PISA gaat nu ook digitale geletterdheid meten

11 12 2014

Kunnen jongeren inschatten hoe geloofwaardig de informatie die ze online vinden al dan niet is? Deze vraag wil PISA in de toekomst ook kunnen beantwoorden en vergelijken tussen de deelnemende landen. Het wordt een aanpassing van de bestaande leestest die men nu al afneemt.

Pearson, de internationale uitgeverij, maakte dit bekend omdat zij het contract in de wacht sleepten om de test te ontwikkelen. In PISA2012 werd probleemoplossend vermogen toegevoegd en in de volgende ronde wordt ‘collaborative problem solving’ toegevoegd. De eigenlijke online-geletterdheid test zou pas in 2018 afgenomen worden. (bron)

Een zeer interessant gegeven, ook om te kijken hoe hier landen in verschillen.

Dat het ontwikkelen door Pearson zal gebeuren deed me wel weer beseffen hoe we niet mogen vergeten hoe PISA iets is dat los staat van overheden (niemand heeft ooit de OESO verkozen) en dat terwijl er wel universiteiten aan meewerken en de data zeer welkom is, de invloed van een dergelijke machtige organisatie iets is dat blijvend aandacht moet krijgen.

Ik hoop ook dat dit geen excuus zal worden om bijvoorbeeld interessante projecten zoals EU Kids die ook al kijken naar de online vaardigheden van kinderen en jongeren in te perken (omdat PISA het toch al doet).





Science-fiction geeft niet meer om de toekomst (Linda Duits)

9 12 2014

The Jetsons

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Ideeën over de toekomst zeggen vooral iets over het nu. Science fiction gaat daarom vooral over de hoop en dromen van de tijd waarin het gemaakt is. Een goed voorbeeld isThe Jetsons waarin we de rolverdeling van de jaren ’60 goed terug zien: Jane werkt niet en besteedt haar tijd aan het uitgeven van het geld van kostwinner George. De huishoudrobot Rosie is duidelijk een vrouw. Hoe ziet hedendaagse science fiction eruit en wat zegt dat over onze tijd?

Vertrouwde jasjes

Op The Atlantic hekelt Noah Berlatsky het gebrek aan toekomstvisie van science fiction. De trailer voor de lang verwachte opvolger van de twee Star Wars-trilogieën illustreert dit volgens hen: er is niks nieuws. De reacties van fans zijn evenwel kritisch op de toe-eigening van die oude elementen (“Explain why these new toys are not exactly the same as the old toys, and be quick about it!”). Berlatsky stelt dat science fiction geen alternatief meer aanbiedt, niet meer nadenkt over hoe het kan zijn. Hij schrijft:

“Science fiction is everywhere in popular culture, and it seems like it’s managed to be everywhere in the present by largely jettisoning the future. The massive, major franchises are all decades-old; the triumphal rhythmic successes of Star Wars and Star Trek and Dr. Who vie with sporadic reboots of Robocop or Planet of the Apes. Even newer stories, like The Hunger Games or Divergence feel less like fresh visions than like re-toolings of stagnant dystopias. Poor George Orwell wants his panopticon back.”

Ook in de recycling van superheldenfilms ziet Berlatsky een gebrek aan toekomstvisie. Superhelden lijken meer magie toe te passen in vertrouwde contexten dan dat ze nadenken over hoe de wereld zou kunnen zijn.

“Tomorrow isn’t a potential where things might be better, or even different; it’s just a place to rearrange the robots on a Titanic that never sinks. Progress has conquered the present so thoroughly it doesn’t even need to push forward anymore. In pop sci-fi, we’re all always already picking up the shiny new old lightsaber; there is no other future, and no other dream.”

Te druk om te dromen

De analyse van Berlatsky over de recycling van het oude bekende is raak. Zoals hij zelf ook stelt heeft dit uiteraard te maken met marketing en financiering. Maar er is meer. De populaire televisieseries van dit moment zijn allemaal opmerkelijk vrij van technologie: Game of Thrones, Mad Men, Fargo, The Walking Dead, True Detective. Ze spelen in het verleden of in een toekomst waarin ICT geen rol heeft. Misschien is een verklaring voor hun populariteit dezelfde als de verklaring voor de nostalgie-SF.

In onze tijd hebben we te maken gekregen met snelle technologische ontwikkelingen. De maatschappij zoekt een manier om die een plek te geven (worden we agressief van games, zijn selfies slecht, nemen robots ons werk over). Je zou dus kunnen zeggen dat we veel te druk zijn met die toekomst die er al is te verwerken. Zo druk, dat we geen tijd meer over hebben om te dromen.





Boekbespreking “Kinderen van Rousseau” (Paul Claes)

4 12 2014

Het zijn dingen waar ik minder blog en (te) weinig over praat in lezingen, maar puur pedagogische onderwerpen houden me nog steeds bezig. Ik werk al een tijdje aan een artikel rond een alternatieve tweedeling in het huidig denken over onderwijs en Rousseau speelt in dit artikel een hoofdrol.

Daarom was ik er als de kippen bij toen ik (via Twitter nota bene, straks merk je de ironie) las over het nieuwe pamflet van Paul Claes met als titel “Kinderen van Rousseau“. Het is belangrijk te beseffen dat dit geen wetenschappelijk werk is, maar door de vorm van pamflet een soms zeer persoonlijke toon heeft.

Toch toont Claes regelmatig niet onbeslagen te ijs zijn gekomen over het leven en werk van Rousseau. De invloed van de Fransman ziet Claes in onze fascinatie voor het kind, de passie, emotie… en onze huidige afkeer van intellect, cultuur, kennis.

De man heeft hier vaak een punt. Hij beschrijft kort de invloed van Rousseau op ons huidig denken over onderwijs en verwijst dan naar het belang van vertrekken uit de leefwereld van het kind of de dictatuur van ‘leuk’. Door het pamflet-karakter van dit werk, gaat Claes heel ver in de aanklacht, te ver. Het belang van de leefwereld is vandaag er niet enkel door die ‘hypochonder’ van eeuwen geleden, maar omdat we weten dat er ook een cognitief psychologisch meerwaarde is voor leren.

De grootste drempel in het boekje was voor mij net het zeer persoonlijk karakter. We leren dus mond en neus bij dat de schrijver af en toe een vijfsterren-hotel frequenteert waar hij moet vluchten voor het vele lawaai. Af en toe wordt het zo een langgerekte klaagzang zonder plaats voor enige nuance. Twitter zou dan volgens Claes de plaats voor emotie bij uitstek zijn, hij is onwetend of blind voor de intellectuele mogelijkheden die het platform ook biedt, zoals bijvoorbeeld zijn werk ontdekken.

Ik raad het pamflet niet af als lectuur, maar het boek uit 2012 van Doorman, Rousseau en ik, is volgens mij beter als je over Rousseau en zijn invloed op ons denken wil bijleren.





Gentse scholieren van de IVG-school vragen zelf naar een telefoonvrije Cold Zone

3 12 2014

Het stond vandaag in mijn krant in de regionale pagina’s, maar verdient wel wat meer aandacht:

Op de speelplaats van de IVG-School aan de Nederkouter hangt sinds gisteren een nieuw bordje: Cold zone, wat zo veel wil zeggen als ‘gsm niet welkom’. Het bordje komt er op vraag van de leerlingen zelf. ‘We sms’en te veel. Wie in de cold zone komt zitten, maakt duidelijk dat hij of zij een écht gesprek wil.’ (lees hier bron)

Los van de vraag wat een écht gesprek is, kan ik het enkel maar toejuichen. Een goede school heeft zowel hotspots als cold zones. Evenwicht is belangrijk, ook in het gebruik van technologie op school en in de klas. Nooit technologie op school gebruiken is daarbij geen optie, volgens mij, net zomin als altijd en constant online zijn op die zelfde school.





Een mini-publicatie over nieuwsgierigheid in de klas (en wat bedenkingen)

28 11 2014

Via Jelle Jolles ontdekte ik deze mini-publicatie:

Het onderwijs en nieuwsgierigheid zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. ‘Zonder nieuwsgierigheid kun je niet goed leren’, aldus een leerkracht. Schoolleider Annemarie Trouw, Sanne Dekker en ik deden het afgelopen jaar onderzoek naar die nieuwsgierigheid. Daarvoor werden gestructureerde interviews en een vragenlijst afgenomen bij leerkrachten van groep 5/6. Vandaag werd onze mini-publicatie met resultaten en aanbevelingen besproken op de conferentie ‘BreinStorm’ van de po-Raad. Wat is nieuwsgierigheid? Waarom worden leerlingen in de loop van de basisschool minder nieuwsgierig? Wat heeft de leerkracht nodig om ruimte te geven aan de nieuwgierigheid van kinderen. En hoe kunnen schoolleiders, bestuurders en beleidsmakers doen om dat te faciliteren? In onze mini-publicatie zijn de aanpak, de onderzoeksopzet en de resultaten en aanbevelingen te lezen: NieuwsgierigheidBreinLeren.pdf

Door de beperking van een mini-publicatie ontbreken spijtig genoeg wel de bronnen en ook wel wat nuances. Voor de daling van nieuwsgierigheid zijn namelijk ook nog andere verklaringen te vinden, zo spreken sommige onderzoekers over ‘a fourth-grade slump’, alhoewel die ook niet per se zeker is (zie oa het boek van Keith Sawyer “Explaining Creativity” hiervoor (of deze post van mezelf over dit boek). Verder is het onderzoek vooral een perceptie-onderzoek, meer dan een werkelijke vaststelling. Men heeft niet zelf naar de kinderen gekeken, maar bij een kleine groep leerkrachten gepeild naar hun ervaring. Die is op zich waardevol, maar het is een belangrijke beperking van het praktijkonderzoek. Je zou zo zelfs voor verschillende conclusies van het onderzoek het onderwerp ‘nieuwsgierigheid’ kunnen laten vallen. Ik doel dan op aanbevelingen zoals:

  • Creëer een cultuur in de school waarin creatief met de leerdoelen omgegaan kan worden. Eigen initiatieven van leerkrachten voor een alternatieve aanpak zijn belangrijk.
  • Verlaag de academische druk. Een hoge druk beperkt de vrijheid en inspiratietijd van leerkrachten en zorgt dat zij hun opvattingen over het belang van nieuwsgierig- heid niet goed in praktijk kunnen brengen.

En ondanks dat het rapport in samenwerking met het Centrum voor Brein en Leren gemaakt is, blijf ik hier zeer op mijn honger zitten. Enige duiding over nieuwsgierigheid in het brein én voor leren zou welkom geweest zijn naast de mening van de leerkrachten. In feite ontbreekt het brein in deze publicatie helemaal, wat wel apart is voor een discussietekst voor een ‘breinstorm’ op de PO-raad.





Een samenvatting voor beleidsmakers van ‘Wat werkt’ in onderwijs, zorg, tegen criminaliteit,…

28 11 2014

Een rapport van 36 pagina’s met daarin concrete oplossing voor veel uitdagingen in de samenleving, kan dat wel serieus zijn? Het lijkt een terechte vraag, en het rapport is een sterke vereenvoudiging in zijn beknoptheid. Tegelijk, wat in ‘What Works‘, een rapport van What Works Network staat, is wel evidence based en heeft de bedoeling het beleid in Engeland te inspireren.

En voor elk onderdeel is er onderliggend een veel groter archief met verdiepend materiaal.

Ik keek zelf natuurlijk vooral naar onderwijs en het rapport gebruikt een keiharde logica: welke maatregel heeft het meest effect voor de kleinste investering.

En dan komt bijvoorbeeld dit naar boven:

Peer tutoring approaches, where learners work in small groups to provide each other with explicit teaching support, have, on average, a high impact on attainment at a low cost.

Spectaculair naar de buitenwereld? Nee. Effectief? Ja.

Ander voorbeeld, minder voor de hand liggen:

Helping pupils struggling with literacy at the start of secondary school is extremely challenging, and it is highly unlikely that a single intervention will be sufficient to help them catch up with their peers. However, some approaches are more effective than others. In a recent EEF trial, pupils who went on school trips were then taught a structured approach to improving their writing using the trip as a source of inspiration. The pupils who received this intervention made an average of nine months additional progress compared to the control group.

Het leukste is dat voor onderwijs er gewoon een Toolkit-website is met zeer veel informatie en filmpjes over wat werkt en wat niet.

Dit is een korte video over Peer Tutoring (wat dus werkt):

Soms keek ik zelf wel even op bij sommige van de tips die evidence based zouden zijn, want leerstijlen duiken ook op. Weliswaar zeggen ze onmiddellijk dat leerstijlen niet bestaan (oef), maar dat ze toch ze een beetje promoten omdat hierdoor leerkrachten bewuster met lesgeven bezig zijn en leerlingen meer uitgedaagd worden.

Ik weet niet of ik hier zomaar met akkoord ga. Er zijn andere manieren die effectiever zijn om dit te bereiken, lijkt me. Het rapport en de toolkit riskeren ook het idee te promoten dat geïsoleerde aanpakken kunnen werken, terwijl onderwijs vaak complexe interacties vertoont tussen maatregelen.

De voorbije dagen zijn er op twitter over het rapport hele discussies verschenen, en misschien is dit wel de belangrijkste verdienste: aanzetten tot denken.





Handboeken of niet? 2 landen, 2 visies

27 11 2014

Enkele weken geleden pleitte D66 in Nederland voor leraren die zelf meer materiaal moeten maken:

“Docenten moeten zelf lesmateriaal kunnen gaan maken en uitwisselen. Op die manier moet de kwaliteit van onderwijs omhoog en zijn er minder dure schoolboeken nodig, denkt D66. ‘Geef docenten hun baan terug.'”

Klinkt niet slecht, alhoewel de uitgevers niet zo blij waren met deze boodschap en leerkrachten vooral ook tijd moeten hebben voor het ontwikkelen van materiaal.

Even bij een ander buurland kijken. In de UK, meer bepaald Engeland, klinkt namelijk een heel ander geluid:

“Education minister Nick Gibb has called for the “renaissance” of high quality textbooks in England’s classrooms. Mr Gibb says textbooks have been replaced by worksheets and lesson plans and there is an “ideological hostility” to using them.” (bron)

Hij doet deze uitspraak op basis van een nieuw rapport dat pleit voor het gebruik van kwalitatieve handboeken door Tim Oates. De vraag wie er gelijk heeft, lijkt me minder moeilijk te beantwoorden dan je denkt. Een goed handboek heeft meerwaarde, net als degelijk ontwikkeld materiaal van leraren zelf (of met elkaar gedeeld via bijvoorbeeld sites zoals Klascement).

Handboeken die achterlopen in ontwikkeling of inhoud zijn niet aangewezen. Die zijn er, als ik alleen al kijk naar mijn eigen vakgebied, maar er zijn ook gelukkig goede handboeken. Maar zelfs voor het vak waar ik een handboek voor gebruik, vullen mijn collega’s en ik zelf aan met extra materiaal dat aansluit bij de doelen van ons vak en die niet of minder goed door het handboek behandeld worden.

De grootste fout die je als leerkracht kan maken is dat je handboek je leerplan of eindtermen vervangt. Dan wordt het handboek een doel, en niet wat het werkelijk is: een middel.





Gentse studenten lanceren #banbye (maar moeten opletten dat ze niet te ver gaan)

26 11 2014

Een pleidooi voor meet netiquette, dat is in feite waar de actie van de 5 Gentse communicatiestudenten voor staat. Ze willen ingaan tegen het fenomeen van phubbing, volgens hun website:

Met BanBye willen we elkaar er toe aanzetten om ons sociaal leven weer face-to-face te doen verlopen en minder via onze schermpjes. We betrappen elkaar maar al te vaak dat we onze smartphone bovenhalen en “…snel even iets checken”. Maar “snel” blijkt al te vaak een relatief begrip te zijn. Daarom deze 5 etiquette-regels.

Ga je op café met vrienden? Heb je een etentje met je vriend(in)? Ben je in een diepzinnig gesprek met je oma? Steek die smartphone dan weg en volg onze 5 rules!

Like onze Facebookpagina, tweet onder de hashtags #Bandroid en #ByePhone en spread the word!

En wat zijn die 5 rules?

Rule #1 ‘put it away and have more fun’

Rule #2 ‘chat with the friends in front of you’

Rule #3 ‘i’ll only check if you call me’

Rule #4 ‘if you get caught, put it on the floor’

Rule #5 ‘go offline to get a life’

Eerlijk? Ik vind deze regels verder gaan dan een zuivere netiquette als je ze te rigoureus toepast, zeker de laatste ‘go offline to get a life’. Het juist inpassen van technologie, ook als je samen bent met vrienden is belangrijk, maar niet noodzakelijk offline. Aan echte appel meenemen naar de film in plaats van een iPhone klinkt goed, maar heb toch mijn toestel graag mee om zonder papieren ticket binnen te mogen.

In hun opiniestuk verwijzen ze naar Turkle’s Together Alone, maar ik kan hen evenzeer het werk van danah boyd aanraden voor wat nuance.

Ik steun de oproep tot een netiquette, maar netiquette staat niet gelijk aan bannen maar wel aan wijs gebruiken.





Waar Maurice De Hond en Daphne Deckers gelijk hebben (en waar ongelijk)

23 11 2014

Las net met veel interesse de reactie van Maurice De Hond op de passage van Daphne Deckers in de uitzending van WNL op Zondag. Daphne stelde “Er is wederom aangetoond dat als je iets op papier leest, je het beter tot je neemt dan als je het vanaf een iPad leest” en de reactie van Maurice is “Je moet nieuwe technologie gebruiken om nieuwe dingen mee te doen. Als je er alleen oude dingen mee doet, hoef je de nieuwe technologie niet te gebruiken . (Dus een leerboek lezen op een iPad is weinig zinvol).”

Beide hebben gelijk en vooral: beide stellingen spreken elkaar niet tegen. Het zou fout zijn dit als een tegenstelling te zien. Is er nog nood aan papier? Wellicht wel, om de reden die Daphne aanhaalt. Trouwens, noteren op papier is echt beter, maar misschien niet om de reden die je dacht. Is er geen nood aan technologie op school? Absoluut wel, maar dan liefst voor zinvolle zaken die meerwaarde hebben, zoals Maurice verschillende voorbeelden aanbrengt in zijn stuk.

Waar Maurice volgens mij gevaar loopt de mist in te gaan is met deze passage:

“Kijk eens naar kinderen van een jaar of 5.  Wat hebben ze vanaf hun geboorte veel geleerd. Dat hebben ze gedaan zonder dat ze een letter hebben kunnen lezen. Het leren gaat vooral via het zien, horen, imiteren  en het vervolgens proberen, proberen en nogmaals proberen.”

Niet dat dit fout is, maar het is in de wereld van vandaag én die van morgen al lang niet meer genoeg. Dit is niet eens een bijna romantisch beeld van kinderen en onderwijs en ook dit is een klassieke fout. De vraag is namelijk of je zo alles kan leren. En of je enkel moet leren waar je interesse in hebt? Heeft onderwijs niet meer taken dan deze? En of je – als je zo leert – wel steeds het juiste of correcte leert? (3X raden) En… of het de meest efficiënte manier is. Ja, je kan ogenschijnlijk veel leren van een lezing van Robert Dijkgraaf, maar zonder inoefenen, herhalen of ‘kortsluiting’, is de kans klein dat je het zal onthouden. Of je trouwens alle nuances en inzichten van een gesproken verhaal op afstand krijgt die je via een tekst of van interactie met een docent of medelerende zou krijgen, is op zijn zachtst gezegd niet zo zeker.

De grote fout die ogenschijnlijk zowel Daphne als Maurice maken is dat er een one size fits all-denken lijkt uit te spreken, het idee dat er 1 aanpak zou bestaan die voor elke leerlingen en elke inhoud werkt. Ik schrijf bewust ogenschijnlijk omdat ik weet dat deze denkfout bij O4NT trouwens veel minder gemaakt wordt dan wat het soms in de media lijkt.

Goed onderwijs, en zeker prima leerkrachten, gebruiken een veelvoud van middelen en aanpakken om net leren mogelijk te maken. Een rijk repertoire aan middelen en aanpakken, liefst met bewezen meerwaarde, daar gaat het dan over. Dus zowel bord en krijt als tablets (alhoewel misschien deze in de laatste jaren van het VO overbodig zijn), zowel directe instructie als groepswerk en de vele, vele andere mogelijkheden.

Het meest jammere is dat deze discussie zo weer over het hoe gaat, terwijl onderwijs2032 toch eerder over het wat en waarom zou kunnen gaan.

P.S.: Oja, een vraagje: verlaat in dergelijke discussie aub de anekdotiek als argumentatie. Waar sommige stellen dat je met onderzoeken en tegenonderzoeken kan zwaaien, is dit veel minder het geval dan bij anekdotes en tegen-anekdotes.





Wat ik goed vind aan deze #onderwijs2032-oproep!

17 11 2014

De Nederlandse staatssecretaris Sander Dekker lanceert vandaag een opvallende campagne met oa dit filmpje en ik ben er voor één reden alvast zeer blij mee.

Het gaat namelijk over 2 vragen die we te vaak vergeten in het onderwijs, namelijk ‘wat’ en ‘waarom’. Een curriculum, kort samengevat alles wat je al dan niet moet leren, is iets waar soms te weinig door de goegemeente over gesproken wordt.

Vragen die meespelen in dit denken:

  • Wat willen we als maatschappij meegeven of doorgeven? Dit is wat Hannah Arendt de conservatieve functie van onderwijs noemt. Niet in de betekenis van conservatief zoals wij vaak gebruiken, maar net om te bedoeling progressie mogelijk te maken. Je moet als jongere kennen waar je tegen wil reageren en wat je wil bewaren.
  • We hebben kennis nodig. Het filmpje verwijst niet eens onopvallend naar 21st century skills, maar dit ontslaat ons niet om na te denken welke kennis we nodig zullen hebben. Creativiteit kan je niet opzoeken, maar de parate kennis die je voor creativiteit nodig hebt ook niet. Welke kennis heb je nodig om nieuwe kennis op te doen? Welke kennis heb je nodig om makkelijker talen te leren? Welke kennis heb je nodig om andere vakken te leren?
    Idem met vaardigheden? Sommigen zullen bijvoorbeeld zich afvragen waarom we nog moeten leren schrijven, alhoewel daar wel degelijk redenen voor bestaan voor het verwerven van een taal.
  • Wat hebben we nodig in 2032? Dit is de moeilijkste vraag van allemaal, omdat we de toekomst niet kunnen voorspellen. Gok op breed, zou ik zelf zeggen en laat je vooral niet vangen aan hypes van vandaag. Vandaag is dan al lang voorbij.







Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 6.672 andere volgers

%d bloggers op de volgende wijze: