Korte reportage toont hoe Deense jongeren met autisme sociale vaardigheden leren met een robot

15 11 2014




Hoe jongeren het alcoholgebruik van volwassen zien (Linda Duits)

9 11 2014

Deze post verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Nix18In Nederland wordt in campagnes een onderscheid gemaakt tussen drinken voor jongeren en drinken voor volwassenen. De boodschap van Nix18 is dat jongeren – dat wil zeggen: mensen onder de 18 jaar – niet mogen drinken. Geïmpliceerd daarin is dat drinken boven de 18 jaar dus prima is. Trekken jongeren zulke grenzen zelf ook? In een recente studie [abstract] onderzochten Finse en Italiaanse onderzoekers het ‘grenswerk’ [boundary work] rond alcohol van Finse en Italiaans jongeren.

Grenswerk
Grenzen komen voort uit cultuur en context, zo stelt sociologische theorie over grenswerk van Lamont and Molnár. Ze worden sociaal onderhandeld en zijn dus niet gebonden aan individuen, maar aan groepen. Je zou daarom verwachten dat mensen uit verschillende landen andere grenzen bij alcoholgebruik trekken. Italië en Finland kennen andere drinkculturen. In Italië wordt vooral gematigd bij het eten gedronken, in Finland vooral zwaar bij gelegenheden. Italië kent meer langdurige ziektes gerelateerd aan alcohol, Finland vooral alcoholgerelateerde ongelukken en geweld. De studie richt zich op Turijn en Helsinki. De auteurs spreken daarom van ‘drinking geographies’ in plaats van drinkculturen.

Methode
De onderzoekers hielden in iedere stad vier focusgroepen, met jongeren tussen de 17 en 20 (Turijn) en 17-24 (Helsinki). In totaal zijn 51 respondenten bevraagd. De groepen waren met opzet heterogeen in termen van klasse. Ze kregen verschillende beelden van drinksituaties voorgelegd om discussie te stimuleren. Op de data is narratieve analyse toegepast, waarbij is gezocht naar patronen rond grenzen, in het bijzonder onderscheid tussen jeugdig versus volwassen drinken, en netjes versus afwijkend drinken voor volwassenen.

Resultaten
Er waren duidelijke verschillen tussen de steden. Turijnse jongeren zagen een stel dat samen wijn drinkt vooral als aperitief, voordat er gegeten wordt in een restaurant, en geschikt voor jong en oud. Een hele fles vonden ze trouwens te veel. Jongeren uit Helsinki zagen deze situatie als iets voor volwassenen en koppelden het aan winkelen, een jubileum of daten.

Een foto van een groepje mensen op een terras overdag werd door de Turijnse jongeren afgewezen: overdag drinken is niet normaal. De Finse jongeren vonden het wel normaal, maar alleen voor volwassenen bijvoorbeeld als borrel na het werk.

Een man die alleen drinkt vonden de Turijnse jongeren sneu. Ze koppelden dit beeld aan alcoholisme. Ook de jongeren uit Helsinki vonden het een zielig  beeld. Alleen drinken was in hun ogen onacceptabel, tenzij je uit Oost- of Zuid-Europa komt of een kunstenaar, docent of denker bent.

Tot slot: een foto van een man voorovergebogen naast een fles drank (‘van zijn stokje gegaan’) werd gezien als pathologisch. Voor de Italiaanse jongeren waren dronken volwassenen onbekend. Jongeren mogen wel dronken worden:

Actually, an adult who gets drunk is considered a failed person, someone not meeting social expectations, while young people who do it are not blamed, especially among higher socio-economic status interviewees. However, intoxication is not personally appreciated: many accounts refer to others’ drunkenness (p. 244).

Opmerkelijk zagen de jongeren uit Helsinki dit beeld als alleen iets voor volwassenen. Ze betrokken de foto niet op zichzelf.

Conclusie
De jongeren uit Turijn trokken grenzen tussen normaal en afwijkend drinkgedrag. Dit gaat om hoeveelheid, plaats (wijn drink je niet als je uitgaat, alleen thuis en in een restaurant), tijd (niet overdag), gezelschap (als stelletje mag het), leeftijd en type alcohol (geen digestieven). De normen van deze jongeren lijken op die van volwassenen. Volgens de onderzoekers komt dit omdat Italiaanse kinderen langzaam alcohol leren drinken, steeds met volwassenen erbij. Dronkenschap hoort bij jeugd: als je ouder wordt dien je dat niet meer te doen.

De jongeren uit Helsinki zagen jeugdig en volwassen drinken als heel anders. Zij bekeken situaties vooral of er veel of weinig gedronken wordt. Dronkenschap keerden steeds daarbij terug en werd gezien als onderdeel van zowel volwassen als jeugdig drinken, zonder dat dit betekende dat ze vergelijkingen maakten. Omdat deze jongeren wisten dat volwassenen hun drankgebruik afkeurden, werd drinken een daad van verzet tegen ouderlijke normen. In Finland bestaat een tegenstelling tussen officiële uitingen waarin drankgebruik wordt afgeraden, en informele gebruiken gericht zijn op zwaar drinken. Dit betekent volgens de onderzoekers dat er geen gedeelde normen tot stand komen.

Nederland
Het is lastig om de Nederlandse drinkcultuur af te zetten tegen deze kleine kwalitatieve studie. Ik denk dat de Nederlandse cultuur beide elementen kent. De campagne van Nix18 stelt nu “Heel Nederland is het er over eens, onder de 18 moet je gewoon niet roken en drinken. Daarom hebben we een afspraak: de afspraak van NIX.” Dit is onjuist: niet drinken onder de 18 is helemaal geen gedeelde norm in Nederland. Het is voor voorlichtingsinstanties daarom essentieel dit onderzoek in Nederland te reproduceren willen ze de juiste toon kunnen vatten in campagnes.





Persbericht: Psychopatenbrein denkt fundamenteel anders

1 11 2014

Kwam bij het opstellen van mijn lectuur op zaterdag-lijstje ook nog dit persbericht tegen over het onderzoek van Katinka von Borries:

Mensen met psychopathische trekken vertonen basale afwijkingen in het verwerken van sociale informatie. Dit is al in zeer vroege processen te zien, maar ook op latere momenten waar deze informatie gebruikt wordt om gedrag bij te sturen. Ook vertonen zij afwijkingen in toenaderen en vermijden van sociale signalen. Dit blijkt uit het onderzoek van Katinka von Borries van het Radboudumc en de Pompekliniek. Haar inzichten bieden aanknopingspunten voor het verbeteren van TBS-behandelingen. Op 24 oktober promoveert zij in Nijmegen op haar onderzoek.

Bijna iedereen heeft het woord ‘psychopaat’ wel eens gehoord of gebruikt. Vaak denken mensen hierbij aan gevaarlijke criminelen zoals Hannibal Lector in ‘Silence of the lambs’. Forensisch psychiaters definiëren psychopathie als een aandoening waarbij iemand sociaal-emotionele problematiek vertoont zoals kilheid, gebrek aan berouw en afwezigheid van empathie, en antisociale eigenschappen heeft als impulsiviteit, prikkelhonger, parasitaire levensstijl en criminaliteit. Niet iedereen die deze eigenschappen heeft, hoeft echter crimineel gedrag te vertonen.

Is psychopathie te behandelen?

In Nederland heeft ongeveer 20 tot 35 procent van de TBS-patiënten een diagnose psychopathie. Deze patiënten staan erom bekend, dat ze minder goed op de behandeling reageren dan gewenst. Zij lijken weinig te leren van de consequenties van hun gedrag. Het onderzoek van Von Borries is er dan ook op gericht om beter te begrijpen waarom deze patiënten moeilijk zijn te behandelen. Om de kans op recidive zoveel mogelijk  te verlagen, moeten patiënten leren zo ‘normaal’ mogelijk te leven. Pas als je weet hoe mensen met psychopathie leren, kun je behandelprogramma’s daarop aanpassen.

Immuun voor agressie

Von Borries onderzocht verschillende manieren van leren bij TBS-patiënten met psychopathie. Zij keek specifiek naar de hersenprocessen die samenhangen met het verwerken van beloning en straf. Zo bleek dat deze patiënten anders omgaan met basale processen als toenadering en verwijdering. Normaal gesproken voelen mensen zich uitgenodigd door mensen met een vrolijk gezicht en niet door iemand met een boos gezicht. Het benaderen van een positief persoon gaat meestal gepaard met een positieve ervaring, terwijl het vermijden van agressie juist moet leiden tot vermijding van een negatieve ervaring. Deze neigingen zijn meetbaar door deelnemers te instrueren om op een computerscherm gepresenteerde gezichten met behulp van een joystick weg te duwen of naar zich toe te trekken. Dit experiment liet zien dat patiënten met psychopathie minder geneigd zijn om boze gezichten van zich af te duwen dan gezonde deelnemers uit de controlegroep.

Overgevoelig voor beloning

Van Borries gebruikte ook beeldvormende technieken, zoals EEG en fMRI om verschillen te vinden bij het verwerken van sociale informatie. Zij vond bij mensen met psychopathie een versterkte reactie in het  zogenaamde striatum. Dit breingedeelte is betrokken bij de verwerking van beloningen. Ook het gedrag in afwachting van een beloning valt hieronder. Von Borries: “Je zou kunnen zeggen dat psychopathische hersenen overgevoelig zijn voor een verwachte beloning. We vermoeden dat het verschil tussen criminele en niet-criminele psychopaten is te verklaren doordat deze laatste groep in staat is hun gedrag nog bij te sturen. Criminele psychopaten kunnen dat veel minder. Zij weten misschien wel wat goed en fout is. Ze kunnen er alleen niet naar handelen.”

Verwerken van feedback

Een belangrijk onderdeel van een TBS-behandeling, is dat mensen met psychopathie hun gedrag leren aan te passen op basis van feedback. Von Borries ontdekte dat zij straf op dezelfde manier ervaren als gezonde mensen. Alleen zijn zij niet in staat hun gedrag hier duurzaam op aan te passen. Met andere woorden: ze blijven afhankelijk van straf. Als de straf verdwijnt, hebben zij minder snel in de gaten of ze goed of fout gedrag vertonen. Zij vervallen dan snel weer in hun oude gedrag. Dit geldt overigens niet alleen voor straf. Ook met de verwerking van beloning hebben psychopatische patiënten moeite.

Met de resultaten van het onderzoek van Katinka von Borries zijn TBS behandelingen nog niet gelijk te verbeteren. Zo zal een effectieve behandeling voor iedere patiënt verschillend zijn. Een belangrijke stap is het besef dat iemand met psychopathie wel degelijk kan leren van fouten. Het gaat alleen een stuk langzamer dan bij anderen.





Straf: een vertaalapp voor doventaal (video)

24 10 2014

Voor alle duidelijkheid, er zijn net als er veel talen zijn, veel verschillende doventalen. Deze UNI-app kan je dus niet zomaar hier gebruiken.  Maar mooi is het wel. Het lijkt me ook een voorbeeld waarbij wearables een meerwaarde kunnen betekenen.

 





Maakt Facebook mensen eenzaam? (onderzoek)

13 10 2014

Sociale media wordt naargelang de bron die je raadpleegt verketterd of verheerlijkt. Sommige zullen beweren (onlangs nog op radio 1) dat sociale media depressief maakt en anderen zullen de grote voordelen van netwerken roemen.

Een nieuwe meta-studie onderzocht expliciet de causale relatie tussen sociale media en eenzaamheid en probeert de vraag te beantwoorden of Facebook mensen eenzamer maakt. Hiervoor bekeken ze de verschillende onderzoeken die al eerder over deze vraag gemaakt werden en er is wel degelijk een link tussen Facebook en eenzaamheid. Dit wil zeggen dat naarmate je eenzamer voelt, de kans groot is dat je meer op Facebook zit. Maar wat oorzaak en wat gevolg is, ligt wel anders dan sommige zullen denken:

The interesting point of this study is that it both supports and corrects the original Internet paradox study (The “Internet Paradox,” done by researchers at Carnegie Mellon University), which is one of the most influential studies in Internet research. To the question of whether or not the Internet increases psychological dysfunction such as loneliness, the Internet paradox study suggested that Internet use has detrimental effects. Our study supports this in that Internet use is associated with loneliness. However, we found the previously suggested causal direction to be erroneous: lonely people spend more time on the Internet rather than Internet use making people lonely. (bron)

Het is dus niet zozeer Facebook die mensen eenzaam maakt, maar mensen die zich eenzaam voelen die sneller en vaker naar het platform zullen grijpen. Dit is vergelijkbaar met eerdere onderzoeken rond depressie en Facebook trouwens.

Een van de onderzoeken die Song et al. bekeken voor hun metastudie maakt gewag van een mogelijke vicieuze cirkel, waarbij Facebook de eenzaamheid extra versterkt waardoor de persoon nog meer naar Facebook gaat, maar de onderzoekers kunnen deze stelling op dit moment niet veralgemenen op basis van de verschillende studies. Meer onderzoek blijft dus nog zeker nodig.

Abstract van de meta-studie:

This meta-analysis explores the relationship between Facebook use and loneliness. Examination of the literature containing quantitative measurements of both Facebook use and loneliness, including close variations of the definition of loneliness, produced a sample of 18 research effects (= 8798) for review. This study asks two main questions: (1) Does using Facebook increase or decrease loneliness?; and (2) What causes what?: Does Facebook make its users lonely (or less lonely), or do lonely people (or less lonely people) use Facebook? First, researchers observed a significant overall average effect in the positive relationship between Facebook use and loneliness. Researchers also point to measurements of Facebook use as well as measurements of loneliness (and its variations) as possible moderating features or sources of variability in the relationship. Testing the relationship between Facebook use and loneliness in the context of two causal models revealed that (a) the first model outlining a path from elements of loneliness to Facebook use was not an adequate explanation of the data; whereas, (b) testing the relationship for a path in the second model from elements of Facebook use to loneliness showed results consistent with the data.





Vrienden maken als student door… een gedeeld toilet (onderzoek)

11 10 2014

Hoe kan je de sfeer in een studentenhuis verbeteren? Dit was de vraag die Matthew J. Easterbrook en Vivian L. Vignoles wilden bekijken. Hun eerste resultaten van hun onderzoek leken voor de hand te liggen. Gemeenschappelijke ruimte bleken belangrijk voor toevallige ontmoetingen en net die toevallige ontmoeten bleken belangrijk voor het ontstaan van vriendschappen en een goede sfeer.

Wat de onderzoekers niet hadden verwacht, was de invloed van een gemeenschappelijk toilet in plaats van een toilet in de eigen kamer. Studenten bleken elkaar hierdoor vaker te ontmoeten en dit bleek een positieve invloed te hebben op het welbevinden van de studenten.

Abstract van het onderzoek:

Despite its omnipresence, the influence of the built environment on human psychology is not well understood. In a five-wave longitudinal study, we investigated whether physical design features within shared student accommodation predicted the frequency of coincidental meetings between new flatmates, and whether these meetings predicted the strength of their interpersonal bonds and psychological well-being. Multilevel latent growth modelling on responses from 462 new university residents supported our hypotheses: Respondents living in flats with design features that encouraged the use of communal areas – a shared common area and an absence of ensuite toilets – reported unintentionally meeting their flatmates more frequently within their flats. This in turn predicted the initial strength of their interpersonal bonds with their flatmates, which in turn positively predicted their well-being. These effects were maintained throughout the 10-week study. Our findings provide an empirical basis for the development of shared housing designed to foster positive relationships and well-being among residents.





Persbericht NWO: Daders van extreem geweld komen terecht in een ‘emotionele tunnel’

9 10 2014

Kreeg net dit persbericht van NWO binnen:

De kans dat jongeren buitensporig geweld plegen en daar volledig in opgaan, is groter als slachtoffers op de grond belanden. Ook als familieleden aanwezig zijn in de groep waartoe de daders behoren, of als er veel omstanders aan de kant van de geweldpleger(s) staan, kan geweld makkelijker escaleren. De invloed van dit soort situationele factoren op escalatie van jeugdgeweld blijkt groter dan tot nu toe werd gedacht. Dit concludeert NWO-onderzoeker Don Weenink van de Universiteit van Amsterdam na het analyseren van 159 geweldssituaties in Nederland. De onderzoeksresultaten zijn op 8 oktober in het British Journal of Sociology gepubliceerd.

Don Weenink onderzocht de emotionele staat van de aanvallers en ging na onder welke omstandigheden de kans op extreem geweld toeneemt. Hij vergeleek hiertoe 159 geweldssituaties in justitiële dossiers. Weenink was met name geïnteresseerd in zogeheten frenzied attacks: situaties van extreem geweld waarbij aanvallers terechtkomen in een ‘emotionele tunnel’. Afgesloten van hun omgeving gaan zij op in een tomeloze, ongecontroleerde agressie. Op zulke momenten zijn de daders niet meer aanspreekbaar, zijn ze uit op totale dominantie of destructie van het slachtoffer en blijven zij doorgaan met het verwonden van de slachtoffers, ook al zijn deze weerloos en passief. Extreem geweld waarbij de dader niet langer voor rede vatbaar is, deed zich voor in 28 van de onderzochte situaties.

Groepsgevoel
De socioloog stelde vast dat de kans dat geweld escaleert meer dan drie keer groter wordt wanneer aanvallers deel uitmaken van een groep jongeren met een sterke onderlinge band. De onderlinge verbondenheid kan het resultaat zijn van een gezamenlijke focus op geweld (bijvoorbeeld door het speuren naar geschikte slachtoffers of door elkaar uit te dagen) en door het delen van dezelfde emotie (zoals boosheid of uitgelaten opwinding). De rol van groepsgevoel in geweld komt ook naar voren wanneer zich in de groep familieleden bevinden. Wanneer zij aanwezig zijn, wordt de kans op ongecontroleerd geweld acht maal groter.

Emotionele dominantie
Het geweld verergert vaak als slachtoffers zich in een kwetsbare positie bevinden, met name als zij op de grond terechtkomen. De kans op extreem geweld wordt dan bijna twaalf maal groter. Ook het numerieke overwicht van de ‘supporters’-groep van de aanvallers (de groep die toekijkt of aanmoedigt) op de groep die bij het slachtoffer hoort, lokt een escalatie van geweld uit. Een verklaring hiervoor is dat het getalsmatig overwicht van ‘hun’ groep de aanvallers emotionele dominantie biedt; zij voelen zich dan sterker.

Advies
In de campagne ‘Meer veiligheid op straat’ raadde de Rijksoverheid aan om als een situatie uit de hand loopt de omstanders te mobiliseren. Weenink hierover: ‘Geweldssituaties verlopen vaak heel snel. Mobiliseren van omstanders is goed, maar je moet oppassen dat zij geen partij gaan kiezen en neutraal ingrijpen. Met een scheve verhouding tussen de slachtoffers- en aanvallersgroep, wordt de kans groter dat het geweld extreem wordt.’ Het handelen van omstanders moet erop gericht zijn dat geen van beide partijen mogelijkheden krijgt om dominantie te verwerven, of dat de verliezende partij met de verworven steun van omstanders niet alsnog tot tegengeweld over gaat.

Vernieuwend aan het onderzoek van Weenink is dat het onderzoek niet in de eerste plaats gericht was op achtergrondkenmerken van individuele geweldsplegers, maar op de wijze waarop kenmerken van de situatie de emotionele staat van aanvallers beïnvloeden, met name het groepsproces. ‘Dit is vooral van belang voor het verklaren van geweld onder jongeren, omdat dit vaak plaatsvindt in groepen,’ aldus de onderzoeker.





Een aanpak van ‘Mean girls’

6 10 2014

In het boek van Linda Duits en mezelf over meisjescultuur (check hier) komt ook het concept van ‘mean girls’ voor (net als ook de film). Deze vorm van pesten, roddelen,… onder meisjes krijgt veel media-aandacht, series als Gossip Girl zijn er zowat op gebaseerd. Maar wat kan je er aan doen?

Amerikaanse onderzoekers ontwikkelden nu een relationele therapie om dergelijke situaties te kunnen aanpakken:

“The intervention, Growing Interpersonal Relationships through Learning and Systemic Supports (GIRLSS), developed by MU researchers, is a 10-week, group counseling, caregiver training and caregiver phone consultation intervention for relationally aggressive middle school girls and their families. Students, ranging in age from 12 to 15, participated in one 70-minute session per week that included interactive discussions, media-based examples, role-playing, journaling and weekly goal setting. At the end of the intervention, school counselors and teachers reported a decrease in relationally aggressive behaviors among the girls.”

Abstract van het onderzoek:

We tested the effects of a school-based, multisystemic intervention to reduce relational aggression among adolescent girls, Growing Interpersonal Relationships through Learning and Systemic Supports (GIRLSS). GIRLSS is a 10-week, group counseling, caregiver training, and caregiver phone consultation intervention for relationally aggressive middle school girls. The study addresses the pressing need for empirical examination of ecologically valid, secondary intervention practices in this area. Thirty female youth in grades 6–8 (ages 12–15 years) and their parents were randomly assigned to either the intervention group (N = 22) or a wait list control group (N = 12). Changes in self, teacher and school counselor reported relationally aggressive behavior from pretest to posttest was compared across groups for statistical and clinically significant change. Intervention participants demonstrated significantly more change in the desired direction than control participants according to school counselors and an averaged score of school counselor and teacher-reported relational aggression. We discuss the clinical significance findings and implications of perceptual data from social validity surveys of each intervention component. Limitations are also discussed and the need for future research to further examine empirically and ecologically valid interventions for relational aggression in schools, community, and family contexts is highlighted.





Gedragsproblemen bij kinderen door scheiding vooral bij gezinnen met hoger inkomen (onderzoek)

12 09 2014

Dat scheiden een invloed kan hebben op het gedrag van kinderen is geen nieuws. Nieuw (Amerikaans) onderzoek bij bijna 4000 kinderen tussen 3 en 12 gepubliceerd in Child Development voegt enkele aparte dimensies toe. De onderzoekers stelden namelijk vast dat het ontstaan van negatief gedrag bij kinderen door het uiteengaan van hun ouders gelinkt is aan het inkomen van die ouders. Het zou vooral voorkomen bij gezinnen met hogere inkomens. Ook de leeftijd van de kinderen zou een rol spelen, waarbij jonge kinderen, jonger dan 5 meer kans op gedragsproblemen vertonen.

Verder zouden de gedragsproblemen terug afnemen als er terug een partner in het gezin komt, maar terug enkel in gezinnen met hoger inkomens en vooral bij kinderen die ouder zijn dan 6. Dit positief effect zou er terug niet of nauwelijks zijn bij gezinnen met lagere inkomens.

Rebecca M. Ryan, die het onderzoek leidde, stelt “Our findings suggest that family changes affect children’s behavior in higher-income families more than children’s behavior in lower-income families—for better and for worse.”

De onderzoekers vermoeden dat hun vaststelling deels kan verklaard worden door de financiële gevolgen van de scheiding. De financiële situatie van gezinnen uit de hogere inkomensgroep verandert veel ingrijpender door de scheiding dan bij gezinnen uit de laagste inkomensgroep.

De vraag is of deze vaststellingen veralgemeenbaar zijn. De kloof tussen arm en rijk is in de VS een pak groter. De link tussen financiële situatie en echtscheiding is anderzijds hier ook niet onbekend.

Abstract van het onderzoek:

This study investigated conditions under which family structure matters most for child well-being. Using data from the Children of the National Longitudinal Survey of Youth (n = 3,936), a national sample of U.S. families, it was estimated how changes in family structure related to changes in children’s behavior between age 3 and 12 separately by household income level to determine whether associations depended on families’ resources. Early changes in family structure, particularly from a two-biological-parent to single-parent family, predicted increases in behavior problems more than later changes, and movements into single and stepparent families mattered more for children of higher versus lower income parents. Results suggest that for children of higher income parents, moving into a stepfamily may improve, not undermine, behavior.





Cyberpesten neemt toe met ouder worden + aanbevelingen

11 09 2014

Een nieuw Amerikaans onderzoek rond cyberpesten bij 1180 kinderen voor en na de overgang naar voortgezet onderwijs dat gepubliceerd werd in School Psychology Quarterly geeft enkele interessante inzichten.

De belangrijkste vaststellingen:

  • Students who are bullied fall into four subgroups: frequent victim (11 percent), occasional traditional victim (29 percent), occasional cyber and traditional victim (10 percent), and infrequent victim (50 percent). (Traditional means verbal, physical and relational, but not cyber.)
  • Students who bully fall into three categories: frequent perpetrator (5 percent), occasional verbal/relational perpetrator (26 percent), and infrequent perpetrator (69 percent).
  • Bullying victimization and perpetration decreased over time, however there was an increase from fifth to sixth grade, which corresponds with the transition from elementary to middle school at the schools the researchers studied.
  • Over all, girls were more likely to experience verbal/relational and cyber victimization than boys, and boys were more likely to be physically victimized.
  • Students for whom English is a second language were not bullied more often than native English speakers. This runs counter to previous studies that found students for whom English is a second language were more likely to be victimized.

Er zijn ook aanbevelingen:

  • Considering the oldest students were more likely to engage in bullying, and bullying perpetration increased after students transitioned into middle school, school personnel should focus their intervention resources on students in sixth and eighth grades.Interventions should teach social-emotional learning skills to students and appropriate ways to navigate new peer groups and social hierarchies.
  • Considering the gender differences for those that bully, different interventions may be warranted for boys and girls. Interventions for girls may focus on relationship issues and appropriate use of social media, while interventions for boys may address physical bullying.
  • It is important for teachers and parents to talk to students about cyber safety and to supervise internet and mobile device use to help prevent cyber victimization. It is also important for adults to take reports of verbal/relational bullying and cyberbullying seriously and to intervene in all cases.

Abstract van het onderzoek:

Involvement in bullying and victimization has been mostly studied using cross-sectional data from 1 time point. As such, much of our understanding of bullying and victimization has not captured the dynamic experiences of youth over time. To examine the change of latent statuses in bullying and victimization, we applied latent transition analysis examining self-reported bullying involvement from 1,180 students in 5th through 9th grades across 3 time points. We identified unobserved heterogeneous subgroups (i.e., latent statuses) and investigated how students transition between the unobserved subgroups over time. For victimization, 4 latent statuses were identified: frequent victim (11.23%), occasional traditional victim (28.86%), occasional cyber and traditional victim (10.34%), and infrequent victim (49.57%). For bullying behavior, 3 latent statuses were identified: frequent perpetrator (5.12%), occasional verbal/relational perpetrator (26.04%), and infrequent perpetrator (68.84%). The characteristics of the transitions were examined. The multiple-group effects of gender, grade, and first language learned on transitions across statuses were also investigated. The infrequent victim and infrequent perpetrator groups were the most stable, and the frequent victim and frequent perpetrator groups were the least stable. These findings suggest instability in perpetration and victimization over time, as well as significant changes, especially during school transition years. Findings suggest that school-based interventions need to address the heterogeneity in perpetrator and victim experiences in adolescence.








Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 6.547 andere volgers

%d bloggers op de volgende wijze: