Al een voorbereiding op moederdag: de zwaarste job ter wereld (video)

17 04 2014




Volgens Britse leerkrachten zien kinderen en ouders elkaar steeds minder

17 04 2014

Uit een bevraging bij 1343 leerkrachten door de vakbond Association of Teachers and Lecturers (ATL) blijkt dat de meeste respondenten aangeven dat ze denken dat gezinnen steeds minder tijd met elkaar doorbrengen. 56% gaf aan dat ze denken dat kinderen nu minder tijd doorbrengen met hun ouders dan 20 jaar geleden.

74% echter stelt dat kinderen en hun ouders minder tijd samen hebben dan 5 jaar geleden en 61% denkt dat kinderen en ouders minder samen kunnen zijn dan 2 jaar terug.

De grote meerderheid ziet als verklaring de werkdruk van de ouders (94%), 92% ziet ook een negatieve invloed van technologie.

Enkele quotes uit het rapport:

A primary school teacher in Bexley said: “I feel that, through no fault of the parents, there is an expectation to work before looking after your own family.

“Living costs mean it is unaffordable for only one parent to work, and there is less importance attached to bringing up children, with a detrimental effect on children and family life, with more use of technology and less time spent together.”

A teacher at an independent school in Cambridgeshire said: “Many students travel for one to two hours to get to school.

“Most students have a full extra-curricular programme – music, dance, clubs – and then they’re expected to do up to three hours of homework a night.

“They are exhausted a couple of weeks into term.”

Het is natuurlijk een indirect meten van de eigenlijke tijd dat gezinnen met elkaar doorbrengen. Men bevroeg de perceptie van de leerkrachten, waarbij je vaak ook meer te weten komt over de leerkrachten zelf, maar toch als insteek interessant.

Als we kijken naar ander onderzoek dat effectief de tijd samen meet (we vermeldden dit ooit al in De Jeugd Is Tegenwoordig), dan spreken de onderzoeken elkaar tegen. De OESO stelt bijvoorbeeld wel degelijk een vermindering vast, terwijl Nederlandse onderzoekers van SCP dit niet konden vaststellen.

Een uitgebreide perstekst met cijfers vind je hier.





Waarom schermtijd beperken wel degelijk belangrijk is? (onderzoek)

14 04 2014

Zelf keek ik ontzettend veel televisie als kind en tiener en ik ben wellicht daardoor ietwat milder dan de strenge adviezen die de Amerikaanse vereniging voor pediaters geeft rond maximale schermtijd (max. 2 uur per dag voor kinderen onder de 12 jaar). Een nieuwe studie bevestigt echter terug dat ouders best wel degelijk waken over de totale schermtijd van hun kinderen (iets wat ik als ouder trouwens wel ook doe).

Want volgens dit onderzoek aan de Iowa State University blijkt dat het monitoren van de schermtijd van kinderen door hun ouders er voor zorgt dat de kinderen meer slapen, ook daardoor het beter doen op school en gezonder blijken. Het grote punt is dat deze effecten pas na een tijdje zichtbaar worden, waardoor de meerwaarde voor ouders vaak niet direct effect merken.

Voor dit onderzoek werden de mediagewoontes van meer dan 1300 schoolkinderen gevolgd die deelnamen aan een programma om obesitas te voorkomen. Hierbij werden de kinderen en ouders bevraagd over schermtijdbeperkingen, kijken naar gewelddadige programma’s of games, bedtijd en gedrag. De leerkrachten bezorgden de schoolresultaten en bespraken het gedrag van de kinderen en de schoolverpleegsters hielden de lengte en het gewicht van de deelnemende kinderen bij.

De data werd verzameld aan het begin van het programma en op het einde, 7 maanden later. Effecten die werden vastgesteld door het beperken van de schermtijd was oa minder (kans op) overgewicht en beperken van gewelddadige media zorgde voor minder storend gedrag in de klas.

Voor alle duidelijkheid: de onderzoekers pleiten niet voor het elimineren van de schermtijd, maar voor het blijvend bewaken van een goede balans. Iets minder bleek namelijk al een degelijk effect te kunnen opleveren.

Abstract van het onderzoek:

Importance  Children spend more time with electronic media than they do in any other activity, aside from sleep. Many of the negative effects that stem from media exposure may be reduced by parental monitoring of children’s media use; however, there lacks a clear understanding of the mechanisms and extent of these protective effects.

Objective  To determine the prospective effects of parental monitoring of children’s media on physical, social, and academic outcomes.

Design, Setting, and Participants  Prospective cohort design. Data were collected by in-home and in-school surveys in 2 communities in Iowa and Minnesota, where 1323 third- (n = 430), fourth- (n = 446), and fifth- (n = 423) grade students participated. A primary caregiver and teachers also provided data about the student.

Interventions  Participants in the current study were recruited to participate in a social ecological model–based obesity prevention program.

Main Outcomes and Measures  Body mass index, average weekly sleep, school performance, prosocial behavior, and aggressive behavior.

Results  Structural equation modeling revealed that parental monitoring of children’s media influences children’s sleep, school performance, and prosocial and aggressive behaviors and that these effects are mediated through total screen time and exposure to media violence.

Conclusions and Relevance  Parental monitoring of media has protective effects on a wide variety of academic, social, and physical child outcomes. Pediatricians and physicians are uniquely positioned to provide scientifically based recommendations to families; encouraging parents to monitor children’s media carefully can have a wide range of health benefits for children.





10 manieren om beter te slapen (video)

10 04 2014

En als bonus 7 verrassende feiten over slapen en dromen van Richard Wiseman (de man heeft een boek te verkopen, maar doet dat nogal fijn).





Presentatie: Bevindingen over de vrije tijd, schoolbeleving en sociale steun bij jongeren (JOP)

3 04 2014

Je kan meer presentaties over de JOP-monitor hier bekijken/downloaden.





NWO-persbericht: Jongere drinkt minder na veranderen stereotype beeld over drinken

2 04 2014

Een persbericht van het NWO met grote relevantie in tijden van 100 dagen…

Het stereotype beeld dat jongeren hebben van leeftijdsgenoten die drinken of niet drinken kan beïnvloed worden. Door informatie over drinknormen van leeftijdsgenoten of over het imago van drinkers te verstrekken kunnen jongeren er andere beelden over drinkers op nahouden. Dat is vervolgens van invloed op hun drinkgedrag. Dit toont NWO-onderzoeker Hanneke Teunissen aan in haar promotieonderzoek. Ze promoveert op 11 april aan de Radboud Universiteit.

Leeftijdsgenoten spelen een belangrijke rol bij het alcoholgebruik van jongeren. Het stereotype beeld dat jongeren hebben van leeftijdsgenoten die drinken of niet drinken (drinkerprototypes) is van invloed op het drinkgedrag van jongeren. Tot op heden was het echter nog onduidelijk of drinkerprototypes te veranderen zijn en of dit effect heeft op het drinkgedrag van jongeren. NWO-onderzoeker Hanneke Teunissen toont in haar promotieonderzoek aan dat drinkerprototypes wel degelijk kunnen veranderen. Dit kan bijvoorbeeld door aan jongeren bekend te maken hoeveel en hoe vaak leeftijdsgenoten drinken en of zij alcoholgebruik goedkeuren (de drinknormen). Ook kan informatie over het imago van drinkers verstrekt worden. Het veranderen van het beeld van drinkers blijkt effect te hebben op het daadwerkelijke drinkgedrag van jongeren. Jongeren die positieve informatie over het imago van drinkers ontvingen dronken meer dan jongeren die negatieve informatie ontvingen. Het onderzoeksresultaat biedt daarom mogelijke aanknopingspunten voor preventie- en interventieprogramma’s. Teunissen heeft het onderzoek verricht onder met name jongens in de leeftijd van 14 tot 21 jaar.

Populariteit speelt rol bij niet drinken

De resultaten van het onderzoek van Hanneke Teunissen tonen tevens aan dat wanneer leeftijdsgenoten aangeven te drinken, jongeren ook meer bereid zijn te drinken, ongeacht de populariteit van de leeftijdsgenoten. Wanneer leeftijdsgenoten echter aangeven niet te drinken, zijn jongeren ook minder bereid te drinken, maar alleen als deze leeftijdsgenoten populair zijn.





Pantheon: de globale culturele productie en evolutie in kaart gebracht (of gewoon: wie is echt wereldberoemd?)

26 03 2014

Het MIT lanceert met Pantheon (check pantheon.media.mit.edu) een zeer interessante poging om echt in kaart te brengen wat er qua culturele ontwikkeling wereldwijd gebeurt en vooral wat er gebeurde van eeuwen geleden tot nu. De analyses worden zeer mooi en interactief vormgegeven. En zo kan je bijvoorbeeld ontdekken welke Belgen echt wereldberoemd zijn of welke Nederlanders.

Deze 2 video’s geven meer info, zeker de eerste over hoe men te werk ging (tip Wikipedia en pageviews spelen een belangrijke rol):





Persbericht UGent: Sexpert-onderzoek weerlegt 13 seksmythes en geeft aanwijzingen voor beleid en praktijk

25 03 2014

Kwam @mvanhoutte dit persbericht tegen dat ik graag met jullie deel:

Wetenschappers van de UGent en de KU Leuven en het UZ Gent presenteren vandaag de resultaten van hun onderzoek over seksuele gezondheid in Vlaanderen.

Het onderzoek werd gefinancierd door het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT) en biedt innovatieve inzichten in de seksuele gezondheid.  De gegevens nuanceren het bestaande beeld op zeer uiteenlopende terreinen en weerleggen niet minder dan 13 mythes rond seks.

Mythes wetenschappelijk ontkracht

Mythe 1: Jongeren starten steeds vroeger met seks. 
SEXPERT-feit: Jongeren starten iets vroeger maar zijn er daarom niet minder klaar voor.

De gemiddelde leeftijd waarop Vlamingen starten met geslachtsgemeenschap is inderdaad wat afgenomen onder de jongere generaties (rond  17 jaar) in vergelijking met de oudere generaties (rond 20 jaar bij 65-plussers).  Maar de tijd die men erover doet om het seksuele traject van tongzoen tot geslachtsgemeenschap af te leggen, bedraagt 2,7 jaar en is even lang als bij de oudere leeftijdsgroepen. Jongeren vandaag zijn dus niet minder klaar voor hun eerste keer.

Mythe 2: De Vlaming heeft 2 tot 3 keer seks per week.
SEXPERT-feit: De Vlaming heeft gemiddeld 1 keer seks per week.

Seksueel ervaren Vlamingen hebben gemiddeld 1.2 keer seks per week; dat is 5 keer per maand. De seksfrequentie is lager bij tieners, hoger bij twintigers, dertigers en veertigers en opnieuw lager (gemiddeld minder dan 1 keer per week) bij 50-plussers.

Mythe 3: Seks = geslachtsgemeenschap.
SEXPERT-feit: Vlamingen hebben een ruime variatie in seksueel gedrag.

Seksueel ervaren Vlamingen hebben in de afgelopen 6 maand vaginale seks gehad (82%), gestreeld (84%), geslachtsdelen aangeraakt of gestimuleerd (83%), naakt bij elkaar gelegen (79%), elkaars naakte lichaam gestreeld (77%) en orale seks gegeven (55%) en gekregen (51%).

Mythe 4: Aan het bloedverlies bij de eerste keer kan je nagaan of iemand maagd is.
SEXPERT-feit: Bloedverlies bij de eerste keer is geen goede maagdelijkheidstest.

Tweedegeneratievrouwen van Turkse origine rapporteren vaker bloedverlies bij de 1e keer (83%) dan Vlaamse vrouwen (59%). Wellicht speelt sociale wenselijkheid hierin een rol.  Veel vrouwen ervaren dus geen bloedverlies bij de 1e keer zodat het bezwaarlijk als maagdelijkheidstest kan gezien worden.  Vrouwen die bloedverlies rapporteren, beleven hun eerste keer trouwens vaker als pijnlijk én als minder positief. Voor vrouwen van Turkse origine kan een korter seksueel traject (kortere tijd tussen eerste tongzoen en eerste geslachtsgemeenschap) een verklaring bieden omdat het leidt tot zich minder klaar voelen voor en een meer negatieve beleving van de 1e keer.

Mythe 5: Iemand met holebiseksueel verlangen vrijt met iemand van hetzelfde geslacht.
SEXPERT-feit: Er is meer holebiseksueel verlangen dan er holebiseksueel gedrag is.

Seksuele oriëntatie omvat zowel gedrag, verlangen, fantasie als zelfbenoeming. Drie kwart van de vrouwen met een holebiseksueel verlangen vrijen niet met iemand van hetzelfde geslacht en/of noemen zichzelf geen holebi (72%); bij de mannen is dit bijna de helft (46%).  Er is dus meer holebiseksueel verlangen dan holebiseksueel gedrag.

Mythe 6: Tegenwoordig zijn alle zwangerschappen gepland.
SEXPERT-feit: 1 op 4 zwangerschappen is ongepland.

De anticonceptierevolutie heeft ons idee omtrent zwangerschap sterk veranderd. Het aandeel ongeplande zwangerschappen is inderdaad verminderd over de tijd, maar bedraagt momenteel toch 1 zwangerschap op 4. En het aandeel ongewenste zwangerschappen binnen de ongeplande zwangerschappen is gelijk gebleven doorheen de verschillende leeftijdsgroepen: 2 op 3 ongeplande zwangerschappen zijn aanvankelijk ongewenst; 1 op 3 blijft ongewenst.

Mythe 7: De legalisering van abortus heeft geleid tot meer abortussen.
SEXPERT-feit: De abortuswet geeft geen stijging in het aantal uitgevoerde abortussen.

Ongewenste zwangerschappen uit de jaren 1970-’90 werden vaker geaborteerd dan in de twintig jaar daarvoor (’50-’69). Er zijn nu niet meer zwangerschappen die eindigen in een abortus dan in de jaren ’70-’90. De abortuswet biedt wel de professionele context voor meer veilige abortus.

Mythe 8: Een abortus is nefast voor het latere mentale welzijn van vrouwen.
SEXPERT-feit: Vrouwen met abortuservaring rapporteren niet minder mentaal welzijn.

Er is geen verschil in mentaal welzijn tussen vrouwen die wel of geen abortus lieten uitvoeren. Een abortus gaat dus niet per definitie samen met een verminderd mentaal welzijn. Vrouwen die een ongewenste zwangerschap hebben uitgedragen, rapporteren wél minder mentaal welzijn.  Zij hebben het mentaal wel moeilijker later in het leven.

Mythe 9: Mannen zijn geen slachtoffers van seksueel grensoverschrijdend gedrag.

SEXPERT-feit: Meer vrouwen, maar niet enkel vrouwen zijn slachtoffer.

Vrouwen worden vaker het slachtoffer van seksueel grensoverschrijdend gedrag dan mannen, en dit zowel in de kindertijd (10,6% van de vrouwen) als in de volwassenheid (6% van de vrouwen). Maar ook 6,3% van de mannen maakt minstens één vorm van seksueel grensoverschrijdend gedrag mee vóór de leeftijd van 18 jaar, en 1,7% van de mannen na de leeftijd van 18 jaar.

Mythe 10: Seksueel grensoverschrijdend gedrag bepaalt het later seksuele functioneren.
SEXPERT-feit: Seksueel grensoverschrijdend gedrag in de kindertijd is een risico voor minder goed mentaal en fysiek functioneren in het verdere leven.

Slachtoffers van seksueel grensoverschrijdend gedrag zijn even tevreden met hun huidig seksleven en hechten er even veel belang aan dan niet-slachtoffers. Ervaring met seksueel grensoverschrijdend gedrag in de kindertijd houdt echter wél verband met verminderd mentaal en fysiek welbevinden later in het leven.

Mythe 11: Seks is natuurlijk en spontaan en gaat altijd vanzelf.
SEXPERT-feit: 1 vrouw op 5 en 1 man op 8 heeft een seksuele disfunctie.

Van alle seksueel actieve Vlamingen heeft 22% van de vrouwen en 12% van de mannen een seksuele disfunctie: een seksueel functieprobleem waarvan ze tevens last ondervinden. Hoewel er hinder wordt ondervonden in de relatie, door de partner of door de persoon zelf, is het hulpzoekend gedrag eerder beperkt. 4 op 5 vrouwen en 1 op 8 mannen met een seksuele disfunctie hebben daarover nog nooit een hulpverlener gecontacteerd.

Mythe 12: Elke vrouw voelt zich vrouw; elke man voelt zich man.
SEXPERT-feit: Gendernonconformiteit komt voor.

Genderincongruentie komt voor: 0,6% van de mannen voelt zich vrouw en 0,3% van de vrouwen voelt zich man. Ook genderambivalentie komt voor: 0,9% van de mannen en 1,3% van de vrouwen voelt zich evenveel man als vrouw.

Mythe 13: Tienerzwangerschappen zijn een groot probleem in Vlaanderen.
SEXPERT-feit: De prevalentie van (ongeplande) tienerzwangerschappen is laag – preventie is en blijft belangrijk.

Twee tienermeisjes uit onze steekproef maakten een zwangerschap mee. Geen van deze zwangerschappen werd uitgedragen. De prevalentie van tienerzwangerschappen komt hiermee op 3,2% in de Vlaamse bevolking; wat in internationaal perspectief een laag cijfer is. Preventie blijft hier belangrijk.

Naar een seksueel gezonder Vlaanderen: een op wetenschap gestoelde aanpak voor beleid en praktijk

De resultaten van SEXPERT geven aanknopingspunten voor beleid en praktijk. Kernthema’s daarbij zijn de continuering van bestaande inspanningen en nieuwe speerpunten; seksualiteit zien binnen een levensloopperspectief; klemtoon op gelijkheid en diversiteit; openheid; een transversale aanpak; en verdere verkenning.

Continuering van bestaande inspanningen en nieuwe speerpunten

Globaal genomen is de seksuele gezondheid van de Vlaming goed, maar op verschillende terreinen is nog gezondheidswinst te boeken. De geleverde inspanningen voor seksuele gezondheid in Vlaanderen moeten worden verdergezet én uitgebreid, bv. relationele en seksuele vorming voor jongeren, soa- en hiv-preventie, abortus hulpverlening, anticonceptie, …

Daarnaast is er nood aan extra aandacht voor wat minder goed loopt, met name voor seksuele disfuncties en voor seksueel grensoverschrijdend gedrag.

Seksualiteit en levensloop

Het bevorderen van de seksuele gezondheid van jongeren is waardevol. Het loont immers op termijn omdat kennis, attitudes, waarden en vaardigheden geïntegreerd worden in de levensstijl van de jongere doorheen zijn of haar verdere leven.

Daarnaast is preventie belangrijk: minderjarigen zijn immers vaker slachtoffer van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Maar een levensloopperspectief is evenzeer van belang: naarmate men in andere levensfases terecht komt, veranderen behoeftes en noden binnen seksuele gezondheid. Zo zijn seksuele functieproblemen en disfuncties verbonden met het verouderingsproces en is de levensfase en situationele context verbonden met ongeplande en/of ongewenste zwangerschap.

Gelijkheid en diversiteit

In de overweldigende gelijkheid van de seksuele gezondheid tussen de 3 Sexpert-steekproeven (algemene bevolking, holebi’s en mensen van Turkse origine) vinden we slechts 3 domeinen waarop een doelgroepspecifiek beleid gerechtvaardigd lijkt: (1) er is meer seksueel grensoverschrijdend gedrag bij holebi’s; (2) er is een korter seksueel traject bij vrouwen van Turkse origine, wat hen kwetsbaar maakt voor een minder positieve en vaker als pijnlijk ervaren eerste keer; en (3) seksueel actieve vrouwen van Turkse origine binnen de reproductieve leeftijd gebruiken minder anticonceptie.  Elk van deze 3 verschillen verdient extra aandacht.

Openheid

Het is niet omdat er veel over seks wordt gesproken, dat seksualiteit in al zijn aspecten en op een ernstige manier bespreekbaar is. De drempel voor mensen die hulp wensen bij moeilijkheden is soms hoog. Het  taboe op hulpverlening wegwerken en de hulp toegankelijker maken zijn aandachtspunten voor het beleid.

Transversale aanpak

Seksualiteit in al zijn aspecten houdt geen rekening met taakomschrijvingen of een organisatorisch onderscheid tussen promoten van gezondheid en detecteren van zorgnoden. De opleiding van intermediairen (artsen, onderwijzend personeel, hulpverleners, …) zou dan ook moeten voorbereiden op hun informerende en opvoedende rol én op het bespreekbaar maken van grensoverschrijdend gedrag en seksuele problemen.

Verdere verkenning

Wetenschappelijk onderzoek blijft nodig, ook na SEXPERT. Zowel een continue, grootschalige monitoring als meer diepgaandere analyses kunnen extra inzichten geven.

Het onderzoek

Voor het eerst werd in Vlaanderen werd op wetenschappelijke wijze de seksuele gezondheid van de Vlaming onderzocht, en dit zowel in de algemene bevolking als in etnische en seksuele minderheidsgroepen.

Het SEXPERT-onderzoek is gebaseerd op een representatieve steekproef van 1.852 Vlamingen tussen 14 en 80 jaar oud, met evenveel jongeren (14-25 jaar), volwassenen (26-49 jaar) als 50-plussers zodat over elk van de groepen betrouwbare uitspraken kunnen worden gedaan.

Daarnaast werden 432 tweedegeneratie Vlamingen van Turkse origine bevraagd én 2.468 personen die minstens 1 homoseksuele, lesbische of biseksuele component (gedrag, fantasie, verlangen of zelfbenoeming) in hun leven erkennen.





Liegen tegen kinderen… doet liegen en valsspelen (onderzoek)

20 03 2014

Gregory House zei het al herhaaldelijk: iedereen liegt. Maar wat is het effect van liegen tegen kinderen op die kinderen.

De onderzoekers stellen dat dit wellicht een van de allereerste onderzoeken is waarbij net dit onderzocht werd. Ze bekeken het effect van liegen bij 186 kinderen tussen 3 en 7 en wat bleek, deze kinderen werden zo zelf aangezet tot liegen.

De helft van de kinderen werden voorgelogen dat er in de kamer naast de testkamer een grote kom met snoep stond. Al snel gaf de onderzoeker dan toe dat het een leugentje was om zo het kind te overtuigen om mee te komen spelen.

Vervolgens werden de kinderen verboden om naar een onbekende pop te kijken of te grijpen als de onderzoeker even de kamer verlaat. De schoolkinderen die voorgelogen werden bleken hier dan meer vals te spelen en er over te liegen (dit bleek anders te zijn bij de kleuters).

Bij de controlegroep van de kinderen van 5-6-7 jaar was het oorspronkelijk zowat 60%, dit steeg bij de ‘belogen’ groep tot meer dan 80%.

Een leugentje tegen je kind of leerling vertellen…?

Abstract van het onderzoek:

Recent research shows that most adults admit they lie to children. We also know that children learn through modeling and imitation. To date there are no published studies that examine whether lying to children has an effect on children’s honesty. We aimed to bridge the gap in this literature by examining the effects of adults’ lies on elementary and preschool-aged children’s behavior using a modified temptation resistance paradigm, in which children are tempted to peek at a toy they have been told not to look at, and later given a chance to either admit peeking, or try to conceal their transgression by lying. Prior to being tested, half of the children were told a lie and half were not. We then measured both cheating (peeking) and lie-telling behaviors. We hypothesized that lying to a child would increase the likelihood that they would both peek at the toy and lie about having done so. Results showed that school-age children were more likely to peek if they had been lied to, and were also more likely to lie about peeking. In contrast with the school-age children, there was no difference in peeking or lying for preschoolers who were and were not lied to. These results have important implications for parenting and educational settings.





Gerucht: YouTube werkt aan een kindversie

18 03 2014

YouTube is voor veel kinderen een van de meest populaire sites die ze gebruiken. Je hoeft niet eens te kunnen lezen of schrijven om al van het ene filmpje naar het andere te surfen.

Als ouder blijf je dan best wel in de buurt, want hoewel er filters kunnen ingesteld worden, wil dit niet zeggen dat elk filmpje dat de kinderen tegenkomen zo geschikt is voor hun leeftijd.

Volgens verschillende bronnen die The Information citeert zou YouTube nu werken aan een versie specifiek voor -10 jarigen. Eerder maakte YouTube ook al hun EDU-versie specifiek voor leerkrachten. Tegelijk stelt de site dat de release nog niet voor snel zou zijn.

Wat denk jij? Goed idee?

(foto C.C. Marketingfacts)








Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 5.588 andere volgers

%d bloggers like this: