Onderwijs en de stad: Hoe les geven in de stad?

30 10 2014

Dit is het vierde en laatste deel van mijn reeks over onderwijs en de stad. Gisteren had ik het al over hoe je leerkrachten kan aantrekken en vooral houden en bleek een van de grote uitdagingen de diversiteit te zijn. Brussel is een van de rijkste steden ter wereld, maar gisteren bleek nog uit een Unicef-rapport dat 1 op 3 kinderen in Brussel in armoede opgroeien. In onze eerste aflevering bleek al hoe divers ook bijvoorbeeld de thuistaal kan zijn in de steden in vergelijking met het platteland.

Maar hoe geef je dan les in de stad?

Volgens mij (gebaseerd op de literatuurverwijzingen in de tekst) zijn volgende punten zeer belangrijk:

  • begrijp je leerlingen en ken hun achtergrond. De beginsituatie inschatten is sowieso steeds belangrijk, maar de beginsituatie van leerlingen in een stedelijke context kunnen vaak extra ver afstaan van de leefwereld van de leerkracht. Hier interesse intonen en vooral ook proberen te begrijpen is een belangrijk vertrekpunt. (bron) Check ook Iedereenleerkracht.be met een aansluitend antwoord op de vraag hoe anderstalige leerlingen betrekken in de les. Men spreekt ook van een “intercultureel sensitieve leraar die zich rekenschap geeft van maatschappelijke en sociale kwesties die impact kunnen hebben” en bijhorende werkvormen: “cultureel responsieve klasactiviteiten zijn instructional scaffolding, begeleide en informele groepsdiscussies, observatie van het sociale en leergedrag van leerlingen in alle klassituaties, zelfevaluatie van de leerlingen en interactief onderwijzen.” (bron)
  • Notie hebben van ‘Taalontwikkelend leren’ of ‘taalgericht vakonderwijs’

  • Klasmanagement is belangrijk, zeker ook in de stedelijke context, maar net hiervoor is kennis van de beginsituatie cruciaal. Het besef dat bepaalde (disciplinaire) ingrepen net statusverhogend kunnen werken, noopt andere aanpakken die bijvoorbeeld minder publiek zijn te hanteren. (bron)
    Een video van TV-Klasse over lesgeven in Molenbeek en klasmanagement:

    Check ook dit artikel met 8 aanbevelingen.

Dit is maar een kleine aanzet, net zoals deze hele reeks. Het is vooral belangrijk dat én meer kennis opgebouwd wordt én dat deze tot bij de leerkrachten komt (zoals we gisteren al aangaven in opleiding én in ondersteuning).

Tegelijkertijd bestaat het gevaar dat het in de verf zetten van de verschillen, net de onzekerheid (om niet het woord angst te gebruiken) voor lesgeven in de stad nog meer zal versterken. In de basis is er trouwens heel veel gemeen. Het gaat over kinderen in een klaslokaal die willen bijleren van een leraar. Het is belangrijk te beseffen dat het welbevinden volgens de JOP-monitor in de stad gemiddeld iets lager ligt dan buiten de stad, maar dat deze gemiddeld nog steeds hoog scoort. Meer nog, scholen erven het welbevinden van buiten de school.





3 korte docu’s over leren ondernemen, deel 2: Me & MyCity in Finland

30 10 2014




Onderwijs en de stad: Hoe leraren aantrekken (en vooral houden)?

29 10 2014

Dit is het derde deel in een vierdelige reeks over onderwijs en de stad. Vandaag een prangend probleem waar veel scholen in steden mee worstelen: hoe leerkrachten aantrekken en houden.

Minister Crevits stelt het duidelijk op haar blog:

“De Vlaamse onderwijsraad heeft becijferd dat tegen 2022 een tekort dreigt van 16.900 leerkrachten. De regionale verschillen daarbij zijn groot – in grote steden is de nood hoger dan op het platteland – en het hangt ook af van het vak dat de leerkracht in kwestie geeft.”

Een stad als Brussel vecht niet alleen tegen een tekort aan leerkrachten maar ook tegen een grote turn-over onder het onderwijzend personeel. Uit dit rapport van BSI leerde ik dat langs Nederlandstalige kant verlaat 54% van de leerkrachten in het lager onderwijs en 62% in het middelbaar onderwijs hun job binnen de vijf eerste jaren. Vorige week verduidelijkte Joost Vaesen op een denkdag van de VLOR wel dat deze leraren niet noodzakelijk verloren zijn voor het onderwijs. De meerderheid zou blijven les geven, maar dan wel buiten Brussel. Een zelfde verhaal hoorde ik enkele jaren geleden op een sessie tijdens de VELOV-studiedag over het lerarentekort in Antwerpen.

De voorbije jaren zijn er in het buitenland al initiatieven geweest om zogenaamde sterke profielen te motiveren om voor ze carrière beginnen te maken in de wereld buiten het onderwijs, eerst enkele jaren les te laten geven in moeilijkere, stedelijke scholen. Programma’s als Teach for America, het Britse Teach First  kennen ondertussen ook navolging in ons land. De vraag is echter of dit een structurele oplossing is. Dergelijke programma’s zorgen er voor dat er wel gemotiveerde mensen voor de klas komen, maar dit zijn dan wel quasi per definitie startende docenten (met vaak een beperkte opleiding) die 2 jaar later weer weg zullen zijn. Negatief gesproken is het net een installeren van een grote turn-over. Je kan wel hopen dat er van deze groep leerkrachten in het onderwijs zullen blijven, maar zeker is dit niet. De effecten van een grote turn-over op het leren zijn aangetoond negatief. Ik wil hiermee niet dergelijke projecten zomaar afschrijven. Ze kunnen misschien mee helpen het imago van leraren en onderwijs te versterken. Tegelijkertijd is het geen structurele oplossing. Daarvoor zullen we wellicht ergens anders moeten kijken.

Een recent Nederlandse promotieonderzoek van Lisa Gaikhorst maakt duidelijk waarom jonge leerkrachten sneller afhaken en de redenen blijken sterk verwant met het doelpubliek.

Het klinkt niet onlogisch dat de uitdagingen voor nieuwe leerkrachten op scholen met een publiek met een moeilijkere achtergrond groot zijn. Trouwens, vaak niet enkel voor beginnende leraren. Verschillen in taalkennis en achtergrond blijken hier de belangrijkste moeilijkheden voor de startende leraren.  Verder ervaren beginnende leraren dat ze vaak te weinig tijd krijgen om er te zijn voor leerlingen die mogelijk voor het onderwijs verloren zullen gaan. Ten slotte is er ook de vaak moeilijke relatie met ouders die soms de taal niet machtig zijn.

Maar ook beginnende leerkrachten op meer elitescholen die je ook vaak vindt in de stad hebben het niet onder de markt. Hier zorgen de vaak hoogopgeleide ouders ook voor kopbrekens en is differentiatie naar cognitieve vermogens in de klas ook vaak een uitdaging voor een beginnende leraar.

Deze moeilijkheden lijken niet typisch voor enkel stedelijk onderwijs, maar lijken hier toch vaker en in meer uitgesproken vorm voor te komen.

Gaikhorst pleit in haar promotie-onderzoek voor zowel een gedegen voorbereiding van toekomstige leerkrachten op de (groot)stedelijke context, maar ook voor blijvende ondersteuning via coaches en buddy’s tijdens de eerste beroepsjaren in de stad. Ze merkt ook op dat een ondersteunende sfeer op school hierin belangrijk is.

Ondertussen hebben verschillende lerarenopleidingen al aandacht voor de uitdagingen die Gaikhorst beschrijft, zoals onder andere blijkt het uit recente boek van Wouters et al. Laat Leraren Schitteren. Toch denk ik zelf dat leerlaren in spe leren omgaan met onder andere diversiteit niet genoeg zal zijn. Die diversiteit is ook dringend nodig in het lerarenkorps zelf. Vaak lijkt het publiek in de lerarenopleiding vooral een blanke middenklasse van net buiten de stad. Ik vertel zelf mijn studenten dat de klas waar ze zelf ooit les volgden ondertussen veelal niet meer bestaat.

Het inbedden van de lerarenopleiding in het stadsleven zelf, en het aantrekken van een diverser publiek die voor het beroep van leerkracht kiest, is en blijft een belangrijke opdracht. Bij de voorstellen die nu voorliggen om de lerarenopleiding te hervormen of innoveren is het interessant om liefst op voorhand te onderzoeken wat de effecten van bijvoorbeeld een (voorlopig?) niet-bindende toegangsproef zouden kunnen zijn op de diversiteit van instroom. Maar ook is het belangrijk om te kijken hoe je leerkrachten in de stad kan houden met hun gezin. Ik sprak met enkele schooldirecteurs in Brussel en was verbaasd hoeveel van hun personeel naar de stad pendelden omdat ze zelf niet in Brussel woonden. Onlangs bleek dat dit ook in Londen het geval was, en dat daar het inkomen van de partner heel belangrijk bleek. Ze moesten ook een plaatsje kunnen betalen. Soms wordt er geopperd om extra bonussen te geven aan leerkrachten die in de stad werken. Een soort van woonbonus lijkt in bepaalde situaties dus zeker een optie. Maar op basis van oa het eerder vermelde promotie-onderzoek zou ik zelf vooral met tijd betalen, bijvoorbeeld iets minder lessen moeten geven om zo meer aandacht te kunnen geven aan leerlingen die het nodig hebben en meer tijd voor professionalisering/ondersteuning.

Ondertussen blijft er 1 zekerheid: we zullen de komende jaren veel, zeer veel leerkrachten nodig hebben in de stad.

UPDATE: Piet Vervaecke postte op twitter deze link naar een relevante blogpost rond het zelfde thema.





3 korte docu’s over leren ondernemen, deel 1: Peru en het agri-businessplan

29 10 2014




Presentatie: Eric Schmidt vat samen hoe Google werkt (oa personeelsbeleid)

28 10 2014

Vond deze presentatie op de vroege ochtend hier, via @marcoderksen en het is een echte aanrader voor iedereen in de bedrijfswereld, maar ik vermoed dat bijvoorbeeld hogescholen en universiteiten de eerste zijn om ook hier iets van op te steken. De kritische geest in me fluistert dan weer dat het makkelijk praten is voor een groot succesvol bedrij hoe het moet en dat winsten uit het verleden geen garantie zijn voor de toekomst, maar bekijk en wees geïnspireerd:





Onderwijs in de stad: Scholen in de stad, groot en/of klein

28 10 2014

Gisteren bleek uit het eerste deel van deze reeks dat de toekomst van de school divers en stedelijk is. Mensen met kinderen in de stad weten dit al een pak langer, want je kind zomaar in een school in Antwerpen of Gent inschrijven is al lang niet meer zo evident. In Brussel bleken er op 1 september 1500 kinderen geen plaatsje op school gevonden te hebben.

Een deel van de beleidsnota van minister Crevits zal daarom noodgedwongen over capaciteitsuitbreiding moeten gaan, iets waar haar voorganger Pascal Smet ook 5 jaar mee geworsteld heeft.

Maar… scholen bijbouwen in een stad kan soms moeilijker zijn dan je denkt. Waar veel mensen samen leven, is net plaats vaak een schaars goed.

Moet je dan gaan voor grote scholen, kleine scholen of iets daartussen?

Eerst en vooral er bestaat wel degelijk onderzoek naar optimale schoolgrootte, waarbij de ondergrens te maken heeft met kansen op professionalisering en bijvoorbeeld vakgroepwerking (in het secundair onderwijs) en de bovengrens met het vermijden van anonimiteit (zie ook Hattie, 2009).

Als er momenteel door de politiek voor schaalvergroting gepleit wordt, heeft dit vaak te maken met het kunnen aanbieden van een ruim aanbod (campusscholen), of om zo er voor te zorgen dat beginnende leerkrachten binnen 1 school kunnen blijven of om een professionalisering van het schoolbestuur mogelijk te maken (alhoewel dit ook geen zekerheid biedt voor kwaliteitsverbetering).

Voor het concept van brede scholen is ook een bepaalde schoolgrootte wellicht aangewezen.  Scholen die als multifunctionele gebouwen geconcipieerd worden die ook voor muzieklessen, avondschool, sportklassen, enzovoort gebruikt kunnen worden hebben een zekere grootte nodig. Tegelijkertijd zijn die scholen best niet te groot als je de ouders door de breedte meer bij de school wil proberen te betrekken.  Dit laatste heeft volgens mij echter meer te maken met de houding en visie van de school dan de infrastructuur, alhoewel de infrastructuur het wel mogelijk moet maken om ouders makkelijk te ontvangen. En dan kan het een goed idee zijn om bijvoorbeeld een babbelbox voor ouders te organiseren.

Essentieel bij een brede school is de link met de buurt. Basisscholen zullen daarom wellicht best een pak kleiner zijn dan secundaire scholen. Al kan dit ook een gevaar inhouden. Is de buurt homogeen qua populatie, dan wordt de school als pure buurtschool logischerwijs ook homogener qua instroom en zou je bijna moeten aanvaarden dat er witte of zwarte scholen zijn. Wil je de school heterogener, dan kan het zijn dat de school (iets) minder een band met de buurt moet nastreven (en waarbij er dan ook gekeken moet worden naar mobiliteit).

Grote campusscholen zullen vaak noodgedwongen naar de buitenrand van de stad moeten trekken gewoon vanwege de plaats en daardoor de link met de buurt verliezen, maar met als voordeel dat hier een sociale mix misschien meer kan gepromoot worden. De voorbije jaren zagen we ook dat rond bijvoorbeeld Gent bepaalde scholen in de rand aan populariteit (nog) wonnen, alhoewel hier ook mobiliteit (naast tal van andere redenen) een rol meespelen.

Toch is er iets te zeggen om zelfs secundaire scholen kleiner én in de stad te houden. In Nederland spreekt men ondertussen eerder over defusies, specifiek voor vakscholen. Maar het zou ook mogelijks positief kunnen zijn voor moeilijk te bereiken leerlingen. Een project in NY waarbij leerlingen random naar grote dan wel kleinere secundaire scholen mochten gaan, toonde dat de leerlingen van de kleinere scholen minder afwezig waren op school en meer doorstroomden naar hoger onderwijs ongeacht hun sociale achtergrond. En dat met soms maar 200 leerlingen in de secundaire school, dus echt een pak kleiner dan Hattie aanbeveelt. De valkuil van te kleine scholen werd voorkomen door professionalisering bovenschools bijvoorbeeld digitaal te regelen. Het voordeel van deze kleine grootte is dat scholen dan ook makkelijker een plaatsje binnen de stad kunnen vinden.  De stad als speeltuin?

Mensen die deze blog al wat langer volgen, zullen wellicht weten dat ik zelf een eerder koele minnaar ben van schaalvergroting, maar ik heb bewust geprobeerd in deze blogpost vooral mee te geven welke elementen meespelen in de keuze voor kleinere, gemiddelde of grotere scholen in de stad. Het gaat dan eerder over linken met de buurt, ruimte van het aanbod, werkzekerheid voor het personeel, beter doorstromen van moeilijker te bereiken doelgroepen, enzovoort. En ook het belang van plaats of plaatsgebrek in deze.

Wetenschap en onderwijsdenkers kunnen dan enkel maar die voor- en nadelen meegeven. Beleid is alle mogelijke voor- en nadelen tegenover elkaar afwegen en dan keuzes maken.

P.S.: 2 weken geleden was ik aanwezig bij de bekendmaking van de eerste 4 change maker schools van Ashoka België waarbij opvallend 3 stedelijke scholen verkozen waren (naast 1 school die gebaseerd was op het principe van de scouts). Een consensus onder de winnaars en mezelf was dat er op veel scholen al veel goeds gebeurd en dat zij maar een voorbeeld waren van good practices.





Een wordcloud van de nieuwe beleidsnota onderwijs

27 10 2014

De beleidsnota onderwijs doet ondertussen op verschillende redacties (check oa hier en hier) en ondertussen ook op andere plaatsen buiten de media de ronde en staat nu ook online. Door de verschillende lekken (opvallend vind ik) kon ik de beleidsnota het voorbije weekend ook al lezen. Mijn eerdere gokken bleken er niet zo ver naast te zitten. Ik kon het niet laten even de volledige tekst in Wordle te gooien en als je even voorbije de tussenwoorden kijkt zie je het primaat van… de scholen.

Wordcloud

Je kan uit de woordwolk ook afleiden dat hoger onderwijs veel aandacht krijgt, net iets meer dan secundair onderwijs. Je kan niet echt afleiden uit het document of ASO, BSO en TSO nu al dan niet afgeschaft worden, zoals enkele journalisten denken. Deze namen staan er wel niet in, maar kunnen wel nog opduiken boven de matrix van opleidingen die men wil opstellen. Eerlijk gezegd is veel van de nota nog behoorlijk vaag in de betekenis dat er nog veel moet afgestemd worden met het werkveld, dialoog dus. Ook de autonomie van en vertrouwen in scholen is een belangrijke constante. De titel brengt dit alles samen in “Vol vertrouwen en in dialoog bouwen aan onderwijs”. Bouwen, juist, infrastructuur.

Een verdere rode draad is de wens planlast af te bouwen en regelgeving en regelneverij in te perken. Tegelijk staan er veel zaken in die net tot meer regels voor scholen en controle zouden kunnen leiden. Hopelijk kan dit laatste voorkomen worden door dit concrete voorstel dat in de beleidsnota staat en dat ik er toch uitlicht:

Het bewaken van de kwaliteit van de regelgeving en het beheersbaar houden ervan is een overheidsdoelstelling die al werd vertaald in verschillende beleidsinstrumenten. Ik sluit mij daar bij aan door een regeldruktoets bij nieuwe onderwijsregelgeving en een onderwijstoets bij alle Vlaamse regelgeving in te voeren.

Hopelijk zijn beide toetsen dan wel bindend!

Wat me verder opviel is de duidelijke wil om kinderen 3 jaar in het kleuteronderwijs te krijgen. We scoren hier wereldwijd al uitzonderlijk, maar net die kleine groep die het nog niet doet, bevat vaak kinderen die het net nodig hebben. Let wel, de leerplicht blijft een federale materie, dus het gaat vooral over stimuleren.

CLIL blijft beperkt tot secundair onderwijs lijkt het, maar toch is er meer ruimte voor talen in het basisonderwijs:

In het basisonderwijs zal ik meer bekendheid geven aan de mogelijkheid om taalinitiatie in het Engels, Frans en Duits te voorzien wanneer de leerlingen het Nederlands voldoende onder de knie hebben.

Het woord talent valt regelmatig, maar is niet zo massief aanwezig als ik de voorbije maanden sommige mensen hoorde hopen en andere hoorde vrezen.

Nu, los van het document is er 1 ding zeker: “the proof of the pudding is in the eating”.





Onderwijs in de stad: enkele opvallende cijfers verzameld

27 10 2014

Dit is een eerste deel van 4 blogposts over onderwijs in de stad. Ik wil eerst beginnen met een reeks van opvallende cijfers die de uitdagingen van onderwijs in de stad (en buiten de stad zoals je zal merken) duidelijk maken.

Dit is een overzicht van de geboortes in een land van het begin tot nu:

Geboortes

In deze grafiek zie je beide wereldoorlogen en de babyboom van de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw en ook de meer recente babyboom van de laatste 10 jaar. Een babyboom met gevolgen voor onderwijs:

Aangroei leerlingen

Het is een verhaal van vergrijzing, maar als je deze cijfers bekijkt van de gemiddelde leeftijd in Vlaanderen versus enkele steden dan zie je dat het verhaal niet zo eenvoudig is:

Dia071

Je ziet er de algemene vergrijzing in de steeds ouder worden Vlaamse bevolking maar een spectaculaire daling van de gemiddelde leeftijd in Schaarbeek. Zelf in Antwerpen en Gent zie in je in 2011 al een kleine knik gemaakt worden, terwijl Vlaanderen steeds ouder blijft worden.

Dit wordt ook versterkt door de trek naar de stad als je naar deze kaart van België kijkt waarin men de evolutie bekijkt van de bevolkingsdichtheid tussen 2001 en 2011:

Dia069

Je ziet op deze kaart een oudere bevolking ontstaan in krimpregio’s zoals de blauwe plekken in West-Vlaanderen (en mispak je niet, de aangroei aan de kust is ook een sterke verouderingsgolf met een gemiddelde leeftijd in 2011 van 46 jaar) en een sterke aangroei van de verstedelijkende driehoek Brussel, Antwerpen, Gent.

Maar die aangroei brengt ook meer diversiteit met zich mee, als we kijken naar een grafiek die ik al eerder bracht:

Onderwijstaal

 

En voor mensen die vertrouwd zijn met Brussel, deze grafiek toont de verwachte evolutie in aangroei kinderen tot 2020, waarbij vooral opvalt dat het de arme wijken zijn die een groei in kinderen krijgen. Want mispak je niet, Brussel is een van de rijkste steden ter wereld qua inkomen van de bevolking, maar de rijkdom is er een zeer ongelijk.

groei brussel

(bron)

Conclusies van deze eerste post:

 

 





De week van de stad… en onderwijs

27 10 2014

Van maandag 27 oktober tot zondag 2 november pakt Canvas uit met De week van de stad. Talkshows, reportages, documentaires en films, allemaal in het teken van de stad. Hier kan je de weekprogrammatie bekijken.

In de beleidsnota onderwijs die woensdag in het Vlaams parlement voorgesteld wordt, is er ook grote aandacht voor de grootstedelijke context.

Prima aanleiding om deze week ook op deze blog stil te staan bij de stad en onderwijs.

Ik ga proberen 4 thema’s uit te werken:

Heb je voor een van deze 4 thema’s interessante tips, mail me gerust.





Games in de klas: 4 profielen van leraren

27 10 2014

Er is een nieuw rapport over het gebruik van games in het Amerikaanse onderwijs. Hiervoor bevroeg men 694 Amerikaanse onderwijzers en leerkrachten uit middenscholen (tot 14 jaar). Veel van de cijfers zijn wel interessant maar niet per se bruikbaar voor ons. In het onderzoek maakte men echter ook profielen van leraren en hun houding tegenover games en dit is mogelijk universeler:

Meer uitleg over deze profielen:

Dabblers

These are teachers who are not gamers themselves and report fairly low levels of comfort with the technology. This group, which made up about 20% of the teachers that use games, is the most conservative when it comes to using games and the most likely to use personal computers versus tablets or game consoles.

Still, the report found, “While Dabblers hold lower confidence in the efficacy of digital games to teach 21st century skills than the others, they are still more likely to indicate positive or no changes than negative changes in student behavior and classroom management as a result of” game-based teaching.

The Players

Perhaps the oddest group to consider, “The Players” were a group of teachers — about 23% of teachers that use games — that play games themselves but rarely use them in class. This group turned out to be the teachers who use digital games the least and, although the research cannot draw a direct connection, it may have a lot to do with where they teach.

The report found that, these teachers “Face many barriers when using games with students—the highest reported among all groups—and receive the lowest levels of support from parents, administrators, and fellow teachers.”

Barrier Busters

One key thing seemed to separate the Barrier Busters from The Players and that was faith in the power of games to teach. Like The Players, these teachers are themselves gamers and also face significant barriers — money, time, etc — to implementing games.

But unlike The Players, Barrier Busters aggressively seek out information about how to integrate games into the classroom and are very likely to use them.

Barrier Busters “provide students with access to the greatest variety of game devices and genres. They also use digital games at significantly higher rates than their fellow [game-using teachers] to deliver curricular content and assess students.”

The Naturals

The last subgroup the report identified were those teachers who did not need much support or professional development to implement games. These teachers, The Naturals, have access to supportive communities and use their games for many of the most creative purposes.

As the authors put it, “Report a moderately high variety of game device and genre use. Notably, this is the only profile that uses games to deliver core content more often than supplemental content.”

Op basis van deze 4 profielen keek men ook wie voor welk doel games gebruikte:

Er verscheen trouwens ook net een nieuw e-book over games in het onderwijs, check mijn Engelstalige blog.

 

 








Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 6.375 andere volgers

%d bloggers op de volgende wijze: