Wat ik goed vind aan deze #onderwijs2032-oproep!

17 11 2014

De Nederlandse staatssecretaris Sander Dekker lanceert vandaag een opvallende campagne met oa dit filmpje en ik ben er voor één reden alvast zeer blij mee.

Het gaat namelijk over 2 vragen die we te vaak vergeten in het onderwijs, namelijk ‘wat’ en ‘waarom’. Een curriculum, kort samengevat alles wat je al dan niet moet leren, is iets waar soms te weinig door de goegemeente over gesproken wordt.

Vragen die meespelen in dit denken:

  • Wat willen we als maatschappij meegeven of doorgeven? Dit is wat Hannah Arendt de conservatieve functie van onderwijs noemt. Niet in de betekenis van conservatief zoals wij vaak gebruiken, maar net om te bedoeling progressie mogelijk te maken. Je moet als jongere kennen waar je tegen wil reageren en wat je wil bewaren.
  • We hebben kennis nodig. Het filmpje verwijst niet eens onopvallend naar 21st century skills, maar dit ontslaat ons niet om na te denken welke kennis we nodig zullen hebben. Creativiteit kan je niet opzoeken, maar de parate kennis die je voor creativiteit nodig hebt ook niet. Welke kennis heb je nodig om nieuwe kennis op te doen? Welke kennis heb je nodig om makkelijker talen te leren? Welke kennis heb je nodig om andere vakken te leren?
    Idem met vaardigheden? Sommigen zullen bijvoorbeeld zich afvragen waarom we nog moeten leren schrijven, alhoewel daar wel degelijk redenen voor bestaan voor het verwerven van een taal.
  • Wat hebben we nodig in 2032? Dit is de moeilijkste vraag van allemaal, omdat we de toekomst niet kunnen voorspellen. Gok op breed, zou ik zelf zeggen en laat je vooral niet vangen aan hypes van vandaag. Vandaag is dan al lang voorbij.




Mijn presentatie voor OWD14: Voorbij de digitalisering

12 11 2014

Dit zijn de slides van mijn presentatie:

Je kan ook een samenvatting lezen van @wrubens, en wel hier.

En een video van mijn lezing, en wel hier.





#alexfromtarget is een reclamestunt. Maar waarvoor en waarom en klopt het wel? (Linda Duits)

6 11 2014

Deze blogpost verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Alex from TargetGisteren vroeg Alex den Haan op Twitter aan me of ik #alexfromtarget kon duiden. Een foto van een jongen aan het werk bij warenhuis Target ging viraal op Twitter. Uiteraard werd dit opgepakt door internet en mainstream media waardoor het fenomeen nog zich meer verspreidde, onder het mom ‘plotselinge roem voor doodnormale jongen’. Ik antwoordde dat ik erover na moest denken en dat toeval op hetinternet niet bestaat. Dat werd bevestigd.

Fans
Het bureau Breakr claimt nu aanjager te zijn geweest van de rage. Zij zeggen dat het meisje dat de foto als eerste twitterde een van hun ‘fan girls’ was. De actie zou gecoördineerd zijn geweest: Breakr zou hebben gezorgd dat het binnen een gemeenschap van fan-meisjes gepromoot werd.

Het is onduidelijk wat voor bureau Breakr precies is. Hun website is nog in beta en stelt alleen:

At the intersection of communication and content, Breakr evolves the way you consume content with like-minded individuals.

Incompleet 
Is dit nu het hele verhaal? Het is in ieder geval zeker dat jonge meisjes het fenomeen hebben aangejaagd. The Washington Post rapporteerde dit ook meteen – zij waren blijkbaar een van de weinigen die de moeite namen om een klein beetje op onderzoek uit te gaan. Voor media geldt een dergelijk bericht als leuke content die makkelijk kliks trekt: dus waarom zouden ze zich verdiepen?

Het is niet zeker dat de meisjes dit hebben gedaan in opdracht van Target.CNN stelt dat het meisje dat de foto plaatste op haar Twitter heeft gezegd dat ze niet weet wat Breakr is. Ook Alex zelf verklaart daar dat hij geen relatie met Breakr heeft.

De lessen
Fans zijn een zeer machtige groep (maar dat wisten we natuurlijk al) die makkelijk uitgebuit wordt voor commercieel gewin. Journalisten doen te weinig om dat commercieel gewin bloot te leggen, omdat media graag meevaren op die uitbuiting.





Bloggers zijn beter dan journalisten (Linda Duits)

31 10 2014

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Bloggen is de besteVroeger, toen ik nog ‘gewoon’ wetenschapper was, vertelden mensen me vaak geheimen. Zaken die op de werkvloer speelden, fout gedrag van leidinggevenden, misstanden in de sector. Nu doen ze dat ook nog wel eens, maar dan zeggen ze erbij ‘dit mag niet bekend gemaakt’. Ik lach dan altijd en probeer ze geruststellen door te grappen dat ik blogger ben, en geen journalist. De taak van een journalist is nieuws maken. Bloggers worden daar niet door gehinderd. Een ‘dit is off the record‘ is bij mij niet nodig. Ik vind bloggers beter dan journalisten.

Jorunalisten zien dat uiteraard anders. Zij kijken vaak neer op bloggers. Voormalig tech journalist turned blogger Emma Snider schreef daarom een blogpost over haar overstap. Veel zaken zijn hetzelfde: schrijven, uitzoeken, redigeren, interviewen, netwerken. Ze bespreekt vier belangrijke verschillen.

1. Journalistiek gaat over onthullen, bloggen gaat over helpen
Journalisten willen ‘de waarheid’ boven tafel brengen. Hoewel bloggers ook waarheid willen schrijven, willen ze voornamelijk behulpzaam zijn en anderen helpen – om iets beter te doen bijvoorbeeld, of om meer kennis bij te brengen.

2. Journalistiek is een stadsfiets, bloggen een racefiets
Journalistiek kent drie versnellingen, terwijl bloggen er wel tien heeft. Journalisten kunnen meer tijd nemen voor hun stuk. Dat doen bloggers ook wel eens, maar bloggen kent veel meer variatie. Bloggers schrijven niet maar één soort bericht, maar maken lijstjes, infographics, tips etc, en kennen meer diversiteit in het soort deadline.

3. Bloggers geven perspectieven
Journalisten beschrijven wat er gebeurt, terwijl bloggers ook mogen schrijven hoe iets zou moeten of kunnen zijn. Experts worden bijvoorbeeld niet alleen geïnterviewd om een expertmening weer te geven, maar vooral ook – zie punt 1 – zodat de lezer er iets van kan leren en de wereld beter kan worden.

4. Een blogger hoeft zichzelf niet uit de tekst te schrijven
Journalistiek streeft naar objectiviteit en daarom hoort de mening van de journalist niet te weerklinken in een nieuwsbericht. Voor bloggers is het juist goed om berichten persoonlijk te maken: wat vinden ze zelf van het fenomeen? Dit draagt juist bij aan de geloofwaardigheid.

De grenzen tussen journalistiek en bloggen vervagen (denk aan de stukken op De Correspondent). Ook Snider merkt dat op, en ze vindt dat goed. Ze besluit:

“From my perspective, the perceived canyon between journalism and blogging is really more like a three-foot gap you can hop across. If the lines between journalism and blogging are blurring, I think it’s with good reason.”

Update: programmamaker en charmante überjournalist Botte Jellema schreef een lezenswaardige reactie op dit stuk.





Onderwijs en de stad: Hoe les geven in de stad?

30 10 2014

Dit is het vierde en laatste deel van mijn reeks over onderwijs en de stad. Gisteren had ik het al over hoe je leerkrachten kan aantrekken en vooral houden en bleek een van de grote uitdagingen de diversiteit te zijn. Brussel is een van de rijkste steden ter wereld, maar gisteren bleek nog uit een Unicef-rapport dat 1 op 3 kinderen in Brussel in armoede opgroeien. In onze eerste aflevering bleek al hoe divers ook bijvoorbeeld de thuistaal kan zijn in de steden in vergelijking met het platteland.

Maar hoe geef je dan les in de stad?

Volgens mij (gebaseerd op de literatuurverwijzingen in de tekst) zijn volgende punten zeer belangrijk:

  • begrijp je leerlingen en ken hun achtergrond. De beginsituatie inschatten is sowieso steeds belangrijk, maar de beginsituatie van leerlingen in een stedelijke context kunnen vaak extra ver afstaan van de leefwereld van de leerkracht. Hier interesse intonen en vooral ook proberen te begrijpen is een belangrijk vertrekpunt. (bron) Check ook Iedereenleerkracht.be met een aansluitend antwoord op de vraag hoe anderstalige leerlingen betrekken in de les. Men spreekt ook van een “intercultureel sensitieve leraar die zich rekenschap geeft van maatschappelijke en sociale kwesties die impact kunnen hebben” en bijhorende werkvormen: “cultureel responsieve klasactiviteiten zijn instructional scaffolding, begeleide en informele groepsdiscussies, observatie van het sociale en leergedrag van leerlingen in alle klassituaties, zelfevaluatie van de leerlingen en interactief onderwijzen.” (bron)
  • Notie hebben van ‘Taalontwikkelend leren’ of ‘taalgericht vakonderwijs’

  • Klasmanagement is belangrijk, zeker ook in de stedelijke context, maar net hiervoor is kennis van de beginsituatie cruciaal. Het besef dat bepaalde (disciplinaire) ingrepen net statusverhogend kunnen werken, noopt andere aanpakken die bijvoorbeeld minder publiek zijn te hanteren. (bron)
    Een video van TV-Klasse over lesgeven in Molenbeek en klasmanagement:

    Check ook dit artikel met 8 aanbevelingen.

Dit is maar een kleine aanzet, net zoals deze hele reeks. Het is vooral belangrijk dat én meer kennis opgebouwd wordt én dat deze tot bij de leerkrachten komt (zoals we gisteren al aangaven in opleiding én in ondersteuning).

Tegelijkertijd bestaat het gevaar dat het in de verf zetten van de verschillen, net de onzekerheid (om niet het woord angst te gebruiken) voor lesgeven in de stad nog meer zal versterken. In de basis is er trouwens heel veel gemeen. Het gaat over kinderen in een klaslokaal die willen bijleren van een leraar. Het is belangrijk te beseffen dat het welbevinden volgens de JOP-monitor in de stad gemiddeld iets lager ligt dan buiten de stad, maar dat deze gemiddeld nog steeds hoog scoort. Meer nog, scholen erven het welbevinden van buiten de school.





Onderwijs en de stad: Hoe leraren aantrekken (en vooral houden)?

29 10 2014

Dit is het derde deel in een vierdelige reeks over onderwijs en de stad. Vandaag een prangend probleem waar veel scholen in steden mee worstelen: hoe leerkrachten aantrekken en houden.

Minister Crevits stelt het duidelijk op haar blog:

“De Vlaamse onderwijsraad heeft becijferd dat tegen 2022 een tekort dreigt van 16.900 leerkrachten. De regionale verschillen daarbij zijn groot – in grote steden is de nood hoger dan op het platteland – en het hangt ook af van het vak dat de leerkracht in kwestie geeft.”

Een stad als Brussel vecht niet alleen tegen een tekort aan leerkrachten maar ook tegen een grote turn-over onder het onderwijzend personeel. Uit dit rapport van BSI leerde ik dat langs Nederlandstalige kant verlaat 54% van de leerkrachten in het lager onderwijs en 62% in het middelbaar onderwijs hun job binnen de vijf eerste jaren. Vorige week verduidelijkte Joost Vaesen op een denkdag van de VLOR wel dat deze leraren niet noodzakelijk verloren zijn voor het onderwijs. De meerderheid zou blijven les geven, maar dan wel buiten Brussel. Een zelfde verhaal hoorde ik enkele jaren geleden op een sessie tijdens de VELOV-studiedag over het lerarentekort in Antwerpen.

De voorbije jaren zijn er in het buitenland al initiatieven geweest om zogenaamde sterke profielen te motiveren om voor ze carrière beginnen te maken in de wereld buiten het onderwijs, eerst enkele jaren les te laten geven in moeilijkere, stedelijke scholen. Programma’s als Teach for America, het Britse Teach First  kennen ondertussen ook navolging in ons land. De vraag is echter of dit een structurele oplossing is. Dergelijke programma’s zorgen er voor dat er wel gemotiveerde mensen voor de klas komen, maar dit zijn dan wel quasi per definitie startende docenten (met vaak een beperkte opleiding) die 2 jaar later weer weg zullen zijn. Negatief gesproken is het net een installeren van een grote turn-over. Je kan wel hopen dat er van deze groep leerkrachten in het onderwijs zullen blijven, maar zeker is dit niet. De effecten van een grote turn-over op het leren zijn aangetoond negatief. Ik wil hiermee niet dergelijke projecten zomaar afschrijven. Ze kunnen misschien mee helpen het imago van leraren en onderwijs te versterken. Tegelijkertijd is het geen structurele oplossing. Daarvoor zullen we wellicht ergens anders moeten kijken.

Een recent Nederlandse promotieonderzoek van Lisa Gaikhorst maakt duidelijk waarom jonge leerkrachten sneller afhaken en de redenen blijken sterk verwant met het doelpubliek.

Het klinkt niet onlogisch dat de uitdagingen voor nieuwe leerkrachten op scholen met een publiek met een moeilijkere achtergrond groot zijn. Trouwens, vaak niet enkel voor beginnende leraren. Verschillen in taalkennis en achtergrond blijken hier de belangrijkste moeilijkheden voor de startende leraren.  Verder ervaren beginnende leraren dat ze vaak te weinig tijd krijgen om er te zijn voor leerlingen die mogelijk voor het onderwijs verloren zullen gaan. Ten slotte is er ook de vaak moeilijke relatie met ouders die soms de taal niet machtig zijn.

Maar ook beginnende leerkrachten op meer elitescholen die je ook vaak vindt in de stad hebben het niet onder de markt. Hier zorgen de vaak hoogopgeleide ouders ook voor kopbrekens en is differentiatie naar cognitieve vermogens in de klas ook vaak een uitdaging voor een beginnende leraar.

Deze moeilijkheden lijken niet typisch voor enkel stedelijk onderwijs, maar lijken hier toch vaker en in meer uitgesproken vorm voor te komen.

Gaikhorst pleit in haar promotie-onderzoek voor zowel een gedegen voorbereiding van toekomstige leerkrachten op de (groot)stedelijke context, maar ook voor blijvende ondersteuning via coaches en buddy’s tijdens de eerste beroepsjaren in de stad. Ze merkt ook op dat een ondersteunende sfeer op school hierin belangrijk is.

Ondertussen hebben verschillende lerarenopleidingen al aandacht voor de uitdagingen die Gaikhorst beschrijft, zoals onder andere blijkt het uit recente boek van Wouters et al. Laat Leraren Schitteren. Toch denk ik zelf dat leerlaren in spe leren omgaan met onder andere diversiteit niet genoeg zal zijn. Die diversiteit is ook dringend nodig in het lerarenkorps zelf. Vaak lijkt het publiek in de lerarenopleiding vooral een blanke middenklasse van net buiten de stad. Ik vertel zelf mijn studenten dat de klas waar ze zelf ooit les volgden ondertussen veelal niet meer bestaat.

Het inbedden van de lerarenopleiding in het stadsleven zelf, en het aantrekken van een diverser publiek die voor het beroep van leerkracht kiest, is en blijft een belangrijke opdracht. Bij de voorstellen die nu voorliggen om de lerarenopleiding te hervormen of innoveren is het interessant om liefst op voorhand te onderzoeken wat de effecten van bijvoorbeeld een (voorlopig?) niet-bindende toegangsproef zouden kunnen zijn op de diversiteit van instroom. Maar ook is het belangrijk om te kijken hoe je leerkrachten in de stad kan houden met hun gezin. Ik sprak met enkele schooldirecteurs in Brussel en was verbaasd hoeveel van hun personeel naar de stad pendelden omdat ze zelf niet in Brussel woonden. Onlangs bleek dat dit ook in Londen het geval was, en dat daar het inkomen van de partner heel belangrijk bleek. Ze moesten ook een plaatsje kunnen betalen. Soms wordt er geopperd om extra bonussen te geven aan leerkrachten die in de stad werken. Een soort van woonbonus lijkt in bepaalde situaties dus zeker een optie. Maar op basis van oa het eerder vermelde promotie-onderzoek zou ik zelf vooral met tijd betalen, bijvoorbeeld iets minder lessen moeten geven om zo meer aandacht te kunnen geven aan leerlingen die het nodig hebben en meer tijd voor professionalisering/ondersteuning.

Ondertussen blijft er 1 zekerheid: we zullen de komende jaren veel, zeer veel leerkrachten nodig hebben in de stad.

UPDATE: Piet Vervaecke postte op twitter deze link naar een relevante blogpost rond het zelfde thema.





Onderwijs in de stad: Scholen in de stad, groot en/of klein

28 10 2014

Gisteren bleek uit het eerste deel van deze reeks dat de toekomst van de school divers en stedelijk is. Mensen met kinderen in de stad weten dit al een pak langer, want je kind zomaar in een school in Antwerpen of Gent inschrijven is al lang niet meer zo evident. In Brussel bleken er op 1 september 1500 kinderen geen plaatsje op school gevonden te hebben.

Een deel van de beleidsnota van minister Crevits zal daarom noodgedwongen over capaciteitsuitbreiding moeten gaan, iets waar haar voorganger Pascal Smet ook 5 jaar mee geworsteld heeft.

Maar… scholen bijbouwen in een stad kan soms moeilijker zijn dan je denkt. Waar veel mensen samen leven, is net plaats vaak een schaars goed.

Moet je dan gaan voor grote scholen, kleine scholen of iets daartussen?

Eerst en vooral er bestaat wel degelijk onderzoek naar optimale schoolgrootte, waarbij de ondergrens te maken heeft met kansen op professionalisering en bijvoorbeeld vakgroepwerking (in het secundair onderwijs) en de bovengrens met het vermijden van anonimiteit (zie ook Hattie, 2009).

Als er momenteel door de politiek voor schaalvergroting gepleit wordt, heeft dit vaak te maken met het kunnen aanbieden van een ruim aanbod (campusscholen), of om zo er voor te zorgen dat beginnende leerkrachten binnen 1 school kunnen blijven of om een professionalisering van het schoolbestuur mogelijk te maken (alhoewel dit ook geen zekerheid biedt voor kwaliteitsverbetering).

Voor het concept van brede scholen is ook een bepaalde schoolgrootte wellicht aangewezen.  Scholen die als multifunctionele gebouwen geconcipieerd worden die ook voor muzieklessen, avondschool, sportklassen, enzovoort gebruikt kunnen worden hebben een zekere grootte nodig. Tegelijkertijd zijn die scholen best niet te groot als je de ouders door de breedte meer bij de school wil proberen te betrekken.  Dit laatste heeft volgens mij echter meer te maken met de houding en visie van de school dan de infrastructuur, alhoewel de infrastructuur het wel mogelijk moet maken om ouders makkelijk te ontvangen. En dan kan het een goed idee zijn om bijvoorbeeld een babbelbox voor ouders te organiseren.

Essentieel bij een brede school is de link met de buurt. Basisscholen zullen daarom wellicht best een pak kleiner zijn dan secundaire scholen. Al kan dit ook een gevaar inhouden. Is de buurt homogeen qua populatie, dan wordt de school als pure buurtschool logischerwijs ook homogener qua instroom en zou je bijna moeten aanvaarden dat er witte of zwarte scholen zijn. Wil je de school heterogener, dan kan het zijn dat de school (iets) minder een band met de buurt moet nastreven (en waarbij er dan ook gekeken moet worden naar mobiliteit).

Grote campusscholen zullen vaak noodgedwongen naar de buitenrand van de stad moeten trekken gewoon vanwege de plaats en daardoor de link met de buurt verliezen, maar met als voordeel dat hier een sociale mix misschien meer kan gepromoot worden. De voorbije jaren zagen we ook dat rond bijvoorbeeld Gent bepaalde scholen in de rand aan populariteit (nog) wonnen, alhoewel hier ook mobiliteit (naast tal van andere redenen) een rol meespelen.

Toch is er iets te zeggen om zelfs secundaire scholen kleiner én in de stad te houden. In Nederland spreekt men ondertussen eerder over defusies, specifiek voor vakscholen. Maar het zou ook mogelijks positief kunnen zijn voor moeilijk te bereiken leerlingen. Een project in NY waarbij leerlingen random naar grote dan wel kleinere secundaire scholen mochten gaan, toonde dat de leerlingen van de kleinere scholen minder afwezig waren op school en meer doorstroomden naar hoger onderwijs ongeacht hun sociale achtergrond. En dat met soms maar 200 leerlingen in de secundaire school, dus echt een pak kleiner dan Hattie aanbeveelt. De valkuil van te kleine scholen werd voorkomen door professionalisering bovenschools bijvoorbeeld digitaal te regelen. Het voordeel van deze kleine grootte is dat scholen dan ook makkelijker een plaatsje binnen de stad kunnen vinden.  De stad als speeltuin?

Mensen die deze blog al wat langer volgen, zullen wellicht weten dat ik zelf een eerder koele minnaar ben van schaalvergroting, maar ik heb bewust geprobeerd in deze blogpost vooral mee te geven welke elementen meespelen in de keuze voor kleinere, gemiddelde of grotere scholen in de stad. Het gaat dan eerder over linken met de buurt, ruimte van het aanbod, werkzekerheid voor het personeel, beter doorstromen van moeilijker te bereiken doelgroepen, enzovoort. En ook het belang van plaats of plaatsgebrek in deze.

Wetenschap en onderwijsdenkers kunnen dan enkel maar die voor- en nadelen meegeven. Beleid is alle mogelijke voor- en nadelen tegenover elkaar afwegen en dan keuzes maken.

P.S.: 2 weken geleden was ik aanwezig bij de bekendmaking van de eerste 4 change maker schools van Ashoka België waarbij opvallend 3 stedelijke scholen verkozen waren (naast 1 school die gebaseerd was op het principe van de scouts). Een consensus onder de winnaars en mezelf was dat er op veel scholen al veel goeds gebeurd en dat zij maar een voorbeeld waren van good practices.





Een wordcloud van de nieuwe beleidsnota onderwijs

27 10 2014

De beleidsnota onderwijs doet ondertussen op verschillende redacties (check oa hier en hier) en ondertussen ook op andere plaatsen buiten de media de ronde en staat nu ook online. Door de verschillende lekken (opvallend vind ik) kon ik de beleidsnota het voorbije weekend ook al lezen. Mijn eerdere gokken bleken er niet zo ver naast te zitten. Ik kon het niet laten even de volledige tekst in Wordle te gooien en als je even voorbije de tussenwoorden kijkt zie je het primaat van… de scholen.

Wordcloud

Je kan uit de woordwolk ook afleiden dat hoger onderwijs veel aandacht krijgt, net iets meer dan secundair onderwijs. Je kan niet echt afleiden uit het document of ASO, BSO en TSO nu al dan niet afgeschaft worden, zoals enkele journalisten denken. Deze namen staan er wel niet in, maar kunnen wel nog opduiken boven de matrix van opleidingen die men wil opstellen. Eerlijk gezegd is veel van de nota nog behoorlijk vaag in de betekenis dat er nog veel moet afgestemd worden met het werkveld, dialoog dus. Ook de autonomie van en vertrouwen in scholen is een belangrijke constante. De titel brengt dit alles samen in “Vol vertrouwen en in dialoog bouwen aan onderwijs”. Bouwen, juist, infrastructuur.

Een verdere rode draad is de wens planlast af te bouwen en regelgeving en regelneverij in te perken. Tegelijk staan er veel zaken in die net tot meer regels voor scholen en controle zouden kunnen leiden. Hopelijk kan dit laatste voorkomen worden door dit concrete voorstel dat in de beleidsnota staat en dat ik er toch uitlicht:

Het bewaken van de kwaliteit van de regelgeving en het beheersbaar houden ervan is een overheidsdoelstelling die al werd vertaald in verschillende beleidsinstrumenten. Ik sluit mij daar bij aan door een regeldruktoets bij nieuwe onderwijsregelgeving en een onderwijstoets bij alle Vlaamse regelgeving in te voeren.

Hopelijk zijn beide toetsen dan wel bindend!

Wat me verder opviel is de duidelijke wil om kinderen 3 jaar in het kleuteronderwijs te krijgen. We scoren hier wereldwijd al uitzonderlijk, maar net die kleine groep die het nog niet doet, bevat vaak kinderen die het net nodig hebben. Let wel, de leerplicht blijft een federale materie, dus het gaat vooral over stimuleren.

CLIL blijft beperkt tot secundair onderwijs lijkt het, maar toch is er meer ruimte voor talen in het basisonderwijs:

In het basisonderwijs zal ik meer bekendheid geven aan de mogelijkheid om taalinitiatie in het Engels, Frans en Duits te voorzien wanneer de leerlingen het Nederlands voldoende onder de knie hebben.

Het woord talent valt regelmatig, maar is niet zo massief aanwezig als ik de voorbije maanden sommige mensen hoorde hopen en andere hoorde vrezen.

Nu, los van het document is er 1 ding zeker: “the proof of the pudding is in the eating”.





Er zit een beleidsnota onderwijs aan te komen, wat weten we al? (en wat vermoed ik)

20 10 2014

Vandaag in de media de verhoging van het inschrijvingsgeld voor het hoger onderwijs naar maximum 890 euro. De komende dagen of weken zal ook de beleidsnota van minister Crevits bekend gemaakt worden. Wat weten we al? Voor alle duidelijkheid, ik heb de beleidsnota niet gezien en alles wat ik hier schrijf haal ik uit een interview dat de minister op 5 oktober gaf  aan de Zondag (ook te lezen op Knack) en beschreef ze 3 werven:

  1. “Werf één, en dé prioriteit: een school moet veel meer een talentenzoeker worden. Elk kind moet zijn talent maximaal kunnen ontplooien. Dat begint al in de kleuterklas: kinderen moeten gestimuleerd worden zo snel mogelijk in te pikken. De uitvoering van het Masterplan secundair onderwijs is een ander punt. Leerlingen moeten bijvoorbeeld makkelijker kunnen switchen van een algemeen vormende richting naar een beroepsgeoriënteerde richting. En omgekeerd. Die schotten moeten weg.’” Later in het interview geeft ze aan dat ASO, BSO, TSO en KSO niet per se als benaming weg moeten, als de leerlingen maar door 1 deur binnen mogen op een grote school.”
    Mijn gok? De hervorming van het SO wordt herleid tot een verhaal van schaalvergroting (jammer) en rationalisatie van opleidingen. Tegelijk nadruk op oriëntering als een traject.
  2. “Werf twee is infrastructuur. De noden zijn bijzonder groot. We moeten vandaag investeren, want de rente is laag.” Tja, dit is een wonde van ettelijke miljarden die al decennia aan het etteren is. Kan de minister en de vorige minister niet aan doen, maar het is een onmogelijke opdracht financieel. Miljoenen investeren tegenover een miljardennood.
  3. “Werf drie is de leerkracht. Ik wil dat beroep de waardering geven die het verdient. Een leraar is niet alleen iemand die kennis overdraagt, het is ook iemand die een bepalende rol speelt in belangrijke levenskeuzes die een student maakt.”
    Vrij vertaald: loopbaanpact is dringend, maar ik vermoed ook dat de lerarenopleidingen zwaar zullen aangepakt worden. Loopbaan en opleiding kan je niet los van elkaar zien. In de regeernota stond ook al dat de lerarenopleiding voorop moet lopen in de oriënteringsproef.

Zal er meer zijn? Zeker. Maar daar kan ik enkel maar helemaal gokken.

Wellicht een oplossing voor Klasse en het is uitkijken naar zaken als gelijke kansen en vooral de financiering van werkingsmiddelen ivm gelijke kansen (hier zat ook al een ballonnetje in de regeerverklaring die oa Frank Vandenbroucke verontrustte).





De politiek was deze week een lesje mediawijsheid

17 10 2014

We zeggen het zo vaak tegen jongeren: internet vergeet niet. Los van politieke voor- of afkeur, dit is wat Theo Francken deze week ook leerde. Een bericht op Facebook van jaren geleden duikt opnieuw op en je kan er worden op afgerekend.

Het is een nieuwe werkelijkheid waar we moeten leren mee omgaan. Hoe gaan we om met een transparante wereld die niet vergeet?  Ondertussen hebben 5000 mensen van hun ‘recht op vergeten’ op Google gebruik gemaakt. Iets wat Japan ook wil invoeren, trouwens. Het is een recht waardoor Google ons al tijdje wijst op de volgens hen kwalijke gevolgen. Bij verschillende zoekopdrachten zal je lezen dat de resultaten niet compleet zijn wegens dit nieuwe ‘mensenrecht’.

Ik ben zelf een voorstander van recht op vergeten, vergeten is een belangrijk, vaak gezond proces. Tegelijkertijd besef ik 1 ding: online vergeten is een technisch gegeven. Zelfs dan blijft al dan niet iets ‘vergeven’ iets puur menselijks. Maar of bijvoorbeeld alle HR-managers die jonge sollicitanten opzoeken op Google dit al ter harte nemen, is nog maar de vraag…








Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 6.534 andere volgers

%d bloggers op de volgende wijze: