde tot seconde wat de mate van invloed en nabijheid was die zowel leerlingen als docenten lieten zien in hun gedrag. Vervolgens heeft ze geanalyseerd hoe voorspelbaar het gedrag van docent en leerlingen was en of het gedrag op elkaar afgestemd was. Een voorbeeld van afgestemd gedrag is dat wanneer de docent vriendelijk is tegen leerlingen, die leerlingen ook vriendelijk zijn tegen de docent. Pennings vond dat kenmerken van interacties behoorlijk kunnen verschillen tussen klassen.

De kenmerken van interacties zijn in verband gebracht met hoe leerlingen de relatie met hun docent ervaren. Als leerlingen positiever waren over de relatie met hun docent, waren de interacties in de les voorspelbaarder en beter afgestemd.
In het promotieonderzoek is ook het verband tussen de docent-leerling relatie en burnout bij docenten onderzocht. De burnout gevoelens bij docenten bleken lager wanneer leerlingen hen als vriendelijker ervaarden.

Over dit promotieonderzoek

Heleen Pennings promoveert op 4 mei 2017 aan de Universiteit Utrecht. Haar promotieonderzoek maakt deel uit van het project ‘Development of teacher competence throughout the professional career: an interpersonal perspective’ o.l.v. prof. Mieke Brekelmans (UU), waarin drie belangrijke aspecten van expertise in kaart worden gebracht: 1) identiteit, 2) kennis over docent-leerling relaties, en 3) het gedrag in de klas. Pennings’ promotieonderzoek is het derde deelproject: ‘Interpersoonlijk perspectief op de ontwikkeling van professioneel gedrag van leraren’.

Bron: Universiteit Utrecht

Rumoer stoort de taalverwerving, maar een dutje helpt, en andere taalweetjes

Kleutergewijs

1 Rumoer stoort de taalverwerving

Kinderen hebben meer dan volwassenen moeite om taal te verwerken in een rumoerige situatie. Achtergrondlawaai kan peuters hinderen om nieuwe woorden te verwerven, zo ontdekten onderzoekers afgelopen zomer (McMillan & Saffran, 2016).  Ze stelden echter ook vast dat achtergrondlawaai minder storend was wanneer de kleuters de nieuwe woorden reeds voordien al eens in een rustige omgeving gehoord hadden (maar niet wanneer ze die reeds voordien hoorden in omgevingslawaai).

Jammer genoeg gebeurt er niet meer onderzoek naar de impact van achtergrondlawaai. Het gaat het er soms in een kleuterklas best wel rumoerig aan toe in het vuur van het spel of wanneer het lokaal een slechte akoestiek heeft. Het zou dus interessant zijn om te weten bij welke kleuters dit het meeste stoort. Hoe zit het…

View original post 700 woorden meer

Nieuwe, virtuele tentoonstelling van Google: Lam Gods van gebroeders Van Eyck gedigitaliseerd

Het is een werk dat ons eigen mysterie opleverde over het gestolen paneel. Het is het werk dat momenteel gerestaureerd wordt en drommen toeristen naar Gent brengt. Het is het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck. En… Google heeft het nu helemaal gedigitaliseerd en je kan het nu bekijken in hun virtuele tentoonstelling.

En wel gedigitaliseerd tot in de kleinste details:

Stress bij de Vlaamse jeugd en de verschillen in cijfers

Misschien hoorde je het wel al eens: met statistiek kan je alles bewijzen. Ook een andere variant kan opduiken: het ene onderzoek zegt dit, het andere spreekt dat dan weer tegen. De voorbije weken zou je die indruk kunnen hebben gekregen over stress bij de Vlaamse jeugd. In februari bracht de Vlaamse Scholierenkoepel groot nieuws over de druk die Vlaamse jongeren onder andere op school ervaren. Het leidde enkele weken geleden tot een reportage van Nic Balthazar in Pano.

En gisteren, opeens, stelt de OESO in hun driejaarlijks PISA-rapport vast dat de Vlaamse jongeren in vergelijking met de meeste andere landen net weinig stress of druk ervaren. We moeten ons misschien wel zorgen maken over het feit dat onze jongeren bij de minst ambitieuze zijn, met wat slechte wil kan je dit zelfs zien als dat misschien te weinig druk ervaren of zichzelf opleggen. Of beter: OESO-topman Dirk Van Damme vindt dit verontrustend, prof. Wim Van den Broeck idem, maar prof. Maarten Van Steenkiste vindt dit helemaal niet verontrustend. En oja, onze jongeren zijn misschien weinig ambitieus, ze presteren wel uitstekend.

Hoe valt dit allemaal te rijmen?

Laten we even kijken naar het onderzoek van de scholierenkoepel. Zoals ze zelf aangaven, is dit voor alle duidelijkheid geen wetenschappelijk onderzoek. Meer nog, door de aanpak lag een overrrepresentatie van stress bij jongeren voor de hand. De enquete werd gewoon verspreid en de reactie was zeer groot, maar in welke mate de respons representatief was, dit is in welke mate de steekproef overeenkwam met de werkelijkheid? Geen flauw idee. Meer nog: de kans dat jongeren die stress ervaren net meer geneigd zullen zijn de enquete in te vullen is vrij groot.

Het PISA-onderzoek is wel wetenschappelijk, en legt de lat behoorlijk hoog. Men streeft dus zo wel representativiteit na. Het is dus niet onlogisch, dat het aantal jongeren dat aangeeft dat ze stress ervaren op school een pak lager ligt.

Maar lager liggen betekent ook niet dat er geen jongeren zijn die geen stress ervaren. Het aantal is in Vlaanderen, Nederland, Zwitserland en Finland uitzonderlijk laag in vergelijking met andere landen die zeer mooie scores opleveren, maar het aantal is zeker niet 0. En oja, PISA kijkt enkel naar 15-jarigen. Uit een ander wetenschappelijk zeer degelijk onderzoek, de JOP-monitor kwam men tot nog steeds positieve maar iets lagere cijfers over het welbevinden van de Vlaamse jeugd, maar dat onderzoek keek naar een veel grotere leeftijdsgroep, wat alleen al de verschillen zou kunnen verklaren.

Ook bij PISA zijn er – zoals bij elk wetenschappelijk onderzoek – bedenkingen te maken. Zo gaat het in hun bevraging over perceptie van de jongeren. Hoe zien jongeren het zelf. Ze geven dus in meerderheid aan weinig druk te ervaren, maar we hebben in feite geen flauw idee of die druk er al dan niet is. Daarvoor heb je andere wetenschappelijk tools nodig, bijvoorbeeld observaties.

Ik weet zelf van minstens twee onderzoeken die de komende tijd zullen gepubliceerd of gevoerd worden rond deze zelfde vraag. De kans dat er via deze onderzoeken nieuwe nuances zullen worden toegevoegd aan onze kennis over de druk bij de Vlaamse jeugd, is groot. Misschien is het wel een idee voor de journalisten om bij elk onderzoek aan te geven wat de sterktes en beperkingen zijn?