Een interessant onderzoek naar de positieve invloed van vriendschap op depressie bij 294 tweelingen waarvan 147 meisjes. Aan het onderzoek deden zowel eeneiige als tweeëiige tweelingen mee, alle tweelingen werden wel samen opgevoed.
De onderzoekers bevroegen de klasgenoten en leerkrachten de deelnemende leerlingen naar mogelijke uitingen van depressieve gevoelens. Ze peilden ook naar nauwe vriendschappen door aan elk kind te vragen de drie beste vrienden binnen hun klas te benoemen, en aan te geven wie hun beste vriend of vriendin was. Als kinderen elkaar noemden, was dit een teken van wederzijdse vriendschap. De kinderen kregen verder ook vragen over de kwaliteit van hun vriendschappen, bijvoorbeeld of ze samen leuke dingen doen.
Zoals al in eerder onderzoek werd vastgesteld, kreeg men al snel bewijs van een genetische invloed op depressie door een duidelijke hogere correlatie in depressieve gevoelens bij identieke tweelingen dan bij niet-identieke tweelingen (hier heb ik zelf wat bedenkingen bij, kan nog steeds omgevingsbepaald zijn, en de steekproef is relatief klein om dit weg te werken, me dunkt).
Wat blijkt nu: bij meisje die een genetische kans hebben voor depressie bleek dit minder effectief voor te komen als ze minstens een goede vriend hebben. Dit was niet het geval voor jongens. Let wel, vriendschap is altijd een beschermmiddel tegen depressie, maar bij de genetische variant was de invloed bij jongens niet significant. De onderzoekers vermoeden dat er een verschil bestaat tussen jongens en meisjes omdat meisjes de neiging hebben om meer te vertrouwen op de sociale relaties als een bron van zelf-definitie en zelfbevestiging. Hun vriendschappen zouden ook meer gekenmerkt worden door een grotere intimiteit, meer zelfonthulling, meer empathie en meer emotionele ondersteuning.
Abstract van het onderzoek:
The study examined whether reciprocal friendship quantity or quality can mitigate genetic vulnerability for depression symptoms in children. The sample comprised 168 monozygotic twin pairs and 126 same-sex dizygotic twin pairs assessed in Grade 4 (mean age = 10.04 years). Friendship participation was measured via reciprocal nominations of close friendships within the classroom. Friendship quality was measured through self-reports. Depression symptoms were measured through teacher and peer reports. Genetic vulnerability for depression symptoms was unrelated to friendship participation or the number of reciprocal friends, but it was negatively related to positive friendship quality. In line with gene–environment interaction, genetic risk effects on depression symptoms were mitigated in girls who had at least one close reciprocal friend. In boys, only moderate main effects of genetic vulnerability and friendship participation were found but no interaction between them. However, among boys with at least one reciprocal friend, a greater number of friends was related to fewer depression symptoms whereas no cumulative effect of friendship was found for girls. Finally, positive friendship quality was related to fewer depression symptoms in girls and boys even when controlling for genetic risk. The findings emphasize the importance of teaching social interactional skills that promote high-quality friendship relations to help prevent the development of depression symptoms in children.

De Jeugd Is Tegenwoordig!
Lannoo Campus
Van Duuren Media
Wolters Plantyn