Onderwijs in de stad: Scholen in de stad, groot en/of klein

28 10 2014

Gisteren bleek uit het eerste deel van deze reeks dat de toekomst van de school divers en stedelijk is. Mensen met kinderen in de stad weten dit al een pak langer, want je kind zomaar in een school in Antwerpen of Gent inschrijven is al lang niet meer zo evident. In Brussel bleken er op 1 september 1500 kinderen geen plaatsje op school gevonden te hebben.

Een deel van de beleidsnota van minister Crevits zal daarom noodgedwongen over capaciteitsuitbreiding moeten gaan, iets waar haar voorganger Pascal Smet ook 5 jaar mee geworsteld heeft.

Maar… scholen bijbouwen in een stad kan soms moeilijker zijn dan je denkt. Waar veel mensen samen leven, is net plaats vaak een schaars goed.

Moet je dan gaan voor grote scholen, kleine scholen of iets daartussen?

Eerst en vooral er bestaat wel degelijk onderzoek naar optimale schoolgrootte, waarbij de ondergrens te maken heeft met kansen op professionalisering en bijvoorbeeld vakgroepwerking (in het secundair onderwijs) en de bovengrens met het vermijden van anonimiteit (zie ook Hattie, 2009).

Als er momenteel door de politiek voor schaalvergroting gepleit wordt, heeft dit vaak te maken met het kunnen aanbieden van een ruim aanbod (campusscholen), of om zo er voor te zorgen dat beginnende leerkrachten binnen 1 school kunnen blijven of om een professionalisering van het schoolbestuur mogelijk te maken (alhoewel dit ook geen zekerheid biedt voor kwaliteitsverbetering).

Voor het concept van brede scholen is ook een bepaalde schoolgrootte wellicht aangewezen.  Scholen die als multifunctionele gebouwen geconcipieerd worden die ook voor muzieklessen, avondschool, sportklassen, enzovoort gebruikt kunnen worden hebben een zekere grootte nodig. Tegelijkertijd zijn die scholen best niet te groot als je de ouders door de breedte meer bij de school wil proberen te betrekken.  Dit laatste heeft volgens mij echter meer te maken met de houding en visie van de school dan de infrastructuur, alhoewel de infrastructuur het wel mogelijk moet maken om ouders makkelijk te ontvangen. En dan kan het een goed idee zijn om bijvoorbeeld een babbelbox voor ouders te organiseren.

Essentieel bij een brede school is de link met de buurt. Basisscholen zullen daarom wellicht best een pak kleiner zijn dan secundaire scholen. Al kan dit ook een gevaar inhouden. Is de buurt homogeen qua populatie, dan wordt de school als pure buurtschool logischerwijs ook homogener qua instroom en zou je bijna moeten aanvaarden dat er witte of zwarte scholen zijn. Wil je de school heterogener, dan kan het zijn dat de school (iets) minder een band met de buurt moet nastreven (en waarbij er dan ook gekeken moet worden naar mobiliteit).

Grote campusscholen zullen vaak noodgedwongen naar de buitenrand van de stad moeten trekken gewoon vanwege de plaats en daardoor de link met de buurt verliezen, maar met als voordeel dat hier een sociale mix misschien meer kan gepromoot worden. De voorbije jaren zagen we ook dat rond bijvoorbeeld Gent bepaalde scholen in de rand aan populariteit (nog) wonnen, alhoewel hier ook mobiliteit (naast tal van andere redenen) een rol meespelen.

Toch is er iets te zeggen om zelfs secundaire scholen kleiner én in de stad te houden. In Nederland spreekt men ondertussen eerder over defusies, specifiek voor vakscholen. Maar het zou ook mogelijks positief kunnen zijn voor moeilijk te bereiken leerlingen. Een project in NY waarbij leerlingen random naar grote dan wel kleinere secundaire scholen mochten gaan, toonde dat de leerlingen van de kleinere scholen minder afwezig waren op school en meer doorstroomden naar hoger onderwijs ongeacht hun sociale achtergrond. En dat met soms maar 200 leerlingen in de secundaire school, dus echt een pak kleiner dan Hattie aanbeveelt. De valkuil van te kleine scholen werd voorkomen door professionalisering bovenschools bijvoorbeeld digitaal te regelen. Het voordeel van deze kleine grootte is dat scholen dan ook makkelijker een plaatsje binnen de stad kunnen vinden.  De stad als speeltuin?

Mensen die deze blog al wat langer volgen, zullen wellicht weten dat ik zelf een eerder koele minnaar ben van schaalvergroting, maar ik heb bewust geprobeerd in deze blogpost vooral mee te geven welke elementen meespelen in de keuze voor kleinere, gemiddelde of grotere scholen in de stad. Het gaat dan eerder over linken met de buurt, ruimte van het aanbod, werkzekerheid voor het personeel, beter doorstromen van moeilijker te bereiken doelgroepen, enzovoort. En ook het belang van plaats of plaatsgebrek in deze.

Wetenschap en onderwijsdenkers kunnen dan enkel maar die voor- en nadelen meegeven. Beleid is alle mogelijke voor- en nadelen tegenover elkaar afwegen en dan keuzes maken.

P.S.: 2 weken geleden was ik aanwezig bij de bekendmaking van de eerste 4 change maker schools van Ashoka België waarbij opvallend 3 stedelijke scholen verkozen waren (naast 1 school die gebaseerd was op het principe van de scouts). Een consensus onder de winnaars en mezelf was dat er op veel scholen al veel goeds gebeurd en dat zij maar een voorbeeld waren van good practices.





Een wordcloud van de nieuwe beleidsnota onderwijs

27 10 2014

De beleidsnota onderwijs doet ondertussen op verschillende redacties (check oa hier en hier) en ondertussen ook op andere plaatsen buiten de media de ronde en staat nu ook online. Door de verschillende lekken (opvallend vind ik) kon ik de beleidsnota het voorbije weekend ook al lezen. Mijn eerdere gokken bleken er niet zo ver naast te zitten. Ik kon het niet laten even de volledige tekst in Wordle te gooien en als je even voorbije de tussenwoorden kijkt zie je het primaat van… de scholen.

Wordcloud

Je kan uit de woordwolk ook afleiden dat hoger onderwijs veel aandacht krijgt, net iets meer dan secundair onderwijs. Je kan niet echt afleiden uit het document of ASO, BSO en TSO nu al dan niet afgeschaft worden, zoals enkele journalisten denken. Deze namen staan er wel niet in, maar kunnen wel nog opduiken boven de matrix van opleidingen die men wil opstellen. Eerlijk gezegd is veel van de nota nog behoorlijk vaag in de betekenis dat er nog veel moet afgestemd worden met het werkveld, dialoog dus. Ook de autonomie van en vertrouwen in scholen is een belangrijke constante. De titel brengt dit alles samen in “Vol vertrouwen en in dialoog bouwen aan onderwijs”. Bouwen, juist, infrastructuur.

Een verdere rode draad is de wens planlast af te bouwen en regelgeving en regelneverij in te perken. Tegelijk staan er veel zaken in die net tot meer regels voor scholen en controle zouden kunnen leiden. Hopelijk kan dit laatste voorkomen worden door dit concrete voorstel dat in de beleidsnota staat en dat ik er toch uitlicht:

Het bewaken van de kwaliteit van de regelgeving en het beheersbaar houden ervan is een overheidsdoelstelling die al werd vertaald in verschillende beleidsinstrumenten. Ik sluit mij daar bij aan door een regeldruktoets bij nieuwe onderwijsregelgeving en een onderwijstoets bij alle Vlaamse regelgeving in te voeren.

Hopelijk zijn beide toetsen dan wel bindend!

Wat me verder opviel is de duidelijke wil om kinderen 3 jaar in het kleuteronderwijs te krijgen. We scoren hier wereldwijd al uitzonderlijk, maar net die kleine groep die het nog niet doet, bevat vaak kinderen die het net nodig hebben. Let wel, de leerplicht blijft een federale materie, dus het gaat vooral over stimuleren.

CLIL blijft beperkt tot secundair onderwijs lijkt het, maar toch is er meer ruimte voor talen in het basisonderwijs:

In het basisonderwijs zal ik meer bekendheid geven aan de mogelijkheid om taalinitiatie in het Engels, Frans en Duits te voorzien wanneer de leerlingen het Nederlands voldoende onder de knie hebben.

Het woord talent valt regelmatig, maar is niet zo massief aanwezig als ik de voorbije maanden sommige mensen hoorde hopen en andere hoorde vrezen.

Nu, los van het document is er 1 ding zeker: “the proof of the pudding is in the eating”.





Onderwijs in de stad: enkele opvallende cijfers verzameld

27 10 2014

Dit is een eerste deel van 4 blogposts over onderwijs in de stad. Ik wil eerst beginnen met een reeks van opvallende cijfers die de uitdagingen van onderwijs in de stad (en buiten de stad zoals je zal merken) duidelijk maken.

Dit is een overzicht van de geboortes in een land van het begin tot nu:

Geboortes

In deze grafiek zie je beide wereldoorlogen en de babyboom van de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw en ook de meer recente babyboom van de laatste 10 jaar. Een babyboom met gevolgen voor onderwijs:

Aangroei leerlingen

Het is een verhaal van vergrijzing, maar als je deze cijfers bekijkt van de gemiddelde leeftijd in Vlaanderen versus enkele steden dan zie je dat het verhaal niet zo eenvoudig is:

Dia071

Je ziet er de algemene vergrijzing in de steeds ouder worden Vlaamse bevolking maar een spectaculaire daling van de gemiddelde leeftijd in Schaarbeek. Zelf in Antwerpen en Gent zie in je in 2011 al een kleine knik gemaakt worden, terwijl Vlaanderen steeds ouder blijft worden.

Dit wordt ook versterkt door de trek naar de stad als je naar deze kaart van België kijkt waarin men de evolutie bekijkt van de bevolkingsdichtheid tussen 2001 en 2011:

Dia069

Je ziet op deze kaart een oudere bevolking ontstaan in krimpregio’s zoals de blauwe plekken in West-Vlaanderen (en mispak je niet, de aangroei aan de kust is ook een sterke verouderingsgolf met een gemiddelde leeftijd in 2011 van 46 jaar) en een sterke aangroei van de verstedelijkende driehoek Brussel, Antwerpen, Gent.

Maar die aangroei brengt ook meer diversiteit met zich mee, als we kijken naar een grafiek die ik al eerder bracht:

Onderwijstaal

 

En voor mensen die vertrouwd zijn met Brussel, deze grafiek toont de verwachte evolutie in aangroei kinderen tot 2020, waarbij vooral opvalt dat het de arme wijken zijn die een groei in kinderen krijgen. Want mispak je niet, Brussel is een van de rijkste steden ter wereld qua inkomen van de bevolking, maar de rijkdom is er een zeer ongelijk.

groei brussel

(bron)

Conclusies van deze eerste post:

 

 





De week van de stad… en onderwijs

27 10 2014

Van maandag 27 oktober tot zondag 2 november pakt Canvas uit met De week van de stad. Talkshows, reportages, documentaires en films, allemaal in het teken van de stad. Hier kan je de weekprogrammatie bekijken.

In de beleidsnota onderwijs die woensdag in het Vlaams parlement voorgesteld wordt, is er ook grote aandacht voor de grootstedelijke context.

Prima aanleiding om deze week ook op deze blog stil te staan bij de stad en onderwijs.

Ik ga proberen 4 thema’s uit te werken:

Heb je voor een van deze 4 thema’s interessante tips, mail me gerust.





Games in de klas: 4 profielen van leraren

27 10 2014

Er is een nieuw rapport over het gebruik van games in het Amerikaanse onderwijs. Hiervoor bevroeg men 694 Amerikaanse onderwijzers en leerkrachten uit middenscholen (tot 14 jaar). Veel van de cijfers zijn wel interessant maar niet per se bruikbaar voor ons. In het onderzoek maakte men echter ook profielen van leraren en hun houding tegenover games en dit is mogelijk universeler:

Meer uitleg over deze profielen:

Dabblers

These are teachers who are not gamers themselves and report fairly low levels of comfort with the technology. This group, which made up about 20% of the teachers that use games, is the most conservative when it comes to using games and the most likely to use personal computers versus tablets or game consoles.

Still, the report found, “While Dabblers hold lower confidence in the efficacy of digital games to teach 21st century skills than the others, they are still more likely to indicate positive or no changes than negative changes in student behavior and classroom management as a result of” game-based teaching.

The Players

Perhaps the oddest group to consider, “The Players” were a group of teachers — about 23% of teachers that use games — that play games themselves but rarely use them in class. This group turned out to be the teachers who use digital games the least and, although the research cannot draw a direct connection, it may have a lot to do with where they teach.

The report found that, these teachers “Face many barriers when using games with students—the highest reported among all groups—and receive the lowest levels of support from parents, administrators, and fellow teachers.”

Barrier Busters

One key thing seemed to separate the Barrier Busters from The Players and that was faith in the power of games to teach. Like The Players, these teachers are themselves gamers and also face significant barriers — money, time, etc — to implementing games.

But unlike The Players, Barrier Busters aggressively seek out information about how to integrate games into the classroom and are very likely to use them.

Barrier Busters “provide students with access to the greatest variety of game devices and genres. They also use digital games at significantly higher rates than their fellow [game-using teachers] to deliver curricular content and assess students.”

The Naturals

The last subgroup the report identified were those teachers who did not need much support or professional development to implement games. These teachers, The Naturals, have access to supportive communities and use their games for many of the most creative purposes.

As the authors put it, “Report a moderately high variety of game device and genre use. Notably, this is the only profile that uses games to deliver core content more often than supplemental content.”

Op basis van deze 4 profielen keek men ook wie voor welk doel games gebruikte:

Er verscheen trouwens ook net een nieuw e-book over games in het onderwijs, check mijn Engelstalige blog.

 

 





Duidelijke campagne: I am a Liberian, not a virus

27 10 2014

De schrik voor Ebola zit er goed in, maar schrik is vaak een slechte raadgever.

Deze campagne maakt duidelijk hoe angst mensen kan stigmatiseren en onnodig in de problemen kan brengen:

(via Larry Ferlazzo)





TED-talk over de ignobelprijzen: onderzoeken die je eerst doen lachen, daarna doen nadenken

26 10 2014




Lectuur op zaterdag: Leeftijd als mindset en andere kwaliteiten

25 10 2014

De weekendbijlage bij deze blog:

Tot slot zag ik gisteren deze afbeelding in een lezing:





Persbericht UGent: UGent ontwikkelt game voor meer reclamewijsheid

24 10 2014

Kreeg net deze via mail binnen:

Vandaag vindt in Living Tomorrow (Vilvoorde) het kick-off event van het project AdLit plaats. AdLit verenigt vier universiteiten (UGent, KU Leuven, UA en VUB) en heel wat stakeholders die samen onderzoeken hoe ze de reclamewijsheid van minderjarigen kunnen verhogen. Daarvoor worden educatieve pakketten en een game gemaakt, zijn sensibiliseringscampagnes gepland en worden reclamecues ontwikkeld waardoor kinderen en jongeren reclame sneller kunnen herkennen. AdLit formuleert ook aanbevelingen voor beleid en zelfregulering.

Van academische kennis tot (serious) game voor en door jongeren

AdLit werd enkele maanden geleden in het leven geroepen als vierjarig IWT-project. Tijdens het kick-off event worden de eerste onderzoeksresultaten en de concrete doelstellingen van dit project nader toegelicht voor de verschillende stakeholders en partners uit de onderwijs- en reclamewereld. In enkele interactieve world cafés wordt gedebatteerd over allerlei stellingen en inzichten rond reclamewijsheid. Tot slot presenteert het Center for Persuasive Communication (CEPEC) van de Universiteit Gent er haar gameproject. Daarin worden de bestaande inzichten binnen het academisch onderzoek rond reclamewijsheid vertaald naar jongeren en het brede publiek aan de hand van een serious game. Een serious game wil spelers spelenderwijs iets aanleren. De kunst is echter om een goede balans te vinden tussen het leer– en het ‘fun’aspect. Daarom wordt het concept samen met jongeren ontwikkeld. Zij krijgen zeggenschap over het spelverloop en de grafische elementen. Dit 2-jarig project ging in september 2014 van start en gaat uit van de Universiteit Gent. Het game zal in het voorjaar van 2015 online beschikbaar zijn en gelanceerd worden via sociale media.

Reclame: alomtegenwoordig en steeds moeilijker herkenbaar

Met de oproep van kinder- en jeugdpsychiater Peter Adriaensens tot het boycotten van tablets en smartphones voor kinderen en het succes van het nieuwe sociale netwerk Ello, de reclamevrije concurrent van Facebook, is media- en reclamewijsheid weer een ‘hot topic’ geworden. En dit is maar goed ook.  Kinderen en jongeren worden dagelijks overspoeld met reclame, via verschillende media en in verschillende vormen. Reclame is dan ook overal aanwezig en is zelfs steeds moeilijker te herkennen: de smokey eye tutorial van L’Oréal op Youtube? Reclame. Die coole game waarin je de mini M&M’s moet zien te verzamelen? Reclame. Of de Coca-Cola Light blikjes in Lady Gaga’s kapsel in de clip van Telephone? Je raadt het al … reclame.

Op zich is dit zeker niet negatief want reclameboodschappen kunnen kinderen en jongeren helpen om geïnformeerde keuzes te maken. Hiervoor moeten ze echter over de capaciteit en mogelijkheid beschikken om de reclameboodschappen te herkennen en de intentie van de reclamemakers te begrijpen. Met andere woorden: om kritisch met reclame om te kunnen gaan, moeten kinderen en jongeren voldoende reclamewijs zijn. Onderzoek wijst er echter op dat deze reclamewijsheid meestal zeer laag is voor de nieuwe reclamevormen. Kenmerkend voor deze nieuwe vormen is namelijk dat ze de reclameboodschap integreren in populaire media-inhoud, waardoor het vaak moeilijk is om het onderscheid te maken tussen reclame en media, bv. product placement, advergames, … Hierdoor verwerken minderjarigen de reclameboodschappen niet op een kritische manier, wat kan leiden tot onbewuste beïnvloeding met mogelijke negatieve effecten als gevolg, zoals toenemend materialisme, een verlaagd zelfbeeld,… Hoog tijd dus om na te gaan hoe we kinderen en jongeren kunnen leren omgaan met reclame, zodat ze opgroeien tot kritische, geïnformeerde consumenten die zelf bewuste keuzes kunnen maken.

Nog even wachten dus.





Opvoeding: sterke controle op tieners niet goed voor ontwikkeling vriendschappen en autonomie

24 10 2014

Het onderzoek heeft misschien een hoog ‘no shit, Sherlock’ gehalte, maar het is een nagel waar niet genoeg op kan geklopt worden. Uit een nieuw, longitudinaal onderzoek bij 184 tieners gevolgd tussen 13 en 21 en van diverse afkomst (zowel etnisch als qua SES) blijkt dat ouders die meer psychologische controle uitvoeren de kans verhogen dat hun tieners makkelijker bezwijken onder bijvoorbeeld peer pressure. Binnen vriendschappen is het belangrijk dat je kan aangeven wat kan en wat niet. Dit is een belangrijke vorm van autonomie, maar deze kan dus onder druk komen te staan.

De ironie is dus dat je zo als ouder er kan voor zorgen dat je kind minder opstaat tegen dingen in zijn vriendengroep die je net wil vermijden.

De sociale controle op 13 jaar werd nog gemerkt in het gedrag van de kinderen 10 jaar later. Zo konden ook de de romantische verhoudingen onder de druk op jonge leeftijd lijden.

Een mogelijk puntje van kritiek op het onderzoek is dat men voor de psychologische druk enkel keken naar de perceptie van de kinderen en het ook niet helemaal duidelijk is of er echt per se een causaal verband moet zijn in de richting die de onderzoekers vermoeden. Het kan ook zijn dat bepaalde eigenschappen van het kind dergelijke druk veroorzaken. Dit laatste wordt ook door de onderzoekers erkend.

Abstract van het onderzoek:

A developmental cascade model of autonomy and relatedness in the progression from parent to friend to romantic relationships across ages 13, 18, and 21 was examined among 184 adolescents (53% female, 58% Caucasian, 29% African American) recruited from a public middle school in Virginia. Parental psychological control at age 13 undermined the development of autonomy and relatedness, predicting relative decreases in autonomy and relatedness with friends between ages 13 and 18 and lower levels of autonomy and relatedness with partners at age 18. These cascade effects extended into adult friendships and romantic relationships, with autonomy and relatedness with romantic partners at age 18 being a strong predictor of autonomy and relatedness with both friends and partners at age 21.

 








Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 6.375 andere volgers

%d bloggers op de volgende wijze: