Apple als knecht van de platenindustrie (Linda Duits)

23 10 2014

RIP Napster

Deze bijdrage verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Afhankelijk van je positie leek het zo mooi: het internet zou consumenten en muzikanten dichterbij elkaar brengen. Technologische ontwikkelingen hebben thuisstudio’s mogelijk gemaakt en contacten in stenen winkels zijn niet meer nodig om je muziek te verkopen. De macht van de grote platenmaatschappijen kon doorbroken worden. Toch is dat niet de realiteit. In een recent artikel [abstract] analyseert David Arditi de effecten van online distributie op de hedendaagse muziekindustrie.

Distributieparadox
Distributie is voor muzikanten het grootste obstakel. Platenmaatschappijen hebben lang het monopolie hierop gehad. Productie, opslag en vervoer van muziek is duur. Daarnaast zitten er kosten aan promotie. De grote maatschappijen hebben een uitgebreid netwerk en winnen zo de slag van onafhankelijke labels. Arditi rekent voor dat het ongeveer $5 kost voor een CD om in een stenen winkel verkocht te worden.

Digitale muziek lijkt dit systeem te doorbreken: de fysieke infrastructuur is immers niet meer nodig. Maar lage distributiekosten op internet leiden tot een groot aanbod. In dit aanbod moet je opvallen: Radiohead en de Arctic Monkeys konden dat misschien, maar als Arditi nu zelf een plaat produceert, weet niemand daarvan. Deze paradox heeft ervoor gezorgd dat het aantal onafhankelijke labels niet is toegekomen, maar is gehalveerd in de periode 1996-2010.

“When consumers are confronted with access to everything on the Internet, they are forced to retreat to distribution systems that they recognize in order to find content; this is where branding and the effects of “old media” power come into play—majors can use control over “old media” (e.g. TV) to drive business to their online commodities” (p. 412).

Muziek delen
Volgens Arditi heeft de combinatie van rechtszaken van belangenbehartiger RIAA (Recording Industry Association of America) met de ontwikkeling van iTunes ervoor gezorgd dat platenmaatschappijen hun distributiemonopolie konden behouden. Het delen van muziek is al ouder dan het internet. Liefhebbers wisselden bijvoorbeeld muziek uit via cassettebandjes. Vanwege het kwaliteitsverlies maakte de RIAA zich hier niet heel druk om. Dat veranderde met peer-to-peer-sites waar muziek digitaal gedeeld werd. Op deze netwerken heeft bovendien iedere muzikant in principe gelijke toegang.

Het delen van muziek op deze manier kan gebeuren omdat mensen niet voor platen willen betalen. Het kan ook gaan om mensen die iets willen proberen voor ze het kopen; om muziek die niet langer te koop is; en om bestanden zonder copyright. In de rechtszaken heeft de RIAA alleen gesproken van de eerste soort delen. De tweede soort is voor platenmaatschappijen extra interessant: als ze weten dat een nummer veel gedownload wordt, kunnen ze radiostations inzetten om die plaat extra te promoten. De RIAA negeert overigens optie 4.

De rol van Apple
Peer-to-peer-netwerken deden platenmaatschappijen realiseren dat ze over moesten naar digitale distributie. Dit heeft vooral vorm gekregen in iTunes. iTunes 1.0 was in 2001 niet veel meer dan een Windows Media Player: software om muziek mee af te spelen. In 2003 werd de  iTunes Music Store gelanceerd, waar voor $0,99 een liedje gekocht kon worden. iTunes werd al snel de grootste aanbieder. In 2011 hadden zij een aandeel van 38,23 procent van de retail muziekmarkt. Ter vergelijking: de twee grootste concurrenten Wal-Mart en Best Buy hebben samen 17,86 procent. Het succes van Apple is niet alleen aan hen toe te schrijven: de platenindustrie speelde een grote rol.

In 2003 wilde de RIAA zich laten gelden. Ze spande rechtszaken aan tegen downloaders wegens auteursrechtbreuk. Die zaken kwamen zelden voor: gebruikers werden geïntimideerd met mogelijk hoge proceskosten en schikten daarom. Dit had een afschrikwekkend effect:

“These lawsuits have a panoptic effect on people who illegally share music because they know they are being watched, but they do not know when they are being watched. … The effect is that people weigh the costs of being sued for an inordinate amount of money against the benefit of downloading a few songs” (p. 417).

Uit angst kozen mensen er dus voor dan maar te betalen voor muziek. Het is belangrijk hier nogmaals op te merken dat er voor de komst van iTunes geen keuze was: alle online MP3-winkels werden door de RIAA aangepakt. De gelijktijdigheid van het vervolgen van individuele gebruikers en het verschijnen van iTunes was niet toevallig, maar het resultaat van gesprekken tussen de RIAA, platenmaatschappijen en Steve Jobs.

De komst van iTunes heeft een effect gehad op alle soorten downloads. De ‘dieven’ werden geïntimideerd. De mensen die wilden proeven, konden dit nu gratis bij Apple doen. Kwalijker is dat de bibliotheekfunctie wordt belemmerd en dat mensen die gratis hun muziek wilden delen nergens meer terecht kunnen.

Survival of the powerful
De muziekindustrie is geen vrije markt. Drie spelers hebben de macht, mede dankzij distributiedeals met onafhankelijke labels. Arditi hekelt het recht dat de platenmaatschappijen menen te hebben op een monopolie:

“Free market capitalism is based on the idea of the survival of the fittest in the market, until the industry leaders begin to struggle to remain on top” (p. 420).

Platenmaatschappijen negeerden andere oorzaken van hun verlies, bijvoorbeeld het feit dat mensen veel muziek al op CD hadden en die simpelweg zelf gingen overzetten op mp3. Zogeheten residual album sales waren altijd een belangrijke bron van inkomsten: in de overgang van plaat naar cassette en van cassette naar cd verdienden platenmaatschappijen geld met het verkopen van dezelfde muziek.

Arditi eindigt op een sombere noot. Hij stelt dat bestaande bedrijven altijd zullen proberen hun machtspositie te behouden wanneer zij geconfronteerd worden met meer gelijkheid. Digitale muziek haalde muren neer, maar iTunes heeft de oude distributiebarrieres weer ferm opgericht.





DDMM: Nederlandse jongeren verlaten Facebook nog niet, omarmen andere sociale media wel steeds meer (Dennis Hoogervorst)

9 10 2014

Deze blogpost verscheen eerst op Kids en Jongeren.

De onderzoekers van de Amerikaanse investeringsbank Piper Jaffray hebben vandaag de 28ste editie (pdf) van het rapport Taking Stock With Teens gepubliceerd. Zelf koppen ze ‘Different is the New Cool’ boven hun persbericht, benadrukkend dat jongeren als eerste openstaan voor verandering, technologie gebruikend om op hún tijd met merken om te gaan. De media, zowel in de VS als hier in Nederland, brengen echter een andere bevinding als nieuws*: Facebook is veel minder populair onder tieners – het aantal jonge gebruikers kelderde in een half jaar van 72% naar 45%.

Dat roept natuurlijk de vraag op of dezelfde ontwikkeling ook hier gaande is. Het digitale bereiksonderzoek DDMM** maakt een dergelijke analyse mogelijk (in juli zag je op kidsenjongeren.nl al een lijstje van de grootste merkenonline). Hieronder een aanvulling, met de focus op de zes hoogst scorende ‘sociale’ merken: Facebook, Twitter, WhatsApp, YouTube, Instagram en Snapchat.

In april 2014 bereikte Facebook netto 89,9% van de Nederlandse tieners (via desktop, smartphone en/of tablet), in augustus was dat 85,3%. We zullen komende periode moeten afwachten of die (lichte) daling doorzet, want deze zou zomaar verklaard kunnen worden door de zomervakantie. Wat niet wegneemt dat de andere sociale media wél gestegen zijn in deze vijf maanden. WhatsApp en YouTube komen steeds dichterbij, maar hebben Facebook (nog) niet ingehaald.

ddmm maand

In onderstaande grafiek zie je het verloop van het bereik onder Nederlandse 13-19-jarigen van de belangrijkste sociale media, op weekniveau (uiteraard scoren de merken in een week een lager bereik dan in een maand). Binnen een week bezoeken nog altijd zeven van de tien tieners in Nederland de site of app van Facebook.

DDMM tm week 35-2014

*Dat Facebook helemaal over zou zijn, werd anderhalf jaar geleden ook al uitgebreid verkondigd, maar ondertussen waren ook tegengeluiden te horen. Waar rook is, is vuur, dus we blijven het volgen.

**DDMM (Dutch Digital Media Measurement) is een continu online bereiksonderzoek dat wordt uitgevoerd door GfK in opdracht van VINEX (de vereniging van internetexploitanten) en van PMA (de overkoepelende organisatie van media-adviesbureaus) — representatief voor de Nederlandse bevolking. Bovenstaande percentages betreffen de leeftijdsgroep 13 t/m 19 jaar. Op het moment van schrijven waren gegevens bekend t/m week 35/2014. Met dank aan Marianne voor de cijfers!

 





‘Nutteloze’ app Firechat motor achter protest in Hong Kong (Linda Duits)

8 10 2014

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

firechatSommige nieuwe apps lijken zinloos. Yo bijvoorbeeld, waar je alleen maar ‘yo’ aan je vrienden kunt sturen. Emojli is nog zo’n nauwelijks gebruikte app op mijn iPhone: je kunt daar alleen in emoji’s communiceren. Firechat heeft dit ook in zich. Je kunt praten met mensen die bij je in de buurt zijn. Maar waarover dan en waarom? Toch blijkt Firechat van essentiële waarde.  In The Guardian verscheen een artikel dat Firechat als motor achter het protest in Hong Kong aanwijst.

Firechat stelt mensen die in elkaars nabijheid zijn in staat contact met elkaar te leggen, via Bluetooth en dus zonder mobiel netwerk. Hoe meer mensen de app op een plek gebruiken, hoe krachtiger Firechat wordt. Dat is handig op Koningsdag als het netwerk overbelast is, maar van essentieel belang in een massaprotest waarbij de overheid dat netwerk expres blokkeert. The Guardian schrijft:

“FireChat has already been used in protests in Taiwan, Iran and Iraq, but never on the scale being seen in Hong Kong. After Wong [een student die actief is in het protest, LD] urged his movement to use it, FireChat got more than 100,000 new sign-ups in Hong Kong in under 24 hours; it has registered 800,000 chat sessions since. If the Communist party isn’t quite reeling, its opponents’ lives have at least got a little easier.

Of course, users would do well to take care: there is nothing to stop the authorities hopping on to the network as well. Benoliel [een van de makers van de app, LD] recommends people avoid real names; this is, he says, for information-sharing, not for secrets. Still, in a sense, that is exactly the point. “Our mission has always been freedom of speech, to help information to spread. So this is perfect.”





10 tips voor Twittergebruik op conferenties (Linda Duits)

1 10 2014

Deze post verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Live tweeting from stageWetenschappelijke conferenties zijn duur en met dalende budgetten van universiteiten wordt het wetenschappers moeilijker gemaakt om internationale collega’s te ontmoeten. Dat is jammer, omdat nieuw werk meestal eerst op conferenties wordt gepresenteerd. Twitter is een uitstekende manier om conferenties vanaf je werkplek te volgen.

Afgelopen weekend was ik op de conferentie van het Fan Studies Network waar veel getwitterd werd – zie #FSN2014. Fan-onderzoekers zijn vaak net als hun onderzoeksobject tech-adapters en de meeste bezoekers hadden dan ook een twitteraccount, waardoor de hashtag veel gebruikt werd. Het succes van zo’n hashtag valt en staat natuurlijk bij het gebruik. Ik vond in PLoS Computional Biology een artikel van gezondheidwetenschappers Sean Ekins en Ethan O. Perlstein met tien aanbevelingen – voorgesteld als regels – om dit te bewerkstelligen. Ik neem ze hier integraal over. Ze gelden ook voor niet-wetenschappelijke conferenties.

1: Short Conference Hashtag
As soon as the meeting is announced, conference organizers should claim a short (6–8 characters) descriptive # that includes the year.

2: Promote the Hashtag
Highlight the hashtag in all conference materials online, in print, on name badges, and on Twitter if possible.

3: Encourage Tweeting
Encourage live tweeting at the conference. Session chairs can facilitate this and relay questions from the twitterosphere.

4: Conference Twitter Etiquette
Keep questions short and on the science, avoid grandstanding, encourage responsible tweeting, and avoid harassment or snarkiness.

5: Conference Tweet Layout
List speaker name, affiliation and conference hashtag in the first tweet; surname or initials and meeting hashtag are sufficient thereafter.

6: Keep Conference Discussion Flowing
Summarize presentations concisely, use hashtags for keywords, and use “@ reply” to engage individuals who can add to the discussion.

7: Differentiate Your Opinions from the Speaker’s
Separate your own comments/viewpoints on the speaker or science being described in a presentation from the speaker’s own words.

8: Bring Questions up from Outside
Check for and raise questions from those outside the conference, returning the speaker responses to positively enforce participation.

9: Meet Other Live Tweeters Face to Face
Organize tweetups so that conference attendees can meet in person and consolidate relationships and collaborations.

10: Emphasize Impact of Live Tweeting
Ensure that positive effects of tweeting at conferences, such as discoveries, publications, or collaborations, are highlighted.





Voor Vlaamse kranten is cyberpesten vooral een e-safety-thema (Linda Duits)

28 09 2014

Je wil iets schrijven over een nieuwe Vlaamse studie, is Linda Duits op dieponderzoek.nl je toch wel voor:

vlaamse_week_tegen_pestenMedia schrijven graag over media, en het liefst schrijven ze dan over kwalijke kanten van media. Uit een studie bleek bijvoorbeeld dat 64 procent van de berichten over kinderen en internet (uit veertien landen) ging over online risico’s en slechts achttien procent over online kansen. Cyberpesten krijgt daarom veel aandacht in de pers. Die berichtgeving is niet zonder effect: beleidsmakers baseren zich erop, ouders maken zich er zorgen door en er is een mogelijkheid van copycat-gedrag. Communicatiewetenschappers Anne Vermeulen en Heidi Vandebosch onderzochten [abstract] hoe Vlaamse kranten over cyberpesten verslag doen.

Methode
Ze voerden een kwantitatieve inhoudsanalyse uit van artikelen uit zes Vlaamse dagbladen: De Standaard en De Morgen (die gezien worden als ‘kwaliteitskranten’) en Het Nieuwsblad, Het Laatste Nieuws, Gazet van Antwerpen en Het Belang van Limburg (beschouwd als ‘populaire’ kranten). Er werd gezocht naar ‘cyber’/‘digitaal’/‘online’/‘virtueel’/‘internet’/‘gsm’/‘elektronisch’/‘mobiel’ + ‘pesten’ in de periode 1999-2011. Artikelen werden met de hand nagelopen op relevantie en duplicaten werden verwijderd. Uiteindelijk bevatte de steekproef 447 krantenartikelen. De artikelen zijn handmatig gecodeerd.

Resultaten
De ‘populaire’ kranten schrijven meer over cyberpesten dan de ‘kwaliteitskranten’, maar de laatste schrijven langere stukken. Er wordt vooral over pesten onder jongeren gerapporteerd. Het woord ‘cyberpesten’ wordt voor het eerst gebruikt in oktober 2001. Daarvoor waren er ook al wel berichten over het fenomeen. Er ligt een piek in 2006 toen een grootschalig onderzoek naar cyberpesten onder Vlaamse jongeren werd gepubliceerd. Daarna hield de aandacht aan. Binnen de jaren is er sprake van golven: bij de start van het nieuwe schooljaar verschijnen er steevast artikelen over cyberpesten, net als in februari en maart tijdens de ‘Vlaamse week tegen pesten’ en ‘ Safer Internet Day’.

Inhoud van de artikelen:
Acties, interventies of beleid focusten: 33 procent
Onderzoek: 23,6 procent
Specifieke cases: 15,9 procent
Overig: 27,5 procent

Bij overig gaat het bijvoorbeeld algemene artikelen met uitleg over het fenomeen of aankondiging televisieprogramma. Bij onderzoek valt op dat de meeste berichten (32 van de 43) een nationale focus hadden. Ook de cases zijn vooral Belgisch, naast 7 artikelen over Amerikaanse gevallen. Opvallend is dat er vaak een connectie wordt gemaakt met zelfmoord, hoewel het aantal jongeren dat daadwerkelijk zelfmoord pleegt omwille van cyberpesten relatief klein is (de onderzoekers noemen hier geen cijfers). ‘Populaire’ kranten schrijven minder over onderzoek en meer over cases.

In de berichtgeving is technologische verandering te merken. In meer dan zestig procent van de artikelen worden applicaties genoemd waarop gepest wordt. Pesten per telefoon komt voor het laatst voor in 2006; pesten via YouTube juist sinds 2006. Pesten via sms, e-mail, blogs en fora keren steeds terug.

Conclusie
De auteurs stellen dat nieuws over cyberpesten voorspelbaar is. Onder invloed van technologische ontwikkelingen neemt het steeds nieuwe gedaantes aan. Bovendien heeft cyberpesten een plek gevonden bij een groot aantal organisaties die ‘media events’ creëren om de aandacht vast te houden. Volgens de onderzoekers verklaart dat waarom de afname aan media-aandacht die kenmerkend is voor issue cycles (nog) niet is opgetreden. Het is volgens de auteurs het technologische aspect dat de nieuwswaardigheid van dit topic blijkt te bepalen. Cyberpesten wordt geframed als een e-safety-probleem en niet zozeer als een voortzetting van wat er al op het schoolplein gebeurde. Dit sluit aan bij theorie over morele panieken, waarin gesteld wordt dat deze panieken zich vooral voortdoen bij de introductie van nieuwe media.

Het (te) snelle verband dat tussen zelfmoord en cyberpesten wordt gelegd is gevaarlijk vanwege mogelijke copycat-impact, stellen de auteurs. Ook maken zij zich zorgen of ouders en andere partijen wel de juiste preventiemaatregelen voorgeschoteld krijgen omdat de adviezen van deskundige uit diverse organisaties komen. Het maakt daarbij uit welke krant je leest, omdat ‘kwaliteitskranten’ en ‘populaire’ kranten anders verslag doen.





Zwijgspiraal niet doorbroken door sociale media (Linda Duits)

20 09 2014

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

SpiraalAls mensen een mening hebben waarvan ze denken dat hij anders is dan de meeste mensen, zijn ze onzeker over die mening. Ze houden daarom goed de meningen van anderen in de gaten. Uit angst voor isolatie zullen ze hun afwijkende mening voor zich houden. Als de eigen mening overeenkomt met wat de meeste mensen vinden, hoeven ze niet bang te zijn uitgesloten te worden en uiten ze hun mening wel. Deze theorie is een klassieker uit de communicatiewetenschap die bekend staat als de zwijgspiraal.

Het concept werd bedacht door Elisabeth Noelle-Neuman in 1974, in een tijd van massamedia waarin gewone burgers weinig mogelijkheden hadden hun stem te laten horen. Tegenwoordig kunnen zij dat wel, via sociale media. Pew Internet heeft onderzocht in hoeverre mensen bereid zijn online hun mening te delen en hoe dit afhangt van wat zij denken dat anderen vinden.

Ze ondervroegen 1801 volwassen Amerikanen met een vragenlijst. Het centrale onderwerp was het NSA-schandaal dat aan het licht kwam dankzij onthullingen van Edward Snowden. Dit onderwerp is gekozen omdat uit een eerdere studie bleek dat Amerikanen hier erg verdeeld over zijn. Respondenten werden om hun mening gevraagd, hoe bereid ze zijn hierover te discussieren op plekken als werk, een etentje met vrienden, Twitter en Facebook, en in hoeverre ze dachten dat concrete anderen (hun partner, buren, twittervolgers) het eens zijn met hun mening.

De belangrijkste uitkomsten van deze studie:

  • Mensen waren minder geneigd het NSA-verhaal op sociale media te bespreken. 86 procent van de Amerikanen wilde dit persoonlijk bespreken, maar slechts 42 procent wilde dat op Facebook of Twitter doen.
  • Van de veertien procent die Snowden niet in persoon wilde bespreken, wilde slecht 0,3 procent dat wel op sociale media doen. Sociale medie bieden dus geen alternatief discussieplatform.
  • Zowel in persoonlijke als online settings waren mensen meer bereid hun mening te delen als ze dachten dat hun publiek het met hen eens was.
  • Gebruikers van Facebook- en Twitter waren minder bereid hun mening face-to-face te delen.

Pew zwijgspiraal

De onderzoekers concluderen daarom dat “social media did not provide new forums for those who might otherwise remain silent to express their opinions and debate issues”.

Dit voelt niet juist. Online zijn er bijvoorbeeld veel anonieme accounts. Anonimiteit maakt dat de verzender niet hoeft te malen om wat zijn omgeving van zijn mening vindt. Dit is helemaal niet meegenomen in de studie. Daarnaast vind ik de keuze voor het onderwerp opmerkelijk: het spionageschandaal is redelijk technisch en dat zou een reden kunnen zijn dat mensen er niet makkelijk over spreken. De onderzoekers rapporteren inderdaad dat mensen die het gevoel hadden meer kennis van het onderwerp te hebben, makkelijker erover in gesprek gingen.

Tot slot is cumulatie een belangrijke factor in de theorie over de zwijgspiraal: Noelle-Neuman stelde dat massamedia boodschappen steeds herhalen en dat het daarom voor mensen moeilijk is die boodschappen te negeren. Uit het Pew-onderzoek bleek dat dit niet op ging: slechts 58 procent had in ieder geval iets over dit onderwerp gehoord via tv, een benauwende negentien procent uit de krant en slechts drie procent iets op Twitter.

Het lijkt er dus op dat niet de zwijgspiraal is onderzocht, maar het effect van weinig van een onderwerp weten op bereidheid erover te spreken.





Burgerschap leren door Star Wars te spelen (Linda Duits)

16 09 2014

Dit stuk verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

star-wars-the-old-republic-bannerVorige week verscheen er in de Volkskrant een opiniestuk over het belang van filosofie in het onderwijs. Filosoof Martin Slagter wees op het belang van de ontwikkeling van het vermogen tot moreel oordelen en kritisch denken. Het is niet waarschijnlijk dat scholen gehoor gaan geven aan Slagter. Hij heeft de wind tegen – zoals hij zelf al schrijft is het hedendaags onderwijs gericht op concrete vaardigheden in plaats van Bildung – en curricula zitten al overvol. Gelukkig is er goed nieuws voor Slagter, uit een hoek die hij vast niet verwacht. Uit een recent onderzoek [abstract] van twee Amerikaanse religiewetenschappers blijkt dat Star Wars: The Old Republic spelers laat worstelen met de politieke filosofieën uit de Verlichting.

De Star Wars-films hebben een sterke morele ondertoon. George Lucas wilde dat kijkers dankzij zijn films zouden gaan nadenken over goed versus kwaad. Star Wars: The Old Republic [site, wikipedia] is onderdeel van het grotere Star Wars-universum. Het is een MMORPG, een massively multiplayer online role-playing game. De onderzoekers zetten twee vragenlijsten met open en gesloten vragen uit op de site. Vragenlijst 1 had 256 respondenten; vragenlijst 2 369.

Spelers moeten eerst een keuze maken of ze aan de kant van The Empire of van The Republic spelen, of dat ze neutraal willen blijven in het conflict tussen deze twee. Wat ze ook kiezen, spelers moeten altijd in de debat met de twee groepen en hun tegengestelde politieke ideologieën. Dat betekent dat ze de basis van politieke filosofie leren kennen en moeten toepassen. Ze komen zo in aanraking met vertakkingen van totalitarisme en republicanisme, en dus met de intellectuele erfenis van Hobbes (de kant van The Empire) en Rousseau en Kant (de kant van The Republic).

De analyse van de vragenlijsten laat zien dat spelers daadwerkelijk elementen van de Verlichtingsfilosofen herkennen. Zo schrijft een respondent:

“The Republic is a Capitalist Republican Democracy … It picks its leaders through popular voting, but is also swayed heavily by third parties with desires of money. The Empire, on the other hand, is a Fascist Dictatorship, with elements of Oligarchy and Magocracy. Its leaders are picked for personal power, although they all answer to a single person [the Emperor]” (p. 265-266).

De spelers geven aan dat ze echt zijn gaan nadenken over politieke consequenties dankzij het spel. Spelers zien in dat voor de verschillende staatsvormen verschillende zaken belangrijk zijn, zie onderstaande tabel.

Tabel 1

Conclusie

Star Wars: The Old Republic is geen zogeheten serious game: een spel speciaal ontwikkeld om te leren. Desalniettemin laten de politieke elementen waar het spel om draait zien hoe computergames uitnodigen na te denken over burgerschapskwesties. Spelers komen in aanraking met verschillende politieke filosofieën en passen deze soms zelfs toe op de huidige politieke situatie. Het is belangrijk om op te merken dat dit niet zomaar iets is dat spelers door de strot geduwd wordt: maar liefst 83 procent van de respondenten gaf aan dat de politiek van het spel bijdraagt aan het plezier van het spel.





Waarom Apple Watch het wel wordt, en Google Glass niet (Linda Duits)

12 09 2014

Deze post verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Deze week kondigde Apple aan met een smart watch te komen, de Apple Watch. Veel techtrendvoorspellers denken dat wearables de toekomst zijn: draagbare slimme technologie. Wearables zijn nog sterk in ontwikkeling en daardoor nog te gimmicky. De uitdaging is om het ook echt draagbaar te maken in de zin dat mensen het willen aantrekken. De onaantrekkelijkheid van Google Glass is een van de redenen waarom de slimme bril niet is aangeslagen bij het publiek en waarom dat ook niet zal gebeuren. Er zijn nog meer redenen:

  1. Mensen haten brillen. Zonnebrillen zijn cool, de rest alleen soms. Een bril houd je bovendien weg bij je coole zonnebril.
  2. Je kunt hem niet makkelijk wegstoppen/ het is te zichtbaar.
  3. Iets voor je gezicht terwijl je loopt is gevaarlijk: denk aan sms’en in de auto.

Eerder schreef Pedro de Bruyckere hier al dat Glass waarschijnlijk wel in specifieke beroepen gebruikt zal worden, zoals in de medische sector waarbij het essentieel is dat je je handen vrij hebt.

De nadelen van Glass zien we niet terug bij het slimme horloge. Erop kijken is veel minder opzichtig dan op je telefoon kijken. In de populaire cultuur is de smartwatch bovendien al in de jaren ’80 positief verbeeld: pick me up Kit! 





Boeken beoordelen op hun omslag (Linda Duits)

9 09 2014

Wou zelf een blogpost schrijven over dit onderzoek, maar Linda was me voor. Verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

voorbeeldTo judge a book by its cover betekent dat je op uiterlijkheden afgaat in plaats van op inhoud. De uitdrukking is raar, omdat bij het kopen van een boek de kaft een essentiële rol speelt. Uitgevers weten dat en zien de omslag als een belangrijk marketinginstrument. Bij kinderboeken is dit lastig. Het zijn vaak ouders die boeken kopen voor hun kroost. Kunnen zij zich wel goed inleven in wat hun kinderen aantrekkelijk vinden? Lysette Hartman, Vanessa Okken en Thomas van Rompay van de Universiteit Twente rapporteren in het Tijdschrift voor Communicatiewetenschap [abstract] over de effecten van realisme en complexiteit in fotografiegebruik op de waardering van kinderboekomslagen door tweens en volwassenen.

Ze namen een vragenlijst af onder 93 tweens (onderverdeeld in jonge en oude tweens) en 125 volwassenen. De kinderen waren tussen de 8 en 12 jaar. Er waren drie sets kinderboeken, waarbij steeds een ‘onrealistische’ en ‘realistische’ variant is gemaakt, en een ‘complexe’ en ‘niet-complexe’ variant – zie afbeelding. De respondenten moesten op een 1-5 schaal aangeven hoe ze het boek waardeerden, hoe realistisch en hoe complex ze de cover vonden. Er was geen sprake van toedeling aan condities: de respondenten beoordeelden alle covers.

Stimulusmateriaal

Tweens hebben een voorkeur voor realistische boekomslagen. Uit eerder onderzoek bleek ook al dat tweens de voorkeur geven aan een foto boven een tekening. De onderzoekers maken hierbij een kanttekening dat genre een rol speelt. Kaften worden gebruikt om genres te herkennen en het kan zijn dat genrevoorkeur zwaarder weegt dan de aard van de omslag. De onderzoekers vonden geen bewijs dat complexiteit een rol speelt bij de waarderen.

Er was bij twee van de drie sets een significant verschil tussen de waardering van tweens en wat volwassenen denken dat tweens waarderen. Daarbij gold dat volwassenen zich beter kunnen inleven in de voorkeuren van jonge tweens dan in die van oude tweens.





Uit naam der democratie: laat Twitter Twitter, niet Facebook (Linda Duits)

6 09 2014

Twitter flock

Deze post verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Vroeger was het zo dat Facebook op Twitter wilde lijken. Nu zijn er aanwijzingen dat Twitter in de voetsporen van haar gehate zusje gaat treden. Hoofd financiën  Anthony Noto sprak op een conferentie over het verbeteren van de feed, zogenaamd om deze meer relevant te maken. De manier om dat te doen is via een algoritme dat bepaalt welke tweets interessant zijn en dat die tweets bovenaan plaatst. Een soort Edgerank van Facebook dus. The Wall Street Journal schrijft:

“Twitter’s timeline is organized in reverse chronological order, a delivery system that has not changed since the product was created eight years ago and one that some early adopters consider sacred to the core Twitter experience. But this “isn’t the most relevant experience for a user,” Noto said. Timely tweets can get buried at the bottom of the feed if the user doesn’t have the app open, for example. “Putting that content in front of the person at that moment in time is a way to organize that content better.””

Uiteraard viel dit niet goed in het twitterversum. Dat heeft niet alleen te maken met angst voor verandering. In tegenstelling tot op Facebook dat draait om wederkerige relaties met grotendeels bestaande vrienden, volg je op Twitter mensen vanwege hun tweets. Wie je volgt is vaak het resultaat van een zorgvuldig samengestelde groep. Daarbij draait Twitter op actualiteit: het meest recente eerst.

Socioloog Zeynep Tufekci die gespecialiseerd is in online activisme en protest schrijft in een uitstekend stuk over de democratische waarde van het huidige Twitter. Het is cruciaal dat ook onverwachte tweets viraal kunnen gaan. Geen algoritme kan dat goed inschatten:

“Twitter brims with human judgment, and the problem with algorithmic filtering is not losing the chronology, which I admit can be clumsy at times, but it’s losing the human judgment that makes the network rewarding and sometimes unpredictable. I also recently wrote about how #Ferguson surfaced on Twitter while it remained buried, at least for me, in curated Facebook—as many others noted, Facebook was awash with the Ice Bucket Challenge instead, which invites likes and provides videos and tagging of others; just the things an algorithm would value. This isn’t a judgement of the value of the ALS challenge but a clear example of how algorithms work—and don’t work.”

Meer ‘relevante’  tweets betekenen volgens Tufekci meer celebrity-tweets, meer sport, meer evenementen, meer tweets met veel interactie. Wat er minder is zijn de tweets die er volgens jou zelf toe doen, de tweets waarom je mensen bent gaan volgen.

De achterliggende reden voor de verandering heeft te maken met advertentie-inkomsten. De baas van Twitter heeft overigens op alle onrust gereageerd door te twitteren dat er geen sprake is van een gedwongen gefilterde feed. Lees hier een analyse van wat er dan wel is gezegd.

Er was ook goed nieuws: waarschijnlijk wordt het mogelijk groepDMs te sturen.








Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 6.341 andere volgers

%d bloggers op de volgende wijze: