Persbericht NWO: Menselijke hersencellen verwerken informatie veel beter en sneller dan muizenhersencellen

26 11 2014

Kreeg net dit persbericht binnen van het NWO dat ik graag met jullie deel:

Denken, concentreren, onthouden en herinneren wordt in onze hersenen geregeld door hersencellen die met elkaar ‘praten’. NWO Vici-laureaat prof. Huib Mansvelder en zijn team VU-onderzoekers hebben voor het eerst dat communiceren tussen menselijke hersencellen in levend menselijk hersenweefsel onderzocht. De onderzoekers laten zien dat de contactpunten (of: synapsen) tussen hersencellen tot wel tien keer efficiënter zijn en veel meer informatie over kunnen dragen dan werd aangenomen. Dat is belangrijke nieuwe kennis over de elementaire bouwstenen van de menselijke hersenen. Een artikel daarover verscheen 25 november in het open access tijdschrift PLoS Biology.

Betere ‘conditie’ vergroot informatieoverdracht
Hersencellen ‘praten’ met elkaar met elektrische en chemische signalen via synapsen. Deze synapsen zorgen dat informatie wordt verwerkt. De onderzoekers voerden metingen uit aan ‘pratende’ levende menselijke hersencellen en concludeerden dat deze minder snel moe worden én informatie kunnen blijven overdragen, waar muizencellen allang uitgeput zouden zijn. Bovendien kunnen menselijke hersencellen op veel kleinere details in de elektrische signaaloverdracht reageren dan muizencellen, waardoor veel meer informatie kan worden overgedragen. Het is alsof muizenhersencellen door een heel smal telefoonlijntje communiceren en een hele kleine batterij hebben, terwijl menselijke hersencellen via een breedbandige glasvezel verbinding communiceren met een grote accu.

Nieuwe onderzoeksmethode voor levend hersenweefsel 
Tot nu toe was kennis over de werking van het menselijk brein gebaseerd op cellen uit o.a. knaagdieren, omdat de wetenschap er vanuit gaat dat menselijke cellen grofweg hetzelfde werken. Door te kijken naar levend hersenweefsel, verkregen uit tumor- en epilepsie-operaties van nog levende patiënten, is het functioneren van menselijke hersencellen direct te bestuderen.

Daarvoor heeft Mansvelder een unieke samenwerking met neurochirurgen in het VUmc geïnitieerd. Hersenweefsel dat voor behandeling van tumoren en epilepsie is verwijderd, wordt in leven gehouden en in het lab onderzocht. Slechts bij een enkel laboratorium ter wereld die de technische expertise hebben om deze analyse te kunnen doen, lukt zo’n technisch zeer lastige ’transfer’. Daarom is er nagenoeg niets over de werking van menselijke hersencellen bekend.

Mansvelder: ‘De meerwaarde van onze aanpak zit hem in de kwaliteit van het weefsel dat de neurochirurg aanlevert en de state-of-the-art neurowetenschappelijke aanpak om de kleine elektrische signalen die twee cellen elkaar sturen, direct te meten.’

Grote investeringen voor verdere puzzel
De afgelopen jaren zijn veel grootschalige investeringen in de VS en in de EU gedaan om menselijke hersenen in kaart te brengen. Zoals het Human Brain Project, waar dit onderzoek ook deels uit gefinancierd is. De resultaten van ons huidige onderzoek vormen weer een stukje van de grotere puzzel. Ze laten o.a. zien dat menselijke hersenen opgebouwd zijn uit hoogwaardige onderdelen die zeer snel en efficiënt zijn. Een computer die samengesteld is uit onderdelen die sneller functioneren, zal als geheel sneller zijn. Misschien is dat bij onze hersenen ook zo. Een volgende stap is onderzoeken of communicatie tussen menselijke hersencellen kan verklaren waarom menselijke hersenen zoveel meer kunnen dan andere diersoorten met hersenen van vergelijkbare grootte. Het zijn de elementaire, slimme bouwstenen van onze hersenen. 

Het artikel is online beschikbaar via het open access tijdschrift PLOS Biology.





Lectuur op zaterdag: twitter als redder van een beschadigd geheugen en meer!

22 11 2014

De weekendbijlage bij deze blog:





Wat leren we bij uit de de Vlaamse Regionale Indicatoren (VRIND 2014) over jongeren?

21 11 2014

Gisteren werden de nieuwe Vlaamse Regionale Indicatoren (VRIND 2014) voorgesteld (je kan ze hier downloaden en echt bekijk het ook helemaal!).

Net zoals vorig jaar en het jaar daarvoor even kijken wat er zoal over jongeren verteld wordt:

Over inkomen en werk:

  • In de lente van 2013 liggen de tevredenheidsscores van de Vlamingen met verschillende levensaspecten over het algemeen lichtjes hoger dan de voorbije jaren. Jongeren (<35 jaar) klagen iets meer over hun inkomen en het werk dat ze doen.
  • In vergelijking met 2012 vrezen werkenden iets meer voor hun job. Dit geldt ook voor de jobverwachting bij jongeren. Meer dan een kwart van de werkenden vreest door faillissement of ontslag zijn werk te verliezen, bij de werkzoekenden loopt dit op tot meer dan 1 op de 3. Bij studenten is de vrees om niet aan werk te geraken na hun studies tot circa 30% opgelopen. De stijgende werkloosheidscijfers en zeker de stijgende jongerenwerkloosheid in 2013, laat zich hier zeker gelden.
  • Tussen februari 2012 en januari 2013 waren er 30.063 mannelijke en 30.825 vrouwelijke schoolverlaters. Daarvan schreef 83% zich in als werkzoekende bij de VDAB. In 2006-2007, voor de crisis, schreven zich slechts 64% van de schoolverlaters in bij de VDAB. De sterke stijging heeft te maken met de slechte conjunctuur die een sterke rem zet op de intrede van jonge schoolverlaters op de arbeidsmarkt.
  • De werkzaamheidsgraad bij jongeren (20-24 jaar) is tussen 2008 en 2013 met 8 procentpunten gedaald van 56,1% naar 48,1%. Dit is deels te wijten aan de crisisjaren; jongeren zijn erg kwetsbaar in tijden van economische laagconjunctuur. Anderzijds is er ook de stijgende deelname aan hoger onderwijs.
  • Tijdelijke arbeid is ook sterk leeftijdsgebonden en blijkt vooral een jongerenzaak te zijn. Bij Vlaamse jongeren komen tijdelijke arbeidsovereenkomsten relatief meer voor dan bij de totale bevolking op arbeidsleeftijd, maar minder dan bij tal van hun Europese leeftijdsgenoten. Dit onderlijnt het belang van tijdelijk werk als intredekanaal op de arbeidsmarkt.
  • Er is en blijft een groot tekort aan technisch geschoolde arbeidskrachten. Nog steeds kiezen te weinig jongeren voor opleidingen die voorbereiden op deze technische beroepen.
  • Bij de werkloosheidsgraad van jongeren (18-24 jaar) zijn gelijkaardige verschillen te zien als bij de totale bevolking. De werkloosheidsgraad ligt bij de jongeren van Maghrebijnse herkomst 4 keer hoger dan bij de jongeren van Belgische herkomst (20% tegenover 5%). De werkloosheidsgraad bij jongeren afkomstig uit Turkije en de andere kandidaat-EU-landen en uit de Europese landen buiten de EU (telkens 17%) ligt meer dan 3 keer hoger dan de werkloosheidsgraad van Belgische jongeren. Bij de jongeren afkomstig uit een Zuid-EU-land en de ‘andere landen’ (telkens 10%) ligt de werkloosheidsgraad dubbel zo hoog als bij jongeren van Belgische herkomst.

Over sociaal leven en sociale contacten:

  • Vlamingen hebben regelmatig contact met buren, familie of vrienden. Vooral de contacten met buren zijn vrij frequent, behalve voor jongeren en hooggeschoolden. Zij compenseren dit door meer contacten met vrienden en door online contacten.

  • Uit de JOP-monitor 3 blijkt dat ongeveer 57% van de jongeren (14- tot 30-jarigen) actief of organiserend deelnemer in het verenigingsleven is. Het aantal deelnemende jongeren aan internationale uitwisselingsprogramma’s stijgt de voorbije vijf jaren sterk.
  • Hieruit blijkt ook dat ongeveer 57% van de jongeren (14- tot 30-jarigen) actief of organiserend deelnemer in het verenigingsleven is. Ongeveer een derde van de verenigingsparticipanten participeert aan een of meerdere jeugdwerkverenigingen. Dit komt neer op ongeveer een vijfde van de Vlaamse jongeren. Binnen de jeugdwerkver- enigingen hebben de jeugd- en jongerenbewegingen het grootste aandeel. De participatie van de 12- en 13-jarigen wordt apart bekeken. De verenigingsdeelname bij deze groep ligt opvallend hoger dan bij de 14- tot 30-jarigen. In totaal is meer dan vier vijfde lid van een of andere vereniging en meer dan 4 op de 10 is lid van een jeugdbeweging. Ook hier hebben de jeugd- en jongerenbewegingen het grootste aandeel.

  • Jongereninformatiepunten (JIP) zijn laagdrempelige voorzieningen waar kinderen, tieners en jongeren met hun vragen terecht kunnen. In 2014 zijn er 62 erkende JIP’s. Samen beantwoorden ze ongeveer 14.000 vragen per jaar.

Over gezondheid:

  • Het aandeel volwassen rokers vertoont de voorbije 20 jaar een dalende trend. In 2011 rookt 18,5% van de Vlamingen van 18 jaar en ouder. Dit lijkt een goede stap op weg naar de gezondheidsdoelstelling die stelt dat er tegen 2015 maximaal 20% volwassen rokers mogen zijn. Ook het tabaks- en alcoholgebruik bij jongeren loopt terug.
  • Gemiddelde leeftijd waarop jongeren hun eerste sigaret hebben opgestoken was 14,4 jaar.
  • Tussen jongens en meisjes is er maar weinig verschil meer. Het dagelijks roken neemt sterk toe met de leeftijd, bij de 17- tot 18-jarigen rookt 17,5% dagelijks. Leerlingen in het TSO en vooral BSO roken beduidend meer dan leerlingen in het ASO.
  • Tussen schooljaar 2000-2001 en 2011-2012 is een sterke daling te merken in het tabaksgebruik bij jongeren. De grootste daling doet zich voor in het ‘ooit gebruik’ met een daling van om en bij de 20%. Toch is er blijvende aandacht nodig voor de jongeren die wel experimenteren en verder evolueren naar regelmatig gebruik: 1 op 10 leerlingen is namelijk een regelmatige roker. Tijdens het schooljaar 2011-2012 is er een lichte stijging van het aantal regelmatige gebruikers.
  • Aan het einde van het secundair onderwijs gebruikten bijna alle leerlingen ooit alcohol: onder de 17- tot 18-jarigen heeft 89% ooit alcohol gedronken. De gemiddelde leeftijd waarop men een eerste glas drinkt, is 14 jaar.
  • Van alle leerlingen in het secundair onderwijs in het schooljaar 2010-2011 drinkt 18% regelmatig alcohol, meer jongens dan meisjes. Met de leeftijd neemt de frequentie van alcoholgebruik snel toe: 21,5% van de 15 tot 16-jarigen en 39% van de 17 tot 18-jarigen drinkt regelmatig alcohol. Het TSO en BSO tellen iets meer leerlingen die regelmatig alcohol drinken dan het ASO, maar de verschillen zijn klein.
  • De voorbije 10 jaar daalde zowel het ‘ooit gebruik’ als het regelmatig gebruik. De 17,6% regelmatige gebruikers tij- dens schooljaar 2011-2012 betekenen bijna een halvering tegenover de 29% regelmatige gebruikers tijdens school- jaar 2000-2001. Deze daling is echter grotendeels toe te schrijven aan een sterke daling in het ‘ooit gebruik’ bij de 12- tot 14-jarigen.
  • Cannabis blijft de meest populaire onder de illegale drugs bij jongeren: in het schooljaar 2011-2012 had 17,3% van alle leerlingen ooit cannabis geprobeerd tegenover 3,9%die ooit een andere illegale drug hadden geprobeerd. De gemiddelde leeftijd waarop een eerste keer cannabis werd gebruikt, was 15,4 jaar.
  • In het schooljaar 2011-2012 heeft 10,4% van alle leerlingen het jaar voor de bevraging cannabis gebruikt: 7,8% occasioneel, 2,6% regelmatig. Cannabis is populairder bij jongens dan bij meisjes en het gebruik neemt gradueel toe met de leeftijd. In de groep 17- tot 18-jarigen heeft 21% het voorbije jaar cannabis gebruikt, 5% deed dit regelmatig. De verschillen in laatstejaarsgebruik tussen de onderwijsvormen waren beperkt, wel gebruikten in het TSO en het BSO 2 tot 3 maal zoveel leerlingen regelmatig cannabis dan in het ASO.
  • Onder de gebruikers van cannabis zijn er meer occasionele dan regelmatige gebruikers, en dit in alle leeftijdscategorieën, in de 3 onderwijsvormen en zowel bij jongens als meisjes.
  • Tussen het schooljaar 2000-2001 en 2011-2012 schommelt de laatstejaarsprevalentie van cannabisgebruik rond de 12%. Wel is er een daling in het regelmatig gebruik van cannabis, sinds 2004-2005 is er een stabilisering rond de 3%.

Over vertrouwen:

  • De jongste en oudste leeftijdsgroepen hebben globaal meer vertrouwen. Jongeren staan wel kritischer tegenover de Kerk en het koningshuis, terwijl ze meer vertrouwen stellen in het gerecht.

Over politiek, overheid en voorzieningen:

  • De jongeren zijn minder tevreden over de opvang en begeleiding van werklozen, het openbaar vervoer en groenvoorzieningen.
  • Jongeren (<35 jaar) verwachten over de ganse lijn iets minder van de overheid. Minder dan andere leeftijdsgroepen vinden zij dat het de verantwoordelijkheid is van de overheid om werklozen een behoorlijke levensstandaard te garanderen en de inkomensverschillen tussen arm en rijk te verkleinen.
  • Minder dan 1 op de 4 volwassen Vlamingen is geïnteresseerd in politiek. De interesse ligt merkelijk hoger bij mannen (32%), hooggeschoolden (45%), 55- tot 65-jarigen (30%) en lager bij vrouwen (15%), laaggeschoolden (10%), 18- tot 35-jarigen (18%) en 75-plussers (17%). Maar: in vergelijking met 2012 zijn er nauwelijks verschillen.

Over leren en onderwijs:

  • Een vroege schoolverlater wordt Europees gedefinieerd als een 18-24-jarige die maximaal beschikt over een kwalificatie van het lager secundair onderwijs en geen onderwijs of opleiding meer volgt. De berekening gebeurt op basis van steekproefgegevens. In 2013 bedraagt de omvang van deze groep in het Vlaamse Gewest 7,5%. Het Vlaamse gemiddelde verbergt wel een aanzienlijk verschil tussen de geslachten: 5,7% bij jonge vrouwen tegenover 9,3 % bij jonge mannen. Daarmee behaalt het Vlaamse Gewest de Europese doelstelling en doet het duidelijk beter dan de gemiddelde EU-lidstaat. Ook Nederland, Frankrijk en Duitsland duiken onder de 10%-grens, zij het wat nipter dan het Vlaamse Gewest. Enkel in het Verenigd Koninkrijk en België als geheel wordt de EU2020-doelstelling (nog) niet gehaald in 2013.
  • In 2010 was 12,7 % van de +18-jarigen die het se- cundair onderwijs verlieten een vroegtijdige schoolverla- ter. Hoewel deze groep vandaag duidelijk groter is dan bij het begin van de eeuw, zien we hoe zich in 2008 een lichte daling inzette die wordt verdergezet in 2009 en 2010. We evolueren dus terug naar de situatie in het jaar 2000. Als we ook rekening houden met de kwalificaties uit het buitengewoon secundair onderwijs (OV3 & OV4) bedraagt het aandeel in 2010 11,1%.
  • Voor wie uitstroomde uit het secundair onderwijs op het einde van de schooljaren 2008-2009 en 2009-2010 kunnen we een volledig beeld schetsen. Gemiddeld neemt van dat eerste schooljaar 67% deel aan het hoger onderwijs. De verschillen zijn echter aanzienlijk: wie een hooggeschoolde moeder heeft, gaat in 86% van de gevallen zelf ook naar het hoger onderwijs. Met een middengeschoolde moeder is dat nog 66% en bij jongeren met een laaggeschoolde moeder valt de deelname terug tot 45%. De doelstelling uit het Pact leek daarmee bijna bereikt: 57% van de jongeren met een niet-hooggeschoolde moeder, die uitstroomden uit het secundair onderwijs op het einde van het schooljaar 2008-2009, participeerde aan het hoger onderwijs. Het jaar erop zien we echter een daling met 2%. Bovendien moet opgemerkt worden dat het vooral
    de jongeren met een middengeschoolde moeder zijn die bijdragen tot het bereiken van de doelstelling. De resultaten voor de uitstroomjaren 2010-2011 en 2011- 2012 zijn nog niet definitief en liggen logischerwijze dan ook wat lager: er kon nog niet voor alle relevante academiejaren worden nagegaan of de jongeren zich aanbieden in het hoger onderwijs. Uit de voorlopige cijfers kunnen we zien dat er een zwakke negatieve tendens is. Indien deze tendens niet gekeerd wordt, zal de doelstelling niet bereikt worden.
  • Verder zien we een duidelijk verschil tussen mannen en vrouwen: vrouwen nemen, over alle groepen heen, veel vaker deel aan het hoger onderwijs. Bovendien is de kloof licht gegroeid ten opzichte van de eerste meting. Bij de vrouwen wordt de doelstelling uit het Pact al bereikt. Het valt wel op dat de deelnamekloof kleiner wordt naarmate de moeder een hoger diploma behaalde.
  • We kunnen stellen dat 45% beschikt over een diploma uit het hoger onderwijs. Vrouwen doen het daarbij duidelijk beter dan mannen: meer dan de helft van de 25-34-jarige vrouwen heeft een diploma uit het hoger onderwijs. Bij mannen is dat ongeveer 37%.
  • Het aantal jongeren in centra voor deeltijds onderwijs blijft jaar na jaar stijgen. In het schooljaar 2012-2013 volgden 8.631 leerlingen (exclusief vrij, niet financierbare leerlingen) het DBSO (al deze cijfers heb- ben betrekking op de meting 1 februari 2013); hiervan zijn 67,8% jongens. Het voltijds engagement in 2012-2013 bedraagt 65,3%, in absolute cijfers 5.636 jongeren.
  • Van de 27,5% (2.374 jongeren) die geen voltijds engagement hebben, blijkt 6,9% (593 jongeren) niet onmiddellijk beschikbaar (ziekte, zwangerschap, enz…). 20,4% (1.765 jongeren) zijn te oriënteren, ze bevinden zich bij manier van spreken in een “wachtkamer” naar één of andere fase; 0,9% of 75 jongeren staan te oriënteren naar een per- soonlijk ontwikkelingstraject, 2,4% of 207 jongeren staan te oriënteren naar een voortraject, 3,2% of 276 jongeren staan te oriënteren naar een brugproject. Belangrijk maar ook schrijnend is dat 14% of 1.207 jongeren klaar zijn voor een reguliere tewerkstelling, maar moeten wachten op een passende alternerende tewerkstelling.
  • De algemene cijfers over de onderwijsdeelname van vreemdelingen wijzen niet direct op achterstelling. Het aandeel leerlingen met een vreemde nationaliteit in het kleuter, lager en secundair onderwijs lag in het schooljaar 2012-2013 tussen de 7% en 9%, wat min of meer overeenkomt met het aandeel vreemdelingen in de totale bevolking. In het buitengewoon kleuter, lager en secundair onderwijs liggen die percentages echter telkens 3 tot 4 procentpunten hoger. In het secundair onderwijs blijken er daarnaast duidelijk verschillen naar studierichting. In de 2de en 3de graad van het ASO en TSO ligt het aandeel vreemdelingen telkens tussen 4% en 5%. In het BSO ligt dat aandeel op 10%. In het deeltijds beroepssecundair onderwijs stijgt het aandeel vreemdelingen tot 21%.
  • Meer nog dan nationaliteit bepaalt de aan- of afwezigheid van een taalachterstand iemands slaagkansen in het onderwijs. Daarom is het zinvol om ook te kijken naar de voertaal van het gezin waarin de leerlingen opgroeien. Het gewoon kleuter- en lager onderwijs telde in 2012 respectievelijk 18% en 16% leerlingen met een niet- Nederlandse thuistaal. In het secundair onderwijs gaat het om 10% van de leerlingen. In het ASO en TSO gaat het slechts om 8% van de leerlingen. In het BSO stijgt dat aandeel tot 15%, in het deeltijds beroepssecundair onderwijs tot 24%.
  • De Vlaamse resultaten van het PISA-onderzoek over de onderwijsprestaties van 15-jarigen geven aan dat leerlingen van Belgische herkomst veel beter scoren dan leerlingen van vreemde herkomst (zelf of met ouders geboren in het buitenland). De resultaten van 2012 op de wiskundige geletterdheidsschaal wijzen op een verschil van bijna 100 punten: het grootste verschil van alle geteste OESO-landen. Ook als rekening gehouden wordt met de verschillen in sociaal-economische achtergrond van beide groepen, blijven de leerlingen van Belgische herkomst beduidend beter scoren. Van de leerlingen van Belgische herkomst haalt 12% het basisvaardigheidsniveau niet, bij de leerlingen van vreemde herkomst loopt dat op tot 41%.
  • Ook andere indicatoren die dieper ingaan op de schoolloopbaan van leerlingen wijzen op achterstand bij personen met een niet-Nederlandse thuistaal. In 2012 had voor- eerst 36% van de leerlingen met een niet-Nederlandse thuistaal in het laatste jaar van het gewoon lager onderwijs al één of meerdere jaren vertraging opgelopen. Bij de leerlingen met Nederlands als thuistaal is dat slechts 12%. In het secundair onderwijs loopt de schoolse achterstand verder op. 65% van de leerlingen in het 2de leerjaar van de 3de graad van het gewoon secundair onderwijs met een vreemde thuistaal heeft één of meerdere jaren vertraging opgelopen. Bij de leerlingen met Nederlands als thuistaal gaat het om 33%.
  • Daarnaast blijkt dat jongeren met een andere moedertaal dan het Nederlands veel vaker het secundair onderwijs vroegtijdig verlaten. Bij de jongens gaat het om 35% van de leerlingen, bij de meisjes om 26%. Dat aandeel ligt bij de jongens en meisjes die het Nederlands hebben als moedertaal respectievelijk slechts op 12% en 7%.
  • Ook wat het hoger onderwijs betreft, lijkt het aandeel personen met een vreemde nationaliteit (9% in 2012- 2013) niet direct te wijzen op achterstand. Maar een aan- zienlijk deel van de vreemdelingen ingeschreven in het Vlaamse hoger onderwijs komt hier enkel om te studeren en vertrekt daarna weer. Als enkel gekeken wordt naar de deelname aan het hoger onderwijs van de personen die in Vlaanderen secundair onderwijs hebben gevolgd, blijkt een ander beeld. Zo volgde 7 op de 10 leerlingen met een Belgische nationaliteit die in Vlaanderen in 2010 een diploma secundair onderwijs hebben gehaald in het daaropvolgende academiejaar een professionele of academische bachelor opleiding. Bij de niet-Belgen gaat het om iets minder dan de helft van de leerlingen.

Over zorg:

  • De overgrote meerderheid van de jongeren in de jeugdzorg zit in een problematische opvoedingssituatie. Diegenen die een als misdrijf omschreven feit pleegden, vormen een kleine minderheid.
  • Het aantal jongeren dat in de jeugdzorg terecht komt omwille van een problematische opvoedingssituatie gaat in licht stijgende lijn, het aantal jongeren dat een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd blijft dalen. Het totaal aantal jongeren met een maatregel (POS, MOF of andere) neemt jaar na jaar toe.
  • Jongeren tussen 15 en 19 jaar vormen de grootste groep. 32% van de jongeren in de jeugdhulpverlening is jonger dan 10 jaar. Het gaat om iets meer jongens dan meisjes.
  • Na de daling van het aantal jongeren op de wachtlijst in 2012, is er in 2013 terug een stijging. Eind 2013 stonden er 4.224 jongeren op de centrale wachtlijst, 151 meer dan het jaar voordien. De provincie Antwerpen telt het grootste aantal wachtenden.

Over demografie:

  • In de groot- en centrumsteden wonen in verhouding meer huishoudens zonder kinderen. In de grootsteden worden ook meer huishoudens geregistreerd met jonge kinderen, dit zowel bij de min 3-jarigen als bij de min 6-jarigen.
  • Het aandeel huishoudens met kinderen jonger dan 18 jaar ligt lager in de groot- en centrumsteden dan gemiddeld.
  • Kenmerkend voor de leeftijdsopbouw in Vlaanderen, is de steeds smallere basis van jongeren in combinatie met een steeds breder wordende bovenlaag van oudere leeftijdsgroepen. Vlaanderen vergrijst verder aan een snel tempo. Het aandeel -20-jarigen (ontgroening) is de afgelopen jaren enkel in de grootsteden, het strategisch gebied rond Brussel en in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest groter geworden. In de grootstedelijke en regionaal stedelijke rand en op het platteland is de daling van het aandeel -20-jarigen het sterkst.




Filmpje bij Jaarverslag Kinderrechtencommissariaat: Kinderen en jongeren vragen tijd!

19 11 2014

Het Kinderrechtencommissariaat stelt in hun jaarverslag vast dat ‘kinderen en jongeren tijd vragen’. Tijd voor zichzelf maar ook tijd van volwassenen. De kinderrechtencommissaris illustreert met concrete cases het belang van tijd in verschillende levensdomeinen van kinderen. En geeft aan waar het beleid oog voor moet hebben.

Dit filmpje dient als illustratie:





Blijven landen met een hoge PISA-score goed scoren naarmate de leerlingen ouder worden?

19 11 2014

Een nieuwe PISA in Focus combineert PISA (waarbij gekeken wordt naar 15-jarigen) met het onderzoek naar skills bij volwassenen (PIAAC). Dit is natuurlijk geen zuivere longitudinale studie, want men vergelijkt niet 1 op 1, maar kijkt naar gemiddelden van 15-jarigen en latere groepen.

Maar wat blijkt?

  • Countries where 15-year-old students perform at high standards internationally tend to be the same countries where these young adults tend to perform well at the age of 26 to 28.
  • School systems need to ensure that their students perform at a high level by the time they complete compulsory schooling and that these skills are maintained and further developed thereafter.

Nu, stel dat het niet zo geweest zou zijn, dan zat de OESO met een probleem, want dan zou een stuk van de voorspellende kracht van de PISA-testen waar men op hoopt/rekent er niet zijn. En men geeft toe dat PISA veel voorspelt, maar duidelijk niet alles:

Country-level performance of 15-year-olds in reading and mathematics is associated with levels of literacy and numeracy of the same cohorts 12 years later, but the relationship is not deterministic. In Ireland, for example,
15-year-olds performed well above the average in reading in PISA 2000, but the same cohort scored below average in the Survey of Adult Skills in 2012. In Italy and Spain, 15-year-olds performed close to the average in reading in PISA 2000, but the same cohort scored well below average in literacy in the adult survey in 2012.

Nu, er kunnen veel redenen zijn waarom dergelijke verschillen opduiken. Mensen krijgen nog steeds vorming en les na hun 15de, er kan het effect van de crisis zijn (bijvoorbeeld in de landen die net genoemd worden waar de crisis hard heeft toegeslagen).

Check het volledige rapport hier.

 





Nieuw UN-rapport: 1.8 miljard jongeren op deze wereld, investeren in hen betekent voorspoed

18 11 2014

De UNFPA publiceerde net hun nieuw “State of the World Population” met daarin als opvallend cijfer 1.8 miljard. Zoveel jongeren tussen 10 en 24 bewonen momenteel deze wereldbol en investeren in deze jongeren betekent voor ontwikkelende landen voorspoed voor de tweede helft van deze eeuw, zoals verschillende Oostaziatische landen in de jaren 50 en 60 van vorige eeuw hebben gedaan met hun huidig economisch succes tot gevolg volgens het rapport.

Deze uitspraken gebeuren niet zomaar. 9 op de 10 jongeren woont namelijk momenteel in een ontwikkelings- of zich ontwikkelend land. In 17 ontwikkelingslanden is de helft van de bevolking jonger dan 18.

Je kan het rapport hier downloaden.

 





Lectuur op zaterdag: “ik dacht spontaan dat het alcohol heette”

15 11 2014

De weekendbijlage bij deze blog:





Een video en 10 essays vol discussiestof over het beroep van leerkracht

15 11 2014

De RSA vroeg 11 onderwijsdenkers om een essay te schrijven over het beroep van leerkracht. Je kan deze 10 essays hier downloaden.

De bijhorende video is een pleidooi voor het beroep van leerkracht te bekijken als designer en om niet enkel te kijken naar wat werkt, maar wat misschien kan werken (risico’s durven nemen).

Maar er zit veel, veel meer in. In enkele minuten video bijvoorbeeld zie je veel van de huidige discussiepunten opduiken (het zombie-idea merit pay, komen de beste leerkrachten wel bij de leerlingen die hen het meest nodig hebben,…)

Een prima middel voor discussies onder leraren, studenten in de lerarenopleiding en beleidsmensen.





Annie-Murphy Paul over IQ en intelligentie: The Science of How We Get Smarter (video)

12 11 2014

Vond deze video via de blog van @lerenhoezo. Tommy schreef:

In dit videofragment gaat Annie Murphy Paul (http://anniemurphypaul.com/) in op enkele misverstanden die er bestaan over intelligentie en IQ scores. Annie Murphy Paul licht toe dat intelligentie en IQ-scores niet echt een stabiel en vaststaand gegeven zijn maar sterk worden beïnvloed door de situatie of “microenvironment” waarin we ons bevinden. Bepaalde factoren zoals een mindfulness training, aandacht voor een growth mindset, hoge verwachtingen van leerkrachten, enz. hebben een positieve impact op je IQ terwijl financiële zorgen of een slaapgebrek ervoor zorgen dat je IQ-score negatief wordt beïnvloed (in het videofragment somt Annie Murphy Paul nog heel wat andere factoren op!).

Annie Murphy Paul stelt dat het belangrijk is als leerkracht, ouders, enz. om jezelf te informeren over de impact van deze factoren en om condities te helpen creëren die een positief effect hebben. Bovendien vertelt ze ook dat in plaats van ons te focussen op het individu en ons de vraag te stellen of iemand slim is of niet, het misschien beter is om ons eerst te focussen op de omgeving waarin jongeren leren en eerst te kijken in welke mate die omgeving een positief of negatief effect heeft op de intelligentie van de mensen die er zich in bevinden.





OESO publiceert literatuurstudie rond schoolgrootte

10 11 2014

Interessant, de OESO publiceerde net een literatuurstudie rond optimale schoolgrootte waarbij ze kijken naar voor- en nadelen. Omdat we in Nederland en Vlaanderen ogenschijnlijke tegenovergestelde bewegingen hebben (schaalvergroting in Vlaanderen, zeg maar post-schaalvergroting in Nederland), zeer actueel.

De conclusie van de studie is ontnuchterend. Het is namelijk niet zo eenvoudig te stellen dat er een optimale schoolgrootte is. Soms zijn scholen noodgedwongen klein, wegens afgelegen, maar kunnen ze de beperking van een kleine schaal (minder kansen tot professionalisering, minder ondersteuning, minder specialisatie) wel opvangen door bijvoorbeeld bovenschoolse samenwerking of online ondersteuning van de lesgevers. Iets wat ik zelf ook al zag bij projecten waarbij ogenschijnlijk ‘te kleine’ scholen (cfr New York) toch zeer effectief bleken.

Ik neem even dit stuk over uit de eigenlijke conclusie als samenvatting, aandachtspunten voor iedereen die over schaalvergroting (of -verkleining) nadenkt.

One of the arguments that has appeared more consistently throughout this paper is that there is no ‘one-size-fits-all’ solution in school size policies. Even if consolidation may improve school quality and efficiency in some contexts, it is unfeasible in others, mostly due to geographical isolation. Other alternative forms of organisation have proven effective in counteracting the disadvantages of small remote schools, without having to remove the school institution of its community. School clusters and school federations, and other more informal forms of cooperation, have allowed smaller schools to obtain specialised teachers and courses, to organise larger groups of students for certain classes, and also to create a wider professional community for teachers and principals. For those cases where interaction with other nearby schools is unfeasible, information and communication technologies provide an innovative tool to combat isolation, and positive experiences of their implementation show that they could be a useful tool for very remotely located schools.

Any decision on changes in school size must be made carefully, and it needs to be exhaustive in including all of the mechanisms and variables that mediate size effects. In that respect, existing studies have insufficiently reflected on the possible interaction effects between size and other school and context related variables. Grade level and social class have proven to be two strong mediators of size effects. This indicates that policy-makers need to carefully consider which student populations will benefit or suffer from different school sizes. Changes in size policies should be conducted through an open and transparent process that permits the participation of the affected communities, and that clearly presents the arguments for changes in the school structure








Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 6.547 andere volgers

%d bloggers op de volgende wijze: