Linda Duits: Lego in PR-aanval met film en documentaire

21 08 2014

Fan bouwt eigen wereld - still uit docuTot voor kort hing er een vlaag van mysterie rond Lego. De blokkenmaker stond het nooit toe dat er een documentaire werd gemaakt, ondanks de intense populariteit van Lego en de vriendelijke uitstraling van het Deense merk. Maar in 2011 verliep het patent op de steentjes. Wellicht verklaart dat waarom er in 2014 maar liefst twee officiële Lego-films zijn: The Lego Movie[IMDB] en Beyond the Brick: A Lego Brickumentary [IMDB]. Beiden focussen op de creativiteit die spelen met Lego bevordert. De fictie-film doet dat dankzij de verhaallijn: van bouwen volgens de instructie tot je fantasie laten gaan, waarbij al die vormen even awesome zijn. In de documentaire worden creativiteit en innovatie benadrukt door de vele volwassen fans in beeld te brengen. Waar The Lego Movie erg feel-good is, ligt de PR-laag er bij de Brickumentary wel heel dik bovenop. Bovendien is de toon betuttelend.

Sinds het patent is verlopen in 2011 is Lego zich nog meer gaan richten op samenwerkingsverbanden met franchises uit populaire cultuur. Het bekendst en meest succesvol is de Lego Star Wars-lijn, waarvoor Lego in 1999 een licentie verkreeg die in 2012 met tien jaar is verlengd. Er zijn ook licenties met Lord of the Rings (aangegaan in 2012), Lego Superheroes (aangegaan in 2012, met DC Comics en Marvel) en The Simpsons (aangegaan in 2014) – zie Wikipedia. Daarnaast maakt Lego games.

We zien dus een ver-merk-ing bij Lego. Nu de stenen door iedereen gemaakt mogen worden, probeert Lego met Lego in thema’s een unique selling point te behouden. Daarnaast legt het bedrijf met de films dus de nadruk op hun imago van creatief spelen. Het is nog maar de vraag of die twee wel samengaan. De themadozen bevatten veel steentjes die alleen gebruikt kunnen worden om specifiek te maken wat op de doos staat. Lego benadrukt dus de oude slogan ‘Van Lego kun je alles maken’  in de PR vanuit de twee films, maar verkoopt ondertussen steeds meer Lego waarmee je maar één ding kunt maken.





Gastblog Linda Duits: Nederlandse politici twitteren beter dan Britse politici

17 08 2014

Deze post, Nederlandse politici twitteren beter dan Britse politici, verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Twitterende politiciNederlanders twitteren wat af. Dat is niet zo maar een loze zin: wat voor meetmethode je ook gebruikt (per hoofd van de bevolking, absoluut, penetratie): Nederland eindigt steevast in de top 10. Hoewel twittergebruik aanzienlijk verschilt tussen landen, is er nauwelijks vergelijkend onderzoek. Todd Graham richt zich op het twittergedrag van polici. Samen met Dan Jackson en Marcel Broersma onderzocht [abstract] hij verschillen tussen Nederland en Groot-Brittannië tijdens de verkiezingen van 2010.

Eerder rapporteerden we hier over de resultaten van alleen Groot-Brittannië uit dit project. In deze blogpost bespreken we vooral de verschillen tussen de twee landen.

Graham onderzocht alle twitterende kandidaten voor de parlementsverkiezingen. In Groot-Brittannië waren dat er 416, in Nederland 206. De Britten produceerden in de twee weken voor de verkiezingen 26.282 tweets, de Nederlanders 28.045. Tweets werden onderworpen aan een handmatige inhoudsanalyse waarbij type, functie, onderwerp en interactie werden gecodeerd.

Resultaten
Uit de analyse komt een opvallend patroon naar voren: in beide landen zit er een hoge piek in het twittergebruik op dag 8 – zie figuur 1. Dit was in beide landen een dag van televisiedebat. Daarnaast zijn er pieken in de twee dagen voor de verkiezingen.  Die laatste twee dagen zijn voor Nederland zelfs goed voor bijna een kwart van alle tweets.

Figure 1

Een tweede inzicht is dat Nederlandse politici meer met de interactie aangaan dan Britse. Bijna de helft (47%) van de tweets van Nederlandse politici heeft een mention, tegenover 32 procent bij de Britten. De Britse politici zenden meer volgens het oude massamedia-idee. Met wie er gesproken was verschilde ook tussen de landen, zie tabel 4.

Table 4

Tot slot bleek dat Nederlandse politici meer hun politieke standpunten verkondigden dan Britse (15,2% tegenover 7,3%). Dit verschil komt omdat Nederlandse journalisten en burgers daadwerkelijk politici daarom vragen op Twitter. Britten brachten hun standpunten meer als “one-way campaign sound bites” (p. 11). Bij de inhoud viel ook op dat Britten vaker hun achterban mobiliseren via Twitter (3% versus 0,3%). Nederlandse politici zijn meer persoonlijk (9% vs 4%).

Conclusies

  • Nederlandse politici hebben Twitter veel meer omarmd dan hun Britse tegenhangers. Volgens de onderzoekers heeft dit te maken met een langere geschiedenis van sociale netwerken. In 2006 ging Wouter Bos op Hyves en veel politici volgden. Daarnaast zitten er meer Nederlanders op Twitter dan Britten (ze halen daarbij cijfers van Comscore uit 2011 aan: 22% vs 13%).
  • Er is geen bewijs dat politieke kleur van partijen ertoe doet. Wel werd duidelijk dat controle van bovenaf uitmaakt: de strakgeleide Conservatives en de PVV zien streng toe op hoe politici uit de partij gebruik maken van sociale media.
  • Er is sprake van een wederkerige relatie tussen de politieke twittersfeer en conventionele media, zoals duidelijk wordt uit de piek bij de televisiedebatten.
  • Het aantal volgers heeft geen negatief effect op mogelijkheden tot interactie, zoals eerder wel gedacht werd. Ze noemen als voorbeeld Femke Halsema (in 2010 nog politica), die veel volgers heeft maar ook veel met mensen in dialoog is. De onderzoekers merken op dat uit ander onderzoek blijkt dat veel interactie ook leidt tot meer volgers.
  • Britse politici gebruiken Twitter meer voor partij-ingegeven aanvallen naar de tegenstander. Nederlandse politici zetten het netwerk meer in voor publiek debat. Volgens de onderzoekers komt dit door de verschillende politieke systemen: Groot-Brittannië is een meerderheidssysteem en Nederland een meerpartijensysteem met consensus. Hierbij is ook de mediaomgeving relevant: in Groot-Brittannië jaagt de pers op schandaaltjes en gebruikt daarvoor regelmatig tweets. Het is dan ook niet gek dat Britse politici wat meer terughoudend zijn.
  • Politici klagen vaak dat conventionele nieuwsmedia zich vooral richten op partijaffaires en te weinig op de inhoud. De onderzoekers stellen dat de hoeveelheid beleidsinhoudelijke tweets erg laag is, terwijl er veel over de partij getwitterd wordt. Politici doen dus zelf waar zij de media van beschuldigen.




Gastrecensie: ‘It’s complicated’ van danah boyd -over het socialemedialeven van jongeren- in 10 oneliners (Dennis Hoogervorst

3 07 2014

Mijn studenten konden dit boek dit jaar ook als optie lezen voor een van mijn vakken en ik ga volledig akkoord met de recensie van Dennis Hoogervorst op Kids en Jongeren Marketing. Heb er zo weinig aan toe te voegen dat ik vroeg of ik ze hier ook met jullie mocht delen.

danah boyd (nee, geen hoofdletters) heeft begin dit jaar haar nieuwe boek It’s complicated gepubliceerd, gebaseerd op acht jaar onderzoek. De social media-expert/jongerenonderzoeker (Microsoft Research/New York University/Harvard Berkman Center) noemt het een poging om het netwerk-leven van tieners uit te leggen aan iedereen die zich zorgen maakt over hen — ouders, leerkrachten, beleidsmakers, journalisten en soms zelfs leeftijdsgenoten. Ze hoopt dat lezers hun veronderstellingen over de jeugd opzij zetten in een poging om het sociale leven van deze ‘digitale flâneurs’ echt te begrijpen.

In die opzet slaagt ze wonderwel. Ze maakt bijvoorbeeld duidelijk waarom het navigeren tussen verschillende sociale omgevingen weleens mis gaat, dat individuen verschillende grenzen hanteren, hoe het sociale proces van ‘impression management’ werkt, dat tieners zich aanpassen aan wat zij denken dat de normen van een bepaalde dienst zijn en voor welk doel Snapchat gebruikt wordt, waardoor het bijbehorende gedrag beter te herkennen/plaatsen is en we daar op een meer gepaste/effectieve manier op kunnen reageren. Fijn ook dat een aantal zaken eens door een autoriteit zwart op wit wordt gezet: technologie verandert niet alles, de context is enorm belangrijk, jongeren zijn meer ‘digital naives’ dan ‘digital natives’ en veel delen betekent niet dat privacy niet belangrijk gevonden wordt, om waar wat te noemen. Interessante materie. En zoals de titel treffend weergeeft: het is allemaal niet zo eenvoudig. Het leven in een netwerk-wereld is behoorlijk complex met de nodige uitdagingen, en alleen het begrip privacy al is voor meerdere definities vatbaar.

In acht hoofdstukken gaat het achtereenvolgens over identiteit, privacy, verslaving, gevaren, pesten, ongelijkheid, mediawijsheid en een eigen publiek, waarbij elk onderwerp rijkelijk onderbouwd wordt aan de hand van voorbeelden uit de media (denk aan de vader die kogels op zijn dochters laptop afvuurde nadat ze over hem geklaagd had op Facebook) en quotes uit de vele gesprekken die danah boyd afgelopen jaren met tieners voerde — opvallend: steevast wordt de etnische achtergrond van de respondent vermeld. Voor dit alles worden heel veel woorden gebruikt (ruim 200 pagina’s, plus een flinke bijlage met aanvullende opmerkingen, bronnen en een index), maar boeiend blijft het tot het einde. Nuance gaat vaak verloren in alle paniek in de media, hier is er alle ruimte voor. En hoewel de inhoud Amerika-georiënteerd is, geeft deze zoveel inzicht dat het eigenlijk verplicht leesvoer zou moeten zijn voor een ieder die iets met/voor jongeren doet.

De publicatie bevat veel interessante en bruikbare learnings. Tieners zien elkaar het liefst face-to-face buiten hun hun woning, maar aangezien dat vaak niet kan/mag — een beperkte mobiliteit plus weinig vrijheid en tijd om IRL af te spreken in combinatie met een angstcultuur (het NBC-programma To Catch a Predator heeft indruk gemaakt) — richten ze zich op sociale media en andere communicatiemiddelen om toch in contact te blijven met leeftijdsgenoten. Veel ouders denken dat hun kinderen bezighouden ervoor zorgt dat ze uit de problemen blijven. Tieners die online het meeste risico lopen, hebben het ook op andere plekken moeilijk, en de meeste pesters zitten met zichzelf in de knoop. Moeders maken zich zorgen om hun kroost, maar andersom blijkt dat ook het geval te zijn. Wat niet wegneemt dat tieners een plek voor zichzelf willen, en als ouders of andere volwassenen daar binnenvallen, gaan ze weer op zoek naar andere sites of apps. Een belangrijke conclusie: technologie de schuld geven van problemen of denken dat conflicten verdwijnen als technologiegebruik geminimaliseerd of bepaalde content gecensureerd wordt, is naïef.

Om een beter beeld van de inhoud te schetsen, ben ik — zoals gebruikelijk in mijn reviews — zo vrij om het boek samen te vatten in de vorm van de tien meest sterke, kenmerkende of opvallende oneliners:

  • “What the drive-in was to teens in the 1950s and the mall in the 1980s, Facebook, texting, Twitter, instant messaging, and other social media are to teens now” (pagina 20)
  • “Many teens post information on social media that they think is funny or intended to give a particular impression to a narrow audience without considering how this same content might be read out of context” (44)
  • “While my childhood included ‘Keep Out’ bedroom signs and battles over leather miniskirts and visible bras, the rise of the internet has turned fights over privacy and exposure into headline news for an entire cohort of youth” (55)
  • “There’s a big difference between being in public and being public” (57)
  • “Rather than finding privacy by controlling access to content, many teens are instead controlling access to meaning” (76)
  • “Most teens aren’t addicted to social media; if anything, they’re addicted to each other” (80)
  • “Fear is not the solution; empathy is” (127)
  • “Because sharing is a form of currency and experiencing a cultural artifact together enables bonding, teens look for content that they think those around them will find interesting” (145)
  • “Teens see gossip, drama, and attention games all around them, and not surprisingly, they mirror what they see” (148)
  • “In a technological era defined by social media, where information flows through networks and where people curate information for their peers, who you know shapes what you know” (172)

Je kan het boek o.a. hier bestellen, maar omdat danah boyd er naar eigen zeggen geen geld aan hoeft te verdienen, staat er ook een gratis pdf online! Aanrader!





Seksuele strategieën van allochtone jongeren (Linda Duits)

20 06 2014

Levenslijn van Turks meisje van 21

Deze blogpost verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

In maatschappelijke discussies over jongeren en seksualiteit gaat het vaak over witte middenklasse jongeren. Er wordt dan makkelijk vergeten dat Nederland multicultureel is. Zo kan het gebeuren dat de debatten over buiktruitjes en hoofddoeken niet met elkaar in verband gebracht worden, terwijl beiden deel uitmaken van Nederlandse meisjescultuur (het onderwerp van mijn proefschrift). Jongeren uit etnische minderheden worden vaak gezien als ‘seksueel anders’ dan autochtone jongeren: zo zouden Moslimjongens seksueel promiscue zijn en Moslimmeisjes seksueel onderdrukt. In een recent gepubliceerde studie [abstract] onderzoekt Marianne Cense (onderzoeker bij Rutgers WPF) hoe allochtone jongeren hun seksualiteit beleven binnen de Nederlandse context.

Er werden 46 interviews gehouden met jongeren tussen de 12 en 22 jaar van Antilliaanse, Marokkaanse, Surinaamse en Turkse afkomst. Om vertrouwen te stimuleren werden de interviews afgenomen door drie vrouwen van Surinaamse en Marokkaanse afkomst. De respondenten werd onder andere gevraagd een tijdlijn van hun leven te tekenen.

Ervaringen

Voor de respondenten zijn de eerste zoen en de eerste keer vaginale penetratie de enige seksuele gebeurtenissen die ze markeerden op hun tijdslijn. De eerste zoen is doorgaans een positieve ervaring. De eerste keer seks voor meisjes niet altijd. Hier speelt vooral verliefd zijn en controle over de timing en setting een rol. Voor jongens is de eerste keer vaker positief. Ook hier is liefde een factor. Het valt op dat bij het evalueren van deze ervaringen seksueel plezier nauwelijks een rol speelt en de aandacht vooral ligt bij de emotionele band.

Vertogen

Cense stelt dat zes manieren van denken terugkeerden in de gesprekken. Deze vertogen worden soms aan elkaar gekoppeld of samen gebruikt.

Heteronormativiteit

Homoseksualiteit werd gezien als niet normaal en niet natuurlijk. De respondenten maakten een dichotome scheiding tussen mannen en vrouwen, waarbij mannen gezien worden als actief en vrouwen als passief. Daaruit vloeit het idee voort dat mannen zich niet willen binden in een relatie en dat vrouwen die seksueel actief zijn afgekeurd worden.

Maagdelijkheid

Islamitische en Christelijke respondenten vonden dat seks in het huwelijk hoort. Hierbij viel op dat zowel jongens als meisjes daarbij strenger waren voor meisjes. Vrouwen moeten hun zedelijkheid bewaren en geen teleurstelling zijn voor hun omgeving.

Ruilhandel

Antilliaanse en Surinaamse respondenten zagen seks ook als transactioneel: met seks kan je iets gedaan krijgen. De jongens willen graag status en geld behalen zodat meisjes hen een betere catch vinden; de meisjes wilden een man met een baan en een toekomst.

Volwassenheid

Voor sommige respondenten is seks iets om te bewaren tot volwassenheid, nadat je je school hebt afgemaakt. Seks en relaties kunnen de aandacht afleiden van je opleiding. Pas als iemand voldoende geld verdient om zelfstandig te zijn, is het tijd voor liefde. Zowel jongens als meisjes hanteerden dit vertoog.

Risico

Seks kan leiden tot ellende: zwangerschap, vreemdgaan, reputatieschade of gedwongen moeten trouwen. De risico’s worden gezien door jongens en meisjes, maar gelden vooral voor de meisjes omdat zij degenen zijn die met de zwangerschap zitten.

Seksuele rechten

De seksuele voorlichting in Nederland is erg ingestoken op rechten: jongeren hebben het recht om seks te hebben zonder druk. Dit weerklinkt bij sommige jongeren die moraliteit en druk van de omgeving afwijzen ten behoeve van zelf mogen en kunnen kiezen.

Strategieën

Volgens Cense is de dominante gedachte in Nederland dat jongeren los moeten komen van hun ouders. Voor jongeren uit de onderzochte groepen zou juist gelden dat zij meer gebonden zijn aan de eigen gemeenschap en dat loyaliteit aan de familie belangrijk is (tegen deze tegenstelling is uiteraard veel in te brengen, LD). Vooral Marokkaanse meisjes in het onderzoek worstelden hiermee. Zij hanteren vier manieren van omgaan met deze tegenstelling, die overigens ook zijn gevonden in onderzoek onder jonge Christelijke homo’s.

Conformeren

Om hun ouders niet te kwetsen of omdat ze niet zonder hun ouders kunnen schikken sommige respondenten zich naar de ouderlijke regels.

Breken

Het tegenovergestelde gebeurt ook: als iemand zich niet kan of wil schikken, dan is breken soms de enige oplossing. Zelfstandig gaan wonen is daar dan de consequentie van.

Geheim leven leiden

Het kan natuurlijk ook stiekem. Deze meisjes bestaan dan in twee parallelle werelden met twee identiteiten. Deze strategie gaat gepaard met schuldgevoel, angst en berouw.

Integreren van vertogen

Tot slot zijn er respondenten die de bovengenoemde vertogen combineren en die combinatie strategisch inzetten. Wel het volwassenheidsvertoog, maar ook het seksuele rechten-vertoog. Zo proberen ze verschillende groepen tevreden te houden.

Conclusie

Deze jongeren balanceren diverse verlangens. Het verlangen naar vrijheid is niet zomaar dominant. Het gaat niet zomaar om losmaken van het juk van strenge ouders, maar om meer subtiele strategieën. Hoewel Cense dit niet benoemt in haar conclusie gelden deze vertogen en strategieën natuurlijk ook voor autochtone jongeren. Met deze studie blijven de tegenstellingen tussen seksueel normaal (wit Nederland) en seksueel anders (allochtone jongeren) in stand en dat is jammer.





Waarover en voor wie bloggen wetenschappers? (Linda Duits)

16 06 2014

Ik bracht zelf al eerder de infografiek, Linda Duits schreef voor dieponderzoek.nl een veel grotere blogpost.

Een blog is een uitstekende manier voor wetenschappers om hun kennis te verspreiden. Steeds meer academici gaan dan ook bloggen. Wetenschappers zouden geen wetenschapper zijn als ze vervolgens niet gingen onderzoeken of de claims van voorstanders kloppen. In een studie [abstract] onderzochten onderwijskundigen Inger Mewburn en Pat Thomson of blogs ook daadwerkelijk worden ingezet om kennis te verspreiden.

Methode
De onderzoekers verzamelden een steekproef van 100 academische blogs. Criteria om in aanmerking te komen waren een affiliatie met een herkenbaar instituut;  enige formulering van een professioneel doel in de ‘about’-sectie; en links naar andere academische blogs. Via drie startpunten werd vervolgens gesneeuwbald: via hun eigen blogs, via een academisch blog-overzicht van The Guardian en via een Google-zoekopdracht.  Van ieder blog werden de laatste vijf blogposts onderworpen aan een inhoudsanalyse.

Wie blogt?
De bloggers bleken niet allemaal academici in de strikte zin. Veertien procent bestond uit niet-wetenschappelijk personeel zoals onderwijsmanagers die bloggen op basis van onderzoek. In de steekproef was zes procent promovendus en de rest vervulde een positie van post-doc tot hoogleraar. Alle bloggers kwamen uit de Angelsaksische wereld. Twintig procent kwam uit de beta-hoek, 43 procent was geestes- of sociale wetenschapper en bij 37 procent was er geen herkenbare disciplinaire achtergrond.

Waarover wordt geblogd?
De onderzoekers kwamen tot negen categorieën:

1. Kritiek op de academische cultuur (41%)
Commentaar op academisch beleid, onderwijsvisies en het academisch leven.

2. Disseminatie van onderzoek (40%)
Samenvattingen van studies, vaak van anderen en vaak meerdere onderzoeken tegelijk.

3. Beschrijvingen van academische praktijken (34%)
Reflecties op en beschrijvingen van hoe het er aan toe gaat aan de universiteit

4. Informatie (24%)
Aankondigingen van conferenties, fora en seminars.

5. Zelfhulp (17%)
(Pedagogisch) advies aan anderen hoe om te gaan met de druk van de academische wereld.

6. Technisch advies (15%)
Instructies over technische tools of bepaalde procedures.

7. Persoonlijke reflectie (8%)
Verhalen over en beschrijvingen van de actualiteit of andere niet-academische zaken.

8. Onderwijsadvies (7%)
Onderwijskundig en psychologisch advies over hoe les te geven.

9. Carrièreadvies (4%)
Pedagogisch advies over werkcultuur en academische arbeidsmarkt, soms voorzien van analyse.

(Noot: de percentages tellen niet op tot 100 omdat een blogpost meerdere categorieën kon vallen.)

Hoe wordt geblogd?
Er werd in een lossere stijl geschreven dan voor wetenschappelijke publicaties.

1. Informeel essay (52%)
Een verhaal met een mening en reflectie.

2. Formeel essay (41%)
Verhaal zonder mening en reflectie, maar ook zonder jargon.

3. Reportage (41%)
Feitelijk verslag van bijvoorbeeld een conferentie.

4. Pedagogisch (28%)
In een lesgevende toon, vaak met vraag en antwoord.

5. Satirisch (14%)
Op een spottende of ironische toon, soms een andere rol aannemend (“snarky professor”).

(In het artikel wordt ook melding gemaakt van journalistiek maar hier wordt geen percentage bijgegeven.)

Voor wie wordt geblogd?
Er worden verschillende publieken aangesproken:

1. Wetenschappers (73%)

2. Professionals (38%)

3. Het grote publiek (17%)

4. Studenten (15%)

5. Niet-wetenschappelijke onderzoekers (6%)

Conclusies
Mewburn en Thomson zijn zich bewust van de beperkingen van hun onderzoek die voortkomen uit deze specifieke steekproef. Ze stellen dat de onderzochte bloggers zich vooral op andere wetenschappers richten. Dit maakt bloggen een extensie van hun andere publicaties en het maakt de academische blogosfeer een virtuele universiteit. In de blogsposts zit wel vaak een persoonlijke component. Er lijkt geen direct gewin bij deze blogs: de bloggers verwachten niets terug voor hun advies. De onderzoekers spreken daarom van een “gift economy” (p. 1115) waarin mentoring, steun en het delen van informatie de norm is. Ze zien de blogs als een virtuele docentenkamer waarin wetenschappers kennis en steun uitwisselen. Dit heeft consequenties voor universiteiten die graag willen dat hun staf gaat twitteren: veel blogposts bevatten kritiek. Het doel van kennisdisseminatie blijkt volgens de onderzoekers helemaal niet zo belangrijk voor bloggende wetenschappers.

Bij het onderzoek hoort ook een infograhic.

Diep verzorgt sinds 2010 workshops Bloggen & Twitter voor Academici aan verschillende universiteiten. Neem contact op bij interesse.





Moderne folklore: Slenderman en de angst voor media (Linda Duits)

11 06 2014

Deze blogpost verscheen eerst op Dieponderzoek.nl met een mogelijke moral panic alert op het einde van de post!

SlendermanSlenderman is een griezel. Het is een dunne, lange man met een uitdrukkingsloos gezicht. Hij rooft kinderen, liefst uit het bos. Slenderman lijkt al heel oud: er zijn gravures die uit de zestiende eeuw lijken te komen. Lijken, want dat is niet zo. Slenderman  ’bestaat’ pas vier jaar en hij is bedacht door een Amerikaan op een internetforum. Slenderman is open source horror, zo stelt een academische studie [abstract]: hij is het resultaat van genre-conventies van horror die via het internet aangepast en aangenomen worden.

In een blogpost beschrijft volksverhaalonderzoeker Peter Burger hoe Slenderman in Nederland leeft. Op de achterpagina van de VPRO Gids hebben kinderen bijvoorbeeld over hem geschreven. Volgens Burger is Slenderman echt een monster van onze tijd. Hij stelt:

“Slenderman is in de eerste plaats een boeman voor binnenshuis, met wie je in je eentje de confrontatie aangaat via een computerscherm. Dat maakt Slenderman tot een monster voor onze tijd: gecreëerd via sociale media en even alomtegenwoordig als de computerschermen en -schermpjes die ons omringen. Als mediummonster is Slenderman een update van de magnifiek griezelige geest uit de Japanse horrorfilm Ringu (remake:The Ring), die in een videoband huist en tevoorschijn kruipt uit een televisie. Slenderman, met zijn gezicht als een blanco scherm, verandert het beeld in witte ruis als hij je te dicht nadert. Gestalkt worden door Slenderman veroorzaakt slender sickness, een lusteloosheid die doet denken aan die na nachtenlang gamen met energiedrank en pizza als brandstof.”

Deze week staken twee Amerikaanse meisjes van 12 jaar een klasgenoot negentien keer. De meisjes zeggen dat ze het hebben gedaan om bij Slenderman in de gratie te komen. Naar aanleiding van de steekpartij verscheen er een artikel in The New York Times over het fenomeen. Het is jammer dat de auteur geen weet lijkt te hebben van het bestaan van Slenderman buiten de VS. Over de relatie tussen volkslegendes en de invloed van media schrijft hij:

“[W]e’ve seen this pattern before, especially when it comes to technology, pop culture and violence: killings said to be inspired by Dungeons & Dragons games or heavy metal in the 1980s, or Ouija boards long before that. Sometimes these are real but isolated incidents; often they are rumors, themselves a part of the folklore. Internet horror memes are no more likely to motivate violence or insanity than any other aspect of contemporary culture. But like other examples of the folklore of horror and the supernatural, they can lead us to question distinctions between “everyday life” and the unreal or the numinous — distinctions that may be made even more ambiguous by the bewildering variety of alternative realities found online.”

Slenderman is dus een interessant fenomeen op meerdere lagen zoals de snelle verspreiding over grote afstand en de productieve relatie met horrorgenrekenmerken. Evenzeer interessant is hoe Slenderman inspeelt op volwassen angsten. De Slenderman-mythe is dankzij de twee meisjes nu ook een andere mythe gaan voeden, namelijk de mythe dat je van media-inhoud gewelddadig kunt worden.

 





Van nieuws met een rechtse mening wordt kijker niet rechts (Linda Duits)

8 06 2014

Deze blogpost verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

PownewsProgramma’s als Pownews voldoen niet aan conventionele journalistieke waarden en worden daarom gerangschikt onder vermaak, terwijl zij zichzelf zien als nieuws of actualiteiten. Over zulke programma’s bestaan zorgen onder wetenschappers: ze zouden bijvoorbeeld een publiek aantrekken dat alleen wil horen wat het wil horen. Om de effecten van zulke programma’s op politieke attitudes te onderzoeken hield communicatiewetenschapper Mark Boukes een experiment. Uit zijn studie [abstract] samen met UvA-collega’s Hajo Boomgaarden, Marjolein Moorman en Claes de Vrees blijkt dat het niet zo simpel ligt.

Eigen parochie
“By producing ideologically charged news, these programs attempt to generate relationships with a likeminded audience and hope to appeal to social needs of belonging to a community” (p. 356) schrijven de onderzoekers. Zulke programma’s zouden bij hun eigen mening beginnen in plaats van waarheid te zoeken en daardoor bevooroordeeld zijn in hun verslaggeving. Het zou niet om feiten gaan maar om sociaal drama.

Kenmerken zijn volgens de onderzoekers sympathie voor de lagere klasse, het bespotten van opponenten en het polariseren van nieuws in termen van goed en kwaad, helden en schurken, en daders en helden. Deze programma’s moeten niet verward worden met politieke satire als The Daily Show dat zichzelf presenteert als fake news.

Methode
Om de verschillen in effecten tussen objectief nieuws en nieuws met een mening te toetsen werd een experiment uitgevoerd onder 241 respondenten. Deelnemers werden blootgesteld aan een nieuwsbericht over het verbreden van een snelweg ten koste van een natuurgebied. Dat bericht kwam in vier versies (condities). Die verschilden in manier van verslag doen (objectief of vanuit een mening) en op bron (logo’s en tune waren van het NOS Journaal of Pownews).

De onafhankelijke variabele was steun voor de verbreding van de snelweg. Er werd gevraagd naar politieke voorkeur, veronderstelde invloed op anderen en verondersteld opinieklimaat. Ook wilden de onderzoekers weten of de respondenten vonden dat er sprake was van hostile media. Dit houdt in dat linkse mensen media snel verwijten een rechtse bias te hebben en vice versa.

Resultaten
Nieuws met een mening had meer invloed dan objectief nieuws. Mensen die gekleurd nieuws zagen dachten ook dat anderen sterker beïnvloed zouden worden door dat nieuwsitem. Hoe sterker mensen dat dachten, hoe meer zij ook verwachtten dat het opinieklimaat gelijk was aan die mening. Daarbij bleek ook dat mensen hun mening aanpasten aan dat gedachte opinieklimaat.

Linkse mensen zagen meer bias in het subjectieve PowNews-item dan in het objectieve NOS-item, zoals verwacht. Er was geen significant verschil in de manier waarop linkse en rechtse mensen de verschillen tussen de objectieve en de meningsversie van het NOS Journaal zagen. De respondenten zagen daar dus wel verschil tussen, maar dit was niet anders voor rechtse mensen dan voor linkse mensen. Figuur 2 laat dit zien.

Figuur 2

Mensen die vonden dat het nieuws bevooroordeeld was, werden daar ook boos over. Dit ondersteunt het idee van de hostile media environment. Hoe bozer deze mensen werden, hoe minder ze de verbreding van de snelweg steunden. Dit betekent dat nieuws met een mening er onbedoeld voor zorgt dat de kijker die mening niet overneemt. Dit effect is sterker voor mensen met een tegengestelde mening – in dit geval de linkse kijkers (NB: ook voor rechtse kijkers trad dit effect op).

Conclusie
De onderzoekers concluderen dat er twee indirecte processen spelen. Nieuws met een mening kan een positief effect hebben op politieke houding via de gedachte media-invloed op anderen. Daarnaast kan nieuws met een mening een negatief effect hebben op politieke houding via het idee van hostile media en boosheid daarover. Deze effecten zijn dus tegengesteld.

Men zou kunnen stellen dat kijkers vooral nieuws met een mening kijken waarvan ze de mening delen. In dat geval zouden vaste kijkers dus niet boos worden om Pownews. Dit blijkt voor Nederland niet waar: ook veel linkse en gematigde mensen kijken naar Pownews.

Implicatie
De onderzoekers benadrukken dat nieuws met een mening een functie van gemeenschapsvorming heeft. Dat klopt, maar die nadruk roept ook de vraag op in hoeverre zogenaamd objectief nieuws dat niet ook doet. Uit kwalitatief publieksonderzoek blijkt keer op keer dat kijkers actief betekenis geven aan wat ze zien en dat daarbij sprake is van collectieve processen. Het lijkt erop dat de tegengestelde effecten die deze onderzoekers hebben gevonden ook in die richting wijzen: mensen kijken op diverse manieren naar verschillende soorten nieuws en dat leidt tot verschillende politieke meningen.





Internationaal Motivaction-onderzoek: ‘Millennials vormen generatie van revolutionaire verandering’ (Dennis Hoogervorst)

6 06 2014

Deze blogpost verscheen eerst op kids en jongeren.

Het Nederlandse onderzoeksbureau Motivaction heeft ‘even’ 48.000 volwassenen (18-65 jaar) ondervraagd* over hun motivaties, levensstijl en gedrag. Deze Glocalities-studie vergelijkt de waarden van 18.066 millennials uit 19 landen met oudere generaties. Zijn de veelbeschreven vooroordelen over deze groep waar? Op basis van het segmentatiemodel zou je denken van wel: ten opzichte van ouderen behoren jongvolwassenen vaker tot de segmenten ‘uitdagers’ (32%), ‘creatieven’ (23%) en ‘presteerders’ (20%), en minder vaak tot de groepen ‘conservatieven’ (15%) en ‘socializers’ (11%).

Lees vooral het onderzoeksrapport The disruptive mindset of millennials around the globe (pdf) — interessante kost, al is het maar voor dit soort zinnen: ‘The revolution that has shaped the life of millenials is technological in nature’. Bij wijze van samenvatting zijn dit de vijf belangrijkste beschrijvingen van millennials uit het grootschalige onderzoek:

  • Millennials zijn competitief,  mondiaal georiënteerd, fantasierijk en bezorgd
    In vergelijking met oudere generaties zijn millennials meer kosmopolitisch, consumptiegericht, competitief, netwerkend, zelf-geöriënteerd, open van geest, flexibel, cultureel actief en fantasierijk, maar ook bezorgd over de toekomst. Bijna de helft van de millennials houdt ervan om op te vallen, twee keer zoveel als de naoorlogse generatie; ze willen worden gezien en gerespecteerd.
  • Er is een kloof tussen globale en lokale millennials
    Binnen de millennial-generatie is er een duidelijke scheiding tussen degenen die internationaal geöriënteerd zijn (actief op het gebied van consumptie, cultuur en internet) en degenen die een overwegend lokaal of nationaal gericht zijn (moeilijkheden met het navigeren door het moderne leven).
  • Millennials in opkomende economieën zijn fundamenteel anders
    De millennials zoals vaak gepresenteerd door Westerse trendwatchers (open van geest, actief en postmodern; het segment ‘creatieven’) verschillen fundamenteel van de prestatiegerichte millennials in opkomende economieën zoals China en Rusland. Bij dit segment van ‘presteerders’ gaat het meer om zaken als familie, gemeenschap, status en carrière, met een aanzienlijke koopkracht.
  • Uitdagers vormen een enorme potentiële markt
    Het grootste marktpotentieel onder de millennials is te vinden bij het waardensegment ‘uitdagers’. Zij zijn competitieve werknemers in de lagere en de middenklasse met een fascinatie voor geld, risico en avontuur. Ze hebben niet veel geld te besteden hebben, maar omarmen wel nieuwe technologieën. Ze gebruiken online platforms en technologie om de kosten voor goederen en diensten te beperken.
  • Millennials gaan de huidige modellen in de financiële sector verstoren
    De ontvankelijkheid voor ontwrichtende nieuwe technologieën onder millennials is veel hoger dan onder oudere generaties. Aangezien millennials een sterke fascinatie voor geld hebben, is de financiële sector een voor de hand liggende kandidaat voor een revolutie, zoals eerder gebeurde op het gebied van muziek, fotografie, media en aankopen doen. Millennials staan meer open ​​voorpeer-to-peer-financiering dan oudere generaties en ze zouden grote niet-financiële ondernemingen (bijvoorbeeld Google) overwegen voor financiële dienstverlening.

“Millennials are unconventional thinkers and they are open to change, much more so than older generations.” [Martijn Lampert van Motivaction tegen persbureau Reuters, naar aanleiding van een presentatie in San Francisco]

Wat we van millennials kunnen verwachten? De onderzoekers noemen hen de generatie van revolutionaire verandering. Voor millennials zijn het internet en communicatietechnologieën geen luxeproducten zoals ze worden ervaren door ouderen, maar worden ze simpelweg als nieuwe norm beschouwd. Hierdoor zijn enorme veranderingen gaande en de snelheid en impact ervan nemen nog steeds toe. Kortom: verwacht dus nog meer technologische innovaties die onze manier van leven radicaal zullen veranderen…

*In december 2013/januari 2014 werden ruim 48,000 consumenten in de leeftijd 18-65 ondervraagd in 20 landen: de VS, Canada, Mexico, Brazilië, Australië, Japan, China, Zuid-Korea, India, Rusland, Turkije, Zuid-Afrika, Italië, Polen, Duitsland, Frankrijk, Spanje, België, Nederland en het Verenigd Koninkrijk. In het rapport zijn de resultaten uit India buiten beschouwing gelaten vanwege de zeer lage internetpenetratie. Daardoor zijn de analyses gebaseerd op 45.710 respondenten uit 19 landen. De 18.066 millennials in het onderzoek zijn geboren tussen 1980 en 1995 (millennials jonger dan 18 zijn dus buiten beschouwing gelaten). Zij worden afgezet tegen 13.245 babyboomers (ook wel de naoorlogse generatie genoemd; geboren tussen 1945 en 1964) en tegen 14.399 generatie X’ers (geboren tussen 1965 en 1979). De resultaten zijn representatief voor de populaties van 18-65 jaar.





Panini-plaatjes sparen en ruilen op basis van wiskundig advies (Linda Duits)

3 06 2014

Johan Cruyff Panini plaatje

Deze blogpost verscheen eerder op dieponderzoek.nl. En nee, ik heb geen stickers te ruilen!

Panini is een Italiaans bedrijf dat wereldwijd bekend is vanwege haar stickers. In de jaren ’60 maakten ze furore met hun voetbalplaatjes, die sinds 1978 ook in Nederland verspreid worden. Voetbalplaatjes of andere stickers verzamelen kan een frustrerende hobby zijn. Veel verzamelaars denken dat bepaalde plaatjes expres zeldzaam zijn zodat het moeilijk is je album vol te krijgen. Twee wiskundigen van de Universiteit van Genève onderzochten of dit klopt. In hun artikel [volledige toegang] bespreken ze ook de beste verzamelstrategie.

De onderzoekers kochten twaalf dozen plaatjes in vier Zwitserse deelstaten. Elke doos bevat honderd pakjes met daarin vijf plaatjes. Doorgaans zitten er in een doos verschillende plaatjes: duplicaten per doos komen wel voor maar heel weinig. Het blijkt niet waar te zijn dat specifieke plaatjes zeldzaam zijn. Dit voelt alleen zo, omdat het lang duurt voordat alle plaatjes bemachtigd zijn. In je eentje zul je lang bezig zijn: gemiddeld heb je 930 pakjes nodig. Het is dus beter om te ruilen met anderen.

De wiskundigen stellen een strategie voor om optimaal een album te vullen. Koop eerst één doos, daarna veertig losse pakjes. Ruil vervolgens je dubbele plaatjes in een groep met negen andere verzamelaars totdat je nog vijftig stickers mist. Koop deze los van Panini. In totaal kost dit tussen de €102 en €127 kost, afhankelijk van de prijs van een doos.





Onderzoek MKO: ‘Tieners mediawijzer en bewuster van online privacy dan vaak gedacht’ (Dennis Hoogervorst)

16 05 2014

Deze blogpost verscheen eerder op Kids en Jongeren.

Nederlandse tieners zijn mediawijzer en zich meer bewust van hun online privacy dan vaak wordt gedacht, zo blijkt uit het onderzoeksrapport Tieners en online privacy (pdf) dat Mijn Kind Online vandaag publiceerde. In opdracht van het kennis- en adviescentrum op het gebied van jeugd en (nieuwe) media werd door TNS Nipo een online enquête afgenomen bij 1.710 tieners van 12 t/m 17 jaar. Jongeren hebben de naam dat ze hun hele hebben en houwen gedachteloos op internet zetten, maar uit deze studie blijkt het tegendeel. Een effect van aandacht over privacy in de media en waarschuwingen door ouders?

In ieder geval weten ze hierdoor dat informatie op internet moeilijk te verwijderen is en gaan ze zorgvuldig om met het delen van informatie. Ze hebben duidelijke, actieve strategieën over welke dingen ze op welke platforms posten, en wie wat mag zien. Ze zijn dus selectief in het weggeven van persoonlijke informatie en bij het bepalen wie toegang heeft tot hun informatie. Ook denken ze na over dingen die ze gepost hebben; de helft verwijdert wel eens iets (dingen die ze boos, verdrietig, of in een dronken bui hebben geplaatst, en negatieve opmerkingen, maar ook verouderde foto’s en spelfouten). De manier waarop tieners hun privacy beheren staat vooral in het teken van hun imago-management,  hoe ze overkomen op anderen. Ze weten bovendien dat het onverstandig is voor hun toekomst om bijvoorbeeld dronken foto’s te plaatsen.

Tieners vinden het overwegend normaal dat hun ouders weten wat ze online doen, slechts 17% maakt zich zorgen dat hun ouders informatie over hen krijgen waarvan ze dat niet willen. Maar liefst 84% heeft één of beide ouders als vriend op Facebook (ter vergelijking: 18% heeft een leraar als vriend, 12% heeft mensen die ze nog nooit in het echt gezien hebben als vriend). En tsja, 14% zegt dat hun ouders wel eens iets van hen online hebben gezet (zoals een foto) wat ze eigenlijk niet wilden.

Van de tieners vult 86% zijn/haar (echte) naam online in op sociale netwerk sites, 56% geboortedatum, 33% email-adres en 11% mobiele nummer. Bijna driekwart (72%) maakt zich zorgen dat vreemden ongewenste informatie over hen verkrijgen, 40% maakt zich zorgen over bedrijven en adverteerders, en 33% over buitenlandse overheidsinstanties zoals de NSA. Al te hongerige apps worden niet op prijs gesteld: 52% heeft wel eens een app niet geïnstalleerd of verwijderd omdat ze ontdekten dat ze persoonlijke informatie moesten geven om hem te kunnen gebruiken. Bedrijven wordt niet zoveel gegund, blijkt uit onderstaande grafiek.

wie mag wat doen

“Eventuele paniek over tieners en privacy lijkt onterecht’. Ze delen maar heel beperkt naaktfoto’s, zijn zich bewust van allerlei gevaren, en handelen daar ook naar. En hoewel veel ouders zich zorgen maken over ‘stranger danger’, zien we dat slechts een beperkt aantal jongeren Facebook-vrienden heeft die ze nog nooit hebben gezien.”

Tieners geven zichzelf gemiddeld een 7,2 voor verstandig gedrag op sociale media. Veel jongeren zeggen in het onderzoek dat ze nu voorzichtiger en bewuster met sociale media omgaan dan toen ze jonger waren. Ook zijn ze zich zeer bewust van het beheren en bewaken van hun online imago. Wel blijkt er bij tieners soms gebrek aan kennis over de privacy-instellingen op sociale media zoals Facebook. De onderzoekers roepen bedrijven daarom op hun instellingen toegankelijker te maken en de gebruiksvoorwaarden helderder te communiceren.








Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 6.050 andere volgers

%d bloggers like this: