Sms-en naar ouders, mét effect! (Helena Taelman)

17 12 2014

Het is niet gemakkelijk om ouders meer te betrekken bij het ontwikkelingsproces van hun kleuter.

In Stanford testen ze nu een nieuwe methode uit. Ze sturen de ouders van de kleuters 3x per week een sms-je met een taaltip. Bijvoorbeeld, “Als jouw kind in bad gaat, bekijk dan met hem/haar de letters op de shampoofles. Zitten daar letters bij van de eigen naam?”

De voorlopige resultaten zijn positief.

Ouders blijken meer bezig te zijn met beginnende geletterdheid: verhalen vertellen, rijmwoordjes zoeken, enz. Deelnemende ouders stellen ook meer vragen aan de leerkrachten over de ontwikkeling van hun kind. En, misschien nog het allerbelangrijkst, dit is voelbaar in de ontwikkeling van de kinderen zelf. Momenteel worden er ook wiskundetips in de sms-jes verwerkt.

Het vraagt weinig technische kennis om zo’n sms-service op te zetten.  Dus: op zoek naar een goed samenwerkingsverband om dit te doen…

Leestip: http://news.stanford.edu/news/2014/november/texting-literacy-tips-111714.html





Vlaamse trendwatchers voorspellen: ’2015 wordt het jaar van de RenEssence’ (Dennis Hoogervorst)

10 12 2014

Deze blogpost verscheen eerst op Kids en Jongeren en ja, het is een beetje apart dat een Nederlandse blogger schrijft… over Vlaamse trendwatchers :).

Vanochtend kwamen de vier* Grote Vlaamse Namen uit Trendwatchland weer bijeen in het penthouse van InSites Consulting in Gent. In een ontbijtsessie presenteerden Herman Konings, Sven Mastbooms, Tom Palmaerts en Joeri Van den Bergh vier trends. Zij zien 2015 als het jaar van de ‘RenEssence’, de wedergeboorte van de essentie. We willen vooruit door terug te gaan naar waar het werkelijk om gaat: geen ultieme balans, maar een mix van het grijpbare (aarde), het ademende (lucht), het passionele (vuur) en het voedende (water) in een wereld die steeds complexer wordt.

‘THE AGE OF EVERYWARE’
In dit tijdperk van het Grote Ongeduld dienen bedrijven in te spelen op de uitgesproken drang naar instant bevrediging. Met alle logistieke gevolgen van dien: aan huis leveren verandert van binnen de 3 werkdagen naar binnen de 3 uren, betaling moeten naadloos ingelast zitten in het aankoopproces en het menselijke lichaam en waarom nog zelf nadenken over wat we willen aankopen als de retailer zelf intuïtief aanvoelt wat we nodig hebben. Shoppen was nog nooit zo ambient.

Herman Konings werpt eerst een blik op de voorspelling voor 2014, het jaar van de angst, die nog steeds doorloopt. ‘FUD’ (fear, uncertainty, doubt) is een uitstekende raadgever voor de industrie, daar kunnen marketeers wel wat mee. The Guardian heeft een Happy for Life-app, Unilever laat extreme authenticiteit zien in een film, Stockholm kent de taxi-therapeut, Canvas zendt Het voordeel van de twijfel uit en A.S. Colour neemt onzekerheidbij mannen weg, om enkele voorbeelden te noemen. In het verlengde daarvan gaat het over ‘shortcut revenge’ (denk aan Airbnb), ‘augmented intelligence’ (slimme BMW) en ‘the age of impatient’ (Amazon doet aan ‘predictive shipping’).

Onderstaande video ziet er uit als de ‘natte drone’ van de marketeer, maar er is ook een tegenbeweging van mensen die niet altijd alles willen volgen; ‘JOMO, the joy of missing out’.

Bits & bytes zijn alomtegenwoordig, maar het gaat om relevantie. Google Glass (“Ik zei twee jaar geleden al dat het een flop zou worden”) is een persoonlijke belediging voor je eigen integriteit, terwijl een Nymi wel van toegevoegde waarde is. Ook goed: Gap doet aan ‘reserve in store’, IBM stelt dat binnen vijf jaar lokaal kopen online zal verslaan en 20 kankerpatiënten kregen een unieke make-over van de Mimi Foundation.

‘THE END OF NAUGHTY’
“Sport u mijnheer? Ja, hoor, fietsen, zwemmen, wandelen met de hond!” — 2014 was waarschijnlijk het laatste jaar dat we met een leugentje om bestwil ons sportief en gezondheidsimago konden oppoetsen. Met kennis komt verantwoordelijkheid. Waarom the start of smart ook the end of stupid zal zijn.

Sven Mastbooms (Seven/Kindred Spirits) weet dat in 2014 technologie overal en altijd was, maar in 2015 gaat het over data, data en data. We meten alles wat er te meten valt. ‘Big data’ wordt eindelijk ‘smart data’.  Privacy en anonimiteit zijn daarbij belangrijke onderwerpen. Op basis van vier datapunten van een consumenten is al bekend wie het is, maar ook op basis van de snelheid van je auto (sowieso weten auto’s veel van hunberijders) of het invullen van postcode, leeftijd en geslacht bij polletjes is dat te achterhalen. Je unieke bewegingspatroon is even betrouwbaar als je vingerafdruk en bureaustoelen gaan advies geven voor ademhalingsoefeningen. Gezonde werknemers zijn immers beter voor de werkgever. Hoe dan ook, er zal behoorlijk wat discussie nodig zijn over eigendom, verantwoordelijkheid en ethiek van data.

Het goede nieuws is dat we dankzij data gezonder, veiliger en verantwoorder kunnen leven. Het slechte nieuws is dat we zelf geen controle hebben over de data ‘out there’, hoewel we natuurlijk zelf verantwoordelijk voor ons eigen gedrag blijven. Er zijn echter middelen om gedrag te veranderen, om maatregelen te nemen, zoals de Pavlok die schokjes geeft als doelen niet gehaald worden.

‘PROUDLY IMPERFECT’
Waar Instagram, PhotoShop en andere tools ons dagelijks helpen om de wereld en onszelf er beter te laten uitzien, missen we een persoonlijk gevoel van echtheid en authenticiteit. We waarderen de schoonheid van imperfectie en verwelkomen lelijk fruit, misvormde pizza’s en modellen zonder model. Bad isn’t so bad after all.

Joeri Van den Bergh (InSites Consulting) heeft veel bewijsmateriaal over de drang naar echtheid. Zo sturen vrienden elkaar nu lelijke selfies, geeft de tumbr-pagina Filter Fakers een overzicht van #nofilter-fakers en zijn‘pretty girls making ugly faces’ erg populair. Als iedereen weet hoe je een perfecte zelfportretje kan maken is, is het voor jongeren namelijk niet meer cool. Bovendien worden mensen meer authentiek gevonden door hun fouten, zo bevestigden negen van de tien respondenten in een JWT-onderzoek.

Brené Brown schreef succesvolle boeken over de kracht van kwetsbaarheid en gaf een van de meest bekeken TED-talks. Imperfecte mensen, zoals Beth Ditto (The Gossip) en Lena Dunham (Girls), liggen goed in de markt. Bekendheden maken van hun imperfectie hun kracht, weten zich daarmee te onderscheiden. Een nummer als Ugly Boy van Die Antwoord is daar een aardige illustratie van. Niet perfecte mensen en producten duiken ook steeds vaker op in de media en reclame, hoewel vooralsnog vooral in de mode-industrie.

Imperfectie is goed. In mode, make-up, haarstijl en juwelen worden imperfecties toegelaten. Maar ook lelijke groenten en fruit zijn terug in de gratie bij veel retailers: Kromkommer, CulinARy MiSfiTs, pizza met bubbels van Pizza Hut, ruwe chocolade, enzovoort. Software wordt steeds sneller gelanceerd, als de fouten er nog in zitten. En Pinstrosity verzamelt o.a. recepten die níet gelukt zijn. Of kijk naar de negatieve reacties op de ‘perfect body’-campagne van Victoria’s Secret. Meer reclames en producten zouden een ‘failosophy’ moeten hebben. Dat werkt, omdat millennials het gevoel hebben nog fouten te mogen maken.

‘IMPULSE ACTING’
Alles is zo disruptief, dat we blijkbaar niet steeds een beroep kunnen doen op onze kennis van het verleden. De belangrijkste eigenschap voor de toekomst is je kunnen aanpassen aan verandering. We trainen ons intuïtief gevoel en flexibiliteit.

 Tom Palmaerts (Trendwolves) is in een filosofische bui en hangt zijn verhaal op aan de vraag hoe we de toekomst gaan overleven. Hij stelt voor dat we stoppen met nostalgie en retro: vroeger was het niet beter! We moeten naar de toekomst dúrven kijken, en het advies van Bruce Lee opvolgen: ‘Be like water’ – net als parkourrunners en skaters reageren op het moment zelf, onszelf voortdurend aanpassen. Initiatieven als Bliep*, Tesla enRent the Runway trekken zich niets aan van regels of van hoe het voorheen ging, maar hanteren een andere manier van denken.

We zien de ene disruptie na de ander, maar aan de andere kant — werk, school, software — verandert er opvallend genoeg weinig. De wereld verandert, maar de context niet. We moeten uitgedaagd worden om om te gaan met veranderingen, daar niet jaren op wachten. Misschien helpt het als we ons omringen met ‘spontane kunst’? ‘Learn to unlearn’!

B4aGrirCEAI6SOD

*Voor de volledigheid: virtueel was de vijfde Grote Naam, Steven Van Belleghem, er ook nog even bij met enkele voorbeelden uit zijn nieuwe boek When digital becomes human. Menselijk contact wordt waardevoller in een digitale wereld.





Science-fiction geeft niet meer om de toekomst (Linda Duits)

9 12 2014

The Jetsons

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Ideeën over de toekomst zeggen vooral iets over het nu. Science fiction gaat daarom vooral over de hoop en dromen van de tijd waarin het gemaakt is. Een goed voorbeeld isThe Jetsons waarin we de rolverdeling van de jaren ’60 goed terug zien: Jane werkt niet en besteedt haar tijd aan het uitgeven van het geld van kostwinner George. De huishoudrobot Rosie is duidelijk een vrouw. Hoe ziet hedendaagse science fiction eruit en wat zegt dat over onze tijd?

Vertrouwde jasjes

Op The Atlantic hekelt Noah Berlatsky het gebrek aan toekomstvisie van science fiction. De trailer voor de lang verwachte opvolger van de twee Star Wars-trilogieën illustreert dit volgens hen: er is niks nieuws. De reacties van fans zijn evenwel kritisch op de toe-eigening van die oude elementen (“Explain why these new toys are not exactly the same as the old toys, and be quick about it!”). Berlatsky stelt dat science fiction geen alternatief meer aanbiedt, niet meer nadenkt over hoe het kan zijn. Hij schrijft:

“Science fiction is everywhere in popular culture, and it seems like it’s managed to be everywhere in the present by largely jettisoning the future. The massive, major franchises are all decades-old; the triumphal rhythmic successes of Star Wars and Star Trek and Dr. Who vie with sporadic reboots of Robocop or Planet of the Apes. Even newer stories, like The Hunger Games or Divergence feel less like fresh visions than like re-toolings of stagnant dystopias. Poor George Orwell wants his panopticon back.”

Ook in de recycling van superheldenfilms ziet Berlatsky een gebrek aan toekomstvisie. Superhelden lijken meer magie toe te passen in vertrouwde contexten dan dat ze nadenken over hoe de wereld zou kunnen zijn.

“Tomorrow isn’t a potential where things might be better, or even different; it’s just a place to rearrange the robots on a Titanic that never sinks. Progress has conquered the present so thoroughly it doesn’t even need to push forward anymore. In pop sci-fi, we’re all always already picking up the shiny new old lightsaber; there is no other future, and no other dream.”

Te druk om te dromen

De analyse van Berlatsky over de recycling van het oude bekende is raak. Zoals hij zelf ook stelt heeft dit uiteraard te maken met marketing en financiering. Maar er is meer. De populaire televisieseries van dit moment zijn allemaal opmerkelijk vrij van technologie: Game of Thrones, Mad Men, Fargo, The Walking Dead, True Detective. Ze spelen in het verleden of in een toekomst waarin ICT geen rol heeft. Misschien is een verklaring voor hun populariteit dezelfde als de verklaring voor de nostalgie-SF.

In onze tijd hebben we te maken gekregen met snelle technologische ontwikkelingen. De maatschappij zoekt een manier om die een plek te geven (worden we agressief van games, zijn selfies slecht, nemen robots ons werk over). Je zou dus kunnen zeggen dat we veel te druk zijn met die toekomst die er al is te verwerken. Zo druk, dat we geen tijd meer over hebben om te dromen.





Webkennis van mensen belabberd (Linda Duits)

2 12 2014

Deze blogpost verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

IQ quizDriekwart van de Amerikanen denkt dat het internet en het world wide web hetzelfde zijn. Meer dan de helft denkt dat als een bedrijf eenprivacy policy heeft, dat betekent dat ze alle verzamelde data vertrouwelijk houden. Het is belabberd gesteld met de webkennis van Amerikanen, zo laat een surveyvan Pew Internet onder volwassen internetgebruikers zien. Jonge gebruikers doen het iets beter dan oudere gebruikers, maar die verschillen zitten vooral bij oppervlakkige kennis van sociale media (dat is hier: weten dat Facebook op Harvard ontstond).

De gebrekkige kennis van ICT-termen en -conventies is zorgwekkend. Overheden en bedrijven schenden massaal de privacy van burgers. Om te kunnen begrijpen wat er precies gebeurt, is een minimum kennisniveau noodzakelijk. Pas daarna kunnen burgers immers overwegen in hoeverre ze akkoord gaan met de inperking van hun vrijheid online. Onderricht in ICT dat verder gaat dan basisvaardigheden is zo een voorwaarde voor burgerschap.

Je kunt zelf de quiz doen om te zien hoe je scoort. Je kunt ook dit filmpje kijken om te huilen dat veel mensen niet eens weten wat een zoekmachine is.





Hoe jongeren het alcoholgebruik van volwassen zien (Linda Duits)

9 11 2014

Deze post verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Nix18In Nederland wordt in campagnes een onderscheid gemaakt tussen drinken voor jongeren en drinken voor volwassenen. De boodschap van Nix18 is dat jongeren – dat wil zeggen: mensen onder de 18 jaar – niet mogen drinken. Geïmpliceerd daarin is dat drinken boven de 18 jaar dus prima is. Trekken jongeren zulke grenzen zelf ook? In een recente studie [abstract] onderzochten Finse en Italiaanse onderzoekers het ‘grenswerk’ [boundary work] rond alcohol van Finse en Italiaans jongeren.

Grenswerk
Grenzen komen voort uit cultuur en context, zo stelt sociologische theorie over grenswerk van Lamont and Molnár. Ze worden sociaal onderhandeld en zijn dus niet gebonden aan individuen, maar aan groepen. Je zou daarom verwachten dat mensen uit verschillende landen andere grenzen bij alcoholgebruik trekken. Italië en Finland kennen andere drinkculturen. In Italië wordt vooral gematigd bij het eten gedronken, in Finland vooral zwaar bij gelegenheden. Italië kent meer langdurige ziektes gerelateerd aan alcohol, Finland vooral alcoholgerelateerde ongelukken en geweld. De studie richt zich op Turijn en Helsinki. De auteurs spreken daarom van ‘drinking geographies’ in plaats van drinkculturen.

Methode
De onderzoekers hielden in iedere stad vier focusgroepen, met jongeren tussen de 17 en 20 (Turijn) en 17-24 (Helsinki). In totaal zijn 51 respondenten bevraagd. De groepen waren met opzet heterogeen in termen van klasse. Ze kregen verschillende beelden van drinksituaties voorgelegd om discussie te stimuleren. Op de data is narratieve analyse toegepast, waarbij is gezocht naar patronen rond grenzen, in het bijzonder onderscheid tussen jeugdig versus volwassen drinken, en netjes versus afwijkend drinken voor volwassenen.

Resultaten
Er waren duidelijke verschillen tussen de steden. Turijnse jongeren zagen een stel dat samen wijn drinkt vooral als aperitief, voordat er gegeten wordt in een restaurant, en geschikt voor jong en oud. Een hele fles vonden ze trouwens te veel. Jongeren uit Helsinki zagen deze situatie als iets voor volwassenen en koppelden het aan winkelen, een jubileum of daten.

Een foto van een groepje mensen op een terras overdag werd door de Turijnse jongeren afgewezen: overdag drinken is niet normaal. De Finse jongeren vonden het wel normaal, maar alleen voor volwassenen bijvoorbeeld als borrel na het werk.

Een man die alleen drinkt vonden de Turijnse jongeren sneu. Ze koppelden dit beeld aan alcoholisme. Ook de jongeren uit Helsinki vonden het een zielig  beeld. Alleen drinken was in hun ogen onacceptabel, tenzij je uit Oost- of Zuid-Europa komt of een kunstenaar, docent of denker bent.

Tot slot: een foto van een man voorovergebogen naast een fles drank (‘van zijn stokje gegaan’) werd gezien als pathologisch. Voor de Italiaanse jongeren waren dronken volwassenen onbekend. Jongeren mogen wel dronken worden:

Actually, an adult who gets drunk is considered a failed person, someone not meeting social expectations, while young people who do it are not blamed, especially among higher socio-economic status interviewees. However, intoxication is not personally appreciated: many accounts refer to others’ drunkenness (p. 244).

Opmerkelijk zagen de jongeren uit Helsinki dit beeld als alleen iets voor volwassenen. Ze betrokken de foto niet op zichzelf.

Conclusie
De jongeren uit Turijn trokken grenzen tussen normaal en afwijkend drinkgedrag. Dit gaat om hoeveelheid, plaats (wijn drink je niet als je uitgaat, alleen thuis en in een restaurant), tijd (niet overdag), gezelschap (als stelletje mag het), leeftijd en type alcohol (geen digestieven). De normen van deze jongeren lijken op die van volwassenen. Volgens de onderzoekers komt dit omdat Italiaanse kinderen langzaam alcohol leren drinken, steeds met volwassenen erbij. Dronkenschap hoort bij jeugd: als je ouder wordt dien je dat niet meer te doen.

De jongeren uit Helsinki zagen jeugdig en volwassen drinken als heel anders. Zij bekeken situaties vooral of er veel of weinig gedronken wordt. Dronkenschap keerden steeds daarbij terug en werd gezien als onderdeel van zowel volwassen als jeugdig drinken, zonder dat dit betekende dat ze vergelijkingen maakten. Omdat deze jongeren wisten dat volwassenen hun drankgebruik afkeurden, werd drinken een daad van verzet tegen ouderlijke normen. In Finland bestaat een tegenstelling tussen officiële uitingen waarin drankgebruik wordt afgeraden, en informele gebruiken gericht zijn op zwaar drinken. Dit betekent volgens de onderzoekers dat er geen gedeelde normen tot stand komen.

Nederland
Het is lastig om de Nederlandse drinkcultuur af te zetten tegen deze kleine kwalitatieve studie. Ik denk dat de Nederlandse cultuur beide elementen kent. De campagne van Nix18 stelt nu “Heel Nederland is het er over eens, onder de 18 moet je gewoon niet roken en drinken. Daarom hebben we een afspraak: de afspraak van NIX.” Dit is onjuist: niet drinken onder de 18 is helemaal geen gedeelde norm in Nederland. Het is voor voorlichtingsinstanties daarom essentieel dit onderzoek in Nederland te reproduceren willen ze de juiste toon kunnen vatten in campagnes.





#alexfromtarget is een reclamestunt. Maar waarvoor en waarom en klopt het wel? (Linda Duits)

6 11 2014

Deze blogpost verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Alex from TargetGisteren vroeg Alex den Haan op Twitter aan me of ik #alexfromtarget kon duiden. Een foto van een jongen aan het werk bij warenhuis Target ging viraal op Twitter. Uiteraard werd dit opgepakt door internet en mainstream media waardoor het fenomeen nog zich meer verspreidde, onder het mom ‘plotselinge roem voor doodnormale jongen’. Ik antwoordde dat ik erover na moest denken en dat toeval op hetinternet niet bestaat. Dat werd bevestigd.

Fans
Het bureau Breakr claimt nu aanjager te zijn geweest van de rage. Zij zeggen dat het meisje dat de foto als eerste twitterde een van hun ‘fan girls’ was. De actie zou gecoördineerd zijn geweest: Breakr zou hebben gezorgd dat het binnen een gemeenschap van fan-meisjes gepromoot werd.

Het is onduidelijk wat voor bureau Breakr precies is. Hun website is nog in beta en stelt alleen:

At the intersection of communication and content, Breakr evolves the way you consume content with like-minded individuals.

Incompleet 
Is dit nu het hele verhaal? Het is in ieder geval zeker dat jonge meisjes het fenomeen hebben aangejaagd. The Washington Post rapporteerde dit ook meteen – zij waren blijkbaar een van de weinigen die de moeite namen om een klein beetje op onderzoek uit te gaan. Voor media geldt een dergelijk bericht als leuke content die makkelijk kliks trekt: dus waarom zouden ze zich verdiepen?

Het is niet zeker dat de meisjes dit hebben gedaan in opdracht van Target.CNN stelt dat het meisje dat de foto plaatste op haar Twitter heeft gezegd dat ze niet weet wat Breakr is. Ook Alex zelf verklaart daar dat hij geen relatie met Breakr heeft.

De lessen
Fans zijn een zeer machtige groep (maar dat wisten we natuurlijk al) die makkelijk uitgebuit wordt voor commercieel gewin. Journalisten doen te weinig om dat commercieel gewin bloot te leggen, omdat media graag meevaren op die uitbuiting.





Bloggers zijn beter dan journalisten (Linda Duits)

31 10 2014

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Bloggen is de besteVroeger, toen ik nog ‘gewoon’ wetenschapper was, vertelden mensen me vaak geheimen. Zaken die op de werkvloer speelden, fout gedrag van leidinggevenden, misstanden in de sector. Nu doen ze dat ook nog wel eens, maar dan zeggen ze erbij ‘dit mag niet bekend gemaakt’. Ik lach dan altijd en probeer ze geruststellen door te grappen dat ik blogger ben, en geen journalist. De taak van een journalist is nieuws maken. Bloggers worden daar niet door gehinderd. Een ‘dit is off the record‘ is bij mij niet nodig. Ik vind bloggers beter dan journalisten.

Jorunalisten zien dat uiteraard anders. Zij kijken vaak neer op bloggers. Voormalig tech journalist turned blogger Emma Snider schreef daarom een blogpost over haar overstap. Veel zaken zijn hetzelfde: schrijven, uitzoeken, redigeren, interviewen, netwerken. Ze bespreekt vier belangrijke verschillen.

1. Journalistiek gaat over onthullen, bloggen gaat over helpen
Journalisten willen ‘de waarheid’ boven tafel brengen. Hoewel bloggers ook waarheid willen schrijven, willen ze voornamelijk behulpzaam zijn en anderen helpen – om iets beter te doen bijvoorbeeld, of om meer kennis bij te brengen.

2. Journalistiek is een stadsfiets, bloggen een racefiets
Journalistiek kent drie versnellingen, terwijl bloggen er wel tien heeft. Journalisten kunnen meer tijd nemen voor hun stuk. Dat doen bloggers ook wel eens, maar bloggen kent veel meer variatie. Bloggers schrijven niet maar één soort bericht, maar maken lijstjes, infographics, tips etc, en kennen meer diversiteit in het soort deadline.

3. Bloggers geven perspectieven
Journalisten beschrijven wat er gebeurt, terwijl bloggers ook mogen schrijven hoe iets zou moeten of kunnen zijn. Experts worden bijvoorbeeld niet alleen geïnterviewd om een expertmening weer te geven, maar vooral ook – zie punt 1 – zodat de lezer er iets van kan leren en de wereld beter kan worden.

4. Een blogger hoeft zichzelf niet uit de tekst te schrijven
Journalistiek streeft naar objectiviteit en daarom hoort de mening van de journalist niet te weerklinken in een nieuwsbericht. Voor bloggers is het juist goed om berichten persoonlijk te maken: wat vinden ze zelf van het fenomeen? Dit draagt juist bij aan de geloofwaardigheid.

De grenzen tussen journalistiek en bloggen vervagen (denk aan de stukken op De Correspondent). Ook Snider merkt dat op, en ze vindt dat goed. Ze besluit:

“From my perspective, the perceived canyon between journalism and blogging is really more like a three-foot gap you can hop across. If the lines between journalism and blogging are blurring, I think it’s with good reason.”

Update: programmamaker en charmante überjournalist Botte Jellema schreef een lezenswaardige reactie op dit stuk.





PEW-onderzoek: Wie wordt er hoe en waar online lastiggevallen en wat doen ze eraan? (Linda Duits)

29 10 2014

Deze blogpost verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

trollOnline lastiggevallen worden krijgt volop aandacht. Van cyberpesten tot trollen tot Gamergate, conventionele media rapporteren uitgebreid over schofterig gedrag op het internet. Pew Internet ondervroeg 2.849 volwassen internetgebruikers uit de VS naar hun ervaringen. De resultaten laten zien dat het merendeel van de internetters nooit online is lastig gevallen. Tegengesteld aan wat je zou verwachten op basis van klachten in de media van vrouwen blijkt het internet ook niet veel enger voor vrouwen dan voor mannen.

Wat en waar?
Veertig procent van de internetgebruikers is wel eens online lastiggevallen. Wat gebeurt er?

  • 27% is wel eens uitgescholden (been called offensive names)
  • 22% is wel eens opzettelijk vernederd
  • 8% is fysiek bedreigd
  • 8% is gestalkt
  • 6% is seksueel geïntimideerd

Dit vindt het meeste plaats op sociale media. Twee derde van de respondenten zei dat het laatste incident op een sociaal netwerk was. Daarop volgt de reacties op een website (22%). Opvallend is dat evenveel mensen persoonlijk in email worden lastig gevallen als in een online game-omgeving: 16 procent.

Wie?
Jongeren en vrouwen hebben meer kans online lastiggevallen te worden. Het is daarbij opvallend dat vernedering en fysieke bedreiging meer voorkomen onder mannen dan onder vrouwen. De laatste groep is eerder slachtoffer van stalking en seksueel getinte opmerkingen – zie onderstaande grafiek. Mensen wiens levens verweven zijn met internet (zoals mensen die in de media werken) zijn ook vaker slachtoffer.

Man vs vrouw

Wat doen ze eraan? 
Zestig procent van de respondenten geeft aan het meest recente incident genegeerd te hebben. De rest ondernam actie, uitgesplitst:

  • 47% confronteerde de belager
  • 44% ontvriende of blokkeerde de belager
  • 22% gaf de belager aan bij de website of online dienst
  • 18% besprak het probleem online om zo steun te krijgen van anderen
  • 13% veranderde hun gebruikersnaam of verwijderde het profiel
  • 10% verliet het forum
  • 5% deed aangifte

Is het erg?
Zowel voor de mensen die het negeerden als de mensen die stappen ondernamen geldt dat ze daar tevreden mee waren. Mensen die niet vaak online worden lastiggevallen reageren er het heftigste op. De respondenten bleken er ook niet erg van van slag te raken. De helft van de mensen was er een klein beetje of helemaal niet door verontrust. Veertien procent vond het ‘extremely upsetting’. Vrouwen vinden het eerder erg dan mannen.

Uiteindelijk zijn er niet veel genderverschillen in hoe verwelkomend een specifieke internetomgeving is. Online games zijn een mannenwereld, maar op sociale netwerken zijn vrouwen meer welkom – zie grafiek.

Welkome omgevingen

Het volledig onderzoeksrapport [PDF] staat hier





Apple als knecht van de platenindustrie (Linda Duits)

23 10 2014

RIP Napster

Deze bijdrage verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Afhankelijk van je positie leek het zo mooi: het internet zou consumenten en muzikanten dichterbij elkaar brengen. Technologische ontwikkelingen hebben thuisstudio’s mogelijk gemaakt en contacten in stenen winkels zijn niet meer nodig om je muziek te verkopen. De macht van de grote platenmaatschappijen kon doorbroken worden. Toch is dat niet de realiteit. In een recent artikel [abstract] analyseert David Arditi de effecten van online distributie op de hedendaagse muziekindustrie.

Distributieparadox
Distributie is voor muzikanten het grootste obstakel. Platenmaatschappijen hebben lang het monopolie hierop gehad. Productie, opslag en vervoer van muziek is duur. Daarnaast zitten er kosten aan promotie. De grote maatschappijen hebben een uitgebreid netwerk en winnen zo de slag van onafhankelijke labels. Arditi rekent voor dat het ongeveer $5 kost voor een CD om in een stenen winkel verkocht te worden.

Digitale muziek lijkt dit systeem te doorbreken: de fysieke infrastructuur is immers niet meer nodig. Maar lage distributiekosten op internet leiden tot een groot aanbod. In dit aanbod moet je opvallen: Radiohead en de Arctic Monkeys konden dat misschien, maar als Arditi nu zelf een plaat produceert, weet niemand daarvan. Deze paradox heeft ervoor gezorgd dat het aantal onafhankelijke labels niet is toegekomen, maar is gehalveerd in de periode 1996-2010.

“When consumers are confronted with access to everything on the Internet, they are forced to retreat to distribution systems that they recognize in order to find content; this is where branding and the effects of “old media” power come into play—majors can use control over “old media” (e.g. TV) to drive business to their online commodities” (p. 412).

Muziek delen
Volgens Arditi heeft de combinatie van rechtszaken van belangenbehartiger RIAA (Recording Industry Association of America) met de ontwikkeling van iTunes ervoor gezorgd dat platenmaatschappijen hun distributiemonopolie konden behouden. Het delen van muziek is al ouder dan het internet. Liefhebbers wisselden bijvoorbeeld muziek uit via cassettebandjes. Vanwege het kwaliteitsverlies maakte de RIAA zich hier niet heel druk om. Dat veranderde met peer-to-peer-sites waar muziek digitaal gedeeld werd. Op deze netwerken heeft bovendien iedere muzikant in principe gelijke toegang.

Het delen van muziek op deze manier kan gebeuren omdat mensen niet voor platen willen betalen. Het kan ook gaan om mensen die iets willen proberen voor ze het kopen; om muziek die niet langer te koop is; en om bestanden zonder copyright. In de rechtszaken heeft de RIAA alleen gesproken van de eerste soort delen. De tweede soort is voor platenmaatschappijen extra interessant: als ze weten dat een nummer veel gedownload wordt, kunnen ze radiostations inzetten om die plaat extra te promoten. De RIAA negeert overigens optie 4.

De rol van Apple
Peer-to-peer-netwerken deden platenmaatschappijen realiseren dat ze over moesten naar digitale distributie. Dit heeft vooral vorm gekregen in iTunes. iTunes 1.0 was in 2001 niet veel meer dan een Windows Media Player: software om muziek mee af te spelen. In 2003 werd de  iTunes Music Store gelanceerd, waar voor $0,99 een liedje gekocht kon worden. iTunes werd al snel de grootste aanbieder. In 2011 hadden zij een aandeel van 38,23 procent van de retail muziekmarkt. Ter vergelijking: de twee grootste concurrenten Wal-Mart en Best Buy hebben samen 17,86 procent. Het succes van Apple is niet alleen aan hen toe te schrijven: de platenindustrie speelde een grote rol.

In 2003 wilde de RIAA zich laten gelden. Ze spande rechtszaken aan tegen downloaders wegens auteursrechtbreuk. Die zaken kwamen zelden voor: gebruikers werden geïntimideerd met mogelijk hoge proceskosten en schikten daarom. Dit had een afschrikwekkend effect:

“These lawsuits have a panoptic effect on people who illegally share music because they know they are being watched, but they do not know when they are being watched. … The effect is that people weigh the costs of being sued for an inordinate amount of money against the benefit of downloading a few songs” (p. 417).

Uit angst kozen mensen er dus voor dan maar te betalen voor muziek. Het is belangrijk hier nogmaals op te merken dat er voor de komst van iTunes geen keuze was: alle online MP3-winkels werden door de RIAA aangepakt. De gelijktijdigheid van het vervolgen van individuele gebruikers en het verschijnen van iTunes was niet toevallig, maar het resultaat van gesprekken tussen de RIAA, platenmaatschappijen en Steve Jobs.

De komst van iTunes heeft een effect gehad op alle soorten downloads. De ‘dieven’ werden geïntimideerd. De mensen die wilden proeven, konden dit nu gratis bij Apple doen. Kwalijker is dat de bibliotheekfunctie wordt belemmerd en dat mensen die gratis hun muziek wilden delen nergens meer terecht kunnen.

Survival of the powerful
De muziekindustrie is geen vrije markt. Drie spelers hebben de macht, mede dankzij distributiedeals met onafhankelijke labels. Arditi hekelt het recht dat de platenmaatschappijen menen te hebben op een monopolie:

“Free market capitalism is based on the idea of the survival of the fittest in the market, until the industry leaders begin to struggle to remain on top” (p. 420).

Platenmaatschappijen negeerden andere oorzaken van hun verlies, bijvoorbeeld het feit dat mensen veel muziek al op CD hadden en die simpelweg zelf gingen overzetten op mp3. Zogeheten residual album sales waren altijd een belangrijke bron van inkomsten: in de overgang van plaat naar cassette en van cassette naar cd verdienden platenmaatschappijen geld met het verkopen van dezelfde muziek.

Arditi eindigt op een sombere noot. Hij stelt dat bestaande bedrijven altijd zullen proberen hun machtspositie te behouden wanneer zij geconfronteerd worden met meer gelijkheid. Digitale muziek haalde muren neer, maar iTunes heeft de oude distributiebarrieres weer ferm opgericht.





DDMM: Nederlandse jongeren verlaten Facebook nog niet, omarmen andere sociale media wel steeds meer (Dennis Hoogervorst)

9 10 2014

Deze blogpost verscheen eerst op Kids en Jongeren.

De onderzoekers van de Amerikaanse investeringsbank Piper Jaffray hebben vandaag de 28ste editie (pdf) van het rapport Taking Stock With Teens gepubliceerd. Zelf koppen ze ‘Different is the New Cool’ boven hun persbericht, benadrukkend dat jongeren als eerste openstaan voor verandering, technologie gebruikend om op hún tijd met merken om te gaan. De media, zowel in de VS als hier in Nederland, brengen echter een andere bevinding als nieuws*: Facebook is veel minder populair onder tieners – het aantal jonge gebruikers kelderde in een half jaar van 72% naar 45%.

Dat roept natuurlijk de vraag op of dezelfde ontwikkeling ook hier gaande is. Het digitale bereiksonderzoek DDMM** maakt een dergelijke analyse mogelijk (in juli zag je op kidsenjongeren.nl al een lijstje van de grootste merkenonline). Hieronder een aanvulling, met de focus op de zes hoogst scorende ‘sociale’ merken: Facebook, Twitter, WhatsApp, YouTube, Instagram en Snapchat.

In april 2014 bereikte Facebook netto 89,9% van de Nederlandse tieners (via desktop, smartphone en/of tablet), in augustus was dat 85,3%. We zullen komende periode moeten afwachten of die (lichte) daling doorzet, want deze zou zomaar verklaard kunnen worden door de zomervakantie. Wat niet wegneemt dat de andere sociale media wél gestegen zijn in deze vijf maanden. WhatsApp en YouTube komen steeds dichterbij, maar hebben Facebook (nog) niet ingehaald.

ddmm maand

In onderstaande grafiek zie je het verloop van het bereik onder Nederlandse 13-19-jarigen van de belangrijkste sociale media, op weekniveau (uiteraard scoren de merken in een week een lager bereik dan in een maand). Binnen een week bezoeken nog altijd zeven van de tien tieners in Nederland de site of app van Facebook.

DDMM tm week 35-2014

*Dat Facebook helemaal over zou zijn, werd anderhalf jaar geleden ook al uitgebreid verkondigd, maar ondertussen waren ook tegengeluiden te horen. Waar rook is, is vuur, dus we blijven het volgen.

**DDMM (Dutch Digital Media Measurement) is een continu online bereiksonderzoek dat wordt uitgevoerd door GfK in opdracht van VINEX (de vereniging van internetexploitanten) en van PMA (de overkoepelende organisatie van media-adviesbureaus) — representatief voor de Nederlandse bevolking. Bovenstaande percentages betreffen de leeftijdsgroep 13 t/m 19 jaar. Op het moment van schrijven waren gegevens bekend t/m week 35/2014. Met dank aan Marianne voor de cijfers!

 








Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 6.670 andere volgers

%d bloggers op de volgende wijze: