Als de dagen korter worden en de nachten langer …

Kleutergewijs

De wintertijd doet wat met een mens: de kou, de donkerte, de uursverandering, … sommige mensen worden er wat somberder en depressiever van. Er zijn 8% meer opnames van depressie meldt de Deense universiteit Aarhus.

Kunnen kleuters al depressief zijn of worden?

Orthopedagoog Annemieke Mol Lous doet al 20 jaar onderzoek naar depressie bij kinderen. Zij ondervond dat kleuters wel degelijk kunnen lijden aan een depressie. Alleen is dit minder makkelijk te herkennen omdat ze woorden als somber, schaamte of schuld niet in de mond nemen. De negatieve of verwarde emoties worden vooral zichtbaar in het spel. Uit haar onderzoek bleek dat depressieve kinderen minder spelen en vooral bij het uitspelen van negatieve gevoelens vastlopen. Ze constateerde dat het aantal kinderen met ernstige depressie eerder zeldzaam zijn. Enkel een kinderpsychiater kan dit vaststellen maar als leerkracht kunnen we zeker signalen opmerken.

Ook de cijfers van het Riziv liegen er niet…

View original post 505 woorden meer

Muziek is gemeenschap (mijn column voor Radio 1)

Deze week kreeg ik van een paar mensen de vraag hoe het zat rond onderzoek over het belang van muziek. Het leidde tot deze column. En oja, Gorillaz was zeer straf!

Ik beken, ik ben muzikant. Meer nog: af en toe was er al muziek te horen op Radio1 waar ik op meespeel of die ik zelfs schreef. Misschien ben ik dus niet de meest objectieve persoon om muziek te verdedigen, maar er is zoveel onderzoek dat aantoont hoe belangrijk muziek kan zijn in ons leven. Ik geef je een greep uit de voorbije maanden.

Jeremy Montagu van de universiteit van Oxford beschreef deze zomer in een wetenschappelijk artikel hoe het ontstaan van muziek verstrengeld is met de ontwikkeling van de mens. De essentie is dat muziek voor gemeenschap zorgt, dat muziek mensen samen brengt. De Nederlandse popprofessor Tom ter Bogt legde dit mooi uit in zijn oratie. Hij vroeg de mensen om in een eigen ritme in de handen te klappen. Al snel kregen we één ritme, omdat we als mens zo gewoon zijn om ritme over te nemen.

Ook voor het ouderschap is muziek cruciaal gebleken. Samuel Mehr en Max Krasnow beschreven in februari van dit jaar hoe ouders via zingen doorheen de geschiedenis aan hun kinderen hebben leren troosten en steunen.

Onderzoek onder leiding van Jake Harwood van eind vorig jaar toonde dat muziek een belangrijk middel is om te leren omgaan met diversiteit.

Er is de voorbije decennia veel onderzoek naar kunst en leren gedaan, waarbij de OESO aangeeft dat de nood aan cultuur zelf al reden genoeg is om rond muziek te werken. Tegelijk blijkt van alle kunsten leren muziek spelen een van de meer krachtige vormen.

Maar weet je, al dit onderzoek vergat ik meteen toen ik gisterenavond met mijn band speelde. Dan was het vooral genieten. Al dit onderzoek vergeet ik als ik vanavond naar Gorillaz ga. Dan is het vooral genieten. Dan zal ik in een zaal staan met 9000 anderen die genieten. En daarna besef ik dat het onderzoek klopt: muziek is gemeenschap.

Persbericht UGent: Vlaamse 15-jarigen zijn goed in het samenwerkend probleemoplossen

Gisteren berichtte ik al over het nieuwe deel van het PISA-onderzoek, maar hoe deden de Vlaamse jongeren het?

Dit persbericht van UGent maakt veel duidelijk:

Vlaamse jongeren presteren goed voor samenwerkend probleemoplossen en geven ook aan van graag samen te werken. Dat blijkt uit bijkomende analyses op de data van PISA2015.

Het vijfde volume van het internationale PISA2015-rapport “Collaborative Problem Solving” focust op een zeer vernieuwende manier van kijken naar samenwerkend probleemoplossen. De resultaten weerspiegelen de antwoorden van leerlingen uit de 52 landen die wereldwijd aan dit onderdeel van het PISA2015-onderzoek deelnamen, waaronder 5675 leerlingen uit 175 Vlaamse scholen. De resultaten worden vandaag bekendgemaakt door de OESO.
Samenwerken is een competentie van de 21ste eeuw die almaar belangrijker wordt. Daarom werd samenwerkend probleemoplossen voor het eerst getest bij PISA2015.  De PISA-bevraging naar samenwerkend probleemoplossen bestaat uit een test waarin leerlingen in een chatsimulatie met anderen samenwerken om tot een oplossing van een probleem te komen. Vlaamse leerlingen scoren goed op vragen bij dit soort problemen. Van de Europese landen halen enkel Estland en Finland een hogere gemiddelde score en verder behaalt één Vlaamse leerling op 10 een topprestatie bij dit domein. Deze leerlingen zijn zich bewust van groepsdynamieken, zorgen ervoor dat teamleden hun overeengekomen rollen vervullen en kunnen de conflicten of tekortkomingen die ze tijdens het oplossen van een probleem tegenkomen, oplossen.

Attitudes

De meeste 15-jarigen geven aan graag samen te werken met anderen. Overheen de OESO-landen zegt bijvoorbeeld 87% van de ondervraagde leerlingen dat ze dit graag doen en in Vlaanderen ligt dit percentage exact even hoog (86,5%). Bij het samenwerken waarderen Vlaamse leerlingen vooral de altruïstische interacties of, anders gezegd, de relaties met anderen tijdens het samenwerken. Het percentage Vlaamse leerlingen dat aangeeft goed te kunnen luisteren, blij te zijn als klasgenoten slagen, graag rekening te houden te houden met verschillende standpunten en rekening te houden met wat anderen interesseert, schommelt telkens rond de 90%. Dit is hoger dan de internationale percentages bij die stellingen. Op de stellingen die peilen in welke mate ze teamwerk waarderen, laten Vlaamse 15-jarigen zich dan weer negatiever uit dan hun leeftijdsgenoten overheen de OESO-landen. Zo vindt slechts 57% van de Vlaamse jongeren dat ze efficiënter werken in groep, terwijl internationaal 70% van de 15-jarigen (helemaal) akkoord gaat met die bewering.

Een opvallende vaststelling bij het nieuwe PISA-domein is dat de samenhang tussen samenwerkend probleemoplossen en de sociale achtergrond (SES) van leerlingen minder sterk is dan bij de drie andere domeinen van PISA, nl. wetenschappen, wiskunde en lezen. Dit is niet enkel in Vlaanderen het geval, maar geldt voor de meeste landen. Een mogelijke hypothese hiervoor is dat mogelijkheden om samen te werken vaker voorkomen in alle sociale en economische contexten waardoor de samenhang tussen SES en de prestaties voor samenwerkend probleemoplossen minder sterk is.

Tenslotte blijken leerlingen die een positiever gevoel hebben over hun relaties met medeleerlingen, en bijvoorbeeld minder pestgedrag rapporteren en aangeven van gemakkelijk vrienden te maken op school, teamwerk meer te waarderen dan leerlingen die zich negatiever uitlaten. Eenzelfde samenhang bestaat bij communicatie-intensieve activiteiten. Leerlingen die rapporteren dat ze in de meeste lessen in interactie gaan met elkaar, rapporteren ook een hogere waardering voor teamwerk. Dit geldt zowel voor Vlaanderen als overheen de OESO-landen.

Het Vlaamse rapport is beschikbaar via www.pisa.ugent.be/nl/resultaten/vlaamse-publicaties/2015 

Alle steun voor schooldirecteuren, zeker die van het basisonderwijs!

In Nederland heb je na POinactie ondertussen verschillende ‘inacties’, hier in Vlaanderen blijft het relatief stil in het onderwijs. Behalve bij een groep die nu echt luid aan de alarmbel trekt: de directies van het (katholiek) basisonderwijs. Vandaag staat in De Standaard hoe ze aan de alarmbel trekken en hun geduld met eigen koepel en de minister op is.

In De Morgen staan de trieste cijfers:

Van de 2.872 schooldirecteurs, stopten er vorig schooljaar 1.119. De voorbije jaren steeg dat percentage: in 2015-2016 ging het nog om 958 wissels, in 2014-2015 om 877. “313 van de 1.119 wissels gaan over directeurs die met pensioen gaan. Maar van de overige 806 wissels is bijna de helft (396) te wijten aan ziekte”, zegt sp.a-parlementslid Steve Vandenberghe, die de cijfers opvroeg.

Even voor alle duidelijkheid: ik zou nooit directeur kunnen zijn in het basisonderwijs (ook niet in het secundair onderwijs trouwens). Ik werk hard, maar zo hard als deze mensen moeten werken, met zoveel verantwoordelijkheid? Vergeet het.

Deze mensen verdienen alle steun en ondersteuning die ze nodig hebben. Leerkrachten kunnen maar het verschil maken als er een directie is die voor hen de mogelijkheden biedt om het verschil te maken. En dat is zeer moeilijk als een directeur of directrice vaak letterlijk alles moet doen. Hoog tijd voor #boinactie?

Meisjes zijn beter dan jongens… in samenwerken. (Nieuwe PISA-data)

Er is een nieuw deel toegevoegd aan de PISA-rapporten en deze gaat over samenwerken.

Dit zijn de belangrijkste inzichten samengevat, waarbij vooral het beter presteren van meisjes opvalt:

Er is ook deze Nederlandstalige samenvatting:

De prestaties van studenten voor het collaboratief oplossen van problemen

  • Studenten in Singapore scoren hoger voor het collaboratief oplossen van problemen dan studenten in alle overige deelnemende landen en economieën. Studenten in Japan staan op de tweede plaats.
  • Gemiddeld in de OESO‑landen kan 28% van de studenten alleen eenvoudige collaboratieve problemen oplossen en geen andere. Minder dan 1 op de 6 studenten in Estland, Hongkong (China), Japan, Korea, Macao (China) en Singapore presteert daarentegen laag bij het collaboratief oplossen van problemen.
  • In de OESO‑landen presteert 8% van de studenten optimaal bij het collaboratief oplossen van problemen. Dit betekent dat ze zich te allen tijde bewust zijn van de groepsdynamiek, ervoor zorgen dat de teamleden zich gedragen volgens de overeengekomen rollen, geschillen en conflicten verhelpen, terwijl ze efficiënte voortgangstrajecten identificeren en de vooruitgang naar een oplossing monitoren.
  • De prestaties voor het collaboratief oplossen van problemen houdt positief verband met de prestaties in de belangrijkste PISA‑onderwerpen (wetenschap, lezen en wiskunde), maar de relatie is zwakker dan die tussen die andere domeinen onderling.
  • Studenten in Australië, Japan, Korea, Nieuw‑Zeeland en de Verenigde Staten presteren veel beter voor het collaboratief oplossen van problemen dan verwacht wordt op basis van hun scores voor wetenschap, lezen en wiskunde.

De demografie van studenten en het collaboratief oplossen van problemen

  • Meisjes presteren aanzienlijk beter dan jongens in het collaboratief oplossen van problemen in alle langen en economieën die aan dit onderzoek hebben deelgenomen. Gemiddeld scoorden meisjes in alle OESO‑landen 29 punten hoger dan jongens. De grootste verschillen (ruim 40 punten) werden opgetekend in Australië, Finland, Letland, Nieuw‑Zeeland en Zweden; de kleinste verschillen (minder dan 10 punten) werden opgetekend in Colombia, Costa Rica en Peru. Dit verschilt met het PISA‑onderzoek in 2012 naar het individueel oplossen van problemen, waarvoor jongens over het algemeen beter presteerden dan meisjes.
  • De prestatie voor het collaboratief oplossen van problemen houdt een positief verband met het socio‑economische profiel van de studenten en de scholen, ook al is deze relatie zwakker dan de relatie tussen het socio‑economische profiel en de prestaties voor de drie belangrijkste PISA‑onderwerpen.
  • Er bestaan geen grote prestatieverschillen tussen bevoorrechte en niet‑bevoorrechte studenten of tussen studenten die immigranten zijn en autochtone studenten, rekening houdende met hun prestaties voor wetenschap, lezen en wiskunde. Ook na rekening te houden met de prestaties voor de drie belangrijkste PISA‑onderwerpen, scoren meisjes alsnog 25 punten hoger dan jongens.

De houding van studenten ten opzichte van samenwerking

  • Studenten in elk land en in elke economie hebben over het algemeen een positieve houding ten opzichte van samenwerking. Ruim 85% van alle studenten gemiddeld in de OESO‑landen is het eens met de uitspraak ‘Ik kan goed luisteren’, ‘Ik vind het fijn als mijn klasgenoten succesvol zijn’, ‘Ik houd rekening met de dingen waarin anderen geïnteresseerd zijn’, ‘Ik houd ervan om verschillende perspectieven in overweging te nemen’ en ‘Ik houd ervan om met mijn collega’s samen te werken’.
  • Meisjes in nagenoeg elk land en elke economie hechten meestal meer waarde aan relaties dan jongens. Dit betekent dat meisjes vaker dan jongens het ermee eens zijn dat ze goed kunnen luisteren, het fijn vinden als hun klasgenoten succesvol zijn, rekening houden met de dingen waarin anderen geïnteresseerd zijn en ervan houden om verschillende perspectieven in overweging te nemen.
  • In de meeste landen en economieën hechten jongens meer waarde aan teamwork dan meisjes. Dit betekent dat jongens vaker dan meisjes het ermee eens zijn dat ze liever als een team samenwerken dan alleen, dat volgens hen teams betere beslissingen nemen dan individuen, dat teamwork hen efficiënter maakt en dat ze ervan houden om met hun collega’s samen te werken.
  • Bevoorrechte studenten in nagenoeg elk land en elke economie hechten meestal meer waarde aan relaties dan niet‑bevoorrechte studenten, terwijl niet‑bevoorrechte studenten in de meeste landen en economieën meestal meer waarde hechten aan teamwork dan bevoorrechte studenten.
  • Rekening houdend met de prestaties voor de drie belangrijkste PISA‑onderwerpen, met het geslacht en de socio‑economische status, blijkt dat hoe meer de studenten relaties waarderen, hoe beter ze presteren voor het collaboratief oplossen van problemen. Een gelijkaardige relatie wordt opgemerkt voor de mate waarin studenten teamwork waarderen.

Activiteiten van studenten, schoolprocedures en collaboratieve procedures

  • De houding tegenover samenwerking is over het algemeen positiever wanneer studenten meer lichamelijke activiteiten doen of per week meer gymlessen doen.
  • Studenten die buiten de school videogames spelen, scoren iets lager voor het collaboratief oplossen van problemen dan studenten die geen videogames spelen. Dit geldt gemiddeld in alle OESO‑landen, rekening houdend met de prestaties voor de drie belangrijkste PISA‑onderwerpen, met het geslacht en het socio‑economische profiel van de studenten en de scholen. Studenten die buiten de school toegang hebben tot het internet, chatten of sociale netwerken onderhouden, scoren iets hoger dan andere studenten.
  • Studenten die in het huishouden werken of voor andere familieleden zorgen, waarderen zowel teamwork als relaties meer dan andere studenten. Dit geldt ook voor studenten die vrienden ontmoeten of telefonisch met vrienden praten buiten de school om.

Collaboratieve scholen

  • Gemiddeld in alle OESO‑landen scoren studenten die zeggen dat ze zich niet door andere studenten bedreigd voelen 18 punten hoger voor het collaboratief oplossen van problemen dan studenten die zeggen dat ze minstens een paar keer per jaar bedreigd worden. Studenten scoren ook 11 punten hoger voor elke 10 procent toename van het aantal schoolvrienden die zeggen dat ze zich niet door andere studenten bedreigd voelen.
  • Studenten scoren hoger voor het collaboratief oplossen van problemen wanneer zij of hun schoolvrienden zeggen dat hun leerkrachten de studenten eerlijk behandelen, zelfs rekening houdend met hun prestaties voor wetenschap, lezen en wiskunde.

De actieve betrokkenheid van consultants van Google, Facebook en Twitter bij de Amerikaanse verkiezingen (L. Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Facebook, Twitter en Google waren actief betrokken bij de campagnes van de Democraten en de Republikeinen bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2016. Medewerkers hielpen de partijen met het begrijpen van en wegwijs worden in bepaalde diensten en met het optimaliseren van digitale advertentiestrategieën. Dat ging zelfs zo ver dat communicatiewetenschappers Daniel Kreiss en Shannon Mcgregor spreken van ‘digital consulting’ (p. 3) [abstract]. Zij deden samen met een team veldwerk tijdens de Democratische Nationale Conventie en hielden diepte-interviews met zowel medewerkers van Facebook, Twitter, Google en Microsoft als van de campagnes van Hillary Clinton, Jeb Bush, Mike Huckabee, Marco Rubio, Rand Paul en Bernie Sanders.

Machtsverwachtingen
Kenmerkend voor grote techbedrijven is de asymmetrische machtsrelatie die ze met hun gebruikers hebben, waaronder nieuwsorganisaties en campagnevoerders. Sociale netwerken kunnen hun platforms zomaar veranderen, waardoor gebruikers een andere koers moeten gaan varen om hun publiek te blijven bereiken. Daar staat tegenover dat politieke partijen wel degelijk macht hebben: zij hebben namelijk aanzienlijke budgetten (bij de presidentsverkiezingen zo’n 2 miljard dollar) en, mocht de kandidaat winnen, het vermogen in de toekomst techbedrijven te reguleren. Daarnaast biedt hulp bij campagnes deze bedrijven legitimatie, status en marketingmogelijkheden. Kreiss en Mcgregor verwachtten daarom dat techbedrijven actief meewerken en -denken met campagnemakers en dat ze zich daarbij aanpassen aan de partijlogica van het – specifieke – Amerikaanse systeem.

Faciliteren en onderwijzen
Alle vier de bedrijven zochten naar omzet en naar het verbeteren van de relaties met politici. Ze merkten op dat in 2008 er nauwelijks van hun diensten gebruik gemaakt werd: 2012 was de eerste presidentiële campagne waarbij sociale netwerken een rol van betekenis speelden. Samen zoeken naar manieren waarop een kandidaat verkozen kon worden was een manier om politieke invloed te verkrijgen. Om vertrouwen te bevorderen volgden de bedrijven de partijstructuur: ze stelden partijteams samen van medewerkers die dus of Republikeins of Democratisch waren. Dat betekent dat Microsoft, Google, Twitter en Facebook toen en nu een organisatorische structuur hebben op basis van politieke partijen.

“The thinking was, is that you want to hire people that those folks already trust, that understand that world that they’re coming from, because they used to work in that world and they used to have to do those jobs…. They want somebody who understands how they do politics on their side, understands the background, and in some ways, is one of them. Because there’s always a concern of leaks, and who you’re letting in, and what are they sharing” (p. 8) – Katie Harbath, Facebook (R).

De diensten die de bedrijven aanboden tijdens de conventies verschilden per bedrijf. Bij Microsoft ging het vooral om het bieden van een infrastructuur: backend en analytics data platforms. Facebook, Twitter en Google daarentegen hadden een veel meer actieve rol. Zij hielpen met content en het begrijpen van analytics. Ze boden data aan over de gesprekken die online werden gevoerd, zodat campagnemakers daarop konden reageren.

Achter de scherm: de meest effectieve spotjes maken
Los van de ruimtes die de bedrijven hadden ingericht op de vloer van de conventies, werd er achter de schermen samen gewerkt. Respondenten vertelden hoe Trump zijn relatief kleine campagnestaf compenseerde met medewerkers van techbedrijven. Zij hielpen met het identificeren en vinden van donateurs en zwevende kiezers.

“The Trump model was that they… rented some cheap office space out by the airport, a strip mall, and they said it’s going to be Trump Digital. They had the companies, of the advertising companies, social media companies come down there [San Antonio] and work out of that strip mall. And we did it, Facebook did it, Google did it…. I think they did it for two reasons. One; they found that they were getting solid advice and it worked, and two; it’s cheaper. It’s free labor” (p. 13) – Nu Wexler, Twitter.

Het ging hier om consultants die vanuit techbedrijven actief hielpen met het optimaliseren van campagnes: “build ads that get results”. Beide partijen hadden hier baat bij: de politieke partijen konden meer effectieve campagnes opzetten en de techbedrijven verkochten meer reclame. De onderzoekers stellen dat het hier gaat om subsidie van techbedrijven en denken dat ‘cash-strapped campaigns’ zoals die van Trump hier meer baat bij hebben dan campagnes met veel eigen digitale staf, zoals die van Clinton.

Het ging om een totaalpakket:

“They’re [Facebook] working with a campaign to make sure that they’re taking full advantage of all the tools at their disposal. If Facebook decides they’re going to roll something out, a new tool, they want to make sure that these campaigns know about it because they would love for us to use it because if we’re using it and everyone is paying attention to the election…. I know there were Facebook folks who worked with our team on advertising private stuff. I talked with a guy at Instagram fairly regularly. I’ve talked with some people at Google because Google was rolling out new product features during the campaign and wanted us to use them. Twitter too, a lot of times they were people I would go to when I was troubleshooting or I would run into a problem or I’d have this idea that I’d never seen it done before and I was wondering if it was possible” (p. 14) – Caroline McCain, social media manager van Rubio.

Ze boden resources, communicatie-expertise en probleemoplossing. Er werd nauw samengewerkt aan het ontwikkelen van strategie, waaronder het ontwikkelen van content. Over Google:

“They [Google] give the campaign access to it so the campaign is actually able to produce these cards that are their information… so that people who are sitting on the search page are seeing the most up-to-date information coming from the campaign’s perspective and then, how I would work with the campaign is beforehand telling them, strategizing what issues might be most relevant and what they are going to want to produce ahead of time because it just moves so fast. So if you know that it is the business debate, we know that it is going to be a lot of economy and job issues. You are going to want to be on message for that and you kind of look at the other side of the aisle and you say, “I know this is what you are going to be hit on so you definitely want to have a response from the hopper for that,” and then you probably want some additional, like, depending on what your very base goals or lead generation you want to be getting people’s e-mail addresses and things like that. You will have some of those to fill in during some of the lulls. (emphasis added)” (p. 15) – AliJae Henke, Google (R).

De auteurs noemen deze medewerkers van Facebook, Google en Twitter consultants. Daar waren ze zelf nog niet helemaal uit: er was onderling onduidelijkheid hoe ze hun soort werk moesten noemen. Het is dan ook een schemergebied, niet in de laatste plaats omdat er wetten zijn over campagnebijdragen en hoe dit daarin past.

Implicaties
Het is duidelijk dat hier nog veel werk te doen is binnen politieke-communicatiewetenschap. De overwinning van Trump was onverwacht vanuit traditionele modellen van campagne-effecten, maar is wellicht toe te schrijven aan zijn nauwe samenwerking met techbedrijven. Vooral Facebook speelt daarbij een belanhrijke rol. De auteurs schrijven:

“in a world where Facebook is both the consultant and the distribution channel, campaigns might not need teams of data scientists or even a robust digital campaign staff more generally because they can outsource these things to technology firms themselves. That said, more research is necessary to clearly determine Facebook’s role in President Trump’s victory given his surprisingly thin campaign organization” (p. 19).

Hoe moeten we omgaan met de verschuiving van politieke communicatie naar private, winstgerichte bedrijven? Wat zijn de normatieve, democratische implicaties daarvan? Extra problematisch daarbij is het gebruik aan helderheid over de algoritmes die zulke bedrijven gebruiken. We weten ook niet hoe deze mondiale bedrijven te werk gaan bij verkiezingen in andere landen.

Hoewel de auteurs dit – gek genoeg – niet noemen moeten we niet vergeten dat deze bedrijven expliciet zoeken naar politieke invloed om regulering te voorkomen – regulering die hard nodig is. De recent gelekt Paradise Papers laten zien dat aandelen van deze bedrijven ook in handen zijn van bijvoorbeeld Russische politici. Dit alles schreeuwt om meer transparantie, en dat is nu juist precies waar Facebook, Google en Twitter het grootste gebrek aan hebben.

Hoe evolueren de kennis en vaardigheden van de werkende bevolking tegen 2022

PIAAC is het minder bekende volwassen broertje van PISA waarbij de geletterdheid van de werkende bevolking gemeten wordt door de OESO. Waarbij trouwens opvalt dat sommige van de grote namen van PISA behoorlijk slecht scoren op PIAAC, denk aan onder andere Singapore of Korea. Japan, Finland, Nederland, maar ook Vlaanderen scoren wel wereldtop (mag ook eens gezegd worden).

De OESO heeft nu in een nieuw tussentijds rapport de mogelijke evoluties proberen te vatten. Die evoluties kunnen komen door onder andere vergrijzing:

  • By 2022, the average proficiency in literacy of the 16-65 year-old population should have increased slightly in most of the countries that took part in the first cycle of the Programme for the International Assessment of Adult Competencies (PIAAC).
  • This positive trend will be fuelled by the arrival of young, better-educated cohorts and the simultaneous exit of the oldest cohorts, whose skills are generally weaker.