Een mini-publicatie over nieuwsgierigheid in de klas (en wat bedenkingen)

28 11 2014

Via Jelle Jolles ontdekte ik deze mini-publicatie:

Het onderwijs en nieuwsgierigheid zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. ‘Zonder nieuwsgierigheid kun je niet goed leren’, aldus een leerkracht. Schoolleider Annemarie Trouw, Sanne Dekker en ik deden het afgelopen jaar onderzoek naar die nieuwsgierigheid. Daarvoor werden gestructureerde interviews en een vragenlijst afgenomen bij leerkrachten van groep 5/6. Vandaag werd onze mini-publicatie met resultaten en aanbevelingen besproken op de conferentie ‘BreinStorm’ van de po-Raad. Wat is nieuwsgierigheid? Waarom worden leerlingen in de loop van de basisschool minder nieuwsgierig? Wat heeft de leerkracht nodig om ruimte te geven aan de nieuwgierigheid van kinderen. En hoe kunnen schoolleiders, bestuurders en beleidsmakers doen om dat te faciliteren? In onze mini-publicatie zijn de aanpak, de onderzoeksopzet en de resultaten en aanbevelingen te lezen: NieuwsgierigheidBreinLeren.pdf

Door de beperking van een mini-publicatie ontbreken spijtig genoeg wel de bronnen en ook wel wat nuances. Voor de daling van nieuwsgierigheid zijn namelijk ook nog andere verklaringen te vinden, zo spreken sommige onderzoekers over ‘a fourth-grade slump’, alhoewel die ook niet per se zeker is (zie oa het boek van Keith Sawyer “Explaining Creativity” hiervoor (of deze post van mezelf over dit boek). Verder is het onderzoek vooral een perceptie-onderzoek, meer dan een werkelijke vaststelling. Men heeft niet zelf naar de kinderen gekeken, maar bij een kleine groep leerkrachten gepeild naar hun ervaring. Die is op zich waardevol, maar het is een belangrijke beperking van het praktijkonderzoek. Je zou zo zelfs voor verschillende conclusies van het onderzoek het onderwerp ‘nieuwsgierigheid’ kunnen laten vallen. Ik doel dan op aanbevelingen zoals:

  • Creëer een cultuur in de school waarin creatief met de leerdoelen omgegaan kan worden. Eigen initiatieven van leerkrachten voor een alternatieve aanpak zijn belangrijk.
  • Verlaag de academische druk. Een hoge druk beperkt de vrijheid en inspiratietijd van leerkrachten en zorgt dat zij hun opvattingen over het belang van nieuwsgierig- heid niet goed in praktijk kunnen brengen.

En ondanks dat het rapport in samenwerking met het Centrum voor Brein en Leren gemaakt is, blijf ik hier zeer op mijn honger zitten. Enige duiding over nieuwsgierigheid in het brein én voor leren zou welkom geweest zijn naast de mening van de leerkrachten. In feite ontbreekt het brein in deze publicatie helemaal, wat wel apart is voor een discussietekst voor een ‘breinstorm’ op de PO-raad.





Een samenvatting voor beleidsmakers van ‘Wat werkt’ in onderwijs, zorg, tegen criminaliteit,…

28 11 2014

Een rapport van 36 pagina’s met daarin concrete oplossing voor veel uitdagingen in de samenleving, kan dat wel serieus zijn? Het lijkt een terechte vraag, en het rapport is een sterke vereenvoudiging in zijn beknoptheid. Tegelijk, wat in ‘What Works‘, een rapport van What Works Network staat, is wel evidence based en heeft de bedoeling het beleid in Engeland te inspireren.

En voor elk onderdeel is er onderliggend een veel groter archief met verdiepend materiaal.

Ik keek zelf natuurlijk vooral naar onderwijs en het rapport gebruikt een keiharde logica: welke maatregel heeft het meest effect voor de kleinste investering.

En dan komt bijvoorbeeld dit naar boven:

Peer tutoring approaches, where learners work in small groups to provide each other with explicit teaching support, have, on average, a high impact on attainment at a low cost.

Spectaculair naar de buitenwereld? Nee. Effectief? Ja.

Ander voorbeeld, minder voor de hand liggen:

Helping pupils struggling with literacy at the start of secondary school is extremely challenging, and it is highly unlikely that a single intervention will be sufficient to help them catch up with their peers. However, some approaches are more effective than others. In a recent EEF trial, pupils who went on school trips were then taught a structured approach to improving their writing using the trip as a source of inspiration. The pupils who received this intervention made an average of nine months additional progress compared to the control group.

Het leukste is dat voor onderwijs er gewoon een Toolkit-website is met zeer veel informatie en filmpjes over wat werkt en wat niet.

Dit is een korte video over Peer Tutoring (wat dus werkt):

Soms keek ik zelf wel even op bij sommige van de tips die evidence based zouden zijn, want leerstijlen duiken ook op. Weliswaar zeggen ze onmiddellijk dat leerstijlen niet bestaan (oef), maar dat ze toch ze een beetje promoten omdat hierdoor leerkrachten bewuster met lesgeven bezig zijn en leerlingen meer uitgedaagd worden.

Ik weet niet of ik hier zomaar met akkoord ga. Er zijn andere manieren die effectiever zijn om dit te bereiken, lijkt me. Het rapport en de toolkit riskeren ook het idee te promoten dat geïsoleerde aanpakken kunnen werken, terwijl onderwijs vaak complexe interacties vertoont tussen maatregelen.

De voorbije dagen zijn er op twitter over het rapport hele discussies verschenen, en misschien is dit wel de belangrijkste verdienste: aanzetten tot denken.





Handboeken of niet? 2 landen, 2 visies

27 11 2014

Enkele weken geleden pleitte D66 in Nederland voor leraren die zelf meer materiaal moeten maken:

“Docenten moeten zelf lesmateriaal kunnen gaan maken en uitwisselen. Op die manier moet de kwaliteit van onderwijs omhoog en zijn er minder dure schoolboeken nodig, denkt D66. ‘Geef docenten hun baan terug.'”

Klinkt niet slecht, alhoewel de uitgevers niet zo blij waren met deze boodschap en leerkrachten vooral ook tijd moeten hebben voor het ontwikkelen van materiaal.

Even bij een ander buurland kijken. In de UK, meer bepaald Engeland, klinkt namelijk een heel ander geluid:

“Education minister Nick Gibb has called for the “renaissance” of high quality textbooks in England’s classrooms. Mr Gibb says textbooks have been replaced by worksheets and lesson plans and there is an “ideological hostility” to using them.” (bron)

Hij doet deze uitspraak op basis van een nieuw rapport dat pleit voor het gebruik van kwalitatieve handboeken door Tim Oates. De vraag wie er gelijk heeft, lijkt me minder moeilijk te beantwoorden dan je denkt. Een goed handboek heeft meerwaarde, net als degelijk ontwikkeld materiaal van leraren zelf (of met elkaar gedeeld via bijvoorbeeld sites zoals Klascement).

Handboeken die achterlopen in ontwikkeling of inhoud zijn niet aangewezen. Die zijn er, als ik alleen al kijk naar mijn eigen vakgebied, maar er zijn ook gelukkig goede handboeken. Maar zelfs voor het vak waar ik een handboek voor gebruik, vullen mijn collega’s en ik zelf aan met extra materiaal dat aansluit bij de doelen van ons vak en die niet of minder goed door het handboek behandeld worden.

De grootste fout die je als leerkracht kan maken is dat je handboek je leerplan of eindtermen vervangt. Dan wordt het handboek een doel, en niet wat het werkelijk is: een middel.





Gentse studenten lanceren #banbye (maar moeten opletten dat ze niet te ver gaan)

26 11 2014

Een pleidooi voor meet netiquette, dat is in feite waar de actie van de 5 Gentse communicatiestudenten voor staat. Ze willen ingaan tegen het fenomeen van phubbing, volgens hun website:

Met BanBye willen we elkaar er toe aanzetten om ons sociaal leven weer face-to-face te doen verlopen en minder via onze schermpjes. We betrappen elkaar maar al te vaak dat we onze smartphone bovenhalen en “…snel even iets checken”. Maar “snel” blijkt al te vaak een relatief begrip te zijn. Daarom deze 5 etiquette-regels.

Ga je op café met vrienden? Heb je een etentje met je vriend(in)? Ben je in een diepzinnig gesprek met je oma? Steek die smartphone dan weg en volg onze 5 rules!

Like onze Facebookpagina, tweet onder de hashtags #Bandroid en #ByePhone en spread the word!

En wat zijn die 5 rules?

Rule #1 ‘put it away and have more fun’

Rule #2 ‘chat with the friends in front of you’

Rule #3 ‘i’ll only check if you call me’

Rule #4 ‘if you get caught, put it on the floor’

Rule #5 ‘go offline to get a life’

Eerlijk? Ik vind deze regels verder gaan dan een zuivere netiquette als je ze te rigoureus toepast, zeker de laatste ‘go offline to get a life’. Het juist inpassen van technologie, ook als je samen bent met vrienden is belangrijk, maar niet noodzakelijk offline. Aan echte appel meenemen naar de film in plaats van een iPhone klinkt goed, maar heb toch mijn toestel graag mee om zonder papieren ticket binnen te mogen.

In hun opiniestuk verwijzen ze naar Turkle’s Together Alone, maar ik kan hen evenzeer het werk van danah boyd aanraden voor wat nuance.

Ik steun de oproep tot een netiquette, maar netiquette staat niet gelijk aan bannen maar wel aan wijs gebruiken.





Waar Maurice De Hond en Daphne Deckers gelijk hebben (en waar ongelijk)

23 11 2014

Las net met veel interesse de reactie van Maurice De Hond op de passage van Daphne Deckers in de uitzending van WNL op Zondag. Daphne stelde “Er is wederom aangetoond dat als je iets op papier leest, je het beter tot je neemt dan als je het vanaf een iPad leest” en de reactie van Maurice is “Je moet nieuwe technologie gebruiken om nieuwe dingen mee te doen. Als je er alleen oude dingen mee doet, hoef je de nieuwe technologie niet te gebruiken . (Dus een leerboek lezen op een iPad is weinig zinvol).”

Beide hebben gelijk en vooral: beide stellingen spreken elkaar niet tegen. Het zou fout zijn dit als een tegenstelling te zien. Is er nog nood aan papier? Wellicht wel, om de reden die Daphne aanhaalt. Trouwens, noteren op papier is echt beter, maar misschien niet om de reden die je dacht. Is er geen nood aan technologie op school? Absoluut wel, maar dan liefst voor zinvolle zaken die meerwaarde hebben, zoals Maurice verschillende voorbeelden aanbrengt in zijn stuk.

Waar Maurice volgens mij gevaar loopt de mist in te gaan is met deze passage:

“Kijk eens naar kinderen van een jaar of 5.  Wat hebben ze vanaf hun geboorte veel geleerd. Dat hebben ze gedaan zonder dat ze een letter hebben kunnen lezen. Het leren gaat vooral via het zien, horen, imiteren  en het vervolgens proberen, proberen en nogmaals proberen.”

Niet dat dit fout is, maar het is in de wereld van vandaag én die van morgen al lang niet meer genoeg. Dit is niet eens een bijna romantisch beeld van kinderen en onderwijs en ook dit is een klassieke fout. De vraag is namelijk of je zo alles kan leren. En of je enkel moet leren waar je interesse in hebt? Heeft onderwijs niet meer taken dan deze? En of je – als je zo leert – wel steeds het juiste of correcte leert? (3X raden) En… of het de meest efficiënte manier is. Ja, je kan ogenschijnlijk veel leren van een lezing van Robert Dijkgraaf, maar zonder inoefenen, herhalen of ‘kortsluiting’, is de kans klein dat je het zal onthouden. Of je trouwens alle nuances en inzichten van een gesproken verhaal op afstand krijgt die je via een tekst of van interactie met een docent of medelerende zou krijgen, is op zijn zachtst gezegd niet zo zeker.

De grote fout die ogenschijnlijk zowel Daphne als Maurice maken is dat er een one size fits all-denken lijkt uit te spreken, het idee dat er 1 aanpak zou bestaan die voor elke leerlingen en elke inhoud werkt. Ik schrijf bewust ogenschijnlijk omdat ik weet dat deze denkfout bij O4NT trouwens veel minder gemaakt wordt dan wat het soms in de media lijkt.

Goed onderwijs, en zeker prima leerkrachten, gebruiken een veelvoud van middelen en aanpakken om net leren mogelijk te maken. Een rijk repertoire aan middelen en aanpakken, liefst met bewezen meerwaarde, daar gaat het dan over. Dus zowel bord en krijt als tablets (alhoewel misschien deze in de laatste jaren van het VO overbodig zijn), zowel directe instructie als groepswerk en de vele, vele andere mogelijkheden.

Het meest jammere is dat deze discussie zo weer over het hoe gaat, terwijl onderwijs2032 toch eerder over het wat en waarom zou kunnen gaan.

P.S.: Oja, een vraagje: verlaat in dergelijke discussie aub de anekdotiek als argumentatie. Waar sommige stellen dat je met onderzoeken en tegenonderzoeken kan zwaaien, is dit veel minder het geval dan bij anekdotes en tegen-anekdotes.





Wat ik goed vind aan deze #onderwijs2032-oproep!

17 11 2014

De Nederlandse staatssecretaris Sander Dekker lanceert vandaag een opvallende campagne met oa dit filmpje en ik ben er voor één reden alvast zeer blij mee.

Het gaat namelijk over 2 vragen die we te vaak vergeten in het onderwijs, namelijk ‘wat’ en ‘waarom’. Een curriculum, kort samengevat alles wat je al dan niet moet leren, is iets waar soms te weinig door de goegemeente over gesproken wordt.

Vragen die meespelen in dit denken:

  • Wat willen we als maatschappij meegeven of doorgeven? Dit is wat Hannah Arendt de conservatieve functie van onderwijs noemt. Niet in de betekenis van conservatief zoals wij vaak gebruiken, maar net om te bedoeling progressie mogelijk te maken. Je moet als jongere kennen waar je tegen wil reageren en wat je wil bewaren.
  • We hebben kennis nodig. Het filmpje verwijst niet eens onopvallend naar 21st century skills, maar dit ontslaat ons niet om na te denken welke kennis we nodig zullen hebben. Creativiteit kan je niet opzoeken, maar de parate kennis die je voor creativiteit nodig hebt ook niet. Welke kennis heb je nodig om nieuwe kennis op te doen? Welke kennis heb je nodig om makkelijker talen te leren? Welke kennis heb je nodig om andere vakken te leren?
    Idem met vaardigheden? Sommigen zullen bijvoorbeeld zich afvragen waarom we nog moeten leren schrijven, alhoewel daar wel degelijk redenen voor bestaan voor het verwerven van een taal.
  • Wat hebben we nodig in 2032? Dit is de moeilijkste vraag van allemaal, omdat we de toekomst niet kunnen voorspellen. Gok op breed, zou ik zelf zeggen en laat je vooral niet vangen aan hypes van vandaag. Vandaag is dan al lang voorbij.




Mijn presentatie voor OWD14: Voorbij de digitalisering

12 11 2014

Dit zijn de slides van mijn presentatie:

Je kan ook een samenvatting lezen van @wrubens, en wel hier.

En een video van mijn lezing, en wel hier.





#alexfromtarget is een reclamestunt. Maar waarvoor en waarom en klopt het wel? (Linda Duits)

6 11 2014

Deze blogpost verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Alex from TargetGisteren vroeg Alex den Haan op Twitter aan me of ik #alexfromtarget kon duiden. Een foto van een jongen aan het werk bij warenhuis Target ging viraal op Twitter. Uiteraard werd dit opgepakt door internet en mainstream media waardoor het fenomeen nog zich meer verspreidde, onder het mom ‘plotselinge roem voor doodnormale jongen’. Ik antwoordde dat ik erover na moest denken en dat toeval op hetinternet niet bestaat. Dat werd bevestigd.

Fans
Het bureau Breakr claimt nu aanjager te zijn geweest van de rage. Zij zeggen dat het meisje dat de foto als eerste twitterde een van hun ‘fan girls’ was. De actie zou gecoördineerd zijn geweest: Breakr zou hebben gezorgd dat het binnen een gemeenschap van fan-meisjes gepromoot werd.

Het is onduidelijk wat voor bureau Breakr precies is. Hun website is nog in beta en stelt alleen:

At the intersection of communication and content, Breakr evolves the way you consume content with like-minded individuals.

Incompleet 
Is dit nu het hele verhaal? Het is in ieder geval zeker dat jonge meisjes het fenomeen hebben aangejaagd. The Washington Post rapporteerde dit ook meteen – zij waren blijkbaar een van de weinigen die de moeite namen om een klein beetje op onderzoek uit te gaan. Voor media geldt een dergelijk bericht als leuke content die makkelijk kliks trekt: dus waarom zouden ze zich verdiepen?

Het is niet zeker dat de meisjes dit hebben gedaan in opdracht van Target.CNN stelt dat het meisje dat de foto plaatste op haar Twitter heeft gezegd dat ze niet weet wat Breakr is. Ook Alex zelf verklaart daar dat hij geen relatie met Breakr heeft.

De lessen
Fans zijn een zeer machtige groep (maar dat wisten we natuurlijk al) die makkelijk uitgebuit wordt voor commercieel gewin. Journalisten doen te weinig om dat commercieel gewin bloot te leggen, omdat media graag meevaren op die uitbuiting.





Bloggers zijn beter dan journalisten (Linda Duits)

31 10 2014

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Bloggen is de besteVroeger, toen ik nog ‘gewoon’ wetenschapper was, vertelden mensen me vaak geheimen. Zaken die op de werkvloer speelden, fout gedrag van leidinggevenden, misstanden in de sector. Nu doen ze dat ook nog wel eens, maar dan zeggen ze erbij ‘dit mag niet bekend gemaakt’. Ik lach dan altijd en probeer ze geruststellen door te grappen dat ik blogger ben, en geen journalist. De taak van een journalist is nieuws maken. Bloggers worden daar niet door gehinderd. Een ‘dit is off the record‘ is bij mij niet nodig. Ik vind bloggers beter dan journalisten.

Jorunalisten zien dat uiteraard anders. Zij kijken vaak neer op bloggers. Voormalig tech journalist turned blogger Emma Snider schreef daarom een blogpost over haar overstap. Veel zaken zijn hetzelfde: schrijven, uitzoeken, redigeren, interviewen, netwerken. Ze bespreekt vier belangrijke verschillen.

1. Journalistiek gaat over onthullen, bloggen gaat over helpen
Journalisten willen ‘de waarheid’ boven tafel brengen. Hoewel bloggers ook waarheid willen schrijven, willen ze voornamelijk behulpzaam zijn en anderen helpen – om iets beter te doen bijvoorbeeld, of om meer kennis bij te brengen.

2. Journalistiek is een stadsfiets, bloggen een racefiets
Journalistiek kent drie versnellingen, terwijl bloggen er wel tien heeft. Journalisten kunnen meer tijd nemen voor hun stuk. Dat doen bloggers ook wel eens, maar bloggen kent veel meer variatie. Bloggers schrijven niet maar één soort bericht, maar maken lijstjes, infographics, tips etc, en kennen meer diversiteit in het soort deadline.

3. Bloggers geven perspectieven
Journalisten beschrijven wat er gebeurt, terwijl bloggers ook mogen schrijven hoe iets zou moeten of kunnen zijn. Experts worden bijvoorbeeld niet alleen geïnterviewd om een expertmening weer te geven, maar vooral ook – zie punt 1 – zodat de lezer er iets van kan leren en de wereld beter kan worden.

4. Een blogger hoeft zichzelf niet uit de tekst te schrijven
Journalistiek streeft naar objectiviteit en daarom hoort de mening van de journalist niet te weerklinken in een nieuwsbericht. Voor bloggers is het juist goed om berichten persoonlijk te maken: wat vinden ze zelf van het fenomeen? Dit draagt juist bij aan de geloofwaardigheid.

De grenzen tussen journalistiek en bloggen vervagen (denk aan de stukken op De Correspondent). Ook Snider merkt dat op, en ze vindt dat goed. Ze besluit:

“From my perspective, the perceived canyon between journalism and blogging is really more like a three-foot gap you can hop across. If the lines between journalism and blogging are blurring, I think it’s with good reason.”

Update: programmamaker en charmante überjournalist Botte Jellema schreef een lezenswaardige reactie op dit stuk.





Onderwijs en de stad: Hoe les geven in de stad?

30 10 2014

Dit is het vierde en laatste deel van mijn reeks over onderwijs en de stad. Gisteren had ik het al over hoe je leerkrachten kan aantrekken en vooral houden en bleek een van de grote uitdagingen de diversiteit te zijn. Brussel is een van de rijkste steden ter wereld, maar gisteren bleek nog uit een Unicef-rapport dat 1 op 3 kinderen in Brussel in armoede opgroeien. In onze eerste aflevering bleek al hoe divers ook bijvoorbeeld de thuistaal kan zijn in de steden in vergelijking met het platteland.

Maar hoe geef je dan les in de stad?

Volgens mij (gebaseerd op de literatuurverwijzingen in de tekst) zijn volgende punten zeer belangrijk:

  • begrijp je leerlingen en ken hun achtergrond. De beginsituatie inschatten is sowieso steeds belangrijk, maar de beginsituatie van leerlingen in een stedelijke context kunnen vaak extra ver afstaan van de leefwereld van de leerkracht. Hier interesse intonen en vooral ook proberen te begrijpen is een belangrijk vertrekpunt. (bron) Check ook Iedereenleerkracht.be met een aansluitend antwoord op de vraag hoe anderstalige leerlingen betrekken in de les. Men spreekt ook van een “intercultureel sensitieve leraar die zich rekenschap geeft van maatschappelijke en sociale kwesties die impact kunnen hebben” en bijhorende werkvormen: “cultureel responsieve klasactiviteiten zijn instructional scaffolding, begeleide en informele groepsdiscussies, observatie van het sociale en leergedrag van leerlingen in alle klassituaties, zelfevaluatie van de leerlingen en interactief onderwijzen.” (bron)
  • Notie hebben van ‘Taalontwikkelend leren’ of ‘taalgericht vakonderwijs’

  • Klasmanagement is belangrijk, zeker ook in de stedelijke context, maar net hiervoor is kennis van de beginsituatie cruciaal. Het besef dat bepaalde (disciplinaire) ingrepen net statusverhogend kunnen werken, noopt andere aanpakken die bijvoorbeeld minder publiek zijn te hanteren. (bron)
    Een video van TV-Klasse over lesgeven in Molenbeek en klasmanagement:

    Check ook dit artikel met 8 aanbevelingen.

Dit is maar een kleine aanzet, net zoals deze hele reeks. Het is vooral belangrijk dat én meer kennis opgebouwd wordt én dat deze tot bij de leerkrachten komt (zoals we gisteren al aangaven in opleiding én in ondersteuning).

Tegelijkertijd bestaat het gevaar dat het in de verf zetten van de verschillen, net de onzekerheid (om niet het woord angst te gebruiken) voor lesgeven in de stad nog meer zal versterken. In de basis is er trouwens heel veel gemeen. Het gaat over kinderen in een klaslokaal die willen bijleren van een leraar. Het is belangrijk te beseffen dat het welbevinden volgens de JOP-monitor in de stad gemiddeld iets lager ligt dan buiten de stad, maar dat deze gemiddeld nog steeds hoog scoort. Meer nog, scholen erven het welbevinden van buiten de school.








Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 6.550 andere volgers

%d bloggers op de volgende wijze: