Deze video zal je misschien niet zo fijn vinden: Humans need not apply

27 11 2014

Zal het zo een vaart lopen? Wie weet, maar 15 minuten na de start van de video zit je toch zeker te denken.





Echte ‘people’-managers die beter emoties kunnen lezen, verdienen meer

25 11 2014

Een nieuw onderzoek toont dat mensen die beter de emoties kunnen lezen van hun personeel beter verdienen. Hiervoor rekruteerden de onderzoekers 147 deelnemers die een reeks van 20 beelden met gezichtsuitdrukkingen van kinderen en 20 geluidsopnames hoorden en daarvan moesten inschatten welk gevoel er getoond of gehoord werd. Gemiddeld had men 77% correct, maar er waren ook respondenten die bijvoorbeeld 87% correct hadden.

Van alle respondenten werd vervolgens informatie ingewonnen bij collega’s en bedrijven, en wat blijkt, die laatste groep “are considered more socially and politically skilled than others by their colleagues. Their supervisors also attribute better social and political skills to these people. And, most notably, their income is significantly higher.”

Wat het onderzoek nog interessanter maakt, is dat de onderzoekers vervolgens hun eigen onderzoek gerepliceerd hebben met 156 respondenten en gelijkaardige resultaten kregen.

Abstract van het onderzoek:

This study integrates the emotion and social influence literatures to examine how emotion recognition ability (ERA) relates to annual income. In a sample of 142 employee–peer–supervisor triads from a broad range of jobs and organizations, we find that people’s level of ERA indirectly relates to how much they earn per year. The relationship between ERA and annual income is mediated sequentially through political skill and interpersonal facilitation. The results imply that emotional abilities allow people not only to process affect-laden information effectively but also to use this information to successfully navigate the social world of organizations in the pursuit of prosperity.





9 voorbeelden van mobiel leren op school en op het werk

24 11 2014




Wat leren we bij uit de de Vlaamse Regionale Indicatoren (VRIND 2014) over jongeren?

21 11 2014

Gisteren werden de nieuwe Vlaamse Regionale Indicatoren (VRIND 2014) voorgesteld (je kan ze hier downloaden en echt bekijk het ook helemaal!).

Net zoals vorig jaar en het jaar daarvoor even kijken wat er zoal over jongeren verteld wordt:

Over inkomen en werk:

  • In de lente van 2013 liggen de tevredenheidsscores van de Vlamingen met verschillende levensaspecten over het algemeen lichtjes hoger dan de voorbije jaren. Jongeren (<35 jaar) klagen iets meer over hun inkomen en het werk dat ze doen.
  • In vergelijking met 2012 vrezen werkenden iets meer voor hun job. Dit geldt ook voor de jobverwachting bij jongeren. Meer dan een kwart van de werkenden vreest door faillissement of ontslag zijn werk te verliezen, bij de werkzoekenden loopt dit op tot meer dan 1 op de 3. Bij studenten is de vrees om niet aan werk te geraken na hun studies tot circa 30% opgelopen. De stijgende werkloosheidscijfers en zeker de stijgende jongerenwerkloosheid in 2013, laat zich hier zeker gelden.
  • Tussen februari 2012 en januari 2013 waren er 30.063 mannelijke en 30.825 vrouwelijke schoolverlaters. Daarvan schreef 83% zich in als werkzoekende bij de VDAB. In 2006-2007, voor de crisis, schreven zich slechts 64% van de schoolverlaters in bij de VDAB. De sterke stijging heeft te maken met de slechte conjunctuur die een sterke rem zet op de intrede van jonge schoolverlaters op de arbeidsmarkt.
  • De werkzaamheidsgraad bij jongeren (20-24 jaar) is tussen 2008 en 2013 met 8 procentpunten gedaald van 56,1% naar 48,1%. Dit is deels te wijten aan de crisisjaren; jongeren zijn erg kwetsbaar in tijden van economische laagconjunctuur. Anderzijds is er ook de stijgende deelname aan hoger onderwijs.
  • Tijdelijke arbeid is ook sterk leeftijdsgebonden en blijkt vooral een jongerenzaak te zijn. Bij Vlaamse jongeren komen tijdelijke arbeidsovereenkomsten relatief meer voor dan bij de totale bevolking op arbeidsleeftijd, maar minder dan bij tal van hun Europese leeftijdsgenoten. Dit onderlijnt het belang van tijdelijk werk als intredekanaal op de arbeidsmarkt.
  • Er is en blijft een groot tekort aan technisch geschoolde arbeidskrachten. Nog steeds kiezen te weinig jongeren voor opleidingen die voorbereiden op deze technische beroepen.
  • Bij de werkloosheidsgraad van jongeren (18-24 jaar) zijn gelijkaardige verschillen te zien als bij de totale bevolking. De werkloosheidsgraad ligt bij de jongeren van Maghrebijnse herkomst 4 keer hoger dan bij de jongeren van Belgische herkomst (20% tegenover 5%). De werkloosheidsgraad bij jongeren afkomstig uit Turkije en de andere kandidaat-EU-landen en uit de Europese landen buiten de EU (telkens 17%) ligt meer dan 3 keer hoger dan de werkloosheidsgraad van Belgische jongeren. Bij de jongeren afkomstig uit een Zuid-EU-land en de ‘andere landen’ (telkens 10%) ligt de werkloosheidsgraad dubbel zo hoog als bij jongeren van Belgische herkomst.

Over sociaal leven en sociale contacten:

  • Vlamingen hebben regelmatig contact met buren, familie of vrienden. Vooral de contacten met buren zijn vrij frequent, behalve voor jongeren en hooggeschoolden. Zij compenseren dit door meer contacten met vrienden en door online contacten.

  • Uit de JOP-monitor 3 blijkt dat ongeveer 57% van de jongeren (14- tot 30-jarigen) actief of organiserend deelnemer in het verenigingsleven is. Het aantal deelnemende jongeren aan internationale uitwisselingsprogramma’s stijgt de voorbije vijf jaren sterk.
  • Hieruit blijkt ook dat ongeveer 57% van de jongeren (14- tot 30-jarigen) actief of organiserend deelnemer in het verenigingsleven is. Ongeveer een derde van de verenigingsparticipanten participeert aan een of meerdere jeugdwerkverenigingen. Dit komt neer op ongeveer een vijfde van de Vlaamse jongeren. Binnen de jeugdwerkver- enigingen hebben de jeugd- en jongerenbewegingen het grootste aandeel. De participatie van de 12- en 13-jarigen wordt apart bekeken. De verenigingsdeelname bij deze groep ligt opvallend hoger dan bij de 14- tot 30-jarigen. In totaal is meer dan vier vijfde lid van een of andere vereniging en meer dan 4 op de 10 is lid van een jeugdbeweging. Ook hier hebben de jeugd- en jongerenbewegingen het grootste aandeel.

  • Jongereninformatiepunten (JIP) zijn laagdrempelige voorzieningen waar kinderen, tieners en jongeren met hun vragen terecht kunnen. In 2014 zijn er 62 erkende JIP’s. Samen beantwoorden ze ongeveer 14.000 vragen per jaar.

Over gezondheid:

  • Het aandeel volwassen rokers vertoont de voorbije 20 jaar een dalende trend. In 2011 rookt 18,5% van de Vlamingen van 18 jaar en ouder. Dit lijkt een goede stap op weg naar de gezondheidsdoelstelling die stelt dat er tegen 2015 maximaal 20% volwassen rokers mogen zijn. Ook het tabaks- en alcoholgebruik bij jongeren loopt terug.
  • Gemiddelde leeftijd waarop jongeren hun eerste sigaret hebben opgestoken was 14,4 jaar.
  • Tussen jongens en meisjes is er maar weinig verschil meer. Het dagelijks roken neemt sterk toe met de leeftijd, bij de 17- tot 18-jarigen rookt 17,5% dagelijks. Leerlingen in het TSO en vooral BSO roken beduidend meer dan leerlingen in het ASO.
  • Tussen schooljaar 2000-2001 en 2011-2012 is een sterke daling te merken in het tabaksgebruik bij jongeren. De grootste daling doet zich voor in het ‘ooit gebruik’ met een daling van om en bij de 20%. Toch is er blijvende aandacht nodig voor de jongeren die wel experimenteren en verder evolueren naar regelmatig gebruik: 1 op 10 leerlingen is namelijk een regelmatige roker. Tijdens het schooljaar 2011-2012 is er een lichte stijging van het aantal regelmatige gebruikers.
  • Aan het einde van het secundair onderwijs gebruikten bijna alle leerlingen ooit alcohol: onder de 17- tot 18-jarigen heeft 89% ooit alcohol gedronken. De gemiddelde leeftijd waarop men een eerste glas drinkt, is 14 jaar.
  • Van alle leerlingen in het secundair onderwijs in het schooljaar 2010-2011 drinkt 18% regelmatig alcohol, meer jongens dan meisjes. Met de leeftijd neemt de frequentie van alcoholgebruik snel toe: 21,5% van de 15 tot 16-jarigen en 39% van de 17 tot 18-jarigen drinkt regelmatig alcohol. Het TSO en BSO tellen iets meer leerlingen die regelmatig alcohol drinken dan het ASO, maar de verschillen zijn klein.
  • De voorbije 10 jaar daalde zowel het ‘ooit gebruik’ als het regelmatig gebruik. De 17,6% regelmatige gebruikers tij- dens schooljaar 2011-2012 betekenen bijna een halvering tegenover de 29% regelmatige gebruikers tijdens school- jaar 2000-2001. Deze daling is echter grotendeels toe te schrijven aan een sterke daling in het ‘ooit gebruik’ bij de 12- tot 14-jarigen.
  • Cannabis blijft de meest populaire onder de illegale drugs bij jongeren: in het schooljaar 2011-2012 had 17,3% van alle leerlingen ooit cannabis geprobeerd tegenover 3,9%die ooit een andere illegale drug hadden geprobeerd. De gemiddelde leeftijd waarop een eerste keer cannabis werd gebruikt, was 15,4 jaar.
  • In het schooljaar 2011-2012 heeft 10,4% van alle leerlingen het jaar voor de bevraging cannabis gebruikt: 7,8% occasioneel, 2,6% regelmatig. Cannabis is populairder bij jongens dan bij meisjes en het gebruik neemt gradueel toe met de leeftijd. In de groep 17- tot 18-jarigen heeft 21% het voorbije jaar cannabis gebruikt, 5% deed dit regelmatig. De verschillen in laatstejaarsgebruik tussen de onderwijsvormen waren beperkt, wel gebruikten in het TSO en het BSO 2 tot 3 maal zoveel leerlingen regelmatig cannabis dan in het ASO.
  • Onder de gebruikers van cannabis zijn er meer occasionele dan regelmatige gebruikers, en dit in alle leeftijdscategorieën, in de 3 onderwijsvormen en zowel bij jongens als meisjes.
  • Tussen het schooljaar 2000-2001 en 2011-2012 schommelt de laatstejaarsprevalentie van cannabisgebruik rond de 12%. Wel is er een daling in het regelmatig gebruik van cannabis, sinds 2004-2005 is er een stabilisering rond de 3%.

Over vertrouwen:

  • De jongste en oudste leeftijdsgroepen hebben globaal meer vertrouwen. Jongeren staan wel kritischer tegenover de Kerk en het koningshuis, terwijl ze meer vertrouwen stellen in het gerecht.

Over politiek, overheid en voorzieningen:

  • De jongeren zijn minder tevreden over de opvang en begeleiding van werklozen, het openbaar vervoer en groenvoorzieningen.
  • Jongeren (<35 jaar) verwachten over de ganse lijn iets minder van de overheid. Minder dan andere leeftijdsgroepen vinden zij dat het de verantwoordelijkheid is van de overheid om werklozen een behoorlijke levensstandaard te garanderen en de inkomensverschillen tussen arm en rijk te verkleinen.
  • Minder dan 1 op de 4 volwassen Vlamingen is geïnteresseerd in politiek. De interesse ligt merkelijk hoger bij mannen (32%), hooggeschoolden (45%), 55- tot 65-jarigen (30%) en lager bij vrouwen (15%), laaggeschoolden (10%), 18- tot 35-jarigen (18%) en 75-plussers (17%). Maar: in vergelijking met 2012 zijn er nauwelijks verschillen.

Over leren en onderwijs:

  • Een vroege schoolverlater wordt Europees gedefinieerd als een 18-24-jarige die maximaal beschikt over een kwalificatie van het lager secundair onderwijs en geen onderwijs of opleiding meer volgt. De berekening gebeurt op basis van steekproefgegevens. In 2013 bedraagt de omvang van deze groep in het Vlaamse Gewest 7,5%. Het Vlaamse gemiddelde verbergt wel een aanzienlijk verschil tussen de geslachten: 5,7% bij jonge vrouwen tegenover 9,3 % bij jonge mannen. Daarmee behaalt het Vlaamse Gewest de Europese doelstelling en doet het duidelijk beter dan de gemiddelde EU-lidstaat. Ook Nederland, Frankrijk en Duitsland duiken onder de 10%-grens, zij het wat nipter dan het Vlaamse Gewest. Enkel in het Verenigd Koninkrijk en België als geheel wordt de EU2020-doelstelling (nog) niet gehaald in 2013.
  • In 2010 was 12,7 % van de +18-jarigen die het se- cundair onderwijs verlieten een vroegtijdige schoolverla- ter. Hoewel deze groep vandaag duidelijk groter is dan bij het begin van de eeuw, zien we hoe zich in 2008 een lichte daling inzette die wordt verdergezet in 2009 en 2010. We evolueren dus terug naar de situatie in het jaar 2000. Als we ook rekening houden met de kwalificaties uit het buitengewoon secundair onderwijs (OV3 & OV4) bedraagt het aandeel in 2010 11,1%.
  • Voor wie uitstroomde uit het secundair onderwijs op het einde van de schooljaren 2008-2009 en 2009-2010 kunnen we een volledig beeld schetsen. Gemiddeld neemt van dat eerste schooljaar 67% deel aan het hoger onderwijs. De verschillen zijn echter aanzienlijk: wie een hooggeschoolde moeder heeft, gaat in 86% van de gevallen zelf ook naar het hoger onderwijs. Met een middengeschoolde moeder is dat nog 66% en bij jongeren met een laaggeschoolde moeder valt de deelname terug tot 45%. De doelstelling uit het Pact leek daarmee bijna bereikt: 57% van de jongeren met een niet-hooggeschoolde moeder, die uitstroomden uit het secundair onderwijs op het einde van het schooljaar 2008-2009, participeerde aan het hoger onderwijs. Het jaar erop zien we echter een daling met 2%. Bovendien moet opgemerkt worden dat het vooral
    de jongeren met een middengeschoolde moeder zijn die bijdragen tot het bereiken van de doelstelling. De resultaten voor de uitstroomjaren 2010-2011 en 2011- 2012 zijn nog niet definitief en liggen logischerwijze dan ook wat lager: er kon nog niet voor alle relevante academiejaren worden nagegaan of de jongeren zich aanbieden in het hoger onderwijs. Uit de voorlopige cijfers kunnen we zien dat er een zwakke negatieve tendens is. Indien deze tendens niet gekeerd wordt, zal de doelstelling niet bereikt worden.
  • Verder zien we een duidelijk verschil tussen mannen en vrouwen: vrouwen nemen, over alle groepen heen, veel vaker deel aan het hoger onderwijs. Bovendien is de kloof licht gegroeid ten opzichte van de eerste meting. Bij de vrouwen wordt de doelstelling uit het Pact al bereikt. Het valt wel op dat de deelnamekloof kleiner wordt naarmate de moeder een hoger diploma behaalde.
  • We kunnen stellen dat 45% beschikt over een diploma uit het hoger onderwijs. Vrouwen doen het daarbij duidelijk beter dan mannen: meer dan de helft van de 25-34-jarige vrouwen heeft een diploma uit het hoger onderwijs. Bij mannen is dat ongeveer 37%.
  • Het aantal jongeren in centra voor deeltijds onderwijs blijft jaar na jaar stijgen. In het schooljaar 2012-2013 volgden 8.631 leerlingen (exclusief vrij, niet financierbare leerlingen) het DBSO (al deze cijfers heb- ben betrekking op de meting 1 februari 2013); hiervan zijn 67,8% jongens. Het voltijds engagement in 2012-2013 bedraagt 65,3%, in absolute cijfers 5.636 jongeren.
  • Van de 27,5% (2.374 jongeren) die geen voltijds engagement hebben, blijkt 6,9% (593 jongeren) niet onmiddellijk beschikbaar (ziekte, zwangerschap, enz…). 20,4% (1.765 jongeren) zijn te oriënteren, ze bevinden zich bij manier van spreken in een “wachtkamer” naar één of andere fase; 0,9% of 75 jongeren staan te oriënteren naar een per- soonlijk ontwikkelingstraject, 2,4% of 207 jongeren staan te oriënteren naar een voortraject, 3,2% of 276 jongeren staan te oriënteren naar een brugproject. Belangrijk maar ook schrijnend is dat 14% of 1.207 jongeren klaar zijn voor een reguliere tewerkstelling, maar moeten wachten op een passende alternerende tewerkstelling.
  • De algemene cijfers over de onderwijsdeelname van vreemdelingen wijzen niet direct op achterstelling. Het aandeel leerlingen met een vreemde nationaliteit in het kleuter, lager en secundair onderwijs lag in het schooljaar 2012-2013 tussen de 7% en 9%, wat min of meer overeenkomt met het aandeel vreemdelingen in de totale bevolking. In het buitengewoon kleuter, lager en secundair onderwijs liggen die percentages echter telkens 3 tot 4 procentpunten hoger. In het secundair onderwijs blijken er daarnaast duidelijk verschillen naar studierichting. In de 2de en 3de graad van het ASO en TSO ligt het aandeel vreemdelingen telkens tussen 4% en 5%. In het BSO ligt dat aandeel op 10%. In het deeltijds beroepssecundair onderwijs stijgt het aandeel vreemdelingen tot 21%.
  • Meer nog dan nationaliteit bepaalt de aan- of afwezigheid van een taalachterstand iemands slaagkansen in het onderwijs. Daarom is het zinvol om ook te kijken naar de voertaal van het gezin waarin de leerlingen opgroeien. Het gewoon kleuter- en lager onderwijs telde in 2012 respectievelijk 18% en 16% leerlingen met een niet- Nederlandse thuistaal. In het secundair onderwijs gaat het om 10% van de leerlingen. In het ASO en TSO gaat het slechts om 8% van de leerlingen. In het BSO stijgt dat aandeel tot 15%, in het deeltijds beroepssecundair onderwijs tot 24%.
  • De Vlaamse resultaten van het PISA-onderzoek over de onderwijsprestaties van 15-jarigen geven aan dat leerlingen van Belgische herkomst veel beter scoren dan leerlingen van vreemde herkomst (zelf of met ouders geboren in het buitenland). De resultaten van 2012 op de wiskundige geletterdheidsschaal wijzen op een verschil van bijna 100 punten: het grootste verschil van alle geteste OESO-landen. Ook als rekening gehouden wordt met de verschillen in sociaal-economische achtergrond van beide groepen, blijven de leerlingen van Belgische herkomst beduidend beter scoren. Van de leerlingen van Belgische herkomst haalt 12% het basisvaardigheidsniveau niet, bij de leerlingen van vreemde herkomst loopt dat op tot 41%.
  • Ook andere indicatoren die dieper ingaan op de schoolloopbaan van leerlingen wijzen op achterstand bij personen met een niet-Nederlandse thuistaal. In 2012 had voor- eerst 36% van de leerlingen met een niet-Nederlandse thuistaal in het laatste jaar van het gewoon lager onderwijs al één of meerdere jaren vertraging opgelopen. Bij de leerlingen met Nederlands als thuistaal is dat slechts 12%. In het secundair onderwijs loopt de schoolse achterstand verder op. 65% van de leerlingen in het 2de leerjaar van de 3de graad van het gewoon secundair onderwijs met een vreemde thuistaal heeft één of meerdere jaren vertraging opgelopen. Bij de leerlingen met Nederlands als thuistaal gaat het om 33%.
  • Daarnaast blijkt dat jongeren met een andere moedertaal dan het Nederlands veel vaker het secundair onderwijs vroegtijdig verlaten. Bij de jongens gaat het om 35% van de leerlingen, bij de meisjes om 26%. Dat aandeel ligt bij de jongens en meisjes die het Nederlands hebben als moedertaal respectievelijk slechts op 12% en 7%.
  • Ook wat het hoger onderwijs betreft, lijkt het aandeel personen met een vreemde nationaliteit (9% in 2012- 2013) niet direct te wijzen op achterstand. Maar een aan- zienlijk deel van de vreemdelingen ingeschreven in het Vlaamse hoger onderwijs komt hier enkel om te studeren en vertrekt daarna weer. Als enkel gekeken wordt naar de deelname aan het hoger onderwijs van de personen die in Vlaanderen secundair onderwijs hebben gevolgd, blijkt een ander beeld. Zo volgde 7 op de 10 leerlingen met een Belgische nationaliteit die in Vlaanderen in 2010 een diploma secundair onderwijs hebben gehaald in het daaropvolgende academiejaar een professionele of academische bachelor opleiding. Bij de niet-Belgen gaat het om iets minder dan de helft van de leerlingen.

Over zorg:

  • De overgrote meerderheid van de jongeren in de jeugdzorg zit in een problematische opvoedingssituatie. Diegenen die een als misdrijf omschreven feit pleegden, vormen een kleine minderheid.
  • Het aantal jongeren dat in de jeugdzorg terecht komt omwille van een problematische opvoedingssituatie gaat in licht stijgende lijn, het aantal jongeren dat een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd blijft dalen. Het totaal aantal jongeren met een maatregel (POS, MOF of andere) neemt jaar na jaar toe.
  • Jongeren tussen 15 en 19 jaar vormen de grootste groep. 32% van de jongeren in de jeugdhulpverlening is jonger dan 10 jaar. Het gaat om iets meer jongens dan meisjes.
  • Na de daling van het aantal jongeren op de wachtlijst in 2012, is er in 2013 terug een stijging. Eind 2013 stonden er 4.224 jongeren op de centrale wachtlijst, 151 meer dan het jaar voordien. De provincie Antwerpen telt het grootste aantal wachtenden.

Over demografie:

  • In de groot- en centrumsteden wonen in verhouding meer huishoudens zonder kinderen. In de grootsteden worden ook meer huishoudens geregistreerd met jonge kinderen, dit zowel bij de min 3-jarigen als bij de min 6-jarigen.
  • Het aandeel huishoudens met kinderen jonger dan 18 jaar ligt lager in de groot- en centrumsteden dan gemiddeld.
  • Kenmerkend voor de leeftijdsopbouw in Vlaanderen, is de steeds smallere basis van jongeren in combinatie met een steeds breder wordende bovenlaag van oudere leeftijdsgroepen. Vlaanderen vergrijst verder aan een snel tempo. Het aandeel -20-jarigen (ontgroening) is de afgelopen jaren enkel in de grootsteden, het strategisch gebied rond Brussel en in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest groter geworden. In de grootstedelijke en regionaal stedelijke rand en op het platteland is de daling van het aandeel -20-jarigen het sterkst.




Zeer mooi filmpje toont dat jongeren veel meer zijn dan een selfie-generatie

20 11 2014

Vond deze video via Kids en Jongerenmarketing.





Persbericht: Psychopatenbrein denkt fundamenteel anders

1 11 2014

Kwam bij het opstellen van mijn lectuur op zaterdag-lijstje ook nog dit persbericht tegen over het onderzoek van Katinka von Borries:

Mensen met psychopathische trekken vertonen basale afwijkingen in het verwerken van sociale informatie. Dit is al in zeer vroege processen te zien, maar ook op latere momenten waar deze informatie gebruikt wordt om gedrag bij te sturen. Ook vertonen zij afwijkingen in toenaderen en vermijden van sociale signalen. Dit blijkt uit het onderzoek van Katinka von Borries van het Radboudumc en de Pompekliniek. Haar inzichten bieden aanknopingspunten voor het verbeteren van TBS-behandelingen. Op 24 oktober promoveert zij in Nijmegen op haar onderzoek.

Bijna iedereen heeft het woord ‘psychopaat’ wel eens gehoord of gebruikt. Vaak denken mensen hierbij aan gevaarlijke criminelen zoals Hannibal Lector in ‘Silence of the lambs’. Forensisch psychiaters definiëren psychopathie als een aandoening waarbij iemand sociaal-emotionele problematiek vertoont zoals kilheid, gebrek aan berouw en afwezigheid van empathie, en antisociale eigenschappen heeft als impulsiviteit, prikkelhonger, parasitaire levensstijl en criminaliteit. Niet iedereen die deze eigenschappen heeft, hoeft echter crimineel gedrag te vertonen.

Is psychopathie te behandelen?

In Nederland heeft ongeveer 20 tot 35 procent van de TBS-patiënten een diagnose psychopathie. Deze patiënten staan erom bekend, dat ze minder goed op de behandeling reageren dan gewenst. Zij lijken weinig te leren van de consequenties van hun gedrag. Het onderzoek van Von Borries is er dan ook op gericht om beter te begrijpen waarom deze patiënten moeilijk zijn te behandelen. Om de kans op recidive zoveel mogelijk  te verlagen, moeten patiënten leren zo ‘normaal’ mogelijk te leven. Pas als je weet hoe mensen met psychopathie leren, kun je behandelprogramma’s daarop aanpassen.

Immuun voor agressie

Von Borries onderzocht verschillende manieren van leren bij TBS-patiënten met psychopathie. Zij keek specifiek naar de hersenprocessen die samenhangen met het verwerken van beloning en straf. Zo bleek dat deze patiënten anders omgaan met basale processen als toenadering en verwijdering. Normaal gesproken voelen mensen zich uitgenodigd door mensen met een vrolijk gezicht en niet door iemand met een boos gezicht. Het benaderen van een positief persoon gaat meestal gepaard met een positieve ervaring, terwijl het vermijden van agressie juist moet leiden tot vermijding van een negatieve ervaring. Deze neigingen zijn meetbaar door deelnemers te instrueren om op een computerscherm gepresenteerde gezichten met behulp van een joystick weg te duwen of naar zich toe te trekken. Dit experiment liet zien dat patiënten met psychopathie minder geneigd zijn om boze gezichten van zich af te duwen dan gezonde deelnemers uit de controlegroep.

Overgevoelig voor beloning

Van Borries gebruikte ook beeldvormende technieken, zoals EEG en fMRI om verschillen te vinden bij het verwerken van sociale informatie. Zij vond bij mensen met psychopathie een versterkte reactie in het  zogenaamde striatum. Dit breingedeelte is betrokken bij de verwerking van beloningen. Ook het gedrag in afwachting van een beloning valt hieronder. Von Borries: “Je zou kunnen zeggen dat psychopathische hersenen overgevoelig zijn voor een verwachte beloning. We vermoeden dat het verschil tussen criminele en niet-criminele psychopaten is te verklaren doordat deze laatste groep in staat is hun gedrag nog bij te sturen. Criminele psychopaten kunnen dat veel minder. Zij weten misschien wel wat goed en fout is. Ze kunnen er alleen niet naar handelen.”

Verwerken van feedback

Een belangrijk onderdeel van een TBS-behandeling, is dat mensen met psychopathie hun gedrag leren aan te passen op basis van feedback. Von Borries ontdekte dat zij straf op dezelfde manier ervaren als gezonde mensen. Alleen zijn zij niet in staat hun gedrag hier duurzaam op aan te passen. Met andere woorden: ze blijven afhankelijk van straf. Als de straf verdwijnt, hebben zij minder snel in de gaten of ze goed of fout gedrag vertonen. Zij vervallen dan snel weer in hun oude gedrag. Dit geldt overigens niet alleen voor straf. Ook met de verwerking van beloning hebben psychopatische patiënten moeite.

Met de resultaten van het onderzoek van Katinka von Borries zijn TBS behandelingen nog niet gelijk te verbeteren. Zo zal een effectieve behandeling voor iedere patiënt verschillend zijn. Een belangrijke stap is het besef dat iemand met psychopathie wel degelijk kan leren van fouten. Het gaat alleen een stuk langzamer dan bij anderen.





Presentatie: Eric Schmidt vat samen hoe Google werkt (oa personeelsbeleid)

28 10 2014

Vond deze presentatie op de vroege ochtend hier, via @marcoderksen en het is een echte aanrader voor iedereen in de bedrijfswereld, maar ik vermoed dat bijvoorbeeld hogescholen en universiteiten de eerste zijn om ook hier iets van op te steken. De kritische geest in me fluistert dan weer dat het makkelijk praten is voor een groot succesvol bedrij hoe het moet en dat winsten uit het verleden geen garantie zijn voor de toekomst, maar bekijk en wees geïnspireerd:





Straf: een vertaalapp voor doventaal (video)

24 10 2014

Voor alle duidelijkheid, er zijn net als er veel talen zijn, veel verschillende doventalen. Deze UNI-app kan je dus niet zomaar hier gebruiken.  Maar mooi is het wel. Het lijkt me ook een voorbeeld waarbij wearables een meerwaarde kunnen betekenen.

 





Je moet voor een publiek spreken? Check deze tips (infografiek)

12 10 2014

Gevonden via Larry Ferlazzo, klik op de afbeelding voor een (nog) grotere versie:





TED-talk van Thomas Piketty over ongelijkheid

7 10 2014

Het is de misschien meest onverwachte bestseller van de voorbije jaren, maar hier samengevat door de schrijver zelf.








Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 6.545 andere volgers

%d bloggers op de volgende wijze: