Hoe jongeren het alcoholgebruik van volwassen zien (Linda Duits)

9 11 2014

Deze post verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Nix18In Nederland wordt in campagnes een onderscheid gemaakt tussen drinken voor jongeren en drinken voor volwassenen. De boodschap van Nix18 is dat jongeren – dat wil zeggen: mensen onder de 18 jaar – niet mogen drinken. Geïmpliceerd daarin is dat drinken boven de 18 jaar dus prima is. Trekken jongeren zulke grenzen zelf ook? In een recente studie [abstract] onderzochten Finse en Italiaanse onderzoekers het ‘grenswerk’ [boundary work] rond alcohol van Finse en Italiaans jongeren.

Grenswerk
Grenzen komen voort uit cultuur en context, zo stelt sociologische theorie over grenswerk van Lamont and Molnár. Ze worden sociaal onderhandeld en zijn dus niet gebonden aan individuen, maar aan groepen. Je zou daarom verwachten dat mensen uit verschillende landen andere grenzen bij alcoholgebruik trekken. Italië en Finland kennen andere drinkculturen. In Italië wordt vooral gematigd bij het eten gedronken, in Finland vooral zwaar bij gelegenheden. Italië kent meer langdurige ziektes gerelateerd aan alcohol, Finland vooral alcoholgerelateerde ongelukken en geweld. De studie richt zich op Turijn en Helsinki. De auteurs spreken daarom van ‘drinking geographies’ in plaats van drinkculturen.

Methode
De onderzoekers hielden in iedere stad vier focusgroepen, met jongeren tussen de 17 en 20 (Turijn) en 17-24 (Helsinki). In totaal zijn 51 respondenten bevraagd. De groepen waren met opzet heterogeen in termen van klasse. Ze kregen verschillende beelden van drinksituaties voorgelegd om discussie te stimuleren. Op de data is narratieve analyse toegepast, waarbij is gezocht naar patronen rond grenzen, in het bijzonder onderscheid tussen jeugdig versus volwassen drinken, en netjes versus afwijkend drinken voor volwassenen.

Resultaten
Er waren duidelijke verschillen tussen de steden. Turijnse jongeren zagen een stel dat samen wijn drinkt vooral als aperitief, voordat er gegeten wordt in een restaurant, en geschikt voor jong en oud. Een hele fles vonden ze trouwens te veel. Jongeren uit Helsinki zagen deze situatie als iets voor volwassenen en koppelden het aan winkelen, een jubileum of daten.

Een foto van een groepje mensen op een terras overdag werd door de Turijnse jongeren afgewezen: overdag drinken is niet normaal. De Finse jongeren vonden het wel normaal, maar alleen voor volwassenen bijvoorbeeld als borrel na het werk.

Een man die alleen drinkt vonden de Turijnse jongeren sneu. Ze koppelden dit beeld aan alcoholisme. Ook de jongeren uit Helsinki vonden het een zielig  beeld. Alleen drinken was in hun ogen onacceptabel, tenzij je uit Oost- of Zuid-Europa komt of een kunstenaar, docent of denker bent.

Tot slot: een foto van een man voorovergebogen naast een fles drank (‘van zijn stokje gegaan’) werd gezien als pathologisch. Voor de Italiaanse jongeren waren dronken volwassenen onbekend. Jongeren mogen wel dronken worden:

Actually, an adult who gets drunk is considered a failed person, someone not meeting social expectations, while young people who do it are not blamed, especially among higher socio-economic status interviewees. However, intoxication is not personally appreciated: many accounts refer to others’ drunkenness (p. 244).

Opmerkelijk zagen de jongeren uit Helsinki dit beeld als alleen iets voor volwassenen. Ze betrokken de foto niet op zichzelf.

Conclusie
De jongeren uit Turijn trokken grenzen tussen normaal en afwijkend drinkgedrag. Dit gaat om hoeveelheid, plaats (wijn drink je niet als je uitgaat, alleen thuis en in een restaurant), tijd (niet overdag), gezelschap (als stelletje mag het), leeftijd en type alcohol (geen digestieven). De normen van deze jongeren lijken op die van volwassenen. Volgens de onderzoekers komt dit omdat Italiaanse kinderen langzaam alcohol leren drinken, steeds met volwassenen erbij. Dronkenschap hoort bij jeugd: als je ouder wordt dien je dat niet meer te doen.

De jongeren uit Helsinki zagen jeugdig en volwassen drinken als heel anders. Zij bekeken situaties vooral of er veel of weinig gedronken wordt. Dronkenschap keerden steeds daarbij terug en werd gezien als onderdeel van zowel volwassen als jeugdig drinken, zonder dat dit betekende dat ze vergelijkingen maakten. Omdat deze jongeren wisten dat volwassenen hun drankgebruik afkeurden, werd drinken een daad van verzet tegen ouderlijke normen. In Finland bestaat een tegenstelling tussen officiële uitingen waarin drankgebruik wordt afgeraden, en informele gebruiken gericht zijn op zwaar drinken. Dit betekent volgens de onderzoekers dat er geen gedeelde normen tot stand komen.

Nederland
Het is lastig om de Nederlandse drinkcultuur af te zetten tegen deze kleine kwalitatieve studie. Ik denk dat de Nederlandse cultuur beide elementen kent. De campagne van Nix18 stelt nu “Heel Nederland is het er over eens, onder de 18 moet je gewoon niet roken en drinken. Daarom hebben we een afspraak: de afspraak van NIX.” Dit is onjuist: niet drinken onder de 18 is helemaal geen gedeelde norm in Nederland. Het is voor voorlichtingsinstanties daarom essentieel dit onderzoek in Nederland te reproduceren willen ze de juiste toon kunnen vatten in campagnes.





#alexfromtarget is een reclamestunt. Maar waarvoor en waarom en klopt het wel? (Linda Duits)

6 11 2014

Deze blogpost verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Alex from TargetGisteren vroeg Alex den Haan op Twitter aan me of ik #alexfromtarget kon duiden. Een foto van een jongen aan het werk bij warenhuis Target ging viraal op Twitter. Uiteraard werd dit opgepakt door internet en mainstream media waardoor het fenomeen nog zich meer verspreidde, onder het mom ‘plotselinge roem voor doodnormale jongen’. Ik antwoordde dat ik erover na moest denken en dat toeval op hetinternet niet bestaat. Dat werd bevestigd.

Fans
Het bureau Breakr claimt nu aanjager te zijn geweest van de rage. Zij zeggen dat het meisje dat de foto als eerste twitterde een van hun ‘fan girls’ was. De actie zou gecoördineerd zijn geweest: Breakr zou hebben gezorgd dat het binnen een gemeenschap van fan-meisjes gepromoot werd.

Het is onduidelijk wat voor bureau Breakr precies is. Hun website is nog in beta en stelt alleen:

At the intersection of communication and content, Breakr evolves the way you consume content with like-minded individuals.

Incompleet 
Is dit nu het hele verhaal? Het is in ieder geval zeker dat jonge meisjes het fenomeen hebben aangejaagd. The Washington Post rapporteerde dit ook meteen – zij waren blijkbaar een van de weinigen die de moeite namen om een klein beetje op onderzoek uit te gaan. Voor media geldt een dergelijk bericht als leuke content die makkelijk kliks trekt: dus waarom zouden ze zich verdiepen?

Het is niet zeker dat de meisjes dit hebben gedaan in opdracht van Target.CNN stelt dat het meisje dat de foto plaatste op haar Twitter heeft gezegd dat ze niet weet wat Breakr is. Ook Alex zelf verklaart daar dat hij geen relatie met Breakr heeft.

De lessen
Fans zijn een zeer machtige groep (maar dat wisten we natuurlijk al) die makkelijk uitgebuit wordt voor commercieel gewin. Journalisten doen te weinig om dat commercieel gewin bloot te leggen, omdat media graag meevaren op die uitbuiting.





Bloggers zijn beter dan journalisten (Linda Duits)

31 10 2014

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Bloggen is de besteVroeger, toen ik nog ‘gewoon’ wetenschapper was, vertelden mensen me vaak geheimen. Zaken die op de werkvloer speelden, fout gedrag van leidinggevenden, misstanden in de sector. Nu doen ze dat ook nog wel eens, maar dan zeggen ze erbij ‘dit mag niet bekend gemaakt’. Ik lach dan altijd en probeer ze geruststellen door te grappen dat ik blogger ben, en geen journalist. De taak van een journalist is nieuws maken. Bloggers worden daar niet door gehinderd. Een ‘dit is off the record‘ is bij mij niet nodig. Ik vind bloggers beter dan journalisten.

Jorunalisten zien dat uiteraard anders. Zij kijken vaak neer op bloggers. Voormalig tech journalist turned blogger Emma Snider schreef daarom een blogpost over haar overstap. Veel zaken zijn hetzelfde: schrijven, uitzoeken, redigeren, interviewen, netwerken. Ze bespreekt vier belangrijke verschillen.

1. Journalistiek gaat over onthullen, bloggen gaat over helpen
Journalisten willen ‘de waarheid’ boven tafel brengen. Hoewel bloggers ook waarheid willen schrijven, willen ze voornamelijk behulpzaam zijn en anderen helpen – om iets beter te doen bijvoorbeeld, of om meer kennis bij te brengen.

2. Journalistiek is een stadsfiets, bloggen een racefiets
Journalistiek kent drie versnellingen, terwijl bloggen er wel tien heeft. Journalisten kunnen meer tijd nemen voor hun stuk. Dat doen bloggers ook wel eens, maar bloggen kent veel meer variatie. Bloggers schrijven niet maar één soort bericht, maar maken lijstjes, infographics, tips etc, en kennen meer diversiteit in het soort deadline.

3. Bloggers geven perspectieven
Journalisten beschrijven wat er gebeurt, terwijl bloggers ook mogen schrijven hoe iets zou moeten of kunnen zijn. Experts worden bijvoorbeeld niet alleen geïnterviewd om een expertmening weer te geven, maar vooral ook – zie punt 1 – zodat de lezer er iets van kan leren en de wereld beter kan worden.

4. Een blogger hoeft zichzelf niet uit de tekst te schrijven
Journalistiek streeft naar objectiviteit en daarom hoort de mening van de journalist niet te weerklinken in een nieuwsbericht. Voor bloggers is het juist goed om berichten persoonlijk te maken: wat vinden ze zelf van het fenomeen? Dit draagt juist bij aan de geloofwaardigheid.

De grenzen tussen journalistiek en bloggen vervagen (denk aan de stukken op De Correspondent). Ook Snider merkt dat op, en ze vindt dat goed. Ze besluit:

“From my perspective, the perceived canyon between journalism and blogging is really more like a three-foot gap you can hop across. If the lines between journalism and blogging are blurring, I think it’s with good reason.”

Update: programmamaker en charmante überjournalist Botte Jellema schreef een lezenswaardige reactie op dit stuk.





PEW-onderzoek: Wie wordt er hoe en waar online lastiggevallen en wat doen ze eraan? (Linda Duits)

29 10 2014

Deze blogpost verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

trollOnline lastiggevallen worden krijgt volop aandacht. Van cyberpesten tot trollen tot Gamergate, conventionele media rapporteren uitgebreid over schofterig gedrag op het internet. Pew Internet ondervroeg 2.849 volwassen internetgebruikers uit de VS naar hun ervaringen. De resultaten laten zien dat het merendeel van de internetters nooit online is lastig gevallen. Tegengesteld aan wat je zou verwachten op basis van klachten in de media van vrouwen blijkt het internet ook niet veel enger voor vrouwen dan voor mannen.

Wat en waar?
Veertig procent van de internetgebruikers is wel eens online lastiggevallen. Wat gebeurt er?

  • 27% is wel eens uitgescholden (been called offensive names)
  • 22% is wel eens opzettelijk vernederd
  • 8% is fysiek bedreigd
  • 8% is gestalkt
  • 6% is seksueel geïntimideerd

Dit vindt het meeste plaats op sociale media. Twee derde van de respondenten zei dat het laatste incident op een sociaal netwerk was. Daarop volgt de reacties op een website (22%). Opvallend is dat evenveel mensen persoonlijk in email worden lastig gevallen als in een online game-omgeving: 16 procent.

Wie?
Jongeren en vrouwen hebben meer kans online lastiggevallen te worden. Het is daarbij opvallend dat vernedering en fysieke bedreiging meer voorkomen onder mannen dan onder vrouwen. De laatste groep is eerder slachtoffer van stalking en seksueel getinte opmerkingen – zie onderstaande grafiek. Mensen wiens levens verweven zijn met internet (zoals mensen die in de media werken) zijn ook vaker slachtoffer.

Man vs vrouw

Wat doen ze eraan? 
Zestig procent van de respondenten geeft aan het meest recente incident genegeerd te hebben. De rest ondernam actie, uitgesplitst:

  • 47% confronteerde de belager
  • 44% ontvriende of blokkeerde de belager
  • 22% gaf de belager aan bij de website of online dienst
  • 18% besprak het probleem online om zo steun te krijgen van anderen
  • 13% veranderde hun gebruikersnaam of verwijderde het profiel
  • 10% verliet het forum
  • 5% deed aangifte

Is het erg?
Zowel voor de mensen die het negeerden als de mensen die stappen ondernamen geldt dat ze daar tevreden mee waren. Mensen die niet vaak online worden lastiggevallen reageren er het heftigste op. De respondenten bleken er ook niet erg van van slag te raken. De helft van de mensen was er een klein beetje of helemaal niet door verontrust. Veertien procent vond het ‘extremely upsetting’. Vrouwen vinden het eerder erg dan mannen.

Uiteindelijk zijn er niet veel genderverschillen in hoe verwelkomend een specifieke internetomgeving is. Online games zijn een mannenwereld, maar op sociale netwerken zijn vrouwen meer welkom – zie grafiek.

Welkome omgevingen

Het volledig onderzoeksrapport [PDF] staat hier





Apple als knecht van de platenindustrie (Linda Duits)

23 10 2014

RIP Napster

Deze bijdrage verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Afhankelijk van je positie leek het zo mooi: het internet zou consumenten en muzikanten dichterbij elkaar brengen. Technologische ontwikkelingen hebben thuisstudio’s mogelijk gemaakt en contacten in stenen winkels zijn niet meer nodig om je muziek te verkopen. De macht van de grote platenmaatschappijen kon doorbroken worden. Toch is dat niet de realiteit. In een recent artikel [abstract] analyseert David Arditi de effecten van online distributie op de hedendaagse muziekindustrie.

Distributieparadox
Distributie is voor muzikanten het grootste obstakel. Platenmaatschappijen hebben lang het monopolie hierop gehad. Productie, opslag en vervoer van muziek is duur. Daarnaast zitten er kosten aan promotie. De grote maatschappijen hebben een uitgebreid netwerk en winnen zo de slag van onafhankelijke labels. Arditi rekent voor dat het ongeveer $5 kost voor een CD om in een stenen winkel verkocht te worden.

Digitale muziek lijkt dit systeem te doorbreken: de fysieke infrastructuur is immers niet meer nodig. Maar lage distributiekosten op internet leiden tot een groot aanbod. In dit aanbod moet je opvallen: Radiohead en de Arctic Monkeys konden dat misschien, maar als Arditi nu zelf een plaat produceert, weet niemand daarvan. Deze paradox heeft ervoor gezorgd dat het aantal onafhankelijke labels niet is toegekomen, maar is gehalveerd in de periode 1996-2010.

“When consumers are confronted with access to everything on the Internet, they are forced to retreat to distribution systems that they recognize in order to find content; this is where branding and the effects of “old media” power come into play—majors can use control over “old media” (e.g. TV) to drive business to their online commodities” (p. 412).

Muziek delen
Volgens Arditi heeft de combinatie van rechtszaken van belangenbehartiger RIAA (Recording Industry Association of America) met de ontwikkeling van iTunes ervoor gezorgd dat platenmaatschappijen hun distributiemonopolie konden behouden. Het delen van muziek is al ouder dan het internet. Liefhebbers wisselden bijvoorbeeld muziek uit via cassettebandjes. Vanwege het kwaliteitsverlies maakte de RIAA zich hier niet heel druk om. Dat veranderde met peer-to-peer-sites waar muziek digitaal gedeeld werd. Op deze netwerken heeft bovendien iedere muzikant in principe gelijke toegang.

Het delen van muziek op deze manier kan gebeuren omdat mensen niet voor platen willen betalen. Het kan ook gaan om mensen die iets willen proberen voor ze het kopen; om muziek die niet langer te koop is; en om bestanden zonder copyright. In de rechtszaken heeft de RIAA alleen gesproken van de eerste soort delen. De tweede soort is voor platenmaatschappijen extra interessant: als ze weten dat een nummer veel gedownload wordt, kunnen ze radiostations inzetten om die plaat extra te promoten. De RIAA negeert overigens optie 4.

De rol van Apple
Peer-to-peer-netwerken deden platenmaatschappijen realiseren dat ze over moesten naar digitale distributie. Dit heeft vooral vorm gekregen in iTunes. iTunes 1.0 was in 2001 niet veel meer dan een Windows Media Player: software om muziek mee af te spelen. In 2003 werd de  iTunes Music Store gelanceerd, waar voor $0,99 een liedje gekocht kon worden. iTunes werd al snel de grootste aanbieder. In 2011 hadden zij een aandeel van 38,23 procent van de retail muziekmarkt. Ter vergelijking: de twee grootste concurrenten Wal-Mart en Best Buy hebben samen 17,86 procent. Het succes van Apple is niet alleen aan hen toe te schrijven: de platenindustrie speelde een grote rol.

In 2003 wilde de RIAA zich laten gelden. Ze spande rechtszaken aan tegen downloaders wegens auteursrechtbreuk. Die zaken kwamen zelden voor: gebruikers werden geïntimideerd met mogelijk hoge proceskosten en schikten daarom. Dit had een afschrikwekkend effect:

“These lawsuits have a panoptic effect on people who illegally share music because they know they are being watched, but they do not know when they are being watched. … The effect is that people weigh the costs of being sued for an inordinate amount of money against the benefit of downloading a few songs” (p. 417).

Uit angst kozen mensen er dus voor dan maar te betalen voor muziek. Het is belangrijk hier nogmaals op te merken dat er voor de komst van iTunes geen keuze was: alle online MP3-winkels werden door de RIAA aangepakt. De gelijktijdigheid van het vervolgen van individuele gebruikers en het verschijnen van iTunes was niet toevallig, maar het resultaat van gesprekken tussen de RIAA, platenmaatschappijen en Steve Jobs.

De komst van iTunes heeft een effect gehad op alle soorten downloads. De ‘dieven’ werden geïntimideerd. De mensen die wilden proeven, konden dit nu gratis bij Apple doen. Kwalijker is dat de bibliotheekfunctie wordt belemmerd en dat mensen die gratis hun muziek wilden delen nergens meer terecht kunnen.

Survival of the powerful
De muziekindustrie is geen vrije markt. Drie spelers hebben de macht, mede dankzij distributiedeals met onafhankelijke labels. Arditi hekelt het recht dat de platenmaatschappijen menen te hebben op een monopolie:

“Free market capitalism is based on the idea of the survival of the fittest in the market, until the industry leaders begin to struggle to remain on top” (p. 420).

Platenmaatschappijen negeerden andere oorzaken van hun verlies, bijvoorbeeld het feit dat mensen veel muziek al op CD hadden en die simpelweg zelf gingen overzetten op mp3. Zogeheten residual album sales waren altijd een belangrijke bron van inkomsten: in de overgang van plaat naar cassette en van cassette naar cd verdienden platenmaatschappijen geld met het verkopen van dezelfde muziek.

Arditi eindigt op een sombere noot. Hij stelt dat bestaande bedrijven altijd zullen proberen hun machtspositie te behouden wanneer zij geconfronteerd worden met meer gelijkheid. Digitale muziek haalde muren neer, maar iTunes heeft de oude distributiebarrieres weer ferm opgericht.





DDMM: Nederlandse jongeren verlaten Facebook nog niet, omarmen andere sociale media wel steeds meer (Dennis Hoogervorst)

9 10 2014

Deze blogpost verscheen eerst op Kids en Jongeren.

De onderzoekers van de Amerikaanse investeringsbank Piper Jaffray hebben vandaag de 28ste editie (pdf) van het rapport Taking Stock With Teens gepubliceerd. Zelf koppen ze ‘Different is the New Cool’ boven hun persbericht, benadrukkend dat jongeren als eerste openstaan voor verandering, technologie gebruikend om op hún tijd met merken om te gaan. De media, zowel in de VS als hier in Nederland, brengen echter een andere bevinding als nieuws*: Facebook is veel minder populair onder tieners – het aantal jonge gebruikers kelderde in een half jaar van 72% naar 45%.

Dat roept natuurlijk de vraag op of dezelfde ontwikkeling ook hier gaande is. Het digitale bereiksonderzoek DDMM** maakt een dergelijke analyse mogelijk (in juli zag je op kidsenjongeren.nl al een lijstje van de grootste merkenonline). Hieronder een aanvulling, met de focus op de zes hoogst scorende ‘sociale’ merken: Facebook, Twitter, WhatsApp, YouTube, Instagram en Snapchat.

In april 2014 bereikte Facebook netto 89,9% van de Nederlandse tieners (via desktop, smartphone en/of tablet), in augustus was dat 85,3%. We zullen komende periode moeten afwachten of die (lichte) daling doorzet, want deze zou zomaar verklaard kunnen worden door de zomervakantie. Wat niet wegneemt dat de andere sociale media wél gestegen zijn in deze vijf maanden. WhatsApp en YouTube komen steeds dichterbij, maar hebben Facebook (nog) niet ingehaald.

ddmm maand

In onderstaande grafiek zie je het verloop van het bereik onder Nederlandse 13-19-jarigen van de belangrijkste sociale media, op weekniveau (uiteraard scoren de merken in een week een lager bereik dan in een maand). Binnen een week bezoeken nog altijd zeven van de tien tieners in Nederland de site of app van Facebook.

DDMM tm week 35-2014

*Dat Facebook helemaal over zou zijn, werd anderhalf jaar geleden ook al uitgebreid verkondigd, maar ondertussen waren ook tegengeluiden te horen. Waar rook is, is vuur, dus we blijven het volgen.

**DDMM (Dutch Digital Media Measurement) is een continu online bereiksonderzoek dat wordt uitgevoerd door GfK in opdracht van VINEX (de vereniging van internetexploitanten) en van PMA (de overkoepelende organisatie van media-adviesbureaus) — representatief voor de Nederlandse bevolking. Bovenstaande percentages betreffen de leeftijdsgroep 13 t/m 19 jaar. Op het moment van schrijven waren gegevens bekend t/m week 35/2014. Met dank aan Marianne voor de cijfers!

 





‘Nutteloze’ app Firechat motor achter protest in Hong Kong (Linda Duits)

8 10 2014

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

firechatSommige nieuwe apps lijken zinloos. Yo bijvoorbeeld, waar je alleen maar ‘yo’ aan je vrienden kunt sturen. Emojli is nog zo’n nauwelijks gebruikte app op mijn iPhone: je kunt daar alleen in emoji’s communiceren. Firechat heeft dit ook in zich. Je kunt praten met mensen die bij je in de buurt zijn. Maar waarover dan en waarom? Toch blijkt Firechat van essentiële waarde.  In The Guardian verscheen een artikel dat Firechat als motor achter het protest in Hong Kong aanwijst.

Firechat stelt mensen die in elkaars nabijheid zijn in staat contact met elkaar te leggen, via Bluetooth en dus zonder mobiel netwerk. Hoe meer mensen de app op een plek gebruiken, hoe krachtiger Firechat wordt. Dat is handig op Koningsdag als het netwerk overbelast is, maar van essentieel belang in een massaprotest waarbij de overheid dat netwerk expres blokkeert. The Guardian schrijft:

“FireChat has already been used in protests in Taiwan, Iran and Iraq, but never on the scale being seen in Hong Kong. After Wong [een student die actief is in het protest, LD] urged his movement to use it, FireChat got more than 100,000 new sign-ups in Hong Kong in under 24 hours; it has registered 800,000 chat sessions since. If the Communist party isn’t quite reeling, its opponents’ lives have at least got a little easier.

Of course, users would do well to take care: there is nothing to stop the authorities hopping on to the network as well. Benoliel [een van de makers van de app, LD] recommends people avoid real names; this is, he says, for information-sharing, not for secrets. Still, in a sense, that is exactly the point. “Our mission has always been freedom of speech, to help information to spread. So this is perfect.”





10 tips voor Twittergebruik op conferenties (Linda Duits)

1 10 2014

Deze post verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Live tweeting from stageWetenschappelijke conferenties zijn duur en met dalende budgetten van universiteiten wordt het wetenschappers moeilijker gemaakt om internationale collega’s te ontmoeten. Dat is jammer, omdat nieuw werk meestal eerst op conferenties wordt gepresenteerd. Twitter is een uitstekende manier om conferenties vanaf je werkplek te volgen.

Afgelopen weekend was ik op de conferentie van het Fan Studies Network waar veel getwitterd werd – zie #FSN2014. Fan-onderzoekers zijn vaak net als hun onderzoeksobject tech-adapters en de meeste bezoekers hadden dan ook een twitteraccount, waardoor de hashtag veel gebruikt werd. Het succes van zo’n hashtag valt en staat natuurlijk bij het gebruik. Ik vond in PLoS Computional Biology een artikel van gezondheidwetenschappers Sean Ekins en Ethan O. Perlstein met tien aanbevelingen – voorgesteld als regels – om dit te bewerkstelligen. Ik neem ze hier integraal over. Ze gelden ook voor niet-wetenschappelijke conferenties.

1: Short Conference Hashtag
As soon as the meeting is announced, conference organizers should claim a short (6–8 characters) descriptive # that includes the year.

2: Promote the Hashtag
Highlight the hashtag in all conference materials online, in print, on name badges, and on Twitter if possible.

3: Encourage Tweeting
Encourage live tweeting at the conference. Session chairs can facilitate this and relay questions from the twitterosphere.

4: Conference Twitter Etiquette
Keep questions short and on the science, avoid grandstanding, encourage responsible tweeting, and avoid harassment or snarkiness.

5: Conference Tweet Layout
List speaker name, affiliation and conference hashtag in the first tweet; surname or initials and meeting hashtag are sufficient thereafter.

6: Keep Conference Discussion Flowing
Summarize presentations concisely, use hashtags for keywords, and use “@ reply” to engage individuals who can add to the discussion.

7: Differentiate Your Opinions from the Speaker’s
Separate your own comments/viewpoints on the speaker or science being described in a presentation from the speaker’s own words.

8: Bring Questions up from Outside
Check for and raise questions from those outside the conference, returning the speaker responses to positively enforce participation.

9: Meet Other Live Tweeters Face to Face
Organize tweetups so that conference attendees can meet in person and consolidate relationships and collaborations.

10: Emphasize Impact of Live Tweeting
Ensure that positive effects of tweeting at conferences, such as discoveries, publications, or collaborations, are highlighted.





Voor Vlaamse kranten is cyberpesten vooral een e-safety-thema (Linda Duits)

28 09 2014

Je wil iets schrijven over een nieuwe Vlaamse studie, is Linda Duits op dieponderzoek.nl je toch wel voor:

vlaamse_week_tegen_pestenMedia schrijven graag over media, en het liefst schrijven ze dan over kwalijke kanten van media. Uit een studie bleek bijvoorbeeld dat 64 procent van de berichten over kinderen en internet (uit veertien landen) ging over online risico’s en slechts achttien procent over online kansen. Cyberpesten krijgt daarom veel aandacht in de pers. Die berichtgeving is niet zonder effect: beleidsmakers baseren zich erop, ouders maken zich er zorgen door en er is een mogelijkheid van copycat-gedrag. Communicatiewetenschappers Anne Vermeulen en Heidi Vandebosch onderzochten [abstract] hoe Vlaamse kranten over cyberpesten verslag doen.

Methode
Ze voerden een kwantitatieve inhoudsanalyse uit van artikelen uit zes Vlaamse dagbladen: De Standaard en De Morgen (die gezien worden als ‘kwaliteitskranten’) en Het Nieuwsblad, Het Laatste Nieuws, Gazet van Antwerpen en Het Belang van Limburg (beschouwd als ‘populaire’ kranten). Er werd gezocht naar ‘cyber’/‘digitaal’/‘online’/‘virtueel’/‘internet’/‘gsm’/‘elektronisch’/‘mobiel’ + ‘pesten’ in de periode 1999-2011. Artikelen werden met de hand nagelopen op relevantie en duplicaten werden verwijderd. Uiteindelijk bevatte de steekproef 447 krantenartikelen. De artikelen zijn handmatig gecodeerd.

Resultaten
De ‘populaire’ kranten schrijven meer over cyberpesten dan de ‘kwaliteitskranten’, maar de laatste schrijven langere stukken. Er wordt vooral over pesten onder jongeren gerapporteerd. Het woord ‘cyberpesten’ wordt voor het eerst gebruikt in oktober 2001. Daarvoor waren er ook al wel berichten over het fenomeen. Er ligt een piek in 2006 toen een grootschalig onderzoek naar cyberpesten onder Vlaamse jongeren werd gepubliceerd. Daarna hield de aandacht aan. Binnen de jaren is er sprake van golven: bij de start van het nieuwe schooljaar verschijnen er steevast artikelen over cyberpesten, net als in februari en maart tijdens de ‘Vlaamse week tegen pesten’ en ‘ Safer Internet Day’.

Inhoud van de artikelen:
Acties, interventies of beleid focusten: 33 procent
Onderzoek: 23,6 procent
Specifieke cases: 15,9 procent
Overig: 27,5 procent

Bij overig gaat het bijvoorbeeld algemene artikelen met uitleg over het fenomeen of aankondiging televisieprogramma. Bij onderzoek valt op dat de meeste berichten (32 van de 43) een nationale focus hadden. Ook de cases zijn vooral Belgisch, naast 7 artikelen over Amerikaanse gevallen. Opvallend is dat er vaak een connectie wordt gemaakt met zelfmoord, hoewel het aantal jongeren dat daadwerkelijk zelfmoord pleegt omwille van cyberpesten relatief klein is (de onderzoekers noemen hier geen cijfers). ‘Populaire’ kranten schrijven minder over onderzoek en meer over cases.

In de berichtgeving is technologische verandering te merken. In meer dan zestig procent van de artikelen worden applicaties genoemd waarop gepest wordt. Pesten per telefoon komt voor het laatst voor in 2006; pesten via YouTube juist sinds 2006. Pesten via sms, e-mail, blogs en fora keren steeds terug.

Conclusie
De auteurs stellen dat nieuws over cyberpesten voorspelbaar is. Onder invloed van technologische ontwikkelingen neemt het steeds nieuwe gedaantes aan. Bovendien heeft cyberpesten een plek gevonden bij een groot aantal organisaties die ‘media events’ creëren om de aandacht vast te houden. Volgens de onderzoekers verklaart dat waarom de afname aan media-aandacht die kenmerkend is voor issue cycles (nog) niet is opgetreden. Het is volgens de auteurs het technologische aspect dat de nieuwswaardigheid van dit topic blijkt te bepalen. Cyberpesten wordt geframed als een e-safety-probleem en niet zozeer als een voortzetting van wat er al op het schoolplein gebeurde. Dit sluit aan bij theorie over morele panieken, waarin gesteld wordt dat deze panieken zich vooral voortdoen bij de introductie van nieuwe media.

Het (te) snelle verband dat tussen zelfmoord en cyberpesten wordt gelegd is gevaarlijk vanwege mogelijke copycat-impact, stellen de auteurs. Ook maken zij zich zorgen of ouders en andere partijen wel de juiste preventiemaatregelen voorgeschoteld krijgen omdat de adviezen van deskundige uit diverse organisaties komen. Het maakt daarbij uit welke krant je leest, omdat ‘kwaliteitskranten’ en ‘populaire’ kranten anders verslag doen.





Zwijgspiraal niet doorbroken door sociale media (Linda Duits)

20 09 2014

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

SpiraalAls mensen een mening hebben waarvan ze denken dat hij anders is dan de meeste mensen, zijn ze onzeker over die mening. Ze houden daarom goed de meningen van anderen in de gaten. Uit angst voor isolatie zullen ze hun afwijkende mening voor zich houden. Als de eigen mening overeenkomt met wat de meeste mensen vinden, hoeven ze niet bang te zijn uitgesloten te worden en uiten ze hun mening wel. Deze theorie is een klassieker uit de communicatiewetenschap die bekend staat als de zwijgspiraal.

Het concept werd bedacht door Elisabeth Noelle-Neuman in 1974, in een tijd van massamedia waarin gewone burgers weinig mogelijkheden hadden hun stem te laten horen. Tegenwoordig kunnen zij dat wel, via sociale media. Pew Internet heeft onderzocht in hoeverre mensen bereid zijn online hun mening te delen en hoe dit afhangt van wat zij denken dat anderen vinden.

Ze ondervroegen 1801 volwassen Amerikanen met een vragenlijst. Het centrale onderwerp was het NSA-schandaal dat aan het licht kwam dankzij onthullingen van Edward Snowden. Dit onderwerp is gekozen omdat uit een eerdere studie bleek dat Amerikanen hier erg verdeeld over zijn. Respondenten werden om hun mening gevraagd, hoe bereid ze zijn hierover te discussieren op plekken als werk, een etentje met vrienden, Twitter en Facebook, en in hoeverre ze dachten dat concrete anderen (hun partner, buren, twittervolgers) het eens zijn met hun mening.

De belangrijkste uitkomsten van deze studie:

  • Mensen waren minder geneigd het NSA-verhaal op sociale media te bespreken. 86 procent van de Amerikanen wilde dit persoonlijk bespreken, maar slechts 42 procent wilde dat op Facebook of Twitter doen.
  • Van de veertien procent die Snowden niet in persoon wilde bespreken, wilde slecht 0,3 procent dat wel op sociale media doen. Sociale medie bieden dus geen alternatief discussieplatform.
  • Zowel in persoonlijke als online settings waren mensen meer bereid hun mening te delen als ze dachten dat hun publiek het met hen eens was.
  • Gebruikers van Facebook- en Twitter waren minder bereid hun mening face-to-face te delen.

Pew zwijgspiraal

De onderzoekers concluderen daarom dat “social media did not provide new forums for those who might otherwise remain silent to express their opinions and debate issues”.

Dit voelt niet juist. Online zijn er bijvoorbeeld veel anonieme accounts. Anonimiteit maakt dat de verzender niet hoeft te malen om wat zijn omgeving van zijn mening vindt. Dit is helemaal niet meegenomen in de studie. Daarnaast vind ik de keuze voor het onderwerp opmerkelijk: het spionageschandaal is redelijk technisch en dat zou een reden kunnen zijn dat mensen er niet makkelijk over spreken. De onderzoekers rapporteren inderdaad dat mensen die het gevoel hadden meer kennis van het onderwerp te hebben, makkelijker erover in gesprek gingen.

Tot slot is cumulatie een belangrijke factor in de theorie over de zwijgspiraal: Noelle-Neuman stelde dat massamedia boodschappen steeds herhalen en dat het daarom voor mensen moeilijk is die boodschappen te negeren. Uit het Pew-onderzoek bleek dat dit niet op ging: slechts 58 procent had in ieder geval iets over dit onderwerp gehoord via tv, een benauwende negentien procent uit de krant en slechts drie procent iets op Twitter.

Het lijkt er dus op dat niet de zwijgspiraal is onderzocht, maar het effect van weinig van een onderwerp weten op bereidheid erover te spreken.








Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 6.548 andere volgers

%d bloggers op de volgende wijze: