Lectuur op zaterdag: dokters, leerkrachten, Google en Emma Watson

27 09 2014

De weekendbijlage bij deze blog:

Nee, deze speech van Emma Watson bezorgde haar geen bedreigingen, maar is wel meer dan de moeite waard:





Artikel van Dekker, Lee en Jolles: vóórkomen en voorkómen van neuromythen in het onderwijs

24 09 2014

Via de site van Jelle Jolles dit nieuw artikel van hem en Sanne Dekker en Lee gevonden over neuromythes in het onderwijs.

(Jelle Jolles en Sanne Dekker, 22 september 2014). De samenleving heeft recentelijk veel interesse gekregen in onze hersenen en vooral in de relatie met leren, ontwikkeling en ontplooiing. Leerkrachten en schoolleiders zijn geïnspireerd door de nieuwe wetenschappelijke inzichten en zoeken naar mogelijkheden om hersen-kennis toe te passen in de klas. Mooi, deze aandacht voor toepassingen op het gebied van educatie. Het is een vorm van ‘neuropraxis’: kennis over de cognitieve ontwikkeling en over individuele verschillen tussen kinderen worden in relatie gebracht met de praktijk. En dat heeft natuurlijk implicatie voor onderwijs, voor opvoeding en voor de ontplooiing van onze kinderen. Helaas blijkt een verantwoorde overdracht van wetenschappelijke kennis en inzichten over hersenen, cognitie & gedrag niet eenvoudig te zijn.

Er zijn veel misvattingen in omloop over het functioneren van de hersenen. Dat leidt tot onjuiste visies over het functioneren van kinderen, en wat dat betekent voor onderwijs en opvoeding. Deze misvattingen worden beschreven met de term ‘neuromythen’. Het gaat om verkeerde generalisaties vanuit de wetenschap die soms slechts ten dele waar zijn. Regelmatig gaat het om aperte onzin: neurononsens. Wij hebben hierover kort geleden een artikel geschreven in Nederlandse vakblad Neuropraxis. De neuromythen die het meest in omloop zijn in het onderwijs worden erin beschreven. Daarnaast gaan we in op de mogelijke oorzaken van het ontstaan van nieuwe mythen, en beschrijven we wat opvoeders en onderwijsprofessionals kunnen doen om het gebruik van deze – vaak zeer schadelijke –mythen terug te dringen en te vervangen door meer valide kennis.

Dekker, S., Lee, N.C., & Jolles, J. (2014). Over het vóórkomen en voorkómen van neuromythen in het onderwijs. Neuropraxis, 18(2), 62-66. doi: 10.1007/s12474-014-0046-z. Het volledige artikel kunt u downloaden: pdf





Nieuw rapport over effectieve pre-school aanpak in Groot-Brittannië: 2 jaar winst

21 09 2014

De effecten van het Effective Pre-School, Primary and Secondary (EPPSE) programma in Groot-Brittannië werden in een nieuw rapport geëvalueerd en de resultaten zijn positief. Dit gaat om een programma waarbij kinderen in kinderopvang (nursery) of toch zeker voorschools al begeleid en gestimuleerd worden. De effecten bleken groot voor taal- en rekenscores op 16 jaar, vergelijkbaar met een stijging van een C naar een B als resultaat op de centrale toetsen.

In het project werden 3000 kinderen begeleid sinds 1997 tot ze 16 jaar oud werden. Voor het eigenlijke onderzoek werden 141 kinderen gevolgd door onderzoekers van oa Oxford. Op basis van een rapport dat ik zelf aan het afwerken ben, vermoed ik dat net het blijvend ondersteunen, dus niet enkel ‘preschool’, een groot deel van de succesverklaring kan zijn. Uit andere onderzoeken weten we namelijk dat het effect van pre-school vorming afneemt naarmate het kind ouder wordt.

Wat meer informatie over het onderzoek en rapport dat je hier kan downloaden:

Research was conducted through a nationally representative sample of children in 141 preschool settings drawn in 1997 from five English regions (six local authorities). A sample of children who had no or minimal preschool experience was recruited to the study at entry to school and compared with the preschool group.

EPPSE researchers assessed the children at recruitment to the study to create a profile of each child’s intellectual and social/behavioural development using standardised assessments and reports from the preschool worker who knew the child best. Children were assessed again at entry to school and then the children were followed up at ages 6, 7, 10 and 11 in primary school and at ages 14 and 16 at secondary school. The children involved are now aged between 18 and 21. The original sample was spread over four academic years, with the youngest completing their GCSEs in 2012.

The researchers found that at GCSE, the benefits of going to preschool translated into an average of 41 extra points per child — the difference between getting, for example, seven grade Bs versus seven Cs.

Another lead researcher Professor Pamela Sammons, also from the University of Oxford’s Department of Education, said: ‘This major longitudinal study is the first to investigate the influence of successive phases of education — preschool, primary and now secondary — on children’s progress and development. We believe this provides new, important evidence to support the expansion of preschool provision and it should inform policy makers on how to improve the education and life prospects of children in the UK, particularly benefiting those from the least advantaged backgrounds.’ (bron)





Zwijgspiraal niet doorbroken door sociale media (Linda Duits)

20 09 2014

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

SpiraalAls mensen een mening hebben waarvan ze denken dat hij anders is dan de meeste mensen, zijn ze onzeker over die mening. Ze houden daarom goed de meningen van anderen in de gaten. Uit angst voor isolatie zullen ze hun afwijkende mening voor zich houden. Als de eigen mening overeenkomt met wat de meeste mensen vinden, hoeven ze niet bang te zijn uitgesloten te worden en uiten ze hun mening wel. Deze theorie is een klassieker uit de communicatiewetenschap die bekend staat als de zwijgspiraal.

Het concept werd bedacht door Elisabeth Noelle-Neuman in 1974, in een tijd van massamedia waarin gewone burgers weinig mogelijkheden hadden hun stem te laten horen. Tegenwoordig kunnen zij dat wel, via sociale media. Pew Internet heeft onderzocht in hoeverre mensen bereid zijn online hun mening te delen en hoe dit afhangt van wat zij denken dat anderen vinden.

Ze ondervroegen 1801 volwassen Amerikanen met een vragenlijst. Het centrale onderwerp was het NSA-schandaal dat aan het licht kwam dankzij onthullingen van Edward Snowden. Dit onderwerp is gekozen omdat uit een eerdere studie bleek dat Amerikanen hier erg verdeeld over zijn. Respondenten werden om hun mening gevraagd, hoe bereid ze zijn hierover te discussieren op plekken als werk, een etentje met vrienden, Twitter en Facebook, en in hoeverre ze dachten dat concrete anderen (hun partner, buren, twittervolgers) het eens zijn met hun mening.

De belangrijkste uitkomsten van deze studie:

  • Mensen waren minder geneigd het NSA-verhaal op sociale media te bespreken. 86 procent van de Amerikanen wilde dit persoonlijk bespreken, maar slechts 42 procent wilde dat op Facebook of Twitter doen.
  • Van de veertien procent die Snowden niet in persoon wilde bespreken, wilde slecht 0,3 procent dat wel op sociale media doen. Sociale medie bieden dus geen alternatief discussieplatform.
  • Zowel in persoonlijke als online settings waren mensen meer bereid hun mening te delen als ze dachten dat hun publiek het met hen eens was.
  • Gebruikers van Facebook- en Twitter waren minder bereid hun mening face-to-face te delen.

Pew zwijgspiraal

De onderzoekers concluderen daarom dat “social media did not provide new forums for those who might otherwise remain silent to express their opinions and debate issues”.

Dit voelt niet juist. Online zijn er bijvoorbeeld veel anonieme accounts. Anonimiteit maakt dat de verzender niet hoeft te malen om wat zijn omgeving van zijn mening vindt. Dit is helemaal niet meegenomen in de studie. Daarnaast vind ik de keuze voor het onderwerp opmerkelijk: het spionageschandaal is redelijk technisch en dat zou een reden kunnen zijn dat mensen er niet makkelijk over spreken. De onderzoekers rapporteren inderdaad dat mensen die het gevoel hadden meer kennis van het onderwerp te hebben, makkelijker erover in gesprek gingen.

Tot slot is cumulatie een belangrijke factor in de theorie over de zwijgspiraal: Noelle-Neuman stelde dat massamedia boodschappen steeds herhalen en dat het daarom voor mensen moeilijk is die boodschappen te negeren. Uit het Pew-onderzoek bleek dat dit niet op ging: slechts 58 procent had in ieder geval iets over dit onderwerp gehoord via tv, een benauwende negentien procent uit de krant en slechts drie procent iets op Twitter.

Het lijkt er dus op dat niet de zwijgspiraal is onderzocht, maar het effect van weinig van een onderwerp weten op bereidheid erover te spreken.





Lectuur op zaterdag: Afrika’s eigen tablet, de Minecraft Parent en Banksy

20 09 2014

De weekendbijlage bij deze blog:

En tot slot, deze strip zet beelden bij een tekst van Banksy, zeer mooi voer voor discussie:





2 extra korte documentaires over bedreigde talen en onderwijs

17 09 2014

Eergisteren postte ik al het eerste deel, dit is deel 2 en 3.





UNESCO-infografiek: geletterdheid wereldwijd

15 09 2014

Gevonden via Larry Ferlazzo:





Lectuur op zaterdag: digitaal geheugenverlies, open brieven en trieste papa’s

13 09 2014

Hier is terug de weekendbijlage bij deze blog:

En tot slot, een mensensoort om even bij stil te staan: trieste vaders op een concert van One Direction





Gedragsproblemen bij kinderen door scheiding vooral bij gezinnen met hoger inkomen (onderzoek)

12 09 2014

Dat scheiden een invloed kan hebben op het gedrag van kinderen is geen nieuws. Nieuw (Amerikaans) onderzoek bij bijna 4000 kinderen tussen 3 en 12 gepubliceerd in Child Development voegt enkele aparte dimensies toe. De onderzoekers stelden namelijk vast dat het ontstaan van negatief gedrag bij kinderen door het uiteengaan van hun ouders gelinkt is aan het inkomen van die ouders. Het zou vooral voorkomen bij gezinnen met hogere inkomens. Ook de leeftijd van de kinderen zou een rol spelen, waarbij jonge kinderen, jonger dan 5 meer kans op gedragsproblemen vertonen.

Verder zouden de gedragsproblemen terug afnemen als er terug een partner in het gezin komt, maar terug enkel in gezinnen met hoger inkomens en vooral bij kinderen die ouder zijn dan 6. Dit positief effect zou er terug niet of nauwelijks zijn bij gezinnen met lagere inkomens.

Rebecca M. Ryan, die het onderzoek leidde, stelt “Our findings suggest that family changes affect children’s behavior in higher-income families more than children’s behavior in lower-income families—for better and for worse.”

De onderzoekers vermoeden dat hun vaststelling deels kan verklaard worden door de financiële gevolgen van de scheiding. De financiële situatie van gezinnen uit de hogere inkomensgroep verandert veel ingrijpender door de scheiding dan bij gezinnen uit de laagste inkomensgroep.

De vraag is of deze vaststellingen veralgemeenbaar zijn. De kloof tussen arm en rijk is in de VS een pak groter. De link tussen financiële situatie en echtscheiding is anderzijds hier ook niet onbekend.

Abstract van het onderzoek:

This study investigated conditions under which family structure matters most for child well-being. Using data from the Children of the National Longitudinal Survey of Youth (n = 3,936), a national sample of U.S. families, it was estimated how changes in family structure related to changes in children’s behavior between age 3 and 12 separately by household income level to determine whether associations depended on families’ resources. Early changes in family structure, particularly from a two-biological-parent to single-parent family, predicted increases in behavior problems more than later changes, and movements into single and stepparent families mattered more for children of higher versus lower income parents. Results suggest that for children of higher income parents, moving into a stepfamily may improve, not undermine, behavior.





Overzicht van de belangrijkste inzichten uit het nieuwe Education at a Glance 2014 (OESO)

9 09 2014

Check alle cijfers en het hele rapport hier.








Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 6.240 andere volgers

%d bloggers like this: