Echte ‘people’-managers die beter emoties kunnen lezen, verdienen meer

25 11 2014

Een nieuw onderzoek toont dat mensen die beter de emoties kunnen lezen van hun personeel beter verdienen. Hiervoor rekruteerden de onderzoekers 147 deelnemers die een reeks van 20 beelden met gezichtsuitdrukkingen van kinderen en 20 geluidsopnames hoorden en daarvan moesten inschatten welk gevoel er getoond of gehoord werd. Gemiddeld had men 77% correct, maar er waren ook respondenten die bijvoorbeeld 87% correct hadden.

Van alle respondenten werd vervolgens informatie ingewonnen bij collega’s en bedrijven, en wat blijkt, die laatste groep “are considered more socially and politically skilled than others by their colleagues. Their supervisors also attribute better social and political skills to these people. And, most notably, their income is significantly higher.”

Wat het onderzoek nog interessanter maakt, is dat de onderzoekers vervolgens hun eigen onderzoek gerepliceerd hebben met 156 respondenten en gelijkaardige resultaten kregen.

Abstract van het onderzoek:

This study integrates the emotion and social influence literatures to examine how emotion recognition ability (ERA) relates to annual income. In a sample of 142 employee–peer–supervisor triads from a broad range of jobs and organizations, we find that people’s level of ERA indirectly relates to how much they earn per year. The relationship between ERA and annual income is mediated sequentially through political skill and interpersonal facilitation. The results imply that emotional abilities allow people not only to process affect-laden information effectively but also to use this information to successfully navigate the social world of organizations in the pursuit of prosperity.





We hebben een Nederlandse John Oliver: Lubach over homeopathie

24 11 2014

Een lesje in grappig kritisch zijn.





9 voorbeelden van mobiel leren op school en op het werk

24 11 2014




Waar Maurice De Hond en Daphne Deckers gelijk hebben (en waar ongelijk)

23 11 2014

Las net met veel interesse de reactie van Maurice De Hond op de passage van Daphne Deckers in de uitzending van WNL op Zondag. Daphne stelde “Er is wederom aangetoond dat als je iets op papier leest, je het beter tot je neemt dan als je het vanaf een iPad leest” en de reactie van Maurice is “Je moet nieuwe technologie gebruiken om nieuwe dingen mee te doen. Als je er alleen oude dingen mee doet, hoef je de nieuwe technologie niet te gebruiken . (Dus een leerboek lezen op een iPad is weinig zinvol).”

Beide hebben gelijk en vooral: beide stellingen spreken elkaar niet tegen. Het zou fout zijn dit als een tegenstelling te zien. Is er nog nood aan papier? Wellicht wel, om de reden die Daphne aanhaalt. Trouwens, noteren op papier is echt beter, maar misschien niet om de reden die je dacht. Is er geen nood aan technologie op school? Absoluut wel, maar dan liefst voor zinvolle zaken die meerwaarde hebben, zoals Maurice verschillende voorbeelden aanbrengt in zijn stuk.

Waar Maurice volgens mij gevaar loopt de mist in te gaan is met deze passage:

“Kijk eens naar kinderen van een jaar of 5.  Wat hebben ze vanaf hun geboorte veel geleerd. Dat hebben ze gedaan zonder dat ze een letter hebben kunnen lezen. Het leren gaat vooral via het zien, horen, imiteren  en het vervolgens proberen, proberen en nogmaals proberen.”

Niet dat dit fout is, maar het is in de wereld van vandaag én die van morgen al lang niet meer genoeg. Dit is niet eens een bijna romantisch beeld van kinderen en onderwijs en ook dit is een klassieke fout. De vraag is namelijk of je zo alles kan leren. En of je enkel moet leren waar je interesse in hebt? Heeft onderwijs niet meer taken dan deze? En of je – als je zo leert – wel steeds het juiste of correcte leert? (3X raden) En… of het de meest efficiënte manier is. Ja, je kan ogenschijnlijk veel leren van een lezing van Robert Dijkgraaf, maar zonder inoefenen, herhalen of ‘kortsluiting’, is de kans klein dat je het zal onthouden. Of je trouwens alle nuances en inzichten van een gesproken verhaal op afstand krijgt die je via een tekst of van interactie met een docent of medelerende zou krijgen, is op zijn zachtst gezegd niet zo zeker.

De grote fout die ogenschijnlijk zowel Daphne als Maurice maken is dat er een one size fits all-denken lijkt uit te spreken, het idee dat er 1 aanpak zou bestaan die voor elke leerlingen en elke inhoud werkt. Ik schrijf bewust ogenschijnlijk omdat ik weet dat deze denkfout bij O4NT trouwens veel minder gemaakt wordt dan wat het soms in de media lijkt.

Goed onderwijs, en zeker prima leerkrachten, gebruiken een veelvoud van middelen en aanpakken om net leren mogelijk te maken. Een rijk repertoire aan middelen en aanpakken, liefst met bewezen meerwaarde, daar gaat het dan over. Dus zowel bord en krijt als tablets (alhoewel misschien deze in de laatste jaren van het VO overbodig zijn), zowel directe instructie als groepswerk en de vele, vele andere mogelijkheden.

Het meest jammere is dat deze discussie zo weer over het hoe gaat, terwijl onderwijs2032 toch eerder over het wat en waarom zou kunnen gaan.

P.S.: Oja, een vraagje: verlaat in dergelijke discussie aub de anekdotiek als argumentatie. Waar sommige stellen dat je met onderzoeken en tegenonderzoeken kan zwaaien, is dit veel minder het geval dan bij anekdotes en tegen-anekdotes.





Een handleiding uit 1974 van Lego voor ouders met een duidelijke boodschap

23 11 2014

Deze foto doet momenteel de ronde op Internet:

Schijnbaar 40 jaar oud, uit 1974, maar tegelijk hypermodern qua visie bijvoorbeeld op gender.

IO9 vroeg zich af of dit echt is, maar het ziet er naar uit van wel!





Lectuur op zaterdag: twitter als redder van een beschadigd geheugen en meer!

22 11 2014

De weekendbijlage bij deze blog:





Afspraken maken rond sociale media op school, een handleiding

22 11 2014

Vorig academiejaar begeleidde ik verschillende groepjes studenten in hun bachelorproef. 3 er van werden in mei voorgesteld in de Vooruit op Apestaartjaren. De voorbije maanden kreeg ik vooral vragen over deze bachelorproef van Bram Kuppens, Femke Pletinckx, Julie Rottier en Lisa Scheire over ‘Afspraken rond sociale media integreren in het schoolreglement’.

Klasse brengt deze maand 8 tips uit hun BAP die ze maakten voor hun opleiding Bachelor in het Onderwijs: Secundair Onderwijs aan de Arteveldehogeschool, maar je kan nu ook het hele werk downloaden vol tips en vooral met verschillende handleidingen voor scholen om aan een goed afsprakenkader te werken rond sociale media op school:





Persbericht EMSOC: rapport over het sociale mediagebruik van de Vlaamse bevolking

21 11 2014

Vandaag verscheen dit rapport en bijhorend persbericht over het sociale mediagebruik van de Vlaming:

In juni 2014 zonden EMSOC-onderzoekers Hadewijch Vanwynsberghe & Louise Hasepeslagh (iMinds-MICT, UGent) een survey het wereldwijde web in die het sociale mediagebruik van de Vlaming zou moeten meten. Nu kunnen we eindelijk de langverwachte resultaten lezen in het EMSOC survey rapport, onderaan de pagina te downloaden.

Uit het onderzoek is onder meer gebleken dat – misschien niet erg verrassend – Facebook het populairste sociale netwerk is, met 79% van de respondenten die een account hebben op deze website. Ongeveer een derde van de respondenten had een account op Twitter en evenveel mensen één op LinkedIn, maar de frequentie van het gebruik van Twitter ligt wel hoger dan bij LinkedIn het geval is. De belangrijkste reden om Facebook te gebruiken blijkt ‘om up to date te blijven met wat mijn vrienden doen’ te zijn. Twittergebruikers geven daarentegen aan dat zij dit medium gebruiken om up to date te blijven met wat bekende mensen doen.

Ook bij de vraag naar mogelijke redenen om de sites te stoppen gebruiken, zien we duidelijke verschillen tussen Facebook en Twitter. Bij Facebook zijn privacyzorgen, te veel nutteloze informatie en advertenties de belangrijkste redenen, terwijl bij Twittergebruikers het feit dat niet genoeg vrienden het platform gebruiken de voornaamste reden is.

De survey peilde verder ook naar de technische, emotionele en kritische competenties van sociale mediagebruikers. Daaruit bleek dat de activiteiten die we het vaakst doen, zoals het posten van een foto of het gebruiken van een hashtag, ook het best kunnen. Meer complexe of verborgen activiteiten, zoals het rapporteren van advertenties, het verwijderen van tweets of het gebruiken van Twitterlijsten, ervaren we als moeilijker. Daarnaast is het opvallend dat weinig sociale mediagebruikers een goede kennis hebben over de platformen die ze gebruiken. De situatie is hierbij slechter voor Twitter dan voor Facebook. Heel wat gebruikers zijn zich er bijvoorbeeld niet van bewust dat hun gegevens worden doorverkocht of dat de berichten die ze te zien krijgen eerst gefilterd worden voor ze op hun Facebook nieuwsoverzicht of Twitter feed verschijnen. Ook weten weinig gebruikers dat ze hun auteursrechten opgeven voor alles wat ze posten op de sociale netwerksites.

Meer dan de helft van de Facebookgebruikers zeggen zich zorgen te maken over hun privacy en hebben het gevoel dat Facebook als bedrijf hun privacy niet respecteert. Toch blijkt dat minder dan de helft van de Facebookgebruikers ooit de gebruiksvoorwaarden heeft gelezen. Deze tegenstrijdigheid valt mogelijk te verklaren door de moeilijke taal die in dergelijke voorwaarden wordt gehanteerd. Wel veelbelovend is dat acht op tien Facebookgebruikers zijn privacy-instellingen heeft aangepast. Dit is dan ook een meer eenvoudige en concrete actie dan het lezen van de gebruiksvoorwaarden.

De onderzoekers besluiten dat elke gebruiker over een andere combinatie van competenties beschikt. Dit zorgt voor enkele duidelijk te onderscheiden gebruikersgroepen. Sommigen zijn ongeïnteresseerd, sommigen denken goed na voor ze iets doen online, sommigen zijn kritisch, anderen beschikken dan weer over veel kennis en nog anderen zijn impulsief. Dit kan belangrijk zijn voor leerkrachten, bedrijven, overheden en andere stakeholders die de sociale mediageletterdheid van een bepaalde doelgroep wensen te verhogen. Rekening houden met deze verschillende groepen kan dan een belangrijke factor zijn.

Download het EMSOC survey rapport hier.





Wat leren we bij uit de de Vlaamse Regionale Indicatoren (VRIND 2014) over jongeren?

21 11 2014

Gisteren werden de nieuwe Vlaamse Regionale Indicatoren (VRIND 2014) voorgesteld (je kan ze hier downloaden en echt bekijk het ook helemaal!).

Net zoals vorig jaar en het jaar daarvoor even kijken wat er zoal over jongeren verteld wordt:

Over inkomen en werk:

  • In de lente van 2013 liggen de tevredenheidsscores van de Vlamingen met verschillende levensaspecten over het algemeen lichtjes hoger dan de voorbije jaren. Jongeren (<35 jaar) klagen iets meer over hun inkomen en het werk dat ze doen.
  • In vergelijking met 2012 vrezen werkenden iets meer voor hun job. Dit geldt ook voor de jobverwachting bij jongeren. Meer dan een kwart van de werkenden vreest door faillissement of ontslag zijn werk te verliezen, bij de werkzoekenden loopt dit op tot meer dan 1 op de 3. Bij studenten is de vrees om niet aan werk te geraken na hun studies tot circa 30% opgelopen. De stijgende werkloosheidscijfers en zeker de stijgende jongerenwerkloosheid in 2013, laat zich hier zeker gelden.
  • Tussen februari 2012 en januari 2013 waren er 30.063 mannelijke en 30.825 vrouwelijke schoolverlaters. Daarvan schreef 83% zich in als werkzoekende bij de VDAB. In 2006-2007, voor de crisis, schreven zich slechts 64% van de schoolverlaters in bij de VDAB. De sterke stijging heeft te maken met de slechte conjunctuur die een sterke rem zet op de intrede van jonge schoolverlaters op de arbeidsmarkt.
  • De werkzaamheidsgraad bij jongeren (20-24 jaar) is tussen 2008 en 2013 met 8 procentpunten gedaald van 56,1% naar 48,1%. Dit is deels te wijten aan de crisisjaren; jongeren zijn erg kwetsbaar in tijden van economische laagconjunctuur. Anderzijds is er ook de stijgende deelname aan hoger onderwijs.
  • Tijdelijke arbeid is ook sterk leeftijdsgebonden en blijkt vooral een jongerenzaak te zijn. Bij Vlaamse jongeren komen tijdelijke arbeidsovereenkomsten relatief meer voor dan bij de totale bevolking op arbeidsleeftijd, maar minder dan bij tal van hun Europese leeftijdsgenoten. Dit onderlijnt het belang van tijdelijk werk als intredekanaal op de arbeidsmarkt.
  • Er is en blijft een groot tekort aan technisch geschoolde arbeidskrachten. Nog steeds kiezen te weinig jongeren voor opleidingen die voorbereiden op deze technische beroepen.
  • Bij de werkloosheidsgraad van jongeren (18-24 jaar) zijn gelijkaardige verschillen te zien als bij de totale bevolking. De werkloosheidsgraad ligt bij de jongeren van Maghrebijnse herkomst 4 keer hoger dan bij de jongeren van Belgische herkomst (20% tegenover 5%). De werkloosheidsgraad bij jongeren afkomstig uit Turkije en de andere kandidaat-EU-landen en uit de Europese landen buiten de EU (telkens 17%) ligt meer dan 3 keer hoger dan de werkloosheidsgraad van Belgische jongeren. Bij de jongeren afkomstig uit een Zuid-EU-land en de ‘andere landen’ (telkens 10%) ligt de werkloosheidsgraad dubbel zo hoog als bij jongeren van Belgische herkomst.

Over sociaal leven en sociale contacten:

  • Vlamingen hebben regelmatig contact met buren, familie of vrienden. Vooral de contacten met buren zijn vrij frequent, behalve voor jongeren en hooggeschoolden. Zij compenseren dit door meer contacten met vrienden en door online contacten.

  • Uit de JOP-monitor 3 blijkt dat ongeveer 57% van de jongeren (14- tot 30-jarigen) actief of organiserend deelnemer in het verenigingsleven is. Het aantal deelnemende jongeren aan internationale uitwisselingsprogramma’s stijgt de voorbije vijf jaren sterk.
  • Hieruit blijkt ook dat ongeveer 57% van de jongeren (14- tot 30-jarigen) actief of organiserend deelnemer in het verenigingsleven is. Ongeveer een derde van de verenigingsparticipanten participeert aan een of meerdere jeugdwerkverenigingen. Dit komt neer op ongeveer een vijfde van de Vlaamse jongeren. Binnen de jeugdwerkver- enigingen hebben de jeugd- en jongerenbewegingen het grootste aandeel. De participatie van de 12- en 13-jarigen wordt apart bekeken. De verenigingsdeelname bij deze groep ligt opvallend hoger dan bij de 14- tot 30-jarigen. In totaal is meer dan vier vijfde lid van een of andere vereniging en meer dan 4 op de 10 is lid van een jeugdbeweging. Ook hier hebben de jeugd- en jongerenbewegingen het grootste aandeel.

  • Jongereninformatiepunten (JIP) zijn laagdrempelige voorzieningen waar kinderen, tieners en jongeren met hun vragen terecht kunnen. In 2014 zijn er 62 erkende JIP’s. Samen beantwoorden ze ongeveer 14.000 vragen per jaar.

Over gezondheid:

  • Het aandeel volwassen rokers vertoont de voorbije 20 jaar een dalende trend. In 2011 rookt 18,5% van de Vlamingen van 18 jaar en ouder. Dit lijkt een goede stap op weg naar de gezondheidsdoelstelling die stelt dat er tegen 2015 maximaal 20% volwassen rokers mogen zijn. Ook het tabaks- en alcoholgebruik bij jongeren loopt terug.
  • Gemiddelde leeftijd waarop jongeren hun eerste sigaret hebben opgestoken was 14,4 jaar.
  • Tussen jongens en meisjes is er maar weinig verschil meer. Het dagelijks roken neemt sterk toe met de leeftijd, bij de 17- tot 18-jarigen rookt 17,5% dagelijks. Leerlingen in het TSO en vooral BSO roken beduidend meer dan leerlingen in het ASO.
  • Tussen schooljaar 2000-2001 en 2011-2012 is een sterke daling te merken in het tabaksgebruik bij jongeren. De grootste daling doet zich voor in het ‘ooit gebruik’ met een daling van om en bij de 20%. Toch is er blijvende aandacht nodig voor de jongeren die wel experimenteren en verder evolueren naar regelmatig gebruik: 1 op 10 leerlingen is namelijk een regelmatige roker. Tijdens het schooljaar 2011-2012 is er een lichte stijging van het aantal regelmatige gebruikers.
  • Aan het einde van het secundair onderwijs gebruikten bijna alle leerlingen ooit alcohol: onder de 17- tot 18-jarigen heeft 89% ooit alcohol gedronken. De gemiddelde leeftijd waarop men een eerste glas drinkt, is 14 jaar.
  • Van alle leerlingen in het secundair onderwijs in het schooljaar 2010-2011 drinkt 18% regelmatig alcohol, meer jongens dan meisjes. Met de leeftijd neemt de frequentie van alcoholgebruik snel toe: 21,5% van de 15 tot 16-jarigen en 39% van de 17 tot 18-jarigen drinkt regelmatig alcohol. Het TSO en BSO tellen iets meer leerlingen die regelmatig alcohol drinken dan het ASO, maar de verschillen zijn klein.
  • De voorbije 10 jaar daalde zowel het ‘ooit gebruik’ als het regelmatig gebruik. De 17,6% regelmatige gebruikers tij- dens schooljaar 2011-2012 betekenen bijna een halvering tegenover de 29% regelmatige gebruikers tijdens school- jaar 2000-2001. Deze daling is echter grotendeels toe te schrijven aan een sterke daling in het ‘ooit gebruik’ bij de 12- tot 14-jarigen.
  • Cannabis blijft de meest populaire onder de illegale drugs bij jongeren: in het schooljaar 2011-2012 had 17,3% van alle leerlingen ooit cannabis geprobeerd tegenover 3,9%die ooit een andere illegale drug hadden geprobeerd. De gemiddelde leeftijd waarop een eerste keer cannabis werd gebruikt, was 15,4 jaar.
  • In het schooljaar 2011-2012 heeft 10,4% van alle leerlingen het jaar voor de bevraging cannabis gebruikt: 7,8% occasioneel, 2,6% regelmatig. Cannabis is populairder bij jongens dan bij meisjes en het gebruik neemt gradueel toe met de leeftijd. In de groep 17- tot 18-jarigen heeft 21% het voorbije jaar cannabis gebruikt, 5% deed dit regelmatig. De verschillen in laatstejaarsgebruik tussen de onderwijsvormen waren beperkt, wel gebruikten in het TSO en het BSO 2 tot 3 maal zoveel leerlingen regelmatig cannabis dan in het ASO.
  • Onder de gebruikers van cannabis zijn er meer occasionele dan regelmatige gebruikers, en dit in alle leeftijdscategorieën, in de 3 onderwijsvormen en zowel bij jongens als meisjes.
  • Tussen het schooljaar 2000-2001 en 2011-2012 schommelt de laatstejaarsprevalentie van cannabisgebruik rond de 12%. Wel is er een daling in het regelmatig gebruik van cannabis, sinds 2004-2005 is er een stabilisering rond de 3%.

Over vertrouwen:

  • De jongste en oudste leeftijdsgroepen hebben globaal meer vertrouwen. Jongeren staan wel kritischer tegenover de Kerk en het koningshuis, terwijl ze meer vertrouwen stellen in het gerecht.

Over politiek, overheid en voorzieningen:

  • De jongeren zijn minder tevreden over de opvang en begeleiding van werklozen, het openbaar vervoer en groenvoorzieningen.
  • Jongeren (<35 jaar) verwachten over de ganse lijn iets minder van de overheid. Minder dan andere leeftijdsgroepen vinden zij dat het de verantwoordelijkheid is van de overheid om werklozen een behoorlijke levensstandaard te garanderen en de inkomensverschillen tussen arm en rijk te verkleinen.
  • Minder dan 1 op de 4 volwassen Vlamingen is geïnteresseerd in politiek. De interesse ligt merkelijk hoger bij mannen (32%), hooggeschoolden (45%), 55- tot 65-jarigen (30%) en lager bij vrouwen (15%), laaggeschoolden (10%), 18- tot 35-jarigen (18%) en 75-plussers (17%). Maar: in vergelijking met 2012 zijn er nauwelijks verschillen.

Over leren en onderwijs:

  • Een vroege schoolverlater wordt Europees gedefinieerd als een 18-24-jarige die maximaal beschikt over een kwalificatie van het lager secundair onderwijs en geen onderwijs of opleiding meer volgt. De berekening gebeurt op basis van steekproefgegevens. In 2013 bedraagt de omvang van deze groep in het Vlaamse Gewest 7,5%. Het Vlaamse gemiddelde verbergt wel een aanzienlijk verschil tussen de geslachten: 5,7% bij jonge vrouwen tegenover 9,3 % bij jonge mannen. Daarmee behaalt het Vlaamse Gewest de Europese doelstelling en doet het duidelijk beter dan de gemiddelde EU-lidstaat. Ook Nederland, Frankrijk en Duitsland duiken onder de 10%-grens, zij het wat nipter dan het Vlaamse Gewest. Enkel in het Verenigd Koninkrijk en België als geheel wordt de EU2020-doelstelling (nog) niet gehaald in 2013.
  • In 2010 was 12,7 % van de +18-jarigen die het se- cundair onderwijs verlieten een vroegtijdige schoolverla- ter. Hoewel deze groep vandaag duidelijk groter is dan bij het begin van de eeuw, zien we hoe zich in 2008 een lichte daling inzette die wordt verdergezet in 2009 en 2010. We evolueren dus terug naar de situatie in het jaar 2000. Als we ook rekening houden met de kwalificaties uit het buitengewoon secundair onderwijs (OV3 & OV4) bedraagt het aandeel in 2010 11,1%.
  • Voor wie uitstroomde uit het secundair onderwijs op het einde van de schooljaren 2008-2009 en 2009-2010 kunnen we een volledig beeld schetsen. Gemiddeld neemt van dat eerste schooljaar 67% deel aan het hoger onderwijs. De verschillen zijn echter aanzienlijk: wie een hooggeschoolde moeder heeft, gaat in 86% van de gevallen zelf ook naar het hoger onderwijs. Met een middengeschoolde moeder is dat nog 66% en bij jongeren met een laaggeschoolde moeder valt de deelname terug tot 45%. De doelstelling uit het Pact leek daarmee bijna bereikt: 57% van de jongeren met een niet-hooggeschoolde moeder, die uitstroomden uit het secundair onderwijs op het einde van het schooljaar 2008-2009, participeerde aan het hoger onderwijs. Het jaar erop zien we echter een daling met 2%. Bovendien moet opgemerkt worden dat het vooral
    de jongeren met een middengeschoolde moeder zijn die bijdragen tot het bereiken van de doelstelling. De resultaten voor de uitstroomjaren 2010-2011 en 2011- 2012 zijn nog niet definitief en liggen logischerwijze dan ook wat lager: er kon nog niet voor alle relevante academiejaren worden nagegaan of de jongeren zich aanbieden in het hoger onderwijs. Uit de voorlopige cijfers kunnen we zien dat er een zwakke negatieve tendens is. Indien deze tendens niet gekeerd wordt, zal de doelstelling niet bereikt worden.
  • Verder zien we een duidelijk verschil tussen mannen en vrouwen: vrouwen nemen, over alle groepen heen, veel vaker deel aan het hoger onderwijs. Bovendien is de kloof licht gegroeid ten opzichte van de eerste meting. Bij de vrouwen wordt de doelstelling uit het Pact al bereikt. Het valt wel op dat de deelnamekloof kleiner wordt naarmate de moeder een hoger diploma behaalde.
  • We kunnen stellen dat 45% beschikt over een diploma uit het hoger onderwijs. Vrouwen doen het daarbij duidelijk beter dan mannen: meer dan de helft van de 25-34-jarige vrouwen heeft een diploma uit het hoger onderwijs. Bij mannen is dat ongeveer 37%.
  • Het aantal jongeren in centra voor deeltijds onderwijs blijft jaar na jaar stijgen. In het schooljaar 2012-2013 volgden 8.631 leerlingen (exclusief vrij, niet financierbare leerlingen) het DBSO (al deze cijfers heb- ben betrekking op de meting 1 februari 2013); hiervan zijn 67,8% jongens. Het voltijds engagement in 2012-2013 bedraagt 65,3%, in absolute cijfers 5.636 jongeren.
  • Van de 27,5% (2.374 jongeren) die geen voltijds engagement hebben, blijkt 6,9% (593 jongeren) niet onmiddellijk beschikbaar (ziekte, zwangerschap, enz…). 20,4% (1.765 jongeren) zijn te oriënteren, ze bevinden zich bij manier van spreken in een “wachtkamer” naar één of andere fase; 0,9% of 75 jongeren staan te oriënteren naar een per- soonlijk ontwikkelingstraject, 2,4% of 207 jongeren staan te oriënteren naar een voortraject, 3,2% of 276 jongeren staan te oriënteren naar een brugproject. Belangrijk maar ook schrijnend is dat 14% of 1.207 jongeren klaar zijn voor een reguliere tewerkstelling, maar moeten wachten op een passende alternerende tewerkstelling.
  • De algemene cijfers over de onderwijsdeelname van vreemdelingen wijzen niet direct op achterstelling. Het aandeel leerlingen met een vreemde nationaliteit in het kleuter, lager en secundair onderwijs lag in het schooljaar 2012-2013 tussen de 7% en 9%, wat min of meer overeenkomt met het aandeel vreemdelingen in de totale bevolking. In het buitengewoon kleuter, lager en secundair onderwijs liggen die percentages echter telkens 3 tot 4 procentpunten hoger. In het secundair onderwijs blijken er daarnaast duidelijk verschillen naar studierichting. In de 2de en 3de graad van het ASO en TSO ligt het aandeel vreemdelingen telkens tussen 4% en 5%. In het BSO ligt dat aandeel op 10%. In het deeltijds beroepssecundair onderwijs stijgt het aandeel vreemdelingen tot 21%.
  • Meer nog dan nationaliteit bepaalt de aan- of afwezigheid van een taalachterstand iemands slaagkansen in het onderwijs. Daarom is het zinvol om ook te kijken naar de voertaal van het gezin waarin de leerlingen opgroeien. Het gewoon kleuter- en lager onderwijs telde in 2012 respectievelijk 18% en 16% leerlingen met een niet- Nederlandse thuistaal. In het secundair onderwijs gaat het om 10% van de leerlingen. In het ASO en TSO gaat het slechts om 8% van de leerlingen. In het BSO stijgt dat aandeel tot 15%, in het deeltijds beroepssecundair onderwijs tot 24%.
  • De Vlaamse resultaten van het PISA-onderzoek over de onderwijsprestaties van 15-jarigen geven aan dat leerlingen van Belgische herkomst veel beter scoren dan leerlingen van vreemde herkomst (zelf of met ouders geboren in het buitenland). De resultaten van 2012 op de wiskundige geletterdheidsschaal wijzen op een verschil van bijna 100 punten: het grootste verschil van alle geteste OESO-landen. Ook als rekening gehouden wordt met de verschillen in sociaal-economische achtergrond van beide groepen, blijven de leerlingen van Belgische herkomst beduidend beter scoren. Van de leerlingen van Belgische herkomst haalt 12% het basisvaardigheidsniveau niet, bij de leerlingen van vreemde herkomst loopt dat op tot 41%.
  • Ook andere indicatoren die dieper ingaan op de schoolloopbaan van leerlingen wijzen op achterstand bij personen met een niet-Nederlandse thuistaal. In 2012 had voor- eerst 36% van de leerlingen met een niet-Nederlandse thuistaal in het laatste jaar van het gewoon lager onderwijs al één of meerdere jaren vertraging opgelopen. Bij de leerlingen met Nederlands als thuistaal is dat slechts 12%. In het secundair onderwijs loopt de schoolse achterstand verder op. 65% van de leerlingen in het 2de leerjaar van de 3de graad van het gewoon secundair onderwijs met een vreemde thuistaal heeft één of meerdere jaren vertraging opgelopen. Bij de leerlingen met Nederlands als thuistaal gaat het om 33%.
  • Daarnaast blijkt dat jongeren met een andere moedertaal dan het Nederlands veel vaker het secundair onderwijs vroegtijdig verlaten. Bij de jongens gaat het om 35% van de leerlingen, bij de meisjes om 26%. Dat aandeel ligt bij de jongens en meisjes die het Nederlands hebben als moedertaal respectievelijk slechts op 12% en 7%.
  • Ook wat het hoger onderwijs betreft, lijkt het aandeel personen met een vreemde nationaliteit (9% in 2012- 2013) niet direct te wijzen op achterstand. Maar een aan- zienlijk deel van de vreemdelingen ingeschreven in het Vlaamse hoger onderwijs komt hier enkel om te studeren en vertrekt daarna weer. Als enkel gekeken wordt naar de deelname aan het hoger onderwijs van de personen die in Vlaanderen secundair onderwijs hebben gevolgd, blijkt een ander beeld. Zo volgde 7 op de 10 leerlingen met een Belgische nationaliteit die in Vlaanderen in 2010 een diploma secundair onderwijs hebben gehaald in het daaropvolgende academiejaar een professionele of academische bachelor opleiding. Bij de niet-Belgen gaat het om iets minder dan de helft van de leerlingen.

Over zorg:

  • De overgrote meerderheid van de jongeren in de jeugdzorg zit in een problematische opvoedingssituatie. Diegenen die een als misdrijf omschreven feit pleegden, vormen een kleine minderheid.
  • Het aantal jongeren dat in de jeugdzorg terecht komt omwille van een problematische opvoedingssituatie gaat in licht stijgende lijn, het aantal jongeren dat een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd blijft dalen. Het totaal aantal jongeren met een maatregel (POS, MOF of andere) neemt jaar na jaar toe.
  • Jongeren tussen 15 en 19 jaar vormen de grootste groep. 32% van de jongeren in de jeugdhulpverlening is jonger dan 10 jaar. Het gaat om iets meer jongens dan meisjes.
  • Na de daling van het aantal jongeren op de wachtlijst in 2012, is er in 2013 terug een stijging. Eind 2013 stonden er 4.224 jongeren op de centrale wachtlijst, 151 meer dan het jaar voordien. De provincie Antwerpen telt het grootste aantal wachtenden.

Over demografie:

  • In de groot- en centrumsteden wonen in verhouding meer huishoudens zonder kinderen. In de grootsteden worden ook meer huishoudens geregistreerd met jonge kinderen, dit zowel bij de min 3-jarigen als bij de min 6-jarigen.
  • Het aandeel huishoudens met kinderen jonger dan 18 jaar ligt lager in de groot- en centrumsteden dan gemiddeld.
  • Kenmerkend voor de leeftijdsopbouw in Vlaanderen, is de steeds smallere basis van jongeren in combinatie met een steeds breder wordende bovenlaag van oudere leeftijdsgroepen. Vlaanderen vergrijst verder aan een snel tempo. Het aandeel -20-jarigen (ontgroening) is de afgelopen jaren enkel in de grootsteden, het strategisch gebied rond Brussel en in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest groter geworden. In de grootstedelijke en regionaal stedelijke rand en op het platteland is de daling van het aandeel -20-jarigen het sterkst.




Korte reportage over de EngKey, de robot-leerkracht in Zuid-Korea

21 11 2014

We hadden het er al lang geleden over, deze korte reportage geeft een kleine update:








Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 6.548 andere volgers

%d bloggers op de volgende wijze: